237696 Principeverzoek Plataanlaan 57-69 bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De hoogte van dat gebouw is circa 9,22 meter en daarmee even hoog als de optopping; • De meest noordelijke kopgevel van het gebouw met de optopping is een geheel blinde gevel en valt dus buiten de beoordeling van de Wet geluidhinder; • De voor- en achtergevel van de optopping liggen loodrecht op de A1 en hebben dus een 3 dB lagere waarde dan de waarde op de kopgevel van het gebouw.
Figuur 1 Overzicht situatie met rijksweg A1
26
Vanwege deze redenen is het de verwachting dat de geluidbelasting vanwege de A1 onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Conclusie Het project ligt alleen in de zone van de Rijksweg A1, maar omdat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de weg op of onder de voorkeursgrenswaarde zal liggen, is er vanuit akoestisch oogpunt geen bezwaar tegen het bouwplan. Bouwbesluit In het Bouwbesluit, hoofdstuk 3, artikel 3.3, lid 1 is het volgende opgenomen: ”Bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit is de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidbelasting voor industrie-, weg- of spoorweglawaai en 35 dB(A) bij industrielawaai, of 33 dB bij weg- of spoorweglawaai”. Omdat de geluidbelasting op de gevel van de nieuwe geluidgevoelige optopping ten gevolge van de gezoneerde wegen (in dit geval is dat alleen de A1) op of onder de voorkeursgrenswaarde ligt, is er geen sprake van een te verlenen hogere waarde. Dat betekent, dat het in deze situatie niet nodig is om een onderzoek uit te voeren naar de geluidwering van de gevel.
Er dient wel te worden voldaan aan artikel 3.2 van het Bouwbesluit: “Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering met een minimum van 20 dB”. Samenvattend kan gesteld worden dat er akoestisch gezien geen nadere onderzoeksplicht rust op de uitvoering van dit project. Geluidbelasting Plataanlaan De gemeente Baarn heeft de verkeersintensiteit op de Plataanlaan verstrekt. Deze gegevens zijn afkomstig van een verkeerstelling uit 2016. De werkdagintensiteit is dan 3860 motorvoertuigen per etmaal. Om de geluidbelasting op de gevel van de optopping van het gebouw te berekenen zijn de volgende stappen uitgevoerd: • Het werkdaggemiddelde is omgerekend naar het weekdaggemiddelde door het werkdaggemiddelde te vermenigvuldigen met een factor 0,92. Daarmee wordt de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit per etmaal gelijk aan 3551 motorvoertuigen; • De verkeersgroei per jaar voor dit type weg wordt op 1% per jaar gesteld. Daarmee wordt de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit in het maatgevende jaar 2030 gelijk aan 4082 motorvoertuigen; • Bij de verkeersgegevens is geen verdeling over de drie dagperioden en over de driemotorvoertuigcategorieën gegeven. Deze waarden worden overgenomen uit de standaardverdeling van een wijkontsluitingsweg, waarbij in onze situatie een andere snelheid wordt aangehouden.
Zie hiervoor figuur 2; • Het waarneempunt op de voorgevel van de optopping heeft een waarneemhoogte van 7,2 meter; • De kortste afstand tussen de voorgevel van het gebouw en de as van de weg bedraagt 13,2 meter; • Het gebied tussen de voorgevel en de as van de weg is voor 60% akoestisch absorberend vanwege de aanwezigheid van een voortuin voor het gebouw; • De overzijde van de straat is voor circa 50% bebouwd; • De maximumsnelheid op de Plataanlaan bedraagt 30 km/uur voor alle motorvoertuigcategorieën. Deze waarden zijn dan ook ingevuld; • Het wegdektype is klinkers in keperverband. 27
Figuur 2 Standaardverdeling wijkontsluitingsweg
De bovenstaande uitgangspunten zijn verwerkt in het rekenprogramma Boa, versie 4.9.4 waarbij er is gerekend conform het Reken- en Meetvoorschrift geluid 2012. De berekening is bijgevoegd in bijlage A van de bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegde geluidnotitie van het geluidBuro. Het resultaat van de berekening is een geluidbelasting (exclusief aftrek) van 57 dB. Om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB dient de geluidwering van de gevel van de optopping minimaal 24 dB te bedragen. Als er in de voorgevel van de optopping ventilatieopeningen zijn aangebracht, adviseren wij een meer geluidisolerend (sus)-rooster toe te passen. De geluidwering van de gevel zal dan uitkomen op een waarde van 24 dB of hoger. Daarmee is dan ook de maximale binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd. 3.5 Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand in acht te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG, 2009) staan uitgebreide lijsten met richtafstanden, die gebruikt kunnen worden bij het plannen en toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken.
