330684 Bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39 bijlage 1 toelichting en bijlagen toelichting
Tekst van het document
30
TOELICHTING (vastgesteld)
bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, (hierna “een aangewezen bouwplan”), in combinatie met een bestemmingsplan, wijzigingsplan, projectuitvoeringsbesluit of omgevingsvergunning is de afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Grondexploitatiewet) van toepassing. Dit houdt in dat de gemeenteraad een exploitatieplan dient vast te stellen tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst de kosten in de grondexploitatie anderszins verzekerd zijn en, indien noodzakelijk, er afspraken zijn gemaakt over een tijdvak, fasering en locatie-eisen. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waardoor er geen exploitatieplan vastgesteld hoeft te worden en de economische uitvoerbaarheid van het project verzekerd is.
6.2
Communicatie
6.2.1
Overleg met de buurt
Op 16 juli 2009 is er een informatieavond gehouden over de voorgenomen plannen. Een verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in Bijlage 9. Geconcludeerd kan worden, dat de aanwezigen konden instemmen met de plannen: zowel met de positionering van de nieuwe woningen als met de voorgenomen plaats van de nieuwe inrit. 6.2.2
Uitkomsten vooroverleg
Omdat de nieuwe ontwikkeling binnen de zogenaamde rode contour geprojecteerd is, zijn er geen provinciale belangen in het geding. Conform afspraken met de provincie behoeft een dergelijk plan in het kader van het (voor)overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening niet toegezonden te worden aan de provincie. Het overleg met het Waterschap heeft al plaatsgevonden in het kader van de digitale watertoets en behoeft niet herhaald te worden. 6.2.3
Verslag zienswijzen
In het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb heeft het plan van 5 maart 2021 tot en met 15 april 2021 in ontwerp ter inzage gelegen. Er zijn 3 zienswijzen binnengekomen. In de zienswijzennota is inhoudelijk op deze zienswijzen ingegaan. Zie Bijlage 10. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
TOELICHTING (vastgesteld)
31
Jacob van Lenneplaan 39
bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39
Inhoudsopgave
BIJLAGEN TOELICHTING
3
Bijlage 1
Aanwijzing Beschermd Dorpsgezicht
4
Bijlage 2
Toelichting aanwijzing Beschermd Dorpsgezicht
6
Bijlage 3
Quick scan Natuurbescherming
32
Bijlage 4
Bomen Effect Analyse (BEA)
52
Bijlage 5
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
65
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek
129
Bijlage 7
Stikstofonderzoek
215
Bijlage 8
Digitale watertoets
237
Bijlage 9
Verslag informatieavond
245
Bijlage 10
Zienswijzennota
247
2
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39
BIJLAGEN T OELICHT ING
BIJLAGEN TOELICHTING (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39
Bijlage 1 Aanwijzing Beschermd Dorpsgezicht
4
BIJLAGEN TOELICHTING (vastgesteld)
1 7 FEB De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
en
De Minister van Infrastructuur en Milieu
Overwegende
dat het Prins Hendrikpark e.o., gemeente Baarn van algemeen belang is vanwege zijn historisch-ruimtelijk karakter; dat het historisch-ruimtelijk karakter van dit gebied nog voldoende gaaf en herkenbaar is; gelet op de artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; gehoord de raad van de gemeente Baarn, gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, de Raad voor Cultuur en de Rijksplanologische Commissie; Besluiten dat het Prins Hendrikpark e.o. in de gemeente Baarn, zoals is aangegeven op de bij dit besluit behorende begrenzingskaart met als kenmerk MSP / 2 3 / 0 1 en zoals is omschreven in de toelichting bij dit besluit, wordt aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988; dat de binnen het te beschermen gebied de vigerende bestemmingsplannen: Prins Hendrikpark 1996, vastgesteld door raad: 29-05-1996, goedgekeurd d o o r G S : 10-09-1996 en Prins Hendrikpark 2002 (part, herziening plan 1996), vastgesteld door raad: 2 5 - 0 9 - 2 0 0 2 , goedgekeurd door G S : 22-04-2003 als voldoende beschermend kunnen worden aangemerkt; dat de overige bestemmingsplannen Noord/Noord-west, vastgesteld door raad: 2 5 - 0 3 - 1 9 9 8 , goedgekeurd d o o r G S : 27-10-1998 en Wilhelminapark-Noord, vastgesteld door raad: 30-09-1981, goedgekeurd door G S : 21-12-1982 niet voldoen aan het bestemmingsvereiste; dat de termijn waarbinnen een ter
bescherming strekkend bestemmingsplan moet worden vastgesteld, wordt bepaald op anderhalf jaar. Dit besluit wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant. Van dit besluit wordt mededeling gedaan in de daarvoor in aanmerking komende dagof nieuwsbladen en aan de raad van de gemeente Baarn, gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, de Raad voor Cultuur en de Rijksplanologische Commissie. Een belanghebbende kan tegen dit besluit binnen zes weken na de dag waarop het besluit is bekend gemaakt schriftelijk bezwaar maken. De belanghebbende dient daartoe een bezwaarschrift in bij de minister van OCW, onder vermelding van "Bezwaar", ter attentie van Dienst Uitvoering Onderwijs, Postbus 606, 2700 ML in Zoetermeer. Meer informatie over het maken van bezwaar vindt u op: www.bezwaarschriftenocw.nl
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Infrastructuur en Milieu, naraerrS"de^e;\ le Directeur vanide Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed,
drs. Cees v a n ' t Veen
bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39
Bijlage 2 T oelichting aanwijzing Beschermd Dorpsgezicht
6
BIJLAGEN TOELICHTING (vastgesteld)
3.120402010003
c : flL
Beschermd dorpsgezicht Prins Hendrikpark e.o.
Datum in procedure:
19-01-2005
Datum aanwijzing:
j f pjrg
Errata:
2011
Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht Prins Hendrikpark e.o. gemeente Baarn (Utrecht) ex artikel 35 Monumentenwet 1988
Baarn, Prins Hendrikpark e.o.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu zijn bevoegd om gezamenlijk beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. Het rechtsgevolg van de aanwijzing is dat de gemeenteraad ter bescherming van een stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan, als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vast moet stellen. In die zin kan de aanwijzing tevens een stimulans betekenen voor een te voeren ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In totaal zijn er in Nederland meer dan 300 beschermde stads- en dorps-gezichten met een geschiedenis die teruggaat tot voor het jaar 1850. In het kader van het Monumenten Inventarisatie Project is ook de stedenbouw uit de periode 1850-1940 landelijk gemventariseerd. Het besluit tot aanwijzing van Prins Hendrikpark e.o. te Baarn als beschermd dorpsgezicht vloeit voort uit deze inventarisatie.
