251218 RIB Stand van zaken ontwikkelingen Landgoed Paleis Soestdijk + bijlagen (1426356)
Tekst van het document
inlichtingen bij
Albert van 't Riet
doorkiesnummer uw kenmerk ons kenmerk
035-5481611
datum
Portefeuillehouder(s) onderwerp
1426356 / 1431575
Aan de raadsleden en steunfractieleden van de gemeente Baarn
18 december 2025 Wethouder Eijbaard Stand van zaken ontwikkelingen Paleis Soestdijk
Geachte leden van de raad en steunfractieleden , Op en rondom Landgoed Paleis Soestdijk zijn verschillende ontwikkelingen. Wij brengen deze bijeen in deze brief , met als doel u te informeren. Restauratie Wellicht heeft u gezien dat de Naald , aan de Torenlaan , op dit moment wordt gerestaureerd. Dit werk zal eerdaags worden afgerond. Via de media hebt u kunnen vernemen dat eigenaren van het paleis , de Meyer Bergman Erfgoed Groep (hierna: MBE) , zal starten met de restauratie van de buitenkant van het paleis. Aan ons is aangegeven dat dat in januari of februari 2026 zal starten. Men zal fasegewijs werken , zodat de activiteiten in het paleis zoveel mogelijk kunnen blijven doorgaan. Voor deze werkzaamheden is geen omgevingsvergunning nodig. Ook wordt er gewerkt aan de voorbereiding van de restauratie van de binnenkant van het paleis. Voor deze werkzaamheden is een monumentenvergunning nodig. Wanneer het ontwerp voor de restauratie gereed is en de vergunning kan worden aangevraagd , is op dit moment niet bekend. Zakelijke bijeenkomsten In april 2025 heeft MBE hun visie op het landgoed gepresenteerd. Nadat de Raad van State begin 2024 het bestemmingsplan heeft vernietigd was het nodig de visie te actualiseren. De visie ziet op de duurzame instandhouding van het gehele landgoed , uitgewerkt per deelgebied.
Het paleis en de paleistuin blijven , tijdens tentoonstellingen en andere openstellingen , toegankelijk voor publiek. In het paleis en de oranjerie worden zakelijke bijeenkomsten mogelijk gemaakt. Hiervoor is een omgevingsvergunning aangevraagd en bij ons in behandeling. Dit gebruik was eerder , onder het vernietigde bestemmingsplan , ook mogelijk. Naar verwachting wordt de vergunning in januari van het komende jaar verleend. Het betreft een zogenoemde reguliere vergunning , wat inhoudt dat het college bevoegd is de vergunning te verlenen. Tegen de vergunning kan uiteraard bezwaar worden gemaakt.
Stationsweg 18 Postbus 1003 3740 BA Baarn t (035) 548 16 11 e gemeente @baarn.nl I Voor ons privacybeleid zie www. baarn. nl Bank Nederlandse Gemeenten NL28BNGH0285000594. Bij beantwoording graag datum en kenmerk brief vermelden
Herenhuisterrein In de visie uit april 2025 werd ervan uitgegaan dat ONA – the excitement engineers uit Soest de exploitatie van het Herenhuisterrein op zich zouden nemen. Ook zouden zij eigenaar worden. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft echter aangegeven dat de verkoop van het terrein voor eind 2032 niet kan plaatsvinden. MBE beraadt zich nu op hoe zij verder wil gaan met het Herenhuisterrein. Of dit met of zonder ONA is , is ook nog niet duidelijk. Zodra hierover meer te melden is , zullen wij dat doen. Marechausseeterrein In juni 2025 is aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het huisvesten van maximaal 152 asielzoekers voor een periode tot 1 januari 2035. Het aantal mensen komt voor uit de Spreidingswet. Tegen de verleende vergunning is bezwaar gemaakt. Na een hoorzitting heeft de adviescommissie bezwaarschriften advies aan het college uitgebracht. Op basis van dat advies is de onderbouwing voor de omgevingsvergunning op onderdelen aangevuld. Het college heeft 16 december jl. de beslissing op bezwaar genomen. U treft deze bij deze brief aan. Met vriendelijke groet , burgemeester en wethouders van Baarn ,
drs. C. E. Creveld gemeentesecretaris
M. A. Röell burgemeester Bijlage(n):
bijlage 1 Beschikking op bezwaar Stichting Borrebos (geanonimiseerd) incl. 6 bijlagen.
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN GEMEENTE BAARN Advies aan Het college van burgemeester en wethouders van Baarn (verder: het college) Betreft het bezwaarschrift van Stichting Behoud het Borrebos (hierna: bezwaarmaker) , statutair gevestigd te Baarn , ingediend op 20 juni 2025. Het bezwaarschrift is gericht tegen het volgende besluit Het besluit ziet toe op de verleende omgevingsvergunning aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers , voor het vestigen van een opvanglocatie op het perceel Amsterdamsestraatweg 13 , 15 , 17 , 21 , 23 , 25 , 27 en 29 in Baarn , kadastraal bekend als: gemeente Baarn , sectie D , nummer 618 en 723 (verder: het perceel) , voor de duur van 10 jaar. Samenvatting van het commissie-advies De commissie adviseert u om het bezwaarschrift van bezwaarmaker ontvankelijk te verklaren , maar het besluit nader te motiveren op de onderdelen die in dit advies zijn aangegeven. De commissie is van oordeel het bestreden besluit onvoldoende is getoetst aan de provinciale omgevingsverordening en de ladder voor duurzame verstedelijking , en dat het daarmee onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand is gekomen. Het advies is als volgt onderbouwd
Procesverloop Sinds 2022 worden alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) opgevangen door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: het COA) in bestaande gebouwen op het voormalige kazerneterrein van de marechaussee op het perceel. In 2023 is dit aantal AMV’s uitgebreid naar 90 en per 1 januari 2025 naar 152. Voor de uitbreiding naar 152 AMV’s was op dat moment nog geen geldige omgevingsvergunning verleend. De eerder verleende tijdelijke omgevingsvergunning liep namelijk af op 5 juli 2023. Handhavingsprocedure Op 12 november 2024 heeft bezwaarmaker het college verzocht om handhavend op te treden tegen de illegale situatie ten aanzien van de opvang van 152 AMV’s bijvoorbeeld door een geldige omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om handhavend op te treden. Tevens heeft bezwaarmaker prematuur bezwaar ingediend tegen de te verlenen omgevingsvergunning. Op 12 februari 2024 heeft bezwaarmaker het college in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit. Op 26 februari 2025 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Naar het oordeel van het college was er op dat moment concreet zicht op legalisatie omtrent de omgevingsvergunning. Op 3 maart 2025 heeft bezwaarmaker bezwaar ingediend tegen de afwijzing.
Gelijktijdig heeft bezwaarmaker een voorlopige voorzieningprocedure ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. In het kader hiervan vond een zitting plaats op 10 april 2025. Ter zitting heeft bezwaarmaker op advies van de voorlopige voorzieningenrechter , zijn verzoek ingetrokken in afwachting van de te verlenen omgevingsvergunning om daartegen in bezwaar te gaan. 1
Vergunningprocedure Op 21 februari 2025 heeft het COA de tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd voor de omgevingsplan activiteit “afwijken van de regels van het bestemmingsplan” , ook wel een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: een Bopa). De Bopa ziet specifiek toe op het in gebruik nemen van bestaande paviljoens (3) en dienstwoningen (8) voor de huisvesting van 152 AMV's op het perceel , voor de duur van 10 jaar. Op 17 juni 2025 heeft het college de omgevingsvergunning (hierna: het bestreden besluit) verleend. Het bestreden besluit is gebaseerd op adviezen van meerdere disciplines zoals de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht , de provincie Utrecht , de Veiligheidsregio Utrecht en de relevante afdelingen van de gemeente Baarn. Daarnaast heeft het college een “Onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving” d. d. 27 mei 2025 (hierna: de GoFlo) van het COA ontvangen en die ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Bezwaarmaker kan zich niet vinden in het bestreden besluit en heeft daarom op 20 juni 2025 een bezwaarschrift ingediend. In het kader van het bezwaarschrift heeft op 2 september 2025 een hoorzitting Het college plaatsgevonden. Bezwaarmaker werd hierbij bijgestaan (geanonimiseerd) werd bijgestaan door mevrouw mr. S. de Boer , advocaat bij -advocaten , en de heer A. van het Riet , adviseur ruimtelijke ordening.
