318259 Bestemmingsplan Prinses Irenelaan bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
van een spoorweg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1200 meter.
Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De
voorkeursgrenswaarde
bedraagt
48dB
bij
wegverkeerslawaai
en
55dB
bij
spoorweglawaai. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk
gebied. Direct rondom het plangebied liggen wegen waarop een wettelijke snelheid geldt
van ten hoogste 30 kilometer per uur. Deze wegen hebben geen geluidszone. Wanneer
de woning binnen de geluidzone van 200 meter komt te liggen van 50 km/uur (i.c. Lt. Gen. van Heutszlaan) moet de geluidbelasting als gevolg van verkeerslawaai inzichtelijk worden gemaakt. Dat is hier het geval.
De nieuw te bouwen woning ligt op iets meer dan 100 meter van de spoorlijn Amersfoort – Hilversum. Ingevolge artikel 1.4 a van het Besluit geluidhinder heeft de spoorlijn Amersfoort – Hilversum een geluidproductieplafond van 59.5 dB een zone van 200 meter. Doordat de betreffende woning in de geluidzone ligt van het spoor dient een geluidonderzoek plaats te vinden om te bepalen of voldaan kan worden aan de geluidgrenswaarden uit de Wet geluidhinder.
Onderzoek naar de geluidsbelasting op de planlocatie vanwege weg- en railverkeer heeft plaatsgevonden door Akoestisch Adviesburo Van Lienden (zie bijlage 2, Akoestisch
onderzoek ‘Rail- en wegverkeerslawaai’ Bouwvlak Prinses Marielaan 13 Baarn’, dd. 28 september 2020).
Voor het onderzoek is uitgegaan van de maximale bebouwingsmogelijkheden tot aan de grenzen van het voorgestelde bouwvlak. In die zin is er sprake van een ‘worstcase’
berekening. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeer niet worden
overschreden. Het is niet noodzakelijk een hogere waarde aan te vragen. Het bouwplan
zal te zijner tijd moeten voldoen aan de conform Bouwbesluit 2012 vereiste binnenwaarde van 33 dB(A). Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
31
Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid, nader onderzoek op het gebied van geluid is daarom ook niet nodig. Aanvullende maatregelen zijn niet nodig.
4.1.5 Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden.
Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt.
Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit
hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria
om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de
AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een
toename van maximaal 1,2 Rg/m3, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk
gebied. Het aantal verkeersbewegingen zal zeer beperkt toenemen. Daarmee staat vast dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en is
het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij
woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen
blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de
achtergrondconcentraties ter plekke.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
32
Achtergrondconcentratie PM2,5 in 2017 (bron: AtlasLeefomgeving.nl) Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse
van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden, voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. De cijfers zijn van 2017. Een
algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentratie fijn
stof al jaren afneemt. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
33
4 .1 .6 Exter n e veilig h eid
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het thema vervoer van
gevaarlijke stoffen kan worden onderverdeeld in wegen, spoor en water. In het kader van externe veiligheid dient te worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet wordt belemmerd door deze risico’s. Inrichtingen Het externe
veiligheidsbeleid
voor
inrichtingen
heeft
vorm
gekregen
in
de
risicobenadering. Op grond van deze benadering worden in het Besluit externe veiligheid
inrichtingen (Bevi) grenzen gesteld aan de risico's, waarbij gelet wordt op de kwetsbaarheid van functies in de omgeving. De risico's worden daarbij in twee maten gemeten: een plaatsgebonden risico (voor individuen) en een groepsrisico (voor groepen mensen).
Vervoer gevaarlijke stoffen
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu vastgelegd in het Basisnet (Bevt). Het doel van het
Basisnet is het creëren van een duurzaam evenwicht tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing
aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan
weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk
gebied. In het plangebied is er geen sprake van het toevoegen van gevaarlijke functies. De risicokaart geeft aan dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
34
Uitsnede risicokaart met planlocatie (bron risicokaart.nl) In de omgeving van het plangebied vindt er wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.
Het plangebied bevindt zich op ca. 140 meter ten zuiden van de spoorlijn Amersfoort – Hilversum. Over dit spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van dit transport kan tot circa 4000 meter reiken en ligt daarmee tot over het plangebied.