2
3.120402010005
Inleiding Tot het beschermd gebied behoren villaparken, die tot ontwikkeling zijn gekomen na de aanleg van de spoorlijn Amsterdam-Hilversum-Amersfoort en de bouw van het spoorwegstation in 1874. Het grootste gedeelte van de aan weerszijden van deze spoorlijn gelegen villaparken zijn vanaf 1883 verkaveld in opdracht van de Baarnsche Bouwterrein Maatschappij (BBM) naar ontwerp van de landschapsarchitect H. Copijn. Het ten zuiden van de spoorlijn gelegen Prins Hendrikpark werd door de genoemde maatschappij na 1883 zelf in exploitatie genomen en kreeg als attractiepunt het badhotel naar ontwerp van H.P. Berlage (1886). Het aan de noordzijde van de spoorlijn gelegen Wilhelminapark werd door de BBM doorverkocht aan andere exploitanten en kwam vanaf 1896 tot ontwikkeling. Om het park voor nieuwe bewoners aantrekkelijk te maken, werd in 1897 op het hoogste punt een langgerekte vijver gegraven. Beide parken zijn volgens de late landschapsstijl in grote gebogen lanen aangelegd met incorporatie van enkele restanten van het 18 -eeuwse lanenpatroon van het voormalige Baarnse Bos. De bebouwing bestaat uit overwegend forse, laat 19 -eeuwse en vroeg 20 -eeuwse villa's op grote percelen met een grote diversiteit aan bomen en struiken. e
e
e
Afwijkend in aanleg en bebouwing is de Transvaalbuurt, het met kleinere, deels ook dubbele villa's op smallere percelen, langs rechte lanen bebouwde oostelijke gedeelte van het Wilhelminapark, tussen de Molenweg en de Oude Utrechtseweg. Dit parkdeel kwam na circa 1910 tot
ontwikkeling en is door zijn gave architectonische detailleringen opgenomen binnen het beschermd gebied. Aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg ligt het Emmapark binnen een driehoekig terrein. Dit kleine villapark werd vanaf 1903 aangelegd, maar kreeg pas na de Eerste Wereldoorlog bebouwing. Een bijzonder ensemble is het spoorwegravijn met voetgangersbrug in vroege betonbouw (1912), het station met plantsoen (1874), het voormalige buurtspoorstation (1898) en de bijzondere beplanting langs het trace. Ondanks diverse naoorlogse ingrepen hebben de parken hun bijzondere ruimtelijke en architectonische karakteristieken nog goed behouden. Ontstaan en ontwikkeling (kaart 2 en 3) In het laatste kwart van de 19 eeuw heeft Baarn een opvallende groei doorgemaakt, als een van de eerste plaatsen in het midden van Nederland. Deze groei was vooral te danken aan de ontsluiting vanuit Amsterdam door de aanleg in 1874 van de Oosterspoorweg van Amsterdam over Hilversum naar Amersfoort ter verbinding van de Amsterdamse havens met het Ruhrgebied. Ter wille van een wat gunstiger ligging van het station bij Baarn werd de lijn naar het noorden uitgebogen. Op aandrang van prins Hendrik werd vanaf het station een lichtslingerende weg, de huidige Gerrit van der Veenlaan, aangelegd naar het viaduct (Koningin Emmabrug) op de kruising met de Amsterdamsestraatweg.
De prins kon op deze wijze vanuit paleis Soestdijk rechtstreeks het station bereiken zonder de spoorwegovergang te moeten passeren. e
Ten westen van de kleine agrarische kern van Baarn kwam aan weerszijden van de spoorlijn successievelijk een viertal 3
villaparken in ontwikkeling: het Amaliapark, het Prins Hendrikpark, het Wilhelminapark en het Emmapark. Een belangrijke aanzet tot deze ontwikkeling werd gegeven door prins Hendrik, die de bouw van een station bedong en ervoor, als visitekaartje, het Amaliaplantsoen Net aanleggen. Vanuit dit plantsoen werden gebogen wegen aangelegd en stukken grond, die tot de domeinen van paleis Soestdijk behoorden, aan particulieren uitgegeven voor villabouw. Na het overlijden van prins Hendrik in 1879 besloten zijn erfgenamen grote delen van de domeingronden te verkopen. Deze gronden maakten deel uit van het Baarnse Bos, dat in de 18 eeuw een formele aanleg kreeg met rechte lanen (zichtassen, patte d'oie) en sterrebossen. Als snellere verbinding met Eemnes en Amsterdam werd in 1733 de Amsterdamsestraatweg aangelegd met dubbele rijen bomen. De Van Heutszlaan volgde enige jaren later als 45 meter brede Oranjeboomschen Straatweg, gericht op de kerktorens van Baarn en de Lage Vuursche. e
Prins Hendrikpark {kaart 4) Het Prins Hendrikpark, een 25 hectare groot driehoekig terrein ten zuiden van de spoorlijn, begrensd door de Van Heutszlaan, de Amsterdamsestraatweg en de spoorlijn, werd door de BBM zelf ter exploitatie genomen. Landschapsarchitect H. Copijn ontwierp omstreeks 1883 een villapark met ongeveer 35 villa's op ruime kavels (0,4 tot 1,9 ha) langs gebogen, ellipsvormige lanen in de landschapsstijl (Prinses Marielaan, Carolinalaan, Julianalaan en Prins Bernardlaan. De enige rechte lijn die Copijn inpaste, was de Prinses Irenelaan. De entree vanaf de Van Heutszlaan werd gevormd door de Prins Bernardlaan, die uitkwam op een tweetal zwikvormige plantsoenen die de 4
opvullingen waren van de twee ellipsvormige lanenpatronen, die het park domineerden. De BBM Met het wegenplan van Copijn grotendeels volgens het concept uitvoeren. Tussen 1899 en 1905 werd de centrale ellips echter aangetast door de wijziging van het trace van de Prinses Carolinalaan. Een bestaand bospad (Zuiderlaan) werd gehandhaafd als trace voor de enigszins gebogen Prinses Beatrixlaan. Ten slotte werd in 1912, na het gereedkomen van de betonnen voetgangersbrug over het spoor, de Bruglaan aangelegd. De verkaveling en de villabouw geschiedden in wat kleinere percelen en niet geheel volgens het ontwerp. Een aantal villa's werd in eigen beheer gebouwd voor verkoop of verhuur, maar een groot gedeelte werd verkocht als onbebouwde percelen, waarbij het oorspronkelijke verkavelingsschema werd losgelaten. Men moest immers snel de aanlegkosten eruit krijgen en dividend aan de aandeelhouders uitbetalen. Direct na de aanleg van de wegen werd op 7 januari 1885 besloten om centraal in het park, als zichtpunt vanaf de Van Heutszlaan, een sanatorium (koudwatergeneesinrichting) te bouwen. De architecten Th. Sanders en H.P. Berlage kregen de opdracht en in 1887 was het luxe kuuroord in rijke chaletstijl klaar. Vele grote, solitaire villa's op forse percelen verschenen in de volgende decennia als zomerverblijven van Amsterdammers.