Het verslag van de hoorzitting is als bijlage 1 bij dit advies gevoegd. Tijdens de hoorzitting heeft bezwaarmaker een nadere toelichting uitgedeeld. Het college heeft op 3 oktober 2025 hierop gereageerd. Deze nadere stukken maken onderdeel uit van
Ee
het bezwaardossier en van dit advies. Het oordeel van de commissie
Ontvankelijkheid
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend (artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht , verder: Awb). Bezwaarmaker is belanghebbende (artikel 1:2 Awb). Aangezien het bezwaarschrift ook voor
het overige voldoet aan de wettelijke vereisten , adviseert de commissie om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren. De bezwaren Bezwaarmaker voert - kort samengevat - het volgende aan: 1. Volgens bezwaarmaker is de beoogde locatie niet geschikt , omdat deze binnen een kwetsbaar bosgebied en Natuur Netwerk Nederland ligt. 2. Op grond van de provinciale omgevingsverordening geldt voor het landelijk gebied een Bezwaarmaker stelt dat deze ontwikkeling niet onder een van verstedelijkingsverbod. i n de de verordening opgenomen uitzonderingen valt. 3. Het gebruik door de marechaussee verschilde wezenlijk van de beoogde COA-opvang: het betreft intermitterend gebruik versus permanente huisvesting van 152 personen , waardoor sprake is van een functiewijziging en niet van voortzetting van bestaand gebruik. 4. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) uit 2024 (uitspraak met betrekking tot vaststelling bestemmingsplan Paleis Soestdijk) kunnen kleinschalige functiewijzigingen in landelijk gebied soms worden toegestaan , zoals het herbestemmen van het voormalige koetshuis tot kantoorruimte. Een opvanglocatie met de omvang van het onderhavige
initiatief valt hier niet onder , omdat het gebruik aanzienlijk groter en intensiever is en een wezenlijk andere aard heeft. 5. Het college heeft onvoldoende aandacht besteed aan het participatietraject. De commissie De commissie moet beoordelen of het college het bestreden besluit op de juiste gronden heeft kunnen nemen. Het college heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. De commissie kan dit oordeel volgen gelet op pagina 7 van de door de gemeenteraad van Baarn vastgestelde ‘Notitie keuze raadsbesluiten bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’. Toetsingskader Op grond van artikel 5. 1 , lid 1 , onder a van de Omgevingswet (hierna: Ow) is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In dit geval betreft de aanvraag een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: Bopa). De beoordelingsregels daarvoor zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) , met name in de artikelen 8. 0a , 8. 0b , 8. 3b , 8. 74b en 8. 80 van het Bkl. Daarnaast is het tijdelijke deel van het omgevingsplan van toepassing , in dit geval het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” (hierna: bestemmingsplan). Voor het perceel geldt de bestemming Maatschappelijk – Marechaussee.
Op grond van artikel 26 van het bestemmingsplan is het verboden de aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze die strijdig is met de bestemming. De aangevraagde Bopa ziet daarom op het afwijken van de regels van (het tijdelijke deel van) het omgevingsplan. Ingevolge artikel 8. 0b lid 2 van het Bkl moet het college rekening houden met instructieregels die gelden voor het gemeentebestuur. Hierna volgt pas de beoordeling van een goede ruimtelijke orde. Dit betekent dat de instructieregels uit de Provinciale Omgevingsverordening Utrecht (hierna: de POV) rechtstreeks doorwerken bij de besluitvorming van de Bopa. In artikel 9. 3 van de POV is een verstedelijkingsverbod opgenomen voor het landelijk gebied. Dit houdt , gelet op de definitie van verstedelijking in de POV , in dat in het landelijk gebied geen nieuwe stedelijke functies mogen worden gevestigd en bestaande stedelijke functies niet mogen worden uitgebreid. Artikel 9. 9 van de POV bevat een uitzonderingsmogelijkheid.
Deze staat toe dat bestaande stedelijke functies een andere stedelijke invulling mogen krijgen , mits de functiewijziging naar aard en omvang niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving , dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; Daarnaast bepaalt artikel 5. 129g van het Bkl dat het bevoegd gezag bij het toelaten van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet motiveren: • dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte , en • dat de ontwikkeling zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd , tenzij dat niet mogelijk is en dit deugdelijk is gemotiveerd. Dit artikel bevat de Ladder voor duurzame verstedelijking , die ook onder de Omgevingswet blijft gelden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2017:1724 en ECLI:NL:RVS:2022:2155) moet worden beoordeeld of een stedelijke ontwikkeling nieuw is. Daarbij kijkt men samenhangend naar de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan. 3
Bij een omgevingsvergunning die afwijkt van het bestemmingsplan , is belangrijk of er een functiewijziging plaatsvindt en welk planologisch ruimtebeslag mogelijk wordt gemaakt. Als de vergunning wel een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt , maar geen nieuw ruimtebeslag , maar alleen een functiewijziging , is er in principe geen nieuwe stedelijke
ontwikkeling. Er kan toch sprake zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de functiewijziging qua aard en omvang zodanig is dat dit gerechtvaardigd is. Hierbij speelt ook de ruimtelijke uitstraling van de nieuwe functie ten opzichte van het bestemmingsplan een rol. Overwegingen De commissie stelt voorop dat het college terecht heeft geoordeeld dat een Bopa vereist is voor de beoogde gebruikswijziging van de bestaande bebouwing. Zoals opgemerkt in het toetsingskader zijn voor functiewijzigingen in het landelijk gebied opgenomen de artikelen 9. 3 en 9. 9 van de POV van toepassing. Daarnaast volgt uit artikel 5. 129g van het Bkl (de Ladder voor duurzame verstedelijking) dat het bevoegd gezag bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet motiveren: 1. dat de ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte , en 2. dat deze zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt , tenzij dat niet mogelijk is en dit deugdelijk wordt gemotiveerd. POV Bezwaarmaker voert aan dat op grond van de provinciale omgevingsverordening voor het landelijk gebied een verstedelijkingsverbod geldt en dat deze ontwikkeling niet onder een van de uitzonderingen valt. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van verstedelijking in de zin van artikel 9. 3 van de POV. Het college verwijst naar artikel 9.
9 van de POV , dat toestaat dat percelen met een bestaande stedelijke functie een andere stedelijke functie krijgen , mits de functiewijziging naar aard en omvang niet leidt tot een vergroting van de locatie of tot toename van invloed op de omgeving. Volgens het college is van dit laatste geen sprake , omdat de opvang van 152 AMV’s binnen de bestaande bebouwing en oppervlakte plaatsvindt. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd en het terrein behoudt zijn bestaande omvang en inrichting. In de GoFlo is volgens het college gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van invloed op de omgeving. De commissie merkt op dat de provincie zich hierbij aansluit. In haar advies stelt zij dat de ruimtelijke impact van de functiewijziging vergelijkbaar blijft met het bestaande gebruik , er geen uitbreiding van bebouwing of bestemmingsvlak plaatsvindt en de verkeersdruk niet toeneemt. Daarmee voldoet het plan volgens de provincie aan de provinciale instructieregels van de POV. De commissie constateert echter dat niet is vastgesteld dat artikel 9. 9 (danwel 9. 3) van de POV daadwerkelijk van toepassing is. Dit artikel is immers relevant indien het perceel voorafgaand aan de Bopa een bestaande stedelijke functie had.