Aangezien een woning een zgn. ‘kwetsbaar object’ is, dienen de risico’s van dit transport van gevaarlijke stoffen in de toelichting van onderhavig bestemmingsplan te worden meegenomen. Er zijn twee risico’s die belicht dienen te worden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR 10-6 /jaar) van het spoor is vermeld in bijlage 2 van de Regeling basisnet. De hierin opgenomen plaatsgebonden risicocontour (veiligheidszone)
is binnen Baarn 7 meter vanaf het hart van de spoorlijn. Dat is ongeveer de zone van het spoor zelf. Zodoende is er geen belemmering vanwege het plaatsgebonden risico: het
plangebied bevindt zich ver buiten deze contour.
Groepsrisico De aanwezigheid van het aantal personen in het plangebied neemt – in theorie – met ca.
4 personen (een huishouden) toe. Het plangebied kent in de huidige situatie een zeer
lage dichtheid: iets meer dan 1 woning per hectare. Mede gezien de afstand tot het spoor (ca. 140 m) en de marginale toename van het aantal personen in het invloedsgebied, zal er geen sprake zijn van een significante toename van het groepsrisico. Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
35
Conclusie
Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect externe veiligheid, nader onderzoek op
het gebied van externe veiligheid is daarom ook niet nodig.
4.2 Wa te r huis ho uding Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen, een
waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient
uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren,
adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'.
Bij de planvorming zijn er verschillende partijen betrokken met betrekking tot water. •
Waterschap Vallei en Veluwe (belangrijkste beleidsnota's: Waterbeheerplan
•
Provincie Utrecht (belangrijkste beleidsplan is Provinciaal "BMWplan" Bodem-, water- en milieuplan 2016-2021 (BMW-plan).
'waterkoers 2016-2021' en Waterstructuurvisie, Keur en Legger)
•
Gemeente (Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan (GWRP) 2018-2022 SoestBaarn, versie Baarn)
Basisprincipes voor het omgaan met water zijn: • • • •
Klimaatbestendige leefomgeving (ruimtelijke adaptatie) Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit) Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit) Beleid hemel- en afvalwater.
Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Dit betekent scheiding van vuilwaterriool en hemelwater (afkoppelen) en waar mogelijk ook opvang en hergebruik van hemelwater ter plaatse. Hiermee wordt gewerkt aan aspecten van wateroverlast en verdroging.
Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van
een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk gebied. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is de watertoetsprocedure op 29
november 2019 doorlopen (zie bijlage 3, Watertoets). Uit de digitale analyse blijkt dat er
geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
36
geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Waterschap Vallei en Veluwe
adviseert positief over het ruimtelijk plan.
De ruimtelijke ontwikkeling heeft weinig tot geen gevolgen voor het huidige watersysteem. In het kort gaat het om: •
Het verhard oppervlak neemt gering toe (Zie de Keur bepalingen voor de grenswaarden). Deze geringe toename van verhard oppervlak heeft weinig gevolgen voor het watersysteem. Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen
• • •
Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. Water wordt niet buiten het plangebied geborgen.
Er vindt geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater.
• •
Het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang. Het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding.
Het hemelwater zal op eigen terrein worden geïnfiltreerd in de bodem en dus niet direct afgevoerd worden naar de riolering of het oppervlakte water. Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool.
Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect water, nader onderzoek op het gebied van water is daarom ook niet nodig.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
37
4.3 Eco lo gie De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, de Flora- en
faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Er mogen geen ontwikkelingen
plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming biedt de grondslag voor de aanwijzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Deze gebieden worden tezamen Natura2000-gebieden
genoemd.
Ter
bescherming
van
deze
Natura2000-gebieden
voorziet
de
Wet
natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura2000-gebied kunnen aantasten.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten
binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het
uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen. Voor o.a. reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de bouw van woningen, geldt de volgende vrijstellingsregeling: • •
een algemene vrijstelling voor algemene soorten; een vrijstelling voor beschermde soorten en vogels op voorwaarden, dat
gehandeld wordt volgens een door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode.
Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens
ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden
aangevraagd bij de provincie. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het
plangebied voorkomen.
Onderzoek plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van
een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk gebied. Voor het plangebied is daarom een quickscan Natuur uitgevoerd door Inventarium Flora en Fauna (zie bijlage 4, ‘QuickScan Prinses Marielaan Baarn’, dd. 20 december 201 ).