Na 1945 traden er veranderingen op in het villapark, zowel wat betreft het gebruik als de verdichting van de bebouwing. Langs de Prinses Carolinalaan verschenen nieuwe villa's op kleinere percelen (1000 tot 3000 m ) en werden deze ontsloten door een nieuwe infrastructuur. Enige herverkaveling voor nieuwe bungalows vond plaats, 2
3,120402010006
zoals aan het spoor tussen de Bruglaan en de Prinses Irenelaan. Diverse villa's maakten plaats voor nieuwbouw. Voorts is een drietal relatief grootschalige ingrepen van belang. Villa Oranjeboom op de hoek van de Amsterdamsestraatweg en de Van Heutszlaan is in de jaren zestig vervangen door het grote appartementencomplex Roosterhoeck, huis Uytenbosch aan de noordwestzijde heeft plaatsgemaakt voor een compacte woonbebouwing en van het vermaarde Badhotel is in 1983 alleen de toren gehandhaafd met toevoeging van een appartementencomplex in drie tot vier bouwlagen (Residentie Prins Hendrikpark). Ten slotte kregen vooral de villa's langs de Van Heutszlaan een kantoorbestemming en werd het terrein tussen de Prinses Marielaan en de Carolinalaan bestemd als tennisaccommodatie.
een wielerbaan aanleggen, die echter spoedig omgevormd werd tot de huidige Emmalaan. De Emmalaan kreeg aansluiting op de al eerder, volgens het plan van Copijn gerealiseerde Wilhelminalaan. De gebogen Sophialaan, aansluitend op de kruising van de Gerrit van der Veenlaan en de Oude Utrechtseweg, is de tweede andere laan die volgens het plan van Copijn is uitgevoerd. De 18 -eeuwse Wittelaan en de dwarsas erop, de Nassaulaan, benutte Copijn als zichtassen voor de geprojecteerde, overigens niet uitgevoerde villa's. e
Wilhelminapark (kaart 4) Het Wilhelminapark boven de spoorlijn kent een complexere ontwikkeling, waarbij enkele deelgebieden met eigen karakteristiek te onderscheiden zijn. In 1896 verkocht de BBM het bosterrein aan de plaatselijke bouwondernemer H. Sweris, die in datzelfde jaar begon met de aanleg van het villapark.
In de daaropvolgende jaren breidde Sweris het stratenplan van het Wilhelminapark uit met onder meer de Adelheidlaan en de Kroningslaan vanuit een gezamelijk plantsoentje aan de Wilhelminalaan en uitkomend op de Emmalaan. lets later kwam de Anna Paulownalaan tot stand met in het midden haaks kruisend de tussen 1899 en 1905 aangelegde Hertog Hendriklaan. Toen werd ook De Beaufortlaan aangelegd. De slingerende Ferdinand Huycklaan werd omstreeks 1898 gerealiseerd naar een gewijzigd ontwerp van Copijn. Villabouw in het Wilhelminapark vond tussen circa 1900 en 1930 plaats. De oudste en grootste villa's op ruime percelen verrezen vooral langs de Gerrit van der Veenlaan, de Wilhelminalaan en de Emmalaan aan weerszijden van de Wilhelminavijver.
Ter verfraaiing werd op het hoogste punt van het gebied een langgerekte vijver gegraven tussen de beide 1 8 eeuwse rotondes van de sterrebossen, die eind 19 eeuw bekendstonden onder de namen het 'Eemnesser Bergje' en de "Hoogen Eng'. De vijver had de vorm van een grand canal met halfronde uitstulpingen in het midden. In de jaren dertig van de 2 0 eeuw kreeg de vijver haar huidige grillige verloop. Als extra attractie Net Sweris rond de vijver
Na 1945 werden hier en daar kavels afgesplitst voor nieuwe landhuizen en bungalows, kreeg de Wittelaan haar bebouwing en verrees op de hoek van de Wilhelminalaan en de Nassaulaan een groot appartementengebouw. Aan de Oude Utrechtseweg nestelde zich vanaf 1951 Polygram, die in 1996 forse nieuwbouw pleegde ten koste van de villa Hoog Wolde, waarvan tegenwoordig alleen het toegangshek en het koetshuis resteren.
e
e
e
5
In het noordelijke deel van het Wilhelminapark park werd tussen 1899 en 1905, als laatste fase van de wegenaanleg, de slingerende Waldeck Pyrmontlaan aangelegd tussen de Wilhelminalaan en de Jacob van Lenneplaan. Toen werd ook de Ringlaan ten oosten van de Wilhelminalaan aangelegd, waar in 1911 het grote landhuis De Harscamp verrees. De slingerende Ferdinand Huycklaan werd omstreeks 1888 gerealiseerd naar een gewijzigd ontwerp van Copijn. Deze laan kreeg in 1920 haar huidige aanzien door de bouw van zeventien dubbele middenstandswoningen. Het noordwestelijke deel van het gebied, doorsneden door de Jacob van Lenneplaan, behoorde niet toe aan de BMM en was als agrarisch bouwland in gebruik met een onregelmatige verkaveling en een enkele keuterboerderij. Langs de Van Heemstralaan, tot 1882 in bezit van de eigenaar van Rusthoek, kwam al na 1875 een villaparkje tot ontwikkeling op de strook bouwland langs de Eemnesserweg, waar onder meer in 1881 de buitenplaats't Benthuys en de villa Courbe Vole (1885) werden gesticht. Langs het bestaande trace van de Jacob van Lenneplaan maakten de aan de oostzijde gelegen agrarische bebouwing en de korenmolen plaats voor enige villa's, met het grote Berg en Dal uit 1888 in de uiterste noordwesthoek als hoogtepunt.
Na 1945 werd de strook grond tussen de Jacob van Lenneplaan en de Amsterdamsestraatweg, die als overbos in bezit was van de buitenplaats Buitenzorg, verkaveld voor bungalows, evenals de terreinen langs de Dillenburglaan, de Guldenhoflaan (aanleg tussen 1872 en 1885) e n ' t Hoogt, waar de verkaveling de oorspronkelijke kavelstructuur van het akkerland volgt.