Het besluit bevat geen afzonderlijke motivering over de vraag of de functie ‘maatschappelijke marechaussee’ kan worden aangemerkt als een stedelijke functie in de zin van de POV. Het bestemmingsplan duidt de kazerne aan als maatschappelijke voorziening. Maatschappelijke voorzieningen worden omschreven als educatieve , sociaal-medische , sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen , maar ook voorzieningen voor sport , recreatie en 4
openbare dienstverlening. Deze omschrijving vertoont overeenkomsten met de categorie ‘stedelijke voorzieningen’ zoals die in de ‘Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking’ (2013) is beschreven , onder meer accommodaties voor onderwijs , zorg , cultuur , bestuur en indoor sport en leisure. Het college had zich op dit verband kunnen beroepen om aan te tonen dat de maatschappelijke functie van het terrein kan worden beschouwd als een specifieke stedelijke functie in de zin van artikel 9. 9 POV. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat deze vraag is onderzocht of afgewogen. Evenmin is toegelicht waarom het college tot de conclusie komt dat het terrein een bestaande stedelijke functie had en of de maatschappelijke bestemming uit het bestemmingsplan daarvoor een toereikende grondslag biedt. De enkele verwijzing naar het vigerende bestemmingsplan , waarin volgens het college een ‘ongelimiteerd verblijf’ mogelijk zou zijn , is ontoereikend. Het bestemmingsplan bevat immers expliciete beperkingen ten aanzien van het toegestane gebruik en de maximale oppervlakte van de bebouwing. Van ongelimiteerd gebruik kan geen sprake zijn. De commissie constateert dat het provinciale advies summier is qua motivering en geen inzicht biedt in de wijze waarop de vergelijking tussen het huidige gebruik en de beoogde permanente bewoning is gemaakt.
De commissie acht het daarom van belang dat het college alsnog duidelijk maakt: • op welke gronden het kazerneterrein als een bestaande stedelijke functie wordt aangemerkt; • hoe de vergelijking tussen het voormalige gebruik en de beoogde permanente bewoning is gemaakt; en • in hoeverre de functiewijziging naar aard en omvang ruimtelijk gelijkwaardig is aan het planologisch toegestane gebruik. Ladder voor duurzame verstedelijking De commissie wijst erop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling ook een functiewijziging zonder fysieke uitbreiding kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling , indien de aard en omvang van het gebruik wezenlijk afwijken van het bestaande regime. Daarbij is de ruimtelijke uitstraling doorslaggevend. De Afdeling heeft in de uitspraak Paleis Soestdijk (r. o. 77–79 , ECLI:NL:RVS:2024:249) overwogen dat bij functiewijzigingen in het landelijk gebied zorgvuldig moet worden gemotiveerd of de nieuwe functie leidt tot verstedelijking als bedoeld in de provinciale verordening. Daarbij is van belang of de ruimtelijke uitstraling toeneemt en of het gebruik qua aard en intensiteit wezenlijk afwijkt van het bestaande planologische regime. Als voorbeeld van een kleinschalige ontwikkeling wordt genoemd het bestemmen van een koetshuis voor kantoorgebruik.
Dit illustreert dat ook bij relatief beperkte wijzigingen moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijke functie of stedelijke uitstraling. In de voorliggende situatie wordt het voormalige marechausseeterrein gebruikt voor permanente huisvesting van 152 personen , terwijl voorheen sprake was van intermitterend gebruik door een beperktere groep. Hoewel de ruimtelijke impact van het beoogde gebruik in de GoFlo is beschreven , ontbreekt daarin maar ook in het bestreden besluit een vergelijking met het huidige toegestane gebruik. Uit de motivering van het college blijkt eveneens niet dat de aard en intensiteit van het gebruik gelijk blijven. De commissie is verder van oordeel dat het college , mede in het licht van artikel 5. 129g Bkl , had moeten onderbouwen waarom de gekozen locatie de meest geschikte is en waarom alternatieve locaties voor opvang van AMV’s niet mogelijk of minder passend zijn. Deze 5
motivering ontbreekt , terwijl uit de uitspraak over Paleis Soestdijk volgt dat dit een verplicht onderdeel is van de zorgvuldige afweging bij functiewijzigingen in het landelijk gebied. De commissie acht het noodzakelijk dat het college in de beslissing op bezwaar omvangrijker motiveert: • hoe de aard en omvang van de permanente bewoning zich verhouden tot het eerdere gebruik van het terrein; • of en in hoeverre de ruimtelijke uitstraling toeneemt ten opzichte van het historische gebruik; • op welke wijze de aanvraag is getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5. 129g Bkl); • waarom deze locatie voor opvang geschikt wordt geacht en waarom andere locaties minder geschikt zijn.
Overige bezwaargronden Vergelijking koetshuis uitspraak Paleis Soestdijk Bezwaarmaker verwijst naar de uitspraak Paleis Soestdijk en stelt dat slechts kleinschalige functiewijzigingen , zoals het herbestemmen van een koetshuis tot kantoorruimte , in landelijk gebied aanvaardbaar zijn. Volgens bezwaarmaker sluit deze stelling aan bij onderhavige kwestie. De commissie begrijpt deze vergelijking , maar merkt op dat de situatie in voorliggend geval wezenlijk verschilt van het in de uitspraak bedoelde voorbeeld. In de uitspraak over het koetshuis ging het om een beperkte functiewijziging die gepaard ging met enige verharding , bouw en sloop , maar waarvan de ruimtelijke impact in de context van de buitenplaats gering werd geacht. In de onderhavige situatie is geen sprake van nieuwe bebouwing , verharding of sloop. Om die reden kan de commissie zich niet in deze bezwaargrond vinden. Locatie binnen kwetsbaar bosgebied en NNN-gebied Bezwaarmaker voert aan dat de opvanglocatie is gelegen in een kwetsbaar bosgebied met beschermde diersoorten en binnen het NNN , en dat de locatie om die reden ongeschikt is voor de beoogde functie. De commissie stelt vast dat verweerder in het verweerschrift en tijdens de hoorzitting gemotiveerd heeft toegelicht dat het terrein niet binnen het NNN is gelegen.
De locatie bevindt zich weliswaar in de nabijheid van een NNN-gebied , maar maakt daar planologisch geen onderdeel van uit. De commissie volgt deze toelichting. Ten aanzien van de natuurtoets merkt de commissie op dat het college niet bevoegd is om zelfstandig te oordelen over de aanhaakplicht voor een natuurvergunning; dat is de provincie. De commissie volgt bezwaarmaker dan ook niet op dit punt. Participatie Bezwaarmaker voert aan dat de participatie onvoldoende zorgvuldig is verlopen. De commissie stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft opgenomen dat overleg heeft plaatsgevonden met omwonenden en andere betrokkenen en dat het verslag van dit overleg als bijlage bij het besluit is gevoegd. Daarmee heeft het college invulling gegeven aan de motiveringsplicht van artikel 16. 5 , derde lid , van de Omgevingswet , waarin is bepaald dat in het besluit wordt gemotiveerd op welke wijze burgers , bedrijven , maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het besluit. De stelling van bezwaarmaker slaagt dan ook niet naar het oordeel van de commissie. 6
Tijdens de hoorzitting heeft de commissie daarnaast geconstateerd dat het COA diverse gesprekken heeft gevoerd met direct omwonenden van het perceel , zoals Stichting Merhula. Ook heeft vergunninghouder toegezegd in gesprek te zullen gaan met andere relevante organisaties die tijdens de hoorzitting aanwezig waren. De commissie acht dit een wenselijke stap richting verdere afstemming en draagvlak , maar merkt op dat dit de verantwoordelijkheid van vergunninghouder is en niet van het college. Conclusie De commissie
concludeert dat het bestreden besluit op onderdelen niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen en te weinig is gemotiveerd. Het gaat dan over de toetsing aan de POV en de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gelet op de overwegingen adviseert de commissie u om het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren en het bestreden besluit op onderdelen nader te motiveren. Dit advies is vastgesteld door:
(geanonimiseerd) Baarn , de Adviescommissie 21 november
de secretaris ,
bezwaarschriften
2025
(geanonimiserd)
gemeente
Baarn ,
(geanonimise rd) (geanonimise rd)
Bijlage
1:
het
verslag
ADVIESCOMMISSIE
van
Datum
hoorzitting:
22
Stichting
het
BAARN
HOORZITTING
september 2025
Betreft het bezwaarschrift Behoud
hoorzitting
BEZWAARSCHRIFTEN
GEMEENTE VERSLAG
de
van:
Borrebos, statutair gevestigd
te
Baarn, ingediend op 20 juni 2025
Het
bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 17 juni 2025. Dit besluit ziet toe Het besluit ziet toe op de verleende omgevingsvergunning aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, voor het vestigen
opvanglocatie op het perceel Amsterdamsestraatweg Baarn, kadastraal bekend als: gemeente Baarn, sectie D, van 10 jaar. een
van
13, 15, 17, 21, 23, 25, 27 en 29 nummer
618
en
723,
voor
in
de duur
Aanwezig: Commissie De heer De heer
-
-_
-_
-
(, -
mr.