Beschermde gebieden Het plangebied heeft geen invloed op Natura 2000 gebieden vanwege het feit dat de
projectlocatie op 7.3 kilometer afstand is gelegen van het gebied Arkemheen. Eemmeer & Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
38
Gooimeer Zuidoever ligt op 7.6 kilometer afstand van het plangebied. De Oostelijk
Vechtplassen bevinden zich op 10.6 kilometer afstand. Dit volgens de meetgegevens van
alterra/natura2000. Gezien de aard van de werkzaamheden, de projectlocatie en de
(effect)afstanden tot de Natura2000 gebieden wordt geen verstoring of negatieve effecten verwacht op genoemde gebieden. De algehele conclusie is dat het projectgebied buiten de beschermde natuurgebieden liggen. Omdat het Natuur Netwerk Nederland
(NNN) in Utrecht geen externe werking kent en het plagbied buiten het NNN gelegen is, is een verdere toetsing niet aan de orde. Stikstof
Uit de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid, januari 2020) blijkt dat onder bepaalde omstandigheden de stikstofdepositie minder bedraagt dan de geldende norm. Hiervoor is een stikstofberekening dan niet nodig. Deze omstandigheden zijn: -
er is sprake van maximaal 50 laagbouwwoningen;
- er wordt gebouwd op zandgrond; én op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied. Voor deze specifieke ontwikkelingen en voor ontwikkelingen met een aangetoonde
stikstofdepositie beneden de norm (0,00 mol/ha/jaar) hoeft in ieder geval geen stikstofberekening worden uitgevoerd én dus geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.
In onderhavig geval liggen alle Natura 2000-gebieden op meer dan 7 km afstand. Ook is er sprake van slechts 1 woning (ruim onder de norm van 50 dus) en wordt er gebouwd op zandgrond. Een stikstofberekening of vergunning natuurbescherming is dus niet nodig.
in het kader van de Wet
Soortenbescherming
Het terrein is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie.
Hier zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken
geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten. Het terrein is bestraat met gazon,
haagbeuk, coniferen en rododendron.
Vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Dit geldt ook voor de jaarrond beschermde nesten. De planlocatie leent zich hier ook niet voor. Hierdoor zijn er geen toegankelijke holten voor bijvoorbeeld de huismus en de gierzwaluw. Tevens zijn de aanwezige houtopstanden onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat hierin geen nesten of holten zijn waargenomen wat zou kunnen duiden op de aanwezigheid van beschermde rust- en/of verblijfplaatsen.
Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Het plangebied bestaat momenteel
uit tuin met grasveld en struiken (haagbeuk, hedera, rododendron, coniferen). Aan de Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
39
rand staan enkele naaldbomen. Deze zijn onderzocht op holten en kieren, maar niet aangetroffen.
Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Conclusie Het initiatief wordt niet belemmerd vanuit het aspect ecologie. Er zijn geen
belemmeringen t.a.v. Wet Natuurbescherming. Wel dient de zorgplicht tijdens de
werkzaamheden in acht te worden genomen, dienen de hagen buiten het broedseizoen te worden verwijderd, en dienen de bomen tijdens de bouwwerkzaamheden vrij te blijven van verlichting.
4.4 A r che o lo gie e n cultuur his to r ie 4 .4 .1 Ar ch eo lo g ie
Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische resten in de bodem kunnen
aantasten moeten rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de
besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 (verwacht) in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen,
bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord
moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in
bepaalde
gebieden
zijn
op
verwachtingskaarten opgesteld.
basis
van
historisch
onderzoek
archeologische
Aanwezige archeologische waarden
Uitgangspunt binnen het bestemmingsplan is het veiligstellen van de aanwezige (en
aangetoonde) archeologische waarden. De gebieden waar het daarbij concreet om gaat staan aangegeven op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) die de Rijksdienst voor
Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) samen met de provincie Gelderland heeft opgesteld.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
40
4 .4 .2 Cu ltu ur h isto r ie
Cultuurhistorie kan worden gedefinieerd als 'sporen, objecten en patronen/structuren die zichtbaar of niet zichtbaar, onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie en ontwikkeling'. Cultuurhistorische waarden zijn
daarom verbonden aan landschappelijke kwaliteiten, archeologie en bouwwerken, al dan
niet met een status als monument. Bepaalde landschappelijke elementen als houtwallen,
bosjes, bomen, waterlopen etc., kunnen een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen in verband met de ontstaans-, bewoningsen ontginningsgeschiedenis van de streek. In het bestemmingsplan kunnen regels worden opgenomen om deze geschiedenis te behouden cq. de waarden te beschermen. Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van
een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk gebied. Archeologie
Op 29 mei 2019 heeft de gemeenteraad van Baarn ingestemd met de archeologische waarden en verwachtingenkaart (kaartbijlage 3, Raap rapport 3391) en Beleidsvisie erfgoed. De archeologische waarden en verwachtingenkaart geeft aan de locatie een
AWV 6. In de beleidsvisie Erfgoed is voor deze categorie aangegeven dat : archeologisch
(voor) onderzoek verplicht is als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. In het voorliggend
bestemmingsplan is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen ter
bescherming van de archeologische waarden van de gronden. De bodemingreep is te allen tijde kleiner dan 500 m2 (het maximale oppervlak van het hoofdgebouw is namelijk
150 m2). Daarom is er geen nader onderzoek naar archeologische waarden nodig.