6
Behalve't Benthuys hielden de grote bezittingen van het vanaf 1909 gestichte landhuis Intimis aan de Ferdinand Huycklaan 9 en het Maarschalksbos, ten noorden van de Molenlaan, verdere villabouw tegen. Het Maarschalksbos kwam in 1919 in bezit van de gemeente, die er begin jaren zeventig uiteindelijk een ziekenhuis op Net bouwen. Op het forse terrein achter Intimis kwamen in de jaren negentig nieuwe woningen. Transvaalbuurt (kaart 5) De Transvaalbuurt kwam tot stand rond de eeuwwisseling tussen de Molenweg (voorheen Schaapsdrift) en de Oude Utrechtseweg, beide mogelijk van laatmiddeleeuwse oorsprong. Anders dan de aanvankelijk geplande ruime verkaveling met villa's langs de rechte Nassaulaan en de rond 1885 aangelegde gebogen Sophialaan, kreeg dit gedeelte een dichtere villabebouwing langs een eenvoudig rechthoekig stratenpatroon. Allereerst werd de Bothalaan aangelegd als kortsluiting tussen de Nassaulaan en de Sophialaan (1885-1899), vervolgens de Generaal van der Heijdenlaan tussen de Sophialaan en de Oude Utrechtseweg, evenals de Krugerlaan, Steijnlaan en Smutslaan tussen de Nassaulaan en de Molenweg (18991905). Ten slotte kwamen De Wetstraat en Alexanderstraat aan de Sophialaan tot stand met overwegend dorpse bebouwing (1905-1932).
De eerste bebouwing van de Transvaalbuurt verrees aan de Molenweg tussen 1885 en 1900, gevolgd door solitaire en enkele dubbele villa's aan de zuidzijde en iets later aan de noordzijde van de Nassaulaan. Samen met de Sophialaan vormen zij de voornaamste lanen met de meeste allure in de Transvaalbuurt.
3.120402010007
Het gebied werd tussen circa 1900 en 1930 dicht bebouwd met veelal kleine, geschakelde villa's op smalle percelen en vaak rijk gedetailleerd met een grote variatie aan veranda's, serres, erkers en kapvormen. Aan de Oude Utrechtseweg verrees op instigatie van Prins Hendrik in 1880 een monumentale gereformeerde kerk, terwijl aan Nassaulaan in 1895 een christelijkgereformeerde kerk kwam. Aan de Smutslaan werd in 1911 de Nieuw Baarnsche School gesticht voor kinderen van de elite. Aan de Sophialaan, op een van de hoogste punten van Baarn, kwam in 1903 een watertoren van de Utrechtse Waterleiding Maatschappij.
Huidig ruimtelijk karakter (kaart 1 en 4) De begrenzing van het gezicht wordt hoofdzakelijk bepaald door de oudere 18 -eeuwse wegenstructuur, waarbinnen de aanleg en ontwikkeling van de Baarnse villaparken heeft plaatsgevonden. Het gaat hier om een op een hoge stuwwal van de Heuvelrug gelegen bosrijk villagebied, dat praktisch onzichtbaar wordt doorsneden door een verdiept aangelegde spoorlijn en dat gekenmerkt door een overwegend gebogen lanenpatroon, waarlangs merendeels solitaire villa's op grote percelen staan. Aanleg en bebouwing zijn tot stand gekomen in de periode van circa 1880 tot 1930.
Emmapark (kaart 5) Binnen een driehoekig bosterrein aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg kwam vanaf 1903 het Emmapark tot ontwikkeling. Dit terrein maakte deel uit van het 1 8 eeuwse Roosterbos. De nieuwe infrastructuur werd hoofdzakelijk geent op de bestaande paden. De Van Reenenlaan heette tot 1954 'Nieuwe Domlaan' vanwege haar gerichtheid op de Utrechtse Domtoren. Ondanks het relatief beperkte oppervlak bleef dit terrein na het gereedkomen van het wegenplan (Rutgers van Rozenburglaan, Van Reenenlaan, Regentesselaan) lange tijd grotendeels braak liggen. De meeste huizen werden hier pas na de Eerste Wereldoorlog gebouwd, op de villabebouwing langs de Amsterdamsestraatweg na. Deze late ontwikkeling werd overigens mede veroorzaakt door het feit dat het gemeentebestuur het terrein aanvankelijk had bestemd voor de aanleg van een begraafplaats.
De kern van het gezicht wordt gevormd door het grotendeels uitgevoerde ontwerp van tuinarchitect H. Copijn in laatlandschappelijke stijl. Typerend is de grote soortenrijkdom van de ontwikkelde beplanting langs de lanen en op de percelen. Structurele ingrepen zijn van ondergeschikte betekenis gebleven.
e
e
Het gezicht kan worden uitgesplitst in vijf deelgebieden, die ieder een eigen ruimtelijke karakteristiek hebben: 1. 2. 3. 4. 5.
Prins Hendrikpark; Wilhelminapark; Transvaalbuurt; Stationsgebied; Emmapark.
Prins Hendrikpark Het betrekkelijk kleine maar ruim opgezette villapark is naar het ontwerp uit 1883 van tuinarchitect H. Copijn overeenkomstig aangelegd op een driehoekig terrein van het Baarnse Bos en vormt een overgangszone tussen de bosrijke voormalige domeinen van Soestdijk en de 7
verdichte kern van het dorp Baarn. De ligging van het gebied op een stuwwal zorgt voor aanzienlijke hoogteverschillen. Het verschil tussen het oostelijk en het westelijk deel bedraagt zo'n 6 meter, wat goed afleesbaar is aan de lager gelegen spoorlijn. De infrastructuur is bepaald door een vloeiend gebogen lanenpatroon van elkaar rakende ellipsvormige figuren voorzien van kleine plantsoenen in de zwikpunten en met opname van een enkel relict van de formele aanleg van het Baarnse Bos (Prinses Irenelaan). Het meest markante voorbeeld van een dergelijk plantsoen als 'groeneiland' is de aansluiting van de Julianalaan op de Prinses Marielaan, die door grote rode beuken wordt gedomineerd. De groenstructuur omvat de laanbeplanting in het openbare gebied en de (bos)beplanting op de particuliere terreinen. Het profiel van de gebogen lanen bestaat uit een rijbaan van circa 4 meter in asfalt met hier en daar een brede klinkerstrook en een royale onverharde bermstrook, waarin hoogopgaande laanbeplanting (beuken, linden, eiken) is opgenomen. In profiel afwijkend is de Prinses Irenelaan met trottoirs en een incidentele beplanting met berken.