H.
mr.
M.
Bartelink
(hierna: de voorzitter) Niermeijer (hierna: de heer Niermeijer) A. van Hespen (hierna: mevrouw Van Hespen)
Mevrouw
mr.
mevrouw
A.S. Millerson
LLM, secretaris
ar
(geanonimiseerd) voorzitter van Stichting Behoud het Borrebos (hierna: bezwaarmaker) raadgevend adviseur voor Stichting Behoud het Borrebos (hierna: |
-
Namens het college -_Mw. mr. S. de Boer,
gemachtigde
college (hierna: verweerder) Handhaving en Toezicht gemeente Baarn 7 Dhr. A. van het Riet, projectleider Ruimtelijke ontwikkeling gemeente Baarn (hierna: de heer Van het Riet) van
het
n, medewerker
-_
Vergunninghouder namens
het COA
(hierna: |
Daarnaast zijn enkele toehoorders aanwezig, bestaande uit burgers uit Baarn, een medebestuurslid van Stichting Behoud het Borrebos en tevens voorzitter van de Werkgroep Roofvolgels Nederland en een bestuurslid van de VVD.
--------------------------------------------------------------------------------------------------
De voorzitter opent de bijeenkomst
, stelt de aanwezigen voor en legt de procedure uit. Hij geeft het woord aan bezwaarmaker voor een toelichting op het bezwaar. Bezwaarmaker heeft een korte mondelinge inleiding en een uitgebreide inleiding op papier in reactie op het verweerschrift van het college. Hij leest de mondeling inleiding voor welke aan dit verslag is toegevoegd. De uitgebreide inleiding maakt onderdeel uit van het bezwaardossier. De voorzitter geeft aan dat de vertegenwoordiger van het college mogelijk de gelegenheid krijgt om te reageren op de mondelinge inleiding. Hier worden na afloop afspraken over gemaakt. Verweerder geeft aan dat er geen sprake is van verstedelijking. Ze verwijst voor die argument naar het verweerschrift dat door haar is ingediend in de voorlopige voorziening procedure. De provincie Utrecht deelt deze visie. In dit geval is geoordeeld dat het plan niet past in het bestemmingsplan. Daarom is een Bopa (buitenplanse omgevingsplan activiteit) aangevraagd. Het college heeft gekeken naar het verschil in impact ten aanzien van de huidige functie. Er moet een vergelijking gemaakt worden met de regerende planologische situatie. In de GoFlo (de ruimtelijke onderbouwing) is geoordeeld dat er geen bezwaar is voor de omgeving , dat het allemaal goed past. Daar is ook ecologisch onderzoek naar gedaan.
En daarbij is uiteraard ook betrokken dat het gebied geen onderdeel uitmaakt van een NNN-gebied (Natuur Netwerk Nederland) maar daar wel in is gelegen. Omdat de locatie al helemaal verhard is , maakt het geen onderdeel uit van de NNN. Daar is ook de hele ruimtelijke onderbouwing op beoordeeld. Verweerder vervolgt dat bezwaarmaker af en toe nog verwijst naar de uitspraak van de Raad van State. In die procedure ging het om een groot ontwikkelplan van het totale landgoed van Paleis Soestdijk. Ze geeft aan dat hetgeen over die ontwikkeling is gezegd , niet te vergelijken is met wat er vandaag wordt behandeld; namelijk alleen ander gebruik van bestaande bebouwing. De uitspraak van de Raad van State kan hier dan ook niet worden toegepast. De voorzitter vraagt hoe het zit met de vergelijking van de functiewijziging van het koetshuis naar kantoorruimte. Dit werd door de Raad van State wel gezien als een uitbreiding en verstedelijking. Bezwaarmaker geeft aan dat toen expliciet in het vonnis staat dat de toenmalige verstedelijking in strijd zou zijn met de provinciale verordening. Daarbij ging het ook om een ander gebruik van het koetshuis. Hij licht toe wat er is gezegd over kleinschalige ontwikkelingen. Verweerder antwoordt dat het in die situatie ging om sloop en nieuwbouw en daarmee verharding. Dat is nu niet het geval. De provincie heeft zich hierover gebogen.
Verder voegt mevrouw de Boer toe dat het nu gaat om een aanvraag voor de duur van 10 jaar. Wat men in de toekomst wil staat hier los van. De voorzitter vat samen dat verweerder aangeeft dat enkel de functiewijziging er niet toe leidt dat er sprake is van verstedelijking.
9
Verweerder
legt nog uit wat er is gezegd door de Raad van State. Dat zag op het feit dat er destijds meer verharding was dan de huidige bebouwing.in Dat is nu niet het geval. De het kader van de provinciale provincie heeft zich hierover gebogen en geoordeeld verordening. Verder voegt verweerder toe dat het nu gaat om een aanvraag voor de duur van 10 jaar. Wat men in de toekomst wil staat los van onderhavige kwestie. Mi nog toe dat het gebruik niet anders zal worden. Het hoofdgebouw zal (geanonimiseerd) als ebouw worden gebruikt , de logies voor logies en het kantoor voor de
arehnoofadg kantoorfunctie.
De heer Niermeijer
vraagt tot wanneer de kazerne in gebruik is geweest door de marechaussee. Dat bleek niet uit de stukken. Bezwaarmaker geeft een toelichting op de geschiedenis van de locatie. In 1949 is het kazerneterrein (het deel in het Borrebos) via erfpacht afgegeven aan de staat der Nederlanden. Dit is gedaan met de bedoeling om daar een tijdelijke paleiswacht te vestigen. Vervolgens is men met de bouw begonnen tot eind 1949-begin 1950. De functie paleiswacht eindigde toen Prins Bernard overleed in 2005. Daarna is het nog gebruikt omdat het een functie had voor de scherpe beveiliging van een deel van het Loo en Drakestein. Vervolgens is het overgedragen aan de Bergman Meijergroep. In 2017 is de marechaussee vertrokken van het terrein. In januari 2022 is de huur beëindigd van de marechaussee. Tot die tijd ging het dus om een kleinschalige invulling van het pand. Er was geen sprake van bewoning 24 uur per dag of personeel. Het is niet te vergelijking met de situatie van nu. De heer van t Riet vult aan dat het eigendom in 2022 overging aan de Bergman Meijergroep. De marechaussee heeft het nog terug gehuurd omdat ze nog bezig waren met een regionale kazerne in Soesterberg die nog niet gereed was. Op of rond 1 januari 2022 is de huur aan de marechaussee beëindigd. De heer Niermeijer leidt in dat er wordt uitgegaan van de situatie van 50 personen die daar dan tijdelijk voor een jaar zitten.
