CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

330684 Bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39 bijlage 1 toelichting en bijlagen toelichting

Besluit in de Raad 22 december 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 3923.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De te kappen bomen op de planlocatie zijn geïnspecteerd op aanwezige holtes welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Wegens het ontbreken van geschikte boomholten zijn rust- en/of verblijfplaatsen niet mogelijk. Derhalve zijn negatieve effecten op boombewonende vleermuizen uitgesloten. De afwezigheid van boomholten wordt onderschreven in de reeds uitgevoerde BoomEffectenAnalyse (BEA).

6

De te slopen woning is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw, bedekt met een stucpleister en een zadeldak met keramische dakpannen. De muren hebben een spouw, echter zijn er geen open stootvoegen aanwezig. De muren hebben ventilatieroosters op 30 cm van de grond. Via de muren zijn derhalve geen geschikte invliegmogelijkheden voor vleermuizen. Het dak heeft op de kopgevels kierende kantpannen waar vleermuizen in kunnen vliegen. Aangezien de woning 5 kopgevels heeft zijn er voldoende invliegmogelijkheden. Om vast te stellen of er vleermuisverblijfplaatsen in de woning aanwezig zijn dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

De opbouw van de woning biedt potentie aan verschillende soorten verblijfplaatsen, namelijk: paarverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen en zomerverblijfplaatsen. Vleermuissoorten welke mogelijk verblijfplaatsen kunnen vinden in de woning zijn; gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Figuur 4

Rood omcirkeld de plaatsen waar vleermuizen toegang kunnen krijgen tot de dakruimte en mogelijk tot de spouw

Naast de potentie voor vleermuisverblijfplaatsen, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De tuin van de woning beschikt over open ruimte, opgaande begroeiing en dichte bosschage. Tijdens het aanvullend onderzoek wordt onderzocht of de tuin onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied. Aangezien de planlocatie niet in directe verbinding staat met mogelijk geschikte foerageergebieden wordt niet verwacht dat er sprake is van een essentieel leefgebied. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). De poelkikker beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen

7

zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld. Aangezien op de planlocatie enkel een zwembad aanwezig is als oppervlakte water is er geen sprake van functioneel leefgebied van de poelkikker. Aanwezigheid van de soort kan derhalve uitgesloten worden. Wegens de opportunistische en flexibele aard, is het niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid bekend van hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). De hazelworm en levendbarende hagedis komen voor in open bossen, bosranden en heide gebieden. De ringslang prefereert meer vochtige omgevingen, met de aanwezigheid van jachtgebied in de vorm van sloten. De soorten zijn alle drie gezien in de omgeving op korte afstand van de planlocatie (<1km), derhalve is het niet uit te sluiten dat de soorten incidenteel op de planlocatie voorkomen.

Aangezien de planlocatie gelegen is ten midden van een woonwijk en gescheiden wordt van het bosgebied ‘de Vuursche’ door de Amsterdamsestraatweg (N221), is het niet aannemelijk dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van functioneel leefgebied. Echter is wegens de aanwezige strooisel laag niet volledig uit te sluiten dat reptielen incidenteel voor kunnen komen op de planlocatie. Betreffende strooisel laag wordt in de beoogde ontwikkelingen zeer beperkt verwijderd, enkel ter behoeve van perceel B wordt een oprit gerealiseerd. De oprit zal maximaal 5 meter breed zijn en derhalve blijft de strooisel laag grotendeels behouden. Aangezien de potentie van reptielen op de planlocatie zeer beperkt is en de strooisel laag grotendeels behouden blijft zijn negatieve effecten ten aanzien van (beschermde) reptielen uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich (m.u.v. het zwembad) geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2010-2020). De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. De planlocatie beschikt deels over hoge houtige vegetatie, echter is het gelegen in een woonwijk en staat het niet in directe verbinding met bos.