De laanbeplanting aan de Van Heutszlaan met twee dubbele rijen beuken aan de zijde van het Baarnse Bos is nog grotendeels intact, terwijl de oorspronkelijke beplanting van de Amsterdamsestraatweg ter hoogte van het gebied grotendeels is verwijderd door herinrichtingen. Daarnaast is de grote varieteit aan groen op de particuliere terreinen van belang en karakteristiek voor de landschappelijke aanleg. Deze bestaat overwegend uit sierbomen als beuk, elk en linde en uit groenblijvende 8
soorten als taxus, thuja, hulst en rododendron. Deze laatste beplanting is bij de aanleg van het villapark aangebracht als aanvulling van de (bestaande) bosbeplanting. Op de relatief grote binnenterreinen zijn boom(groepen), die uit grove den en elk bestaan, als overblijfselen van het Baarnse Bos bewaard gebleven. Deze vinden we vooral in de strook evenwijdig aan de Van Heutszlaan, die nagenoeg vrij van bebouwing is. De afzonderlijke villaterreinen zijn te beschouwen als kleine afzonderlijke landschapsparken met een afwisseling tussen open gazons met een enkele grote solitaire boom aan de openbare weg en gesloten coulissen, die bestaan uit volwassen bomen en een vaak dichte onderbegroeiing aan weerszijden en achter de villa's. De afstand van de midden op de percelen verhoogd geplaatste villa's tot de weg bedraagt ongeveer 15 meter (20 meter aan de Van Heutszlaan) en biedt ruimte aan een gazon, dat doorgaans wordt omsloten door een met grind verharde, gebogen dubbele oprijlaan voorlangs de vaak wat hoger geplaatste villa. Op diverse plaatsen in het park zijn de oorspronkelijke (smeed)ijzeren hekwerken en entreepalen nog aanwezig. De bebouwingsstructuur wordt gekenmerkt door overwegend eind 19 -eeuwse grote solitaire villa's op een vierkante of rechthoekige plattegrond en bestaat veelal uit vier bouwlagen (basement, bel-etage, verdieping en zolder).
Het basement is als een plint uitgevoerd, terwijl met een omlopende profiellijst de horizontale scheiding tussen bel-etage en verdieping is aangegeven. De gevels zijn verticaal geleed, waarbij de aangebouwde, vaak in hout uitgevoerde serres en veranda's de relatie met de tuin aangeven. De samengestelde dakpartijen krijgen door e
3,120402010008
middel van uitkragend houtsnijwerk in topgevels een extra accent. Concentrates van oude villa's in oorspronkelijke setting vinden we langs de Van Heutszlaan en langs de Julianalaan/Prins Bernardlaan, nabij residentie Prins Hendrikpark. De na 1945 door herverkaveling, afsplitsing of vervanging toegevoegde woonhuizen hebben veelal een horizontale geleding en zijn introvert van karakter door wegplanting achter struiken en bomen. De drie grote appartementencomplexen (Roosterhoeck, Uytenbosch en Residentie Prins Hendrikpark) worden gekenmerkt door relatieve grootschaligheid en massaliteit, die samen met een sterke horizontale gerichtheid in contrast staan tot de schaal van de rest van het gebied. Wilhelminapark Het Wilhelminapark bestaat uit twee gedeelten die ieder een eigen karakter bezitten. Het zuidelijk deel is tussen 1896 en 1905 in gewijzigde vorm aangelegd en bebouwd naar ontwerp uit 1883 van H. Copijn. De ligging op de stuwwal met de kruising Nassaulaan en Wittelaan als hoogste punt is goed merkbaar in het geaccidenteerde verloop van de wegen, met name bij de over de 'bult' lopende Wilhelminalaan. De infrastructuur is op een waaierende wijze vanuit het station uitgelegd, waarbij de langs het spoor lopende Gerrit van der Veenlaan gebogen aftakkingen krijgt (Sophialaan en Wilhelminalaan), met handhaving van de rechte Wittelaan als restant van het 18 -eeuwse Baarnse Bos.
Hoofdmoment van het park wordt gevormd door de Wilhelminavijver met slingerend voetpad met beplanting van rode beuken, rododendrons, coniferen, acacia's en e
thula's en de Emmalaan voorzien van grotendeels authentieke villa's. Het profiel van de gebogen lanen bestaat over het algemeen uit een rijbaan in asfalt met hier en daar een klinkerstrook en een halfhard voetpad. De meeste lanen bezitten tussen asfalt en voetpad een grasberm met laanbomen. De Hertog Hendriklaan wijkt daarvan af. Afwijkend aan het algemene beeld is de rechte Wittelaan met berken in de trottoirs en een villabebouwing uit de jaren zestig/zeventig. De bebouwingsstructuur komt in grote lijnen overeen met die van het Prins Hendrikpark, terwijl de architectuur van de villa's een gevarieerder beeld geeft. Behalve de grote solitaire, veelal wat verhoogd gelegen villa's op forse kavels van rond de eeuwwisseling, zijn er ook landhuizen en enkele en dubbele woonhuizen op kleinere kavels uit de periode 1910-1940. Het noordelijke deel van het Wilhelminapark heeft een veel minder uitgesproken en compacte infrastructuur. Het wegenpatroon wordt bepaald door twee lichtslingerende wegen, de Jacob van Lenneplaan en de Ferdinand Huycklaan, die vloeiend aansluiten op het zuidelijke deel van het park. Vanuit deze lanen wordt het gebied verder ontsloten door secundaire, al dan niet doodlopende lanen. Enkele grote buitens (Intimis en Benthuys) en het Baarnse ziekenhuis beheersen de invullingen van de binnenterreinen.
Op de fraaie villa Berg en Dal in de noordwestpunt na, heeft dit gedeelte aan de Amsterdamsestraatweg een sterk introvert karakter. Beide genoemde lanen komen uit op de Van Heemstralaan, die overgaat in de Eemnesserweg als
9
noordelijke begrenzing, waar ter hoogte van buitenplaats Rusthoek een aantal laat 19 -eeuwse villa's (onder andere Benthuys) en landhuizen uit de jaren twintig en dertig staan. e
Richting dorp wordt aan de noordzijde van de Eemnesserweg een gemengde villabebouwing voortgezet tot aan de dorpse bebouwing van de Nieuw Baarnstraat. Alleen aan de Ferdinand Huycklaan is de oorspronkelijke bestrating (gele klinkers in visgraat) nog gedeeltelijk aanwezig. Deze vormen samen met de serie dubbele middenstandswoningen en de haagconiferen als erfafscheiding een waardevol beeld. Een bijzonder element aan deze laan is het halfronde grindpad tegenover Intimis, oorspronkelijk bestemd als draaicirkel voor de koetsen van dit buiten. e
De in de 1 8 eeuw rechtgetrokken en verbrede Van Heemstralaan is tegenwoordig bij de Amsterdamsestraatweg afgesloten en biedt aan de andere zijde een blik op een in de as gelegen woonhuis (nummers 110-112), dat rond 1840 is gebouwd als tolhuis/boerderij. De Eemnesserweg tussen de Van Heemstralaan en de Nieuw Baarnstraat heeft een brede asfaltrijbaan met trottoirs (fietspad). Bijzonder karakteristiek is het ensemble van buitenplaats Rusthoek en Benthuys e.o. Dit bestaat uit een viertal jaren twintig/dertig landhuizen met (dubbele) oprijlanen en voortuinen en oudere, hoger gelegen villa's met bijgebouwen, Courbe Vol en Benthuys, gelegen aan de zuidzijde van de Eemnesserweg. Verder bestaat het uit de driehoekig begrensde open weide ten noorden van de Eemnesserweg als zone naar Rusthoek met in de westelijke punt een jaren twintig woonhuis en als 10
oostelijke begrenzing de halfverharde met grote eiken voorziene Rusthoeklaan, die zowel toegangslaan naar Rusthoek was als de doorzetting vormt van een oprijlaan naar Benthuys aan de overzijde van de weg. Tot slot maakt de buitenplaats Rusthoek, met open gazon geflankeerd door een oprijlaan en achtergelegen landschapspark, deel uit van het gebied. Het parkachtige karakter van het Benthuys wordt aan de overzijde van de weg ondersteund door de parktuin met grote bomen van het in 1929 gebouwde rieten landhuis en het op de hoek met de Wilhelminalaan gelegen landhuis. Concentratie van oude villa's in nog gave landschappelijke setting in eclectische stijl met chaletinvloeden zijn aan te treffen langs de Wilhelminalaan en vooral Emmalaan, inclusief een stukje De Beaufortlaan. De Gerrit van der Veenlaan bezit nog enige van de oudste villa's in het park met invloeden van de neorenaissancestijl. Terwijl langs de Waldeck Pyrmontlaan de traditionalistische landhuisstijl uit de periode 1910-1930 overheerst. Op enkele plaatsen is verstoring in het bebouwingsbeeld opgetreden door naoorlogse lage bungalows (Gerrit van der Veenlaan) en appartementencomplexen (Wilhelminalaan).