Op de Archeologisch Monumentenkaart (AMK) valt te zien dat er in het plangebied of in de nabijheid daarvan geen archeologische monumenten voorkomen. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is de cultuurhistorische waardenkaart van de
provincie Utrecht geraadpleegd. Vanuit de provinciale waardenkaart bevinden zich binnen het plangebied of in de nabijheid daarvan geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Cultuurhistorie / Beschermd dorpsgezicht
In 1874 is de spoorlijn Amsterdam - Hilversum - Amersfoort aangelegd. Deze spoorlijn liep ook via Baarn. In Baarn is een station aangelegd. De komst van deze spoorlijn was aanleiding om het gebied aan weerszijden van de spoorlijn in ontwikkeling te nemen. Aan
weerszijden van het spoor kwamen villaparken tot ontwikkeling. Ten zuiden van het spoor ligt het villapark Prins Hendrikpark. Deze wijk valt onder het ‘beschermd dorpsgezicht’. Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
41
Naast het Prins Hendrikpark bestaat het beschermd dorpsgezicht uit de deelgebieden Wilhelminapark, Transvaalbuurt, Stationsgebied en Emmapark.
De villaparken zijn karakteristiek voor een villagebied uit de periode rond 1900. Bijzonder is de landschappelijke aanleg op de stuwwal, doorsneden door de spoorlijn. De
villaparken omvatten een goed bewaard gebleven laat 19e-eeuwse landschapsstijl met grotendeels slingerende lanen met ruime percelen met daarop villabebouwing van hoge
architectuurhistorische waarde. Het particuliere groen van deze percelen bepaalt in hoge mate het lommerrijke karakter van de openbare ruimte. De villaparken zijn van belang wegens
bijzondere
landschappelijke,
stedenbouwkundige,
cultuur-
en
architectuurhistorische waarden. Om die reden zijn de villaparken op 17 februari 2011 aangewezen als beschermd dorpsgezicht Prins Hendrikpark e.o. Het aanwijzingsbesluit is opgenomen
in
bijlage
4
van
de
beheersverordening.
In
bijlage
5
van
de
beheersverordening is de toelichting op het aanwijzigingsbesluit opgenomen. In deze bijlage is uitgebreid beschreven hoe de gebieden zijn ontstaan, wat het huidige ruimtelijke karakter van de gebieden is en welke waarden met het beschermd dorpsgezicht worden beschermd. In het voorliggend bestemmingsplan is een
dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’ opgenomen voor het behoud, het herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische, ruimtelijke en stedenbouwkundige waarden en voor het behoud en herstel van de infrastructuur, groenstructuur en
bebouwingsstructuur van het beschermde gezicht.
Voorliggende planologische ontwikkeling is ingepast in de kaders van het beschermd dorpsgezicht. De onderbouwing hiervan is te vinden in hoofdstuk 2 van deze toelichting. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
42
4.5 Ve r k e er e n pa r ke r e n Bij de aspecten verkeer en parkeren gaat erom dat het plangebied goed bereikbaar is, er
geen onveilige verkeerskundige situaties ontstaan en er voldoende parkeergelegenheid in het plangebied aanwezig is. Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van
een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk gebied. Ontsluiting vindt plaats via de Prinses Irenelaan. Voor woningen geldt een
gemiddelde van zes motorvoertuigbewegingen per dag. Per saldo zal het aantal
motorvoertuigbewegingen in de nieuwe situatie zeer beperkt toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Problemen op de Prinses Irenelaan worden daarom niet verwacht. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, er is minimaal plek voor twee auto’s. Conclusie Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en vervoer.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
43
4.6 Milie ue ffe ctr a ppo r ta ge ( MER) Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de
bijbehorende m.e.r.- procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten
van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die
kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht:
1. Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage
bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluit m.e.r.plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r.
drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. In
het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije
m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van
de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kernmerk potentieel effect). Zijn belangrijke nadelige milieugevolgen uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (-beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk.