In één keer wordt dan eigenlijk een vergunning aangegaan voor 10 jaar voor 152 mensen. Dat wordt volgens de heer Niermeijer als een soort bestaande situatie in de GoFlo neergelegd. Hij vraagt aan verweerder hoe het college tegen de vergelijking van de huidige situatie en de nieuwe situatie aankijkt , vanuit feitelijk en planologisch perspectief. Het college beweert eigenlijk dat de situatie hetzelfde blijft. Verweerder licht toe dat het planologisch gaat om de bestemming maatschappelijk. Er zijn geen nadere restricties over het aantal personen , het is een ruimte bestemming. Dit heeft zij ook bij de voorzieningenrechter toegelicht. Feitelijk heeft in de periode tussen 2017 en 2022 een verschuiving plaatsgevonden van de intensiviteit. De heer van het Riet vult aan. De locatie is in die periode verhuurd door de eigenaar van Paleis Soestdijk aan de marechaussee. De intensiviteit van het gebruik op dat moment weet terug verhuurd zijn. Of hij niet precies. Hij weet wel dat de gebouwen die er zijn in principe er 20 of het maximum aantal mensen heeft gezeten weet hij niet. Die cijfers kan hij
overleggen.
10
De heer Niermeijer
vervolgt dat er in de onderbouwing staat dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als het om een functiewijziging gaat waarbij 152 mensen kunnen wonen , zou je kunnen betogen dat het gebruik wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Verweerder geeft aan dat dat niet het geval is omdat het in het vigerende bestemmingsplan al is toegestaan. Er zijn geen restricties opgenomen ten aanzien van het aantal mensen dat op het perceel aanwezig kunnen zijn. Alles is dus toegestaan. Hetgeen ook blijkt uit de brandweerrapporten en het gebruik van destijds. (geanonimiserd) be heer van het Riet vult aan. Omdat het om een ontwikkeling functiewijziging in het landelijk gebied gaat , omgeven door NNN , moest de aanvraag de provincie worden voorgelegd. Zij hebben getoetst aan de provinciale omgevingsverordening. De provincie heeft geoordeeld in de lijn van hetgeen verweerder aangeeft. Er is geen sprake van toename van verstedelijking. wie de heer van het Riet bedoelt met “de provincie” , Bezwaarmaker vult aan wat de provincie destijds heeft geconstateerd bij de vaststelling van het bestemmingsplan Paleis Soestdijk. De toenmalige plannen pasten volgens de provincie binnen de reguliere verstedelijking. Dat heeft de Raad van State van tafel geveegd. Niet alleen het college is op de vingers getikt maar ook de provincie treft blaam.
Verweerder geeft in reactie hierop aan waar het verschil van inzicht destijds in zat. Dat zag toe op verharding en daar is hier geen sprake van. De heer Niermeijer heeft nog wat vragen over de participatie. In de GoFlo staat dat dit in 2022 heeft plaatsgevonden ten aanzien van de opvang van 50 asielzoekers. De voorzitter vult aan en vraagt hoe het zit met de participatie ten aanzien van de Bopa. Hij verwijst ook naar het artikel in de NRC dat recent is gepubliceerd. Verweerder licht dat toe. Dit is voornamelijk via gesprekken gebeurd. Er is overleg gevoerd met de provincie. Er vindt zeer regelmatig intensief overleg plaats met Stichting Merhula , die in de nabije omgeving gevestigd is. Dit is niet door middel van officiële uitnodigingen gebeurd om te komen praten. Maar op deze wijze heeft het COA de participatie uitgevoerd. -: nog een uitgebreide toelichting op het participatietraject en de (geanonimiseerd) reguliere overleggen die hebben plaatsgevonden. Voor de aanvraag is er veel contact geweest met de provincie en de directe buren , de scouting. De bewoners bevinden zich op een grote afstand en zijn niet meegenomen. Ook gaat hij in op de zorgen van de aanwezigen in de zaal. Er worden wat afspraken gemaakt. Er worden ín de zaal enkele opmerkingen gemaakt over kwetsbare dieren in de nabije omgeving en de natuur.
De voorzitter geeft aan dat er aspecten zijn betrokken bij de Bopa. Verweerder vult kort aan dat er niet is gereageerd op de inhoud van de rapportages bij de Goflo. Er is enkel aangegeven dat de ruimtelijke onderbouwing niet goed is. Verder is daar
(geanonimiseerd) A
a
1
niks over gezegd.
gerenommeerd
-:
onderzoeken zijn zorgvuldig tot stand gekomen door een bureau. De conclusie blijkt dat er geen impact is op de omgeving. Deze
aan dat bepaalde onderdelen niet zijn meegenomen Is literatuur over het Paardenbos en het Borrenbos.
je
De voorzitter
reageert dat bezwaarmaker
verweerder
s van oordeel dat dit zaken zijn die vanzelfsprekend zijn en door enomen had moeten worden. Hij vindt de participatie gebrekkig. Een belangenafweging heeft dus niet plaatsgevonden. Ook zijn er geen gesprekken
bezwaarschrift.
daar iets over had kunnen
in die
zeggen
in het
zorgvuldige gevoerd met relevante organisaties. Artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht is niet goed uitgevoerd. Dit toont aan dat er nog iets moet gebeuren.
NN.
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) cc dd
in gesprek
om
te gaan.
2 termijn
Bezwaarmaker geeft een terugblik op de voorgeschiedenis ten aanzien van de AZC en de betrokkenheid van Stichting Behoud het Borrebos. Ook licht hij toe opnieuw wat hem aan het hart ligt , namelijk de natuur maar ook de jongeren van het asielzoekerscentrum Hij legt uit waarom en op welk moment bezwaarmaker in de pen is geklommen. Dat was pas op het moment dat er 152 jongeren werden opgenomen. Bezwaarmaker verwijst nog naar de handhavingsprocedure en de zitting bij de voorlopige
voorzieningrechter.
Volgens bezwaarmaker
wordt
plannen
en de
wethouder
van
is aangegeven.
het COA
er
gewerkt
Hij herhaalt
aan
een
enkele zaken
MeyerBergman
permanente met
Erfgoed Groep.
situatie , hetgeen
betrekking
tot de
ook door de
toekomstige
De heer een
Niermeijer vraagt wat er nou exact is vergund. In het besluit staat enkel dat het om opvanglocatie van 10 jaar gaat. Er wordt niet omschreven wat daaronder wordt
verstaan.
De voorzitter
personen
nn
vult aan dat dit relevant is met het oog op het toekomstige kan in de toekomst wijzigen.
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) vindt dit een interessante vraag.
gebruik. Het aantal
In zijn
optiek is de bestaande situatie voortgezet , maar dan voor de nareizigers die daar ook tijdelijk verblijven. Dit is de situatie die voor de komende 10 jaar is vergund. De heer Van Riet vult aan dat de vergunning door het COA is aangevraagd en is vergund aan het COA. In de bestuursovereenkomst is opgenomen dat het COA bepaalt welke bewoners er gehuisvest worden , maar in afstemming met de gemeente.
geeft vervolgens aan dat de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) ijk wonen voor een bijzondere groep , en dat daarbij de belangrijkst eis wordt genoemd de nabijheid van voorzieningen , zoals onderwijs , winkels en openbaar vervoer. Daarnaast wordt benoemd dat de VGN benadrukt dat opvanglocaties niet midden in een natuurgebied moeten worden gevestigd. 12
De Boer geeft aan dat het gaat om de opvang van personen. Als je in de GoFlo staat daar duidelijk vermeld dat het gaat om 152 opvangplaatsen en niet om bewoning. kijkt , Verder is in de vergunning heel duidelijk omschreven hoe en waar de opvang van personen mag plaatsvinden. Het gaat dus om opvang van vluchtelingen door het COA , die ergens moeten worden ondergebracht.