Transvaalbuurt Het nagenoeg vierkante deelgebied Transvaalbuurt vertoont door haar overwegend rechthoekige stratenpatroon en dichtere bebouwing het beeld van een kleinschalige villawijk, waarbij de Nassaulaan en Sophialaan een wat ruimer profiel en bebouwing hebben gekregen als voornaamste lanen. De infrastructuur en groenstructuur hebben een meer stenig karakter met
3.120402010009
smallere straatprofielen, waarbij de rijbanen hier en daar nog de oorspronkelijke klinkerbestrating hebben behouden en waarbij doorgaans geen sprake is van aparte laanbomen in een berm. Alleen bij de Nassaulaan en Molenweg zijn laanbomen in een aparte strook te vinden. Het ontbreken van openbaar groen wordt in ruime mate gecompenseerd door de aanwezigheid van vele soorten bomen en heesters in de voortuinen van de villa's. De bebouwingsstructuur wordt bepaald door enkele en dubbele kleine villa's van rond 1910, die dicht naast elkaar staan en op een afstand van gemiddeld 5 meter van de straat zijn gelegen met de voorgevel evenwijdig daaraan. De villa's bestaan uit twee bouwlagen, vaak voorzien van serres en erkers met balkons op de verdieping en een vaak samengestelde kap met topgevels en gevarieerde goothoogte. Opvallend is de grote variatie aan kaprichtingen en bouwhoogten (een en twee lagen) in de dichtbebouwde Krugerlaan, Steynlaan en Smutslaan en de meer dorpse bebouwing van dubbele eenlaagse woningen met mansardekap evenwijdig aan de straat in De Wetstraat en Alexanderstraat. De bebouwing aan de Nassaulaan kenmerkt zich door een rijzige bebouwing aan de oneven zijde met topgevelvariaties en blauwe pannendaken en een wat lagere bebouwing aan de even zijde met rode pannendaken.
Stationsgebied Als apart gebied tussen beide villaparken wordt het spoorwegravijn met beide stations en voetgangersbrug
beschouwd. De doorsnijding van de stuwwal hier met een spoorbaan is voor Nederlandse begrippen tamelijk bijzonder en maakt de hoogteverschillen in het gebied tastbaar. Karakteristiek is de aanplant van acacia's langs dit trace, alsmede de parkachtige aanleg met slingerend voetpad tussen ravijn en Gerrit van der Veenlaan. Tussen weg en spoorlijn vinden we hier een beplanting van diverse bomen (eik, den, beuk, acacia) en heesters (conifeer, rododendron). Ook zijn er enkele open plekken, waarin een beeld staat alsmede een rustiek betonnen bank, brug en uitzichtpunt over het spoor in verlengde van de Wittelaan. Het hoofdelement van het gebied is het station uit 1874 met koninklijke wachtkamer, in chaletstijl vormgegeven. Het Stationsplein is het startpunt van een aantal gebogen lanen door het voorliggende Amaliapark en Wilhelminapark. Het tegenwoordig nogal stenige plein (klinkers, trottoirs) bezit een centraal gelegen rechthoekig plantsoen met een later omgedraaid monumentaal ijzeren hekwerk voorzien van datering 1873, de tekst 'Amaliapark' en de initialen van Prins Hendrik en diens in 1882 overleden vrouw Amalia van Saksen-Weimar. Het plein wordt afgesloten door het tegenwoordig sterk verbouwde voormalige hotel Zeiler.
Tussen het station en de spoorwegovergang Van Heutszlaan, bevindt zich een fraai geaccidenteerd parkje met gebogen paden en bomen/heestergroepen in landschapsstijl naar ontwerp van tuinarchitect H. Copijn. Ter hoogte van de Bruglaan ligt een voetgangersbrug uit 1912 over het spoorravijn, die zeer waardevol is vanwege 11
het vroege gebruik van gewapend beton in een boogbrug zonder trekband. Aan de Luitenant Generaal van Heutszlaan 1-7, aan de overzijde van de spoorwegovergang, staat het voormalige buurtspoorstation uit 1898, in rijke Jugendstil. Ten slotte moet nog genoemd worden de thans vervallen wachterswoning aan de noordzijde van de spoorwegovergang als onderdeel van dit spoorwegensemble.