Verder zijn er geen specifieke waardplanten van de grote vos (iep, zoete kers en wilg) aanwezig op de planlocatie. Derhalve is de soort uitgesloten van de planlocatie. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, koolmees, merel, pimpelmees en vink. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Huismussen leven in de omgeving van mensen onder (pannen)daken met voldoende jaarrond groen in de omgeving. Andere eisen zijn grind en/of zand in de omgeving en een vorm van badwater.

De bebouwing op de planlocatie heeft vogelschroot onder de dakpannen, derhalve zijn nesten van huismussen uitgesloten op de planlocatie. De tuin van de woning heeft verschillende jaarrond groene hagen en zou mogelijk functioneel leefgebied kunnen zijn. Echter wegens het ontbreken van nestgelegenheid in de woning en voldoende vergelijkbaar (en mogelijk

8

beter geschikt) leefgebied in nabijgelegen percelen is er geen sprake van essentieel leefgebied van de soort. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De daken van de woning sluiten goed aan op de muren en de dakpannen sluiten goed aan. Verder zijn er geen sporen waargenomen van de aanwezigheid van gierzwaluwnesten. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten dienen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 7,0 km ligt het Natura 2000gebied ‘Eemmeer & Gooimeer Zuidoever’ (figuur 5). Op een afstand van circa 60 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).

Figuur 5

9

De planlocatie ligt op een afstand van 7,0 km tot het Natura 2000-gebied ‘Eemmeer & Gooimeer Zuidoever’ (bron: arcgis.nl/home/webviewer/viewer).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 60 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van een woning en de realisatie van twee nieuwbouw woningen. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (7,0 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie wordt verwacht dat er geen sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator is intussen uitgevoerd en aangeleverd. Beoordeling (c) houtopstanden De beoogde ontwikkelingen voorzien de kap van ca. 10 bomen op het perceel. De bomen betreffen douglassparren, zomereik en een appelboom. Deze waren ten tijden van het veldbezoek gemarkeerd en zijn geïnspecteerd op holtes. Aangezien de kapwerkzaamheden op eigen erf en binnen de bebouwde kom plaatsvinden is het kappen/verwijderen van betreffende bomen op de planlocatie niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid.

Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

10

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gebouwbewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden De te kapwerkzaamheden zoals beoogd in de ontwikkeling zijn niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

+/-

+/-

-

n

n

n

n

n

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

7,0 km

stikstof

AERIUS

Natuurnetwerk Nederland

60 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

ja

ja

n.v.t.

ja

ja

n.v.t.

Bomen

-

n

-

Struiken

-

+/-

-

j

-

+

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Natura 2000

+

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Insecten en andere ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de kapwerkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

11

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits er geen verblijfplaatsen aangetroffen worden, de ontheffing verleend is, enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn uitvoerbaar is.

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling (sanering en kapwerkzaamheden) dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kapwerkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli) en na het uitvoeren van het aanvullende vleermuisonderzoek.

Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

12

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

13

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

14

Bijlage 1 Fotografische impressie

15

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn en bestaat uit een gemetselde, geïsoleerde spouwmuur met stucpleister en een zadeldak met keramische dakpannen.

Figuur 2

De woning heeft verschillende kopgevels met kierende kantpannen waar vleermuizen toegang tot de dakruimte kunnen vinden.

16

Figuur 3

De bosschage op de planlocatie waar verschillende grote bomen verwijderd worden.

Figuur 4

Het vogelschroot in de goot maakt het onmogelijk voor huismussen om nestgelegenheid te vinden onder het dak.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

17

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

18

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

19

bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39

Bijlage 4 Bomen Effect Analyse (BEA)

52

BIJLAGEN TOELICHTING (vastgesteld)

Bomen Effect Analyse Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn

eigenaar:

Mevrouw V. van Veenendaal - Stolk Jacob van Lenneplaan 39 3743 AP BAARN

opdrachtgever:

Architectenbureau Groenesteijn Laanstraat 13 3743 BA BAARN

auteur :

Bleekemolen Bomen BV Just M.C. Bleekemolen EAC® European Tree Technician & beëdigd taxateur van bomen

rapport nr. :

19 / 011

februari 2019

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

1.