In de toelichting behorende bij de VNG-publicatie zijn twee verschillende omgevingstyperingen opgenomen, omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en omgevingstype gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van 28
kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag één afstandsstap worden verlaagd. Hoewel ten noorden en oosten van de projectlocatie naast een woonfunctie sprake is van gemengde functies (o.a. bedrijfs-, horeca- en maatschappelijke functie), heeft het gedeelte van de Plataanlaan waarin de projectlocatie is gelegen overwegend een woonfunctie en kan dus worden aangemerkt als omgevingstype rustige woonwijk. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën en de bijbehorende richtafstanden voor beide omgevingstypen weergegeven, conform bijlage I van de VNG-publicatie. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De projectlocatie ligt niet binnen één van deze richtafstanden van (niet-agrarische) bedrijven in de milieucategorie 1 t/m 6. Ten noorden van de projectlocatie ligt op de hoek Plataanlaan/Zandvoortweg een horecapand in milieucategorie 1 of 2 op een kortste afstand van circa 55 meter. Ten oosten van de projectlocatie is aan de Zandvoortweg 61 een bedrijfspand in milieucategorie 1 of 2 gelegen op een kortste afstand van circa 33 meter. 3.6 Luchtkwaliteit Op 8 november 2007 is de Regeling beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. Deze regeling wordt ook wel aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Met deze regeling en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling 29
niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Aangezien het plan slechts voorziet in een verbouwing van een bestaand gebouw van 6 zelfstandige en 17 onzelfstandige appartementen naar 23 zelfstandige appartementen en derhalve geen toevoeging van woningen tot gevolg heeft, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht. 3.7 Externe veiligheid De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare/beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te verlenen omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd.
Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (onder andere LPG-tankstations), transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water, spoor, buisleidingen, alsmede luchtvaartterreinen in algemene zin (luchtvaartveiligheid). Ter bescherming van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, moet er een bepaalde afstand in acht genomen worden ten opzichte van risicovolle inrichtingen en transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. In de drie volgende subparagrafen wordt het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, binnenwater en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen in hoofdlijnen beschreven. 3.7.1 Risicovolle inrichtingen De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico (PR) wordt daarin omschreven als "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Ten aanzien van het PR is een norm vastgesteld van 10-6 per jaar, dat wil zeggen dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Voor kwetsbare objecten (o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen) geldt deze norm als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als richtwaarde, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het groepsrisico wordt gedefinieerd als “cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is”. Als norm voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers, 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers, 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke
30
slachtoffers, enzovoort. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Uitsnede risicokaart (bron risicokaart.nl)
In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen inrichtingen gevestigd die onder het Bevi vallen. 3.7.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben in verschillende gebieden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Gevaarlijke stoffen vervoeren is risicovol en zorgt dus voor beperkingen voor de ruimtelijke ordening (ruimtelijke ordeningskant). Er zijn namelijk regels om mensen die dicht bij deze hoofdwegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen wonen of verblijven een basisbeschermingsniveau te bieden.
Aan dit beschermingsniveau wordt voldaan als het risico vanuit het vervoer niet hoger ligt dan wat maatschappelijk acceptabel is. Zo mogen er bijvoorbeeld geen huizen gebouwd worden vlakbij transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet. De Wvgs is al aangepast aan het Basisnet. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de 31
transportroutes is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. De risicoplafonds, die in de Regeling basisnet zijn aangewezen, worden ruimtelijk vertaald in basisnetafstanden. De basisnetafstand is een contour rondom de basisnetroute waarop het plaatsgebonden risico ten hoogste 10-6 per jaar mag zijn. De ruimte tussen de basisnetafstanden wordt ook wel “veiligheidszone” genoemd. Binnen een veiligheidszone gelden beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen langs een basisnetroute moeten daarom vooraf worden getoetst aan de voor de desbetreffende basisnetroute vastgestelde basisnetafstand.