Nadere typering van te beschermen waarden De waardevolle hoofdkenmerken van het Prins Hendrikpark e.o. als belangrijkste villaparkgebied van Baarn richten zich op de infrastructuur, groenstructuur en bebouwingsstructuur van het gezicht. Infrastructuur • De nagenoeg ongeschonden en slechts ondergeschikt gewijzigde stedenbouwkundige aanleg in laat 1 9 eeuwse landschapsstijl naar ontwerp van tuinarchitect H. Copijn, die bestaat uit een ellipsvormig lanenpatroon in het Prins Hendrikpark en vanuit het station ontwikkelde ruime gebogen lanen in het Wilhelminapark-Zuid. • De restanten van de 18 -eeuwse formele aanleg van het Baarnse Bos: onder meer de Amsterdamsestraatweg, de Luitenant Generaal van Heutszlaan, de Wittelaan en de Nassaulaan. • De ingegraven spoorlijn die het gebied in twee delen snijdt. • De laanprofielen die door verschillen in breedte, indeling en beplanting een individuele karakteristiek bezitten, maar die over het algemeen gekenmerkt worden door een ruim en groen karakter door toepassing van (gras)bermen met laanbomen en halfharde voetpaden. • De voor dit stuwwallengebied kenmerkende hoogteverschillen, die vooral in het lanenverloop tot uitdrukking komen. • Bijzondere elementen als plantsoenen op de samenkomst van lanen, het plantsoen met hekwerk midden op het Stationsplein, het parkje terzijde van het station aan het spoor in landschapsstijl, de gerekte e
Emmapark Als uitbreiding van het Wilhelminapark westwaarts, over de Amsterdamsestraatweg, is het Emmapark gelegen. Hoewel hier minder sprake is van een bijzondere infrastructuur, bezit dit driehoekige gebied alle kenmerken van een vroeg 20 -eeuws villapark Op een enkele villa na concentreert de waardevolle bebouwing zich hoofdzakelijk langs de Amsterdamsestraatweg. e
12
e
3.120402010010
vijver in het Wilhelminapark-Zuid en de open weide tussen de buitenplaatsen Benthuys en Rusthoek. Groenstructuur • Het openbaar groen betreffende de vaak monumentale laanbomen en plantsoenbeplantingen met bomen en heesters, die een grote varieteit aan soorten bezitten. • De typerende plaatsing van laanbomen in de onverharde bermen, met uitzondering van de lanen in de Transvaalbuurt. • Het particuliere groen rond de villa's als essentiele bijdrage aan het karakter van het gezicht. • De toepassing van bomen- en heestergroepen als afscheiding van de openbare weg, als afscheiding tussen de percelen, als coulissen tussen de bebouwing, als begeleiding van zichtlijnen (ook door middel van solitairen op de gazons) en als achtergrondbeplanting.
•
•
•
tot veertig landhuizen in het Wilhelminapark en de Transvaalbuurt. Dit zijn veelal goede tot zeer goede representanten van de toen heersende bouwstijlen alsmede ontwerpen van zowel plaatselijke bouwkundigen als landelijk bekende architecten. De grote laat 19 -eeuwse villa's worden gekenmerkt door een souterrain, twee hoge bouwlagen en samengestelde, decoratieve uitkragende kappen alsmede door aan de tuinen gerelateerde serres, veranda's, erkers en balkons. De vroeg 20 -eeuwse kleinere enkele en dubbele villa's missen een souterrain als basement, maar worden eveneens gekenmerkt door een grote variatie aan erker- en kapvormen. De woonhuizen en landhuizen uit de jaren tien tot veertig zijn over het algemeen horizontaler gericht, soberder uitgevoerd en symmetrischer ingedeeld. e
e
Bebouwingsstructuur • De in het Prins Hendrikpark en Wilhelminapark-Zuid aanwezige ruime verkaveling met overwegend solitaire villa's, veelal midden op de kavel verhoogd geplaatst op enige afstand van de openbare weg en via een dubbele gebogen oprijlaan bereikbaar, doorgaans een gazon omsluitend en met hier en daar nog aanwezige ijzeren hekwerken gescheiden van de weg. • De in de Transvaalbuurt aanwezige meer stedelijke villabebouwing van enkele en dubbele villa's op kleine percelen met idem voor- en zijtuinen en rechte oprijpaden, van de weg gescheiden door nog in hoge mate aanwezige ijzeren hekwerken. • Het goed bewaard gebleven architectuurbeeld van overwegend laat 19 -eeuwse villa's in het Prins Hendrikpark en vroeg 20 -eeuwse villa's en jaren tien e
e
13
Begrenzing Het beschermd dorpsgezicht Prins Hendrikpark e.o. ligt aan de zuidoostzijde van de kern van Baarn en wordt globaal als volgt begrensd: • aan de noordzijde door de Van Heemstralaan, door de Eemnesserweg met inbegrip van een strook bebouwing aan de noordzijde; • aan de oostzijde door de Nieuw Baarnstraat, de Oude Utrechtseweg met inbegrip van Polygram, de Gerrit van der Veenlaan met inbegrip van de bebouwing, een deel van de Amalialaan, het Stationsplein met inbegrip van het voormalige hotel Zeiler en de Stationsweg tot aan het spoor met inbegrip van de voormalige baanwachterswoning; • aan de zuidzijde door de Luitenant Generaal van Heutszlaan met inbegrip van het voormalige buurtspoorstation en de dubbele rij beuken aan de zijde van het Baarnse Bos; • aan de westzijde, tussen de Van Heutszlaan en de Heemstralaan, door de Amsterdamsestraatweg, inclusief het ten noorden van de spoorlijn gelegen Emmapark, omsloten door de Rutger van Rozenburglaan en de Van Reenenlaan. De exacte begrenzing is aangegeven op de bijgevoegde begrenzingskaart, M S P / 2 3 / 0 1 .
14
Waardering Het gebied is karakteristiek voor een villagebied uit de periode rond 1900. Bijzonder is de landschappelijke aanleg op de stuwwal, doorsneden door het spoorwegravijn. De aanleg omvat een goed bewaard gebleven laat 1 9 eeuwse landschapsstijl met grotendeels slingerende lanen met ruime percelen met daarop villabebouwing van hoge architectuurhistorische waarde. Het particuliere groen van deze percelen bepaalt in hoge mate het lommerrijke karakter van de openbare ruimte. e
De villaparken Prins Hendrikpark, Wilhelminapark, Emmapark en de Transvaalbuurt zijn van belang wegens bijzondere landschappelijke, stedenbouwkundige, cultuuren architectuurhistorische waarden.
Rechtsgevolg van de aanwijzing
Ter effectuering van de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht moet ingevolge artikel 36 van de Monumentenwet 1988 een bestemmingsplan worden opgesteld. De toelichting op de aanwijzing kan daarbij voor wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de toekomstige ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te bieden voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruikmaakt en daarop voortbouwt. In het aanwijzingsbesluit is bepaald in welke mate de vigerende bestemmingsplannen aan het beschermingsvereiste voldoen.
Bronnen
Co I of on
Literatuur • F. Gaasbeek, J . v a n ' t Hof en M. Koenders, Baarn, geschiedenis en architectuur, Zeist 1994. • Monumenten Inventarisatie Project Provincie Utrecht, Gemeente Baarn, Utrecht 1991.
Uitgave
Kaarten • Orientatiekaart, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2010. • Baarn, 1866. In: J . Kuyper, Gemeente atlas van de provincie Utrecht; naar officieele bronnen bewerkt. Herdruk, Groningen 1986. • Kaart van Baarn uit 1878, gemaakt door A. Braakensiek. Bron: Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, T O / 1 2 0 1 . • Situatieplan Baarn, ontwerp van H. Copijn, tuinarchitect, 1883. Uit: Koninklijk Huisarchief, Den Haag. • Baarn, 1932. Bonnekaartnummer 407, verkend in 1928, ged. herzien in 1932. Uitgave 1943. Schaal 1:25.000. Luchtfoto • Prins Hendrikpark e.o. Bron: www.vanuitdelucht.nl. © DKLN-2003 Eurosense BV.