Mevrouw
dat hij nog graag iets wil zeggen het centrale --: dat aantal uitspraken zijn waarin de rechter heeft verstedelijkingsbegrip. Hij geeft niet onder acceptabele verstedelijking buiten de bebouwde kom kan aangegeven wat wel aan
worden
aangemerkt.
en
aan
er een
over
Hij geeft
aan dat daarbij het nadrukkelijk niet alleen gaat om extra verharding , maar dat het vooral gaat om een functiewijziging van het gebruik. Verder geeft hij aan dat de Raad van State in een tamelijk bekende uitspraak zelf heeft aangegeven wat zij acceptabel vindt als het gaat om verstedelijking en wat niet. Hij geeft aan dat het bij verstedelijking niet zozeer gaat om wat er op een plek gebeurt , maar om de relatie van dat gebruik tot de omgeving. Hij geeft aan dat de implicatie van dat gebruik voor de omgeving hier het punt is. Vervolgens geeft hij aan dat , wanneer die implicaties toenemen , er sprake is van verstedelijking. Geeft ook aan dat in dit geval de impact op de natuur en omgeving veel groter is , dan toen het terrein nog eigendom was van de Koninklijke Marechaussee.
Tot slot geeft hij aan dat in het verweerschrift nog wordt ingegaan op de zaak bij de voorzieningenrechter. De opvanglocaties worden steeds groter; eerst 50 jongeren , vervolgens 66 jongeren , daarna 90 jongeren en nu 152 jongeren. Hij geeft aan dat dit in strijd is met artikel 2:4 Awb , het fair-play beginsel.
geeft aan dat ze graag nog op het punt van bezwaarmaker wil reageren. De voorzieningenrechter heeft gezien dat er een aanvraag is gedaan , dat de GoFlo bijna compleet was en de voorzieningenrechter kon zich goed voorstellen dat dit vergund zou Mevrouw
De Boer
worden.
Tot slot
geeft ze aan dat ze nog wil reageren op het punt dat er geen zorgvuldige afweging (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) heeft al uitgelegd dat er uitvoerig overleg is geweest met zijn gemaakt. BEE: verschillende instanties. Er is zorgvuldig gekeken en er is een zeer uitvoerige onderbouwing gemaakt. Daarnaast is er echt goed nagedacht over de vraag wat hier wel niet goed wordt gevonden. zou
De voorzitter
geeft mogelijkheid krijgt
aan dat we de procedureafspraak maken dat het college nog de om binnen twee weken te reageren op het stuk dat alsnog is ingediend.
Hij stelt vast dat de commissie voldoende is geïnformeerd. Hij legt het vervolg procedure uit , bedankt de aanwezigen en sluit de hoorzitting.
van
de
13
Memorandum
Onderwerp Datum Documentnummer Van Aan Telefoonnummer Team
Vraag adviescommissie bezwaarschriften gemeente Baarn nav verleende omgevingsvergunning vestigen opvanglocatie COA op het Marechausseeterrein
Paleis Soestdijk 09‑12‑2025
UTSP-1737830539-38899
Marjolein van Gessel
Gemeente Baarn , t. a. v. Albert van ’t Riet +31652769552 GRO
Inleiding De adviescommissie bezwaarschriften heeft n. a. v. het bezwaarschrift tegen de verleende omgevingsvergunning voor het vestigen van een opvanglocatie voor het COA de vraag gesteld om nader te onderbouwen waarom op het Marechausseeterrein op Paleis Soestdijk een andere stedelijke functie mogelijk is volgens de Omgevingsverordening. Hieronder volgt een nadere onderbouwing. De locatie van de Marechausseekazerne op landgoed Paleis Soestdijk ligt in landelijk gebied , buiten wat in de Omgevingsverordening als aaneengesloten stedelijk gebied van de kern Baarn is aangeduid. In het landelijk gebied komen echter ook veelvuldig “losse” stedelijke functies voor , zoals bv. afzonderlijke woningen en bedrijven. Of een concrete vorm van bebouwing en gebruik als een stedelijke functie moet worden aangeduid , is afhankelijk van de begripsbepaling voor een stedelijke functie zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. Die is als volgt (zie Bijlage 1 bij artikel 1. 1: begripsbepalingen van de Omgevingsverordening): Stedelijke functie: Functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik , door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied.
Onder stedelijke functie vallen onder meer: - woningen en woongebieden; - niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen; - stedelijke voorzieningen en kernrandactiviteiten; - gebouwde voorzieningen voor energieproductie; - recreatiewoningen en complexen voor verblijfsrecreatie. Verstedelijking: Van verstedelijking is sprake als een omgevingsplan ten opzichte van het vigerende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. … Denk daarbij aan nieuwvestiging of vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende omgevingsplan. Interpretatie beoordeling bestaande stedelijke functie maatschappelijk-marechaussee Het Marechausseeterrein heeft in het tijdelijke deel van het omgevingsplan , gebied bestemmingsplan Landelijk Gebied de functie ‘Maatschappelijk-Marechaussee’.
1 van 2
Door de dichtheid aan bebouwing en het relatief intensieve gebruik (c. q. gebruiksmogelijkheden) van dit terrein beschouwen wij dit als een stedelijke functie. Op het terrein was het gebruik door de marechaussee immers behoorlijk intensief. Zo waren er onder andere 8 dienstwoningen , drie logiesgebouwen met 10 kamers per gebouw met meerdere bedden , kantoorruimten , een grote werkplaats , een gymzaal en een schietbaan voor het gebruik van de marechaussee aanwezig. Omdat er een omgevingsvergunning is aangevraagd voor het gebruik van de gebouwen voor de opvang van asielzoekers moet beoordeeld worden of hier sprake is van een overtreding van het verstedelijkingsverbod zoals dat geldt in het landelijk gebied (artikel 9. 3 van de Omgevingsverordening). Daarvoor moet gekeken worden naar artikel 9. 9 van de Omgevingsverordening , dat expliciet ziet op de vervanging van de ene stedelijke functie door een andere in het landelijk gebied. Artikel 9. 3 en 9. 9 Omgevingsverordening Volgens artikel 9. 3 van de Omgevingsverordening geldt voor het landelijke gebied een verstedelijkingsverbod , tenzij in de verordening anders is bepaald. Eén van de uitzonderingen staat in artikel 9.
9 , percelen voor specifieke stedelijke functies kunnen een andere stedelijke functie krijgen , niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning , kantoor of detailhandel , onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang , op basis van een integrale afweging , niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving , dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan is er geen sprake van verstedelijking als bedoeld in de Omgevingsverordening. Interpretatie: beoordeling wijziging functie van marechausseeterrein naar opvang asielzoekers Uit het vorenstaande blijkt dat wij de bebouwing en het relatief intensieve gebruik van het Marechausseeterrein zien als een stedelijke functie , gelet op de definitie van een stedelijke functie in de Omgevingsverordening. Daarnaast moet in het kader van artikel 9. 9 Omgevingsverordening worden aangetoond dat de ruimtelijke impact van de nieuwe stedelijke functie vergelijkbaar is met het mogelijke gebruik op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan , gebied bestemmingsplan Landelijk Gebied.
Deze beoordeling hoeft dus niet enkel plaats te vinden door het gebruik in de oude en nieuwe situatie te vergelijken , maar daarbij geldt dat een afweging gemaakt moet worden op wat de mogelijkheden zijn op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan , gebied bestemmingsplan Landelijk Gebied. In dit plan is geen omschrijving voor het gebruik van het Marechausseeterrein opgenomen , waardoor het gebruik daarvan in de breedste zin mogelijk is. Het gebruik van asielopvang zal plaatsvinden in de bestaande bebouwing. Er zal geen extra bebouwing worden gerealiseerd of verharding worden aangelegd. Ook zal de verkeersdruk gelijk zijn of zelfs afnemen. Daarnaast is de conclusie uit de onderbouwing die het COA heeft laten opstellen voor de omgevingsvergunning dat er geen extra verstoring van het NNN zal plaatsvinden , ook niet door activiteiten van gebruikers buiten het terrein zelf. Conclusie De conclusie is dat volgens de Omgevingsverordening de functie “Maatschappelijk - Marechaussee” voor het Marechausseeterrein in het tijdelijke deel van het omgevingsplan , gebied bestemmingsplan Landelijk Gebied een stedelijke functie is en dat daarnaast het gebruik door het COA niet zorgt voor een grotere ruimtelijke impact dan onder die functie mogelijk is.