INHOUDSOPGAVE

pag.

1.

INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK

2.

2.

BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE

3.

3.

METHODE VAN ONDERZOEK

5.

4.

KNELPUNTEN

6.

5.

CONCLUSIE EN ADVIES

7.

BIJLAGE I

tabel 1 :

Inventarisatie van het bomenbestand.

II

Lijst met 10 geboden bij boombescherming. (Uitgave Bomenstichting)

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

1.

2.

INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK.

Aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn is in verband met de splitsing van het perceel behoefte aan een inventarisatie van het bestaande bomenbestand. Het huidige perceel (kadastraal nr.1164) beslaat een oppervlakte van ca. 3.200 m² Om de toegang tot het nieuwe, af te splitsen, perceel mogelijk te maken zal een nieuwe inrit gecreëerd moeten worden vanaf de openbare weg. Deze inrit is gepland aan de zuidoost-zijde naast de inrit van huisnummer 41. Op deze locatie staan echter een aantal zeer hoge sparrenbomen die onderdeel uitmaken van de tuin. In opdracht van Architectenbureau Groenesteijn te Baarn is door ons een zgn. Bomen Effect Analyse (BEA) opgesteld om de invloed van de herinrichting van het perceel en met name de aanleg van de nieuwe inrit op het bestaande bomenbestand in kaart te brengen.

Doel van het onderzoek. In een Bomen Effect Analyse (BEA) dient de vraag centraal te staan of het duurzaam handhaven van bestaande bomen in hun huidige verschijningsvorm en op de dezelfde standplaats in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden, behouden kunnen blijven. De doelstelling van deze BEA is om enerzijds inzicht te verkrijgen in de huidige status van het bomenbestand (zgn. nulmeting) en anderzijds te beoordelen welke bomen technisch verantwoord gehandhaafd kunnen blijven, zonder dat de levensverwachting in het geding komt.

Vraagstelling. • Waaruit bestaat het bomenbestand en wat is conditie, mechanische kwaliteit en vitaliteit in ongewijzigde omstandigheden • Met welke randvoorwaarden dient er rekening te worden gehouden om de bomen tijdens de geplande herinrichting en aanlegwerkzaamheden te beschermen • De herinrichting van het terrein zal ook gepaard gaan met de wijziging van de infrastructuur en de aanleg van de tuin, waarbij de volgende aspecten aan de orde zijn; welke bomen moeten wijken voor de nieuwbouw en aanleg van de infrastructuur welke bomen staan binnen de directe invloedsfeer van de nieuwbouw en kunnen gehandhaafd blijven, mits aan gestelde randvoorwaarden wordt voldaan. welke (te handhaven) bomen worden indirect beïnvloed als gevolg van blijvende verstoring van groeiplaatsfactoren welke bomen dienen om boomtechnische of beheerstechnische redenen gekapt te worden Naar verluidt vindt er geen (tijdelijke) onttrekking van grondwater plaats voor onderkeldering of fundering van gebouwen.

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

3.

2. BESCHRIJVING VAN DE SITUATIE. De huidige inrit in de bocht van de Jacob van Lenneplaan zal behouden blijven als toegang tot één van beide percelen. De situatie zal hier grotendeels ongewijzigd blijven en er is geen nadelige effect te verwachten op de aldaar aanwezige bomen. Aan de andere zijde van het perceel zal een nieuwe inrit aangelegd moeten worden, waarbij de aanwezigheid van een aantal bomen (zie foto 1.) een knelpunt vormen in de realisatie van het bouwplan. In deze BEA zijn de relevante bomen opgenomen die binnen de directe omgeving van het bouwplan staan. Dit betreft boomnrs. 1 t/m. 11. De overige bomen (nrs. 12 t/m. 23) staan op geruime afstand van de bouwactiviteiten en zijn in de huidige planfase buiten beschouwing gelaten. De standplaats van de bomen is weergegeven in onderstaande situatietekening.