16
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2010 Onderzoek en tekst • •
Provincie Utrecht, drs. R.K.M. Blijdenstijn Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ing. F.P. Buchner
Kaartmateriaal Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, drs. B.A.R.T. Broex Foto omslag www.baerne.nl Redactie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, H. Bos en drs. B.A.R.T Broex Productie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/Drukkerij Mailfors, Amersfoort.
Bijlagen
1. Orientatiekaart. 2. Baarn, 1866. 3. Kaart van Baarn uit 1878, gemaakt door A. Braakensiek. 4. Situatieplan Baarn, ontwerp van H. Copijn, tuinarchitect, 1883. 5. Baarn, 1932. 6. Luchtfoto: Prins Hendrikpark e.o.
Orientatiekaart Prins Hendrikpark e.o. Legenda grens beschermd dorpsgezicht grens historische buitenplaats "
i Benthuys z Rusthoek
Wilhelminapark Transvaalbuurt Emmapark Amaliapark Prins Hendrikpark pr^-stedelijk
stratenpatroon
pre-stedelijk padenstelsel -
-
-
v o o r m a l i g trace
stratenstelsel na 1880 I^^^B m
m
stratenpatroon spoorweg
topografie bebouwing/weide b o s / o v e r i g terrein weg, pad waterloop 300
400 m
• Topografie ® Topografische Dienst Kadaster E m m e n , 2007
©RCE, e-KS/BB, 16 o k t o b e r 2 0 0 9
Kaart
1
Orientatiekaart
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Ministerie wn Oniicn«;s, Cultuur en Wetenschap
3,120402010013
Kaart 2
Baarn, 1866
Kaart 3
Kaart van Baarn uit 1878, gemaakt door A.
Braakensiek
3.120402010014
Kaart 4
Situatieplan
Baarn, ontwerp
van H. Copijn, tuinarchitect,
1883
Kaart 5
Baarn,
1932
3,120402010015
Kaart 6
Luchtfoto:
Prins Hendrikpark
e.o.
bestemmingsplan Jacob van Lenneplaan 39
Bijlage 3 Quick scan Natuurbescherming
32
BIJLAGEN TOELICHTING (vastgesteld)
VAN DER MARK ADVIES T.a.v. dhr. J. van der Mark Wieringenmeen 5 3844 NB Harderwijk
Datum
19 februari 2020 (revisie op 13 november 2020)
Kenmerk
BE/2019/806/r
Uw kenmerk
Email d.d.
Auteur(s)
M.A. Brinkbaumer
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Revisie
ir. T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn Aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn is een perceel met vrijstaande woning, garage en zwembad gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning op de planlocatie te saneren en het perceel te splitsen in twee woonpercelen met op elk perceel een vrijstaande woning. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van der Mark Advies begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn (figuur 1). De planlocatie betreft een woonperceel met vrijstaande woning, garage, zwembad en groene tuin. De woning en garage zijn opgetrokken uit gemetselde muren en gestukt met pleisterwerk. De tuin van de planlocatie bevat deels een goed onderhouden gazon en deels een beplante border. Deze border bevat veel jaarrond groene hagen (als liguster en laurierkers) en bomen. De planlocatie heeft een kiezeloprit en een verhard pad rondom de woning. de tuin bestaat uit gazon en beplantte borders. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in een wijk met vrijstaande woningen, gelegen aan de rand van het bosgebied ‘De Vuursche’. Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater betreffen de watergangen op het terrein van kasteel Groeneveld (ca. 300 m ten noordwesten).
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Jacob van Lenneplaan 39 te Baarn (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de woning, het perceel splitsen en twee nieuwe woningen realiseren. Voor het realiseren van deze woonpercelen dienen verschillende bomen gekapt te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
Saneren van bestaande woning: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; Kappen van bomen: kapwerkzaamheden; Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; Egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; Realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; Revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: architektenburo groenesteijn).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 7 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:
4
a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante soorten zonder beschermde status. De planlocatie wordt goed onderhouden en er zijn enkel aangeplante, gedomesticeerde vaatplanten aangetroffen tijdens het veldbezoek. Enkele waargenomen soorten betreffen: buxus, conifeer, hortensia, laurier, klimop en rododendron. Het perceel is hoofdzakelijk onverhard met enkel bestrating rondom het huis en een kiezel oprit.
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie is een voedselrijke, zure zandgrond. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, konijn, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2010-2020). Voor de boommarter, das, rode eekhoorn en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters. De rusten nestplaatsen zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen.
De soort komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen en vakantiehuizen of schuren in of aan de rand van natuurgebieden. In de bomen op de planlocatie zijn geen holen waargenomen waar mogelijk boommarters in zouden kunnen verblijven. De planlocatie is gelegen in een wijk welke grenst aan het bosgebied ‘de Vuursche’. De waarnemingen van boommarters zijn bekend vanuit dit gebied. De planlocatie is gelegen in een woonwijk, waar in de directe omgeving verstoring plaatsvindt in de vorm van verkeer, bewoners
5
en huisdieren. Hiermee is het uitgesloten dat de boommarter een vaste voortplantingsplaats of rustplaats heeft op de planlocatie. Verder zijn er tijdens het veldonderzoek geen sporen aangetroffen die wijzen op boommarter activiteit. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. De planlocatie voldoet zeer beperkt aan de eisen van de das, enkel de strooisel laag aan de rand van het perceel is geschikt. Echter is de planlocatie rondom afgesloten door een schutting en door schapengaas. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of plaatsen waargenomen waar een das onder de schutting kan of door het schapengaas kan. Derhalve is aanwezigheid van de das uitgesloten op de planlocatie. Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2020). Het stapelvoedsel bestaat uit zaden en noten. Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen, in de voortplantingsperiode bouwt het vrouwtje een groter kraamnest.
Op en rondom de planlocatie zijn geen nestbomen (vaste rust- en verblijfplaatsen) van rode eekhoorn aangetroffen. Gekeken naar de functie van de tuin en de betreffende bomen welke gekapt dienen te worden, zijn de bomen enkel geschikt als foerageermogelijkheden. Gezien het grote aanbod alternatief (en beter geschikt) leefgebied leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de rode eekhoorn. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020). De steenmarter is een marterachtige die regelmatig in menselijke bebouwing huist, echter bevat de bebouwing geen geschikte openingen waar de steenmarter gebruik van kan maken. Alle bebouwing is grondig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter. Dergelijke sporen zijn niet aangetroffen. Eveneens zijn op de rest van het plangebied, inclusief de tuin geen sporen zoals wissels, uitwerpselen of prooiresten geconstateerd. Derhalve kan worden uitgesloten dat het plangebied een essentiële functie heeft voor de steenmarter.