2 van 2
gemeente Baarn inlichtingen bij team
telefoonnummer ons kenmerk
datum
onderwerp
|Ontwikkeling ruimte/omgeving
Per
aangetekende
en
gewo ne post , tevens per mail:
035-5481611 1203349-1693042 16 december
2025
Beslissing op bezwaar inzake opvanglocatie op Marechausseeterrein
( g e a n o n i m i s e e r d J) Dank voor uw betrokkenheid bij de ruimtelijke kwaliteit van Baarn en het Borrebos in het bijzonder. Wij hebben uw bezwaarschrift d. d. 20 juni 2025 en uw toelichting tijdens de hoorzitting zorgvuldig bestudeerd. Uw bezwaar richt zich tegen het besluit d. d. 17 juni 2025 om gebruik van het marechausseeterrein als opvanglocatie toe te staan. Het is duidelijk dat u grote waarde hecht aan de bescherming van de natuur en het landschap in dit gebied. Die waarde onderschrijven wij als college eveneens. De onafhankelijke bezwarencommissie heeft ons geadviseerd om kritisch naar onze eigen onderbouwing te kijken. De commissie stelt dat wij het besluit om de vergunning te verlenen mogen handhaven , maar dat wij beter moeten uitleggen waaróm deze locatiekeuze binnen de regels van de provincie en de Ladder voor duurzame verstedelijking past. Wij hebben dit advies ter harte genomen. In dit besluit leggen wij u uit waarom wij , na een hernieuwde toetsing van de alternatieven en de regels , ervan overtuigd blijven dat het Marechausseeterrein de enige geschikte locatie is en dat het gebruik past binnen de kaders van de provinciale verordening Adviescommissie bezwaarschriften De Adviescommissie bezwaarschriften heeft ons over het bezwaar -__Het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren; -__Het bestreden besluit nader te motiveren
geadviseerd. Zij adviseert
ons
om:
Beslissing op bezwaar Wij hebben besloten het advies
van de Adviescommissie bezwaarschriften over te nemen: wij beoordelen het als ontvankelijk en het bestreden besluit wordt in stand gelaten middels onderstaande nadere motivering. Het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften en de eerder verleende vergunning van 17 juni 2025 met de daarbij behorende bijlagen , ons verweer op uw bezwaren en de nadere toelichting naar aanleiding van uw schriftelijke aanvulling maken onderdeel uit van dit besluit op bezwaar.
bezwaar
Ons
besluit betekent voor u het volgende. De Adviescommissie bezwaarschriften heeft vergunning in stand te laten , maar het bestreden besluit wel aan te vullen met verdere wij dan ook gedaan. Hieronder vindt u deze aanvullende motivering.
ons
geadviseerd
motivering.
om de Dit hebben
Juridisch kader Het juridisch kader bestaat in de onderhavige procedure uit de volgende wet- en regelgeving: e Artikel 8.0a , lid 1 of 2 , artikel 8.3b , artikel 8. 74b en artikel 8. 80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving ,
om
de
te toetsen
aanvraag e Artikel 5. 1 lid 1 onder a van de Omgevingswet , voor de omgevingsvergunningplicht. e Artikel 5. 36 van de Omgevingswet voor het bepalen van de termijn waarvoor de vergunning e Het Omgevingsplan gemeente Baarn.
Stationsweg 18 Postbus 1003 3740 BA Baarn t (035) 5481611 e gemeente @baarn.nl / Voor Bij beantwoording graag datum en kenmerk brief vermelden.
ons
geldt
privacybeleid zie www. baarn. nl
• De Verordening Fysieke Leefomgeving. • Artikel 16. 79 , lid 2 van de Omgevingswet voor de datum dat het besluit van kracht is. • Artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht om het besluit bekend te maken. • Artikel 7:1 , lid 1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht om bezwaar te maken. • Hoofdstuk 6 van de Algemene wet bestuursrecht over de aanvang en termijnen , de regels voor de inhoud en inleveren bij bevoegd gezag van het bezwaarschrift
De bezwaren die zijn aangevoerd a. de locatie is niet geschikt vanwege de ligging in kwetsbaar bosgebied en het NNN-gebied , er is geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties b. op grond van de provinciale omgevingsverordening geldt een verstedelijkingsverbod waardoor de vergunde activiteiten hier niet plaats mogen vinden c. er is sprake van een aanzienlijke functiewijziging d. er is geen sprake van een kleinschalige functiewijziging waardoor de activiteiten ter plaatse niet kunnen worden toegestaan e. de vergunde periode van tien jaar zal worden overschreden f. er is onvoldoende aandacht besteed aan het participatietraject. Reactie op de bezwaren en aanvullende motivering a. in ons verweer d. d. 10 september 2025 en in het advies van de commissie is toegelicht dat het marechausseeterrein weliswaar gelegen is binnen het NNN-gebied , maar dat de locatie al verstedelijkt is. In het verweer , in de goede ruimtelijke onderbouwing (“GoFlo”) bij de vergunning is omschreven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Wij verwijzen naar het verweer en het advies. b.
Ten aanzien van het onderwerp verstedelijkingsverbod (b1) als bedoeld in de provinciale omgevingsverordening heeft de commissie ons geadviseerd om de motivering aan te vullen en om nader te onderbouwen op welke gronden het kazerneterrein als een bestaande stedelijke functie wordt aangemerkt; Ad b1. Namens de provincie is een nadere toelichting op deze onderwerpen opgesteld. Er is sprake van een bestaande stedelijke functie die een andere stedelijke functie krijgt. Wij verwijzen voor de nadere motivering naar die uiteenzetting van de provincie in een memo , dat hier als bijlage wordt bijgevoegd. De inhoud daarvan vormt onderdeel van dit besluit op bezwaar. Wij voegen daar het volgende aan toe. In bijlage I bij de Omgevingsverordening is een ‘stedelijke functie’ als volgt gedefinieerd: “functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik , door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied. Ter toelichting: onder het begrip stedelijke functie vallen de functies die voor het grootste deel in , of in de onmiddellijke nabijheid van dorpen en steden (stedelijk gebied) liggen en verbonden zijn aan stad en dorp. Functies die traditioneel in het landelijk gebied thuishoren horen hier niet bij.
De provincie beschouwt de infrastructuur , zowel wegen als leidingen , als een onlosmakelijk onderdeel van het gehele landelijke gebied. De definitie van het begrip stedelijke functie is van belang in verband met het verbod op verstedelijking zoals dat is opgenomen in artikel 9. 3 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied en de 2
uitzonderingen op dat verbod. Onder stedelijke functie vallen onder meer: - woningen en woongebieden; - niet-agrarische bedrijven en bedrijfsterreinen; - stedelijke voorzieningen en kernrandactiviteiten; - gebouwde voorzieningen voor energieproductie; - recreatiewoningen en complexen voor verblijfsrecreatie; Onder verstedelijking vallen in ieder geval niet: - landbouw met de daarvoor noodzakelijke bebouwing op agrarische bouwvlakken; - ondergeschikte nevenfuncties op agrarische bouwpercelen; - bos en natuur; - terreinen ingericht voor dagrecreatie en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen , zoals picknickplaatsen en bebording;” Op basis van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ mag zelfs 3. 710 m2 van het kazerneterrein bebouwd zijn (bijlage 2 bij het bestemmingsplan , tabel 3). Het kazerneterrein is dan ook een dicht bebouwd terrein. Zo zijn er onder meer acht dienstwoningen , drie logiesgebouwen (met tien kamers per gebouw) , kantoorruimten , een werkplaats , een gymzaal en een schietbaan aanwezig die allen ook (intensief) zijn gebruikt. Voor het gebruik als kazerne voor de marechaussee is de bebouwing en de daarbij behorende infrastructuur (paden , parkeerplaatsen , wegen) noodzakelijkerwijs geconcentreerd gerealiseerd. Dat was ook noodzakelijk voor het gebruik als marechausseekazerne.