Afbeelding 1: bestaande situatie met boomnummering

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

4.

De nieuwe inrit van het afgesplitste perceel is geprojecteerd ten zuidoosten van gemeentelijke zomereik nr. 5461 en loopt grotendeels parallel aan de oprit van huisnummer 41, zoals op onderstaande tekening is aangegeven.

foto 1: aanzicht bomen v.a. noordelijke richting

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

5.

3. METHODE VAN ONDERZOEK. Voor de inventarisatie (tabel 1.) van het bomenbestand zijn alleen de (relevante) bomen opgenomen waarvan de standplaats zich binnen de directe invloedsfeer van het bouwplan bevindt. Daarbij zijn de volgende kenmerken opgenomen: • boomnummer, corresponderend met situatietekening van Landscape studio • boomsoort, wetenschappelijke en Nederlandse benaming • stamdiameter, op borsthoogte (130 cm +mv.) N.B. opgenomen zijn alleen bomen v.a. 20 cm • conditie, de fysiologische conditie is vastgesteld op basis van de blad-/naaldbezetting (zgn. Leaf Area Index) en onderverdeeld in vijf klassen; 1. goed 2. redelijk 3. matig 4. slecht 5. zeer slecht / afgestorven •

VTA, op basis van evt. mechanische gebreken (zgn. Visual Tree Assessment-methode) is een beoordeling gemaakt van de specifieke technische kenmerken die zijn weergegeven in onderstaande tabel 1 en in de bijlage is opgenomen.

•

opmerking e/o. maatregel, aanvullende informatie ten aanzien van het beheer

Tabel 1. Overzicht bomenbestand (zie ook bijlage I.)

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

6.

4. KNELPUNTEN. Bij de herinrichting van het perceel en het creëren van een nieuwe inrit is het van belang dat rekening wordt gehouden met de aanwezige bomen. Uitgangspunt hierbij is dat de bomen in hun huidige verschijningsvorm duurzaam behouden kunnen blijven. In het huidige ontwerp is de ligging van de nieuw aan te leggen inrit rekening gehouden met de aanwezigheid van het gemeentelijke laanbomen. Hierbij heeft men – vanzelfsprekend – gekozen voor de minst schadelijke variant. Dit heeft ertoe geleidt dat de locatie van de inrit in de uiterste hoek van het perceel is gepland, op de plaats waarbij de afstand tot de laanbomen het grootst is. Dit betekent echter dat voor de op het perceel aanwezige bomen (nrs. 1 – 10) de situatie ingrijpend verandert. boom nr. 1 en 2 Deze twee hoog opgaande douglassparren zijn vanwege de geringe onderlinge afstand onlosmakelijk – met elkaar verbonden. Zowel ondergronds, qua groeiplaats, als bovengronds, qua verschijningsvorm, zijn beide bomen grotendeels van elkaar afhankelijk. Boom 1 heeft door de concurrente van een overmatige klimopbegroeiing een matige conditie gekregen. De klimop is echter recentelijk doorgezaagd. De stamdiameter bedraagt 65 cm. hetgeen betekent dat bij ontgraving van het maaiveld, met een minimale afstand 325 cm rekening moet worden gehouden, om beschadiging van wortels te voorkomen.