2. In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan
opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante
negatieve effecten op Natura 2000 gebieden niet zijn uit te sluiten;
3. Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben
aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot
m.e.r.-plicht.
Onderzoek plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling die de realisatie van
een vrijstaande woning met ondergeschikt bijgebouw mogelijk maakt in binnenstedelijk gebied en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien
activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het
Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
44
winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: a.
een oppervlakte van 100 hectare of meer,
c.
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
b.
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen
sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande
aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit
milieueffectrapportage.
Uit
jurisprudentie
(ABRvS
15
maart
2017,
ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de
drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens
bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de
daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of
D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in hoofdstuk 4. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.--beoordeling over te gaan.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
45
4.7 Ka be ls e n le idinge n In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid
van
ondergrondse
planologisch
relevante
leidingen
(hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Aardgastransportleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.
Rioolleidingen De riolering bevindt zich langs/onder de Prinses Irenelaan. Voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.
Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Kabels en niet-planologisch relevante leidingen
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netbeheerders van kabels en
leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig
zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
Conclusie
In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of
verbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij
graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
46
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Inle iding Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de
daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De
regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q.
landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op
de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een bestemmingsplan regelt voor welke functies gronden en bouwwerken mogen worden
gebruikt en welke bouwmogelijkheden er zijn. Het bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels, waarvan alleen de laatste twee juridisch bindend zijn. De
toelichting geeft een goede ruimtelijke onderbouwing voor het initiatief. Hierin wordt ook
de bedoeling van het plan verduidelijkt en de uitvoerbaarheid aangetoond. Op de
verbeelding wordt de bestemming aangegeven en de regels geven inhoud aan de bestemming. De regels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden
gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, wat
werkelijk noodzakelijk is. De regels van voorliggend bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Deze hoofdstukken zijn: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels;
4. Overgangs-, en slotregels. In hoofdstuk 1 worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen
zoveel
mogelijk
worden
voorkomen.
Daarnaast
aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen moeten worden gemeten.
wordt
In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven
bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
47
zo nodig uit afwijkingsregels, specifieke gebruiksregels of vergunningsregels voor aanleggen. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond.
De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
5.2 Be s te mm ings re ge ls In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen opgenomen. In deze paragraaf wordt in alfabetische volgorde kort ingegaan op de inhoud van de verschillende bestemmingen waarbij eerst alle enkelbestemmingen worden behandeld en vervolgens de dubbelbestemmingen conform de landelijke standaarden.
Tuin
Het oostelijke deel van de planlocatie bevat de bestemming 'Tuin'. Hiermee wordt de
groene ruimte tussen de Prinses Irenelaan en het bouwvlak vastgelegd. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor tuinen, met daarbij behorende
terreinverhardingen
en
bouwwerken,
groen-,
speel-
en
nutsvoorzieningen
en
waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging(en) en waterlopen. Binnen deze
bestemming is het oprichten van gebouwen niet toegestaan. Er geldt dat erfafscheidingen, zoals schuttingen, niet hoger mogen zijn dan 1 meter. Een bijgebouw is
alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouw’. De bouwhoogte van dit
bijgebouw bedraagt maximaal 5 meter, de goothoogte van het bijgebouw bedraagt
maximaal 3 meter. De groene bosschages naast het bijgebouw langs de openbare weg zijn vastgelegd met de aanduiding ‘groen’. Deze aanduiding is ook langs de zijerfgrenzen gelegd. Met deze
aanduiding is de bestemming ‘Tuin’ zwaarder dan de bestemming ‘Tuin’ zonder aanduiding omdat hieraan een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is gekoppeld. Dat betekent dat voor
de gebieden die binnen de aanduiding vallen een omgevingsvergunning noodzakelijk is
om bepaalde werkzaamheden uit te voeren zoals het aanleggen van verharding en het kappen van bomen. Behoud van de groene coulissen wordt op deze manier zoveel mogelijk gegarandeerd en vastgelegd. Wonen
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, aan huis verbonden
beroepsuitoefening, tuinen en erven en parkeervoorzieningen. Het hoofdgebouw heeft een maximale oppervlakte van 150 m2 en dient binnen het bouwvlak te worden
gebouwd. De maximale goothoogte bedraagt 4,5 meter en de maximale bouwhoogte 8,5 meter. Bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan in het achtererfgebied. De bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 5 meter, de
goothoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 3 meter. Overige andere bouwwerken (bijvoorbeeld een zwembad) zijn binnen het bouwvlak toegestaan. Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
48
Binnen de bestemming is het toegestaan om een beroep aan huis uit te oefenen. Dit
gebruik dient wel ondergeschikt te zijn aan de primaire functie wonen in het hoofdgebouw. Ook mag het gebruik niet leiden tot een voor de woonomgeving onaanvaardbare situatie wat betreft geluid, verkeersveiligheid en parkeerdruk.