Bovendien zijn op het kazerneterrein volgens het bestemmingsplan onder meer acht dienstwoningen toegestaan. De bewoners van die dienstwoningen (ook mogelijk gezinnen) waren ook aangewezen op de omliggende dorpskernen voor bijvoorbeeld (dagelijkse) boodschappen. De kazerne had bovendien een regionale functie. De commissie gaat in dit kader ook in op de ladder voor duurzame verstedelijking (b2). Hoewel dit onderwerp geen onderdeel uitmaakt van uw bezwaar , en wij dit onderwerp daarom ook niet als bezwaargrond behandelen , zetten wij hieronder voor de volledigheid het volgende uiteen. Ad b2. Relevant is hoe de aard en omvang van de permanente bewoning zich tot het eerdere gebruik van het terrein verhoudt. Daarnaast is van belang of en in hoeverre de ruimtelijke uitstraling toeneemt ten opzichte van het historisch gebruik. Wij verwijzen met betrekking tot deze onderdelen naar de nadere motivering die hieronder bij punt c. is gegeven onder de duiding van de functiewijziging die naar aard en omvang ruimtelijk gelijkwaardig is aan het planologisch toegestane gebruik. De commissie verzocht ons ook nader aan te geven op welke wijze de aanvraag is getoetst aan artikel 5. 129g van het Bkl waarin de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking staan opgenomen. Wij merken op dat door u niet naar voren is gebracht dat de aanvraag onjuist zou zijn getoetst aan artikel 5.
129g van het Bkl. Voor de volledigheid lichten wij dit wel nader toe. Wij verwijzen naar par. 4. 1. 3 van de GoFlo , waarin is geconcludeerd dat de laddertoets uit artikel 5. 129g van het Bkl voor deze aanvraag niet doorlopen hoefde te worden omdat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie in dat verband ook hierboven onder b1. en de toelichting van de provincie in de bijlage). Voor zover er , in afwijking van het bovenstaande , toch sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling , overwegen wij subsidiair dat de ontwikkeling ook dan voldoet aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5. 129g Bkl). Er is immers sprake van een aantoonbare actuele regionale behoefte aan opvangplaatsen (Spreidingswet). Daarnaast blijkt uit ons locatieonderzoek (zie hieronder) dat deze behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen door gebrek aan geschikte , beschikbare locaties. Daarmee is de locatiekeuze ook in dat scenario deugdelijk gemotiveerd.
3
Gerelateerd aan deze onderwerpen heeft de commissie tot slot ook geadviseerd om aan te geven waarom het marechausseeterrein voor de opvang geschikt is en waarom andere locaties minder geschikt zijn (b3). Ad b3. Er is in Nederland , en ook in de provincie Utrecht , een groot tekort aan opvangplekken voor asielzoekers. Op grond van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (beter bekend als de Spreidingswet) heeft de gemeente Baarn de wettelijke verplichting om 152 asielzoekers te huisvesten. Uiteraard hebben wij verschillende locaties overwogen. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zijn meerdere locaties in beeld gebracht en afgewogen. Er is om praktische en organisatorische redenen , zoals beveiligingsaspecten , kosten en personele bezettingsmogelijkheden , alleen gekeken naar locaties waar de gehele groep van 152 personen opgevangen kan worden. De afweging betreft een ruimtelijke. Het gegeven dat COA al een huurovereenkomst had voor de locatie aan de Amsterdamsestraatweg 13 had , is daarbij buiten beschouwing gelaten. Bebouwde locaties Binnen de gemeente zijn twee locaties met bestaande bebouwing , die qua afmeting groot genoeg zijn en die niet een bestaand bestendig gebruik hebben. Naast het marechausseeterrein gaat het om het voormalige ziekenhuis aan de Molenweg.
Voor het voormalige ziekenhuis geldt dat de gemeenteraad op 29 maart 2023 met algemene stemmen de Nota van Randvoorwaarden en Uitgangspunten voor de herontwikkeling van het voormalige ziekenhuisgebouw aan de Molenweg heeft vastgesteld. Daarna is de selectieprocedure gestart om te komen tot een nieuwe zorggerelateerde invulling voor de locatie. Na een voorronde zijn vier partijen overgebleven aan wie begin 2026 gevraagd wordt een plan met bieding te doen. Het gebouw en de locatie zijn derhalve niet voor een periode van maximaal 10 jaar (gerekend vanaf 1 januari 2025) beschikbaar voor een andere , tijdelijke invulling. Niet-bebouwde locaties Wij hebben ook gekeken naar locaties waarop nu geen bebouwing aanwezig is. Het gaat om: 1. Gronden ten noorden van de Drakenburgerweg (Baarnsche Zoom) 2. Gronden ten noorden van de Drakenburgerweg (t. h. v. bedrijventerrein Noordschil) 3. Een perceel aan de Oud Eemnesserweg (wellnesscentrum) 4. Een perceel aan de Oude Amsterdamsestraatweg (naast de Gemeentewerf) Voor al deze locaties geldt , dat er op de locaties zelf geen of geen afdoende nutsvoorzieningen aanwezig zijn. Naast de kosten voor aanleg geldt specifiek voor elektriciteit dat er lange wachttijden zijn om een afdoende aansluiting op het elektriciteitsnet te krijgen. Ad 1. Het plangebied de Baarnsche Zoom is beoogd als nieuwbouwlocatie voor woningbouw.
In 2022 is een selectieprocedure gestart. In de eerste helft van 2025 vond de gunning plaats en in juli 2025 is een koop-realisatieovereenkomst met een projectontwikkelaar gesloten. Op de locatie zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig. De locatie is niet beschikbaar voor een periode tot uiterlijk 1 januari 2035. Ad 2. Ten westen van deze locatie liggen niet-bebouwde gronden tussen de Drakenburgerweg en bedrijventerrein Noordschil. De aangrenzende gronden op het bedrijventerrein zijn bestemd voor 4
bedrijven in de categorie 3. 1 en 3. 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Dat maakt dat deze locatie nadelig scoort ten opzichte van locaties waar geen bedrijfsactiviteiten op de naastliggende percelen zijn. De locatie is geen eigendom van de gemeente. Op grond van de hoge leeftijd van de eigenaren wordt verwacht dat de eigenaren de grond niet zullen willen verhuren. De gemeente of COA zal de locatie moeten aankopen. Op de locatie zijn geen nutsvoorzieningen aanwezig. De locatie verdient niet de voorkeur voor de opvang van asielzoekers voor een periode tot 1 januari 2035. Ad 3. Voor de nu nog niet bebouwde locatie aan de Oud-Eemnesserweg is een omgevingsvergunning voor de bouw van een wellnesscentrum verleend. De locatie ligt op korte afstand van rijksweg A1 , direct naast afrit. Er zijn in de directe nabijheid geen voorzieningen aanwezig. De meest dichtbij zijnde supermarkt is in het centrum van Baarn. Door verschillende omstandigheden is er nog geen aanvang gemaakt met de bouw van het wellnesscentrum. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat hij zal daarmee zal starten zodra hij een goede stroomaansluiting heeft. Hoewel de capaciteit lager zal zijn , moet ook voor een opvanglocatie een afdoende stroomaansluiting worden aangevraagd en geleverd. Ook deze grond is geen eigendom van de gemeente. De locatie is niet beschikbaar voor een periode tot 1 januari 2035. Ad 4.