Deze bomen kunnen om die reden niet gehandhaafd blijven omdat de graafwerkzaamheden binnen deze afstand onvermijdelijk ernstige schade zal toebrengen. boom 3, 4 en 5 Boom 3 en 5 zijn beide afgestorven. Vermoedelijk is dit veroorzaakt door onvoldoende lichttoetreding en de concurrente met omringde bomen. Boom 4 is een omvangrijke douglasspar die zich vanwege de sociale positie zeer eenzijdig heeft ontwikkeld. Ook bij deze boom dient een minimale afstand van 325 cm te worden aangehouden om beschadigingen aan het wortelstelsel te voorkomen. Vermoedelijk is deze boom in verband met de aanleg van de inrit daarom niet te handhaven. boom 6, 7 en 8 Dit is groep van drie douglassparren van geringe omvang. Bij twee exemplaren ontbreekt de top. De conditie is redelijk tot matig. Eén exemplaar belemmert de kroonontwikkeling van een gemeentelijke zomereik (5461). Om die reden zijn deze bomen niet behoudenswaardig. boom 9 Deze laanboom (GreenPoint nr. 5461) van de Jacob van Lenneplaan heeft een redelijke conditie maar een ietwat eenzijdig ontwikkelde kroongestel. Deze zomereik staat als uiterste boom naast de geplande inrit van het betreffende perceel. Bij de bouw- en aanlegwerkzaamheden dient deze boom intensief beschermd te worden om schade te voorkomen.

Bij graafwerkzaamheden ten behoeve van de inrit en aanleg van infrastructuur dient een minimale afstand 250 cm in acht genomen te worden genomen. Geadviseerd wordt om hiervoor op voldoende diepte onder het wortelpakket mbv. gestuurde boortechniek de kabels en leidingen aan te leggen. Ook bovengronds dienen de nodige voorzieningen (rijplaten) te worden getroffen om bodemverdichting te voorkomen. boom 10 Dit betreft een jonge zomereik met een geringe stamomvang. Door de (licht)concurrentie met andere bomen heeft deze een zeer eenzijdig ontwikkelde kroon richting het naburige perceel (nr. 41). De inrit zal waarschijnlijk op geringe afstand van deze boom aangelegd worden. boom 11 Deze, zeer oude, appelboom is nagenoeg afgestorven. Aangezien de verankeringswortels ook zijn afgestorven heeft de boom zijn stabiliteit verloren en is de wortelkluit kiepende. De boom wordt hierom ondersteund met een juk. Geadviseerd wordt deze boom op voorhand te verwijderen. Resumerend dient opgemerkt te worden dat de hierboven beschreven bomen nrs. 1 – 8 nabij de geplande inrit aangemerkt dienen te worden als één boomgroep. Op ca. 9 meter afstand, bevindt zich een andere groep bomen (nrs. 12 – 23) die er letterlijk los van staan. Deze bomen bevinden zich buiten de directe invloedsfeer van de werkzaamheden en zullen voor zover bekend geen gevolgen van de splitsing / herinrichting ondervinden.

Deze zijn om die reden in deze BEA buiten beschouwing gelaten.

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

7.

5. CONCLUSIE EN ADVIES. In bovenstaande analyse is een uiteenzetting gegeven welke invloed het bouwplan en aanverwante terreininrichting heeft op de huidige situatie van het bomenbestand. Bij de plaatsbepaling van de inrit is een zorgvuldige afweging gemaakt ten aanzien van het duurzaam behoud van zoveel mogelijk bomen, in het bijzonder de laanbomen aan de Jacob van Lenneplaan. Met de nieuwe bestemming en de daarmee gepaard gaande nieuwbouw zal de inrichting van het terrein ingrijpend en blijvend veranderen. Dit zal voor een deel effect hebben op het bomenbestand. Het bomenstand waarop deze BEA betrekking heeft omvat 11 individuele exemplaren. Dit zijn de bomen waarvan de standplaats zich binnen of nabij de directe omgeving van de geplande inrit bevindt. De groeiplaats van deze bomen zal – onvermijdelijk – beschadigd worden door de aanleg van de oprit. Om die reden kunnen er 10 exemplaren niet duurzaam behouden blijven en dienen voor de aanleg van de inrit verwijderd te worden. Dit zijn 8 douglassparren (nrs. 1- 8), een zomereik en een appelboom. Voor het behoud en de bescherming van de gemeentelijke laanboom (nr. 9 / 5461) is een intensieve bescherming noodzakelijk. Dit betekent dat binnen een afstand van 250 cm vanaf de stamvoet er geen verstoring van de groeiplaats mag plaatsvinden.