Binnen de bestemming ‘wonen’ is de aanduiding ‘groen’ opgenomen. Deze aanduiding is langs de zij- en achtererfgrenzen gelegd. Met deze aanduiding wordt binnen de bestemming ‘wonen’ het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden gekoppeld aan een omgevingsvergunning. Dat betekent dat voor de
gebieden die binnen de aanduiding vallen een omgevingsvergunning noodzakelijk is om bepaalde werkzaamheden uit te voeren zoals het aanleggen van verharding en het
kappen van bomen. Behoud van de groene coulissen wordt op deze manier zoveel mogelijk gegarandeerd en vastgelegd.
Waarde – Archeologie
De gronden in het plangebied hebben de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" en
zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Wanneer de ondergrond geroerd wordt boven in de regels aangegeven diepte of
oppervlak dan is archeologisch onderzoek vereist om te bepalen of geen archeologische
waarden in het geding zijn. Op basis van het verkennend onderzoek kan nader onderzoek vereist worden dan wel kan bepaald worden dat de voorgenomen grondwerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden.
Waarde – Beschermd dorpsgezicht Om de ontwikkelingen in het beschermde dorpsgezicht Prins Hendrikpark e.o. (waar het plangebied deel van uit maakt) op een juiste wijze te kunnen begeleiden, moeten passende regels in het bestemmingsplan worden opgenomen. Het beschermd
dorpsgezicht wordt beschermd door middel van een dubbelbestemming. Deze bestemming ziet met name op de laanstructuren, villabouw en landhuizen. Binnen de
bestemming is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor het aanbrengen van
verharding en het verwijderen van karakteristieke hekwerken. Voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend dient advies te worden gevraagd aan de monumentencommissie.
5.3 Ov e r ga ngsr e cht Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
49
Het overgangsrecht geldt voor bouwwerken die ooit met een bouwvergunning of een
melding zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar die nu vanwege een
bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Het
overgangsrecht is erop gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming komt met de gegeven bestemming.
In beginsel mogen de bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Meestal is dat een
eenmalige handeling aan het bouwwerk. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
50
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld van de
initiatiefnemer. De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan heeft naast de onderzoekaspecten echter ook betrekking op economische aspecten zoals planschade en grondexploitatiekosten. De ontwikkeling bevat bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1
Besluit ruimtelijke ordening.
Volgens artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een
grondexploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeenteraad besluiten af te wijken van het vaststellen van een
exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan
begrepen gronden anderszins is verzekerd. In dit geval worden de kosten van de
planvorming en eventuele planschade door de gemeente, en de kosten voor de realisatie van de ontwikkelingen door de grondeigenaar gedragen.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
51
Hoofdstuk 7 Inspraak, overleg en zienswijzen 7.1 Ins pr a a k Gezien de geringe omvang van het onderhavige plan is van het maken van een voorontwerp afgezien en is besloten om direct het ontwerpbestemmingsplan ter inzage
te leggen.
In maart 2019 heeft initiatiefnemer de omwonenden geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling aan de Prinses Irenelaan. Er zijn geen reacties binnen gekomen welke
hebben geleid tot significante wijzigingen van voorliggend plan. De oorspronkelijke brief
en de reacties zijn te vinden in Bijlage 5 (Omgevingsconsultatie).
7.2 Ov e r le g Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet in het kader van het overleg als
bedoeld in art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie
en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van
nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) PM
De provincie PM Waterschap
De watertoets heeft plaatsgevonden op de website www.dewatertoets.nl. Verwezen wordt naar de watertoetsprocedure, die opgenomen is in paragraaf 4.2. Op 29 november 2019 is de Watertoets ingevuld. Op basis van de watertoets is door het waterschap voor het
onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. De watertoets en het advies is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
52
7.3 Z ie ns w ijze n Het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd.
Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het
bestemmingsplan kenbaar te maken (artikel 3.8 Wro). De resultaten van de zienswijzen worden verwerkt in het bestemmingsplan. PM
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
53
Bijlagen
Toelichting – Bestemmingsplan Prinses Irenelaan Juni 2021
54