De Regeling Basisnet is per 21 november 2016 aangepast in verband met het verkleinen van het plasbrandaandachtsgebied langs enkele rijkswegen. Plaatsgebonden risico Indien die besluitvorming betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van een basisnetroute, dan geldt dat de basisnetafstanden in acht moeten worden genomen voor kwetsbare objecten en er rekening moet worden gehouden met de basisnetafstanden voor beperkt kwetsbare objecten. Wanneer de ruimtelijke ontwikkeling niet in de omgeving van een basisnetroute maar wel in de omgeving van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute is voorzien, dan moet het bevoegd gezag zelf het plaatsgebonden risico berekenen en vervolgens eveneens de grenswaarde van 10-6 per jaar aanhouden. Indien de vaststelling van een bestemmingsplan betrekking heeft op een ruimtelijke ontwikkeling binnen een veiligheidszone, dan moet de gemeenteraad de bestemming van die gronden wijzigen, zodanig dat daarop geen kwetsbare projecten mogelijk zijn binnen de basisnetafstand. Zolang een dergelijke wijziging niet is doorgevoerd moeten omgevingsvergunningen voor kwetsbare objecten worden afgewezen.
Groepsrisico Voor zover de besluitvorming betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een transportroute (gebied dat wordt meegenomen bij de berekening van het groepsrisico) of binnen 200 meter van een transportroute, moet in de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing bij een projectafwijkingsbesluit het groepsrisico verantwoord worden. Daarbij moet worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking. Gelet op het feit dat wordt gesproken over “transportroute”, geldt voornoemde verplichting zowel voor basisnetroutes als voor door een provincie of gemeente voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen transportroutes. De projectlocatie is niet gelegen binnen de basisnetafstanden van de dichtstbij, noordelijk gelegen Rijksweg A1 en ook niet binnen een veiligheidszone van een op provinciaal of gemeentelijk niveau aangewezen transportroute, zodat geen berekening en een verantwoording van het groepsrisico nodig is.
32
3.7.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De projectlocatie echter niet gelegen binnen het invloedsgebied van dergelijke buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor bouwplan. 3.8 Water Om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Met de watertoets wordt ernaar gestreefd om het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed in te passen en uit te voeren. Hoofdpunten van het instrument watertoets zijn vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder(s) bij het proces van ruimtelijke planvorming en een transparante besluitvorming rond het belang van water in het ruimtelijke plan. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving is neergelegd van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De projectlocatie ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Op 7 oktober 2020 is de digitale watertoets uitgevoerd.
Het resultaat van deze watertoets, die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd, luidt als volgt: In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.
Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/ draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012-2017 In het op 26 september 2012 vastgestelde verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (vGRP) 2012-2017 wordt aangegeven hoe de gemeente de rioleringstaak vormgeeft en zijn uitgangspunten en 33
doelstellingen voor het (stedelijk) waterbeheer geformuleerd. Voor het verwijderen van afvalwater uit de woonomgeving is riolering een onmisbare voorziening. Aanleg en beheer van riolering is een gemeentelijke taak. Hemelwater, dat op onverharde gebieden valt, wordt grotendeels afgevoerd op een natuurlijke manier: via grondwaterstromen en verdamping via de grond en via de beplanting. Hemelwater dat op daken en wegen valt (verhard oppervlak) wordt afgevoerd via het rioolstelsel. Bij nieuwbouw en uitbreidingen moet hemelwater dat op verhard oppervlak valt, waar mogelijk niet op het vuilwaterriool worden aangekoppeld, maar in de bodem worden geïnfiltreerd. Als dat niet kan, is (vertraagd) lozen op oppervlaktewater een optie. Op deze manier wordt het rioolstelsel en de rioolwaterzuivering niet onnodig belast. De bestaande hemelwaterafvoer en de vuil water riolering worden ter plaatse van de verhoogde kap tot op de erfgrens gescheiden aangebracht. Er wordt ingezet op het ontkoppelen van hemelwater van het riool. In verband met toename van badkamers wordt voorzien in extra aansluitingen op het vuilwaterriool (zie onderstaande afbeelding).
3.9 Archeologie en cultuurhistorie 3.9.1 Archeologie De gemeenteraad van Baarn heeft op 29 mei 2019 de Beleidsvisie Erfgoed met bijbehorende erfgoedwaardenkaarten