Beschadigingen door graafwerkzaamheden, bouwverkeer en bodemverdichting kunnen direct of indirect de levensverwachting in gevaar brengen. Mits de algemene randvoorwaarden en voldoende beschermingsmaatregelen in acht worden genomen (zoals vermeld in de bijlage II ), kan het overige deel van het bomenbestand duurzaam in stand blijven. Nietemin is het raadzaam deze bomen met bouwhekken te isoleren tijdens de bouwwerkzaamheden. en indien nodig, op gezette tijden, de aanwezigheid van een ervaren boomdeskundige in te schakelen. Deze kan naast het toezicht bij specifieke werkzaamheden zonodig in samenspraak met de bouwopzichter, maatregelen treffen in onvoorziene situaties.

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

BIJLAGE I

tabel 1 :

Inventarisatie van het bomenbestand.

II

Lijst met 10 geboden bij boombescherming. (Uitgave Bomenstichting)

8.

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

tabel 1: Overzicht bomenbestand

9.

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

_

_

10.

Jacob van Lenneplaan 39 – Baarn

11.

bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39

Bijlage 5 Verkennend bodem- en asbestonderzoek

BIJLAGEN TOELICHTING (vastgesteld)

65

Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van: Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn

projectnummer

192861

Pagina 2 van 16

TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Versie rapportage Auteur Controle en vrijgave Paraaf vrijgave

Datum OPDRACHTGEVER Naam Contactpersoon Adres

Verkennend bodemonderzoek Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn 192861 1.0 H.E. Starre Ing. M. van den Broek

12 februari 2020 Mevrouw V. van Veenendaal Dhr. J. van der Mark (Van der Mark Advies) Groenekanseweg 35 te Groenekan

UITGEVOERD DOOR

info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl

Kantoor Zuidwolde Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde Tel: 0528 373 982

Kantoor Appingedam Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam Tel: 0596 633 355

Kantoor Almere Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere 036 82 00 397

DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd ter plaatse van Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn, in opdracht van mevrouw V. van Veenendaal. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien: de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2001

Verkennend bodemonderzoek Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn (kenmerk: 192861)

Pagina 3 van 16

INHOUD 1.

INLEIDING.................................................................................................................... 4

1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.4

Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 4 Kwaliteitsborging algemeen .......................................................................................................... 4 Kwaliteitsborging onderzoek ......................................................................................................... 4 Normen onderzoeksstrategie ........................................................................................................... 5 Veldwerkzaamheden ........................................................................................................................ 5 Laboratoriumwerkzaamheden ......................................................................................................... 5 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 6

2.

VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017) ............................................................................. 7

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek ............................................................................... 7 Stap 1; aanleiding vooronderzoek ................................................................................................. 7 Stap 2; onderzoeksvragen ............................................................................................................. 7 Samenvatting vooronderzoek ....................................................................................................... 8 Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek ........................................................................ 8 Afwijkingen vooronderzoek .......................................................................................................... 8 Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategie (NEN5740)........................................................... 9

3.

VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................ 10

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuis) ..................................... 10 Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater) ........... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Bodemopbouw ............................................................................................................................ 10 Zintuiglijke waarnemingen .......................................................................................................... 11 Afwijkingen protocollen .............................................................................................................. 11 Afwijkingen strategie(ën) ............................................................................................................ 11

4.

ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING ....................................................................... 12

4.1 4.2 4.3 4.4

Analysemonsters ......................................................................................................................... 12 Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden ................................................................................. 12 Toetsing analyseresultaten.......................................................................................................... 12 Milieuhygiënische kwaliteit grond............................................................................................... 13

5.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................... 15

5.1 5.2

Samenvatting .............................................................................................................................. 15 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 16

BIJLAGEN 1.1 Regionale ligging 1.2 Situatieschets onderzoekslocatie met boorpunten 2 Resultaten vooronderzoek 3 Boorprofielen 4 Analyseresultaten 5 Toetsingswaarden 6 Analysemethoden

2001

Verkennend bodemonderzoek Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn (kenmerk: 192861)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10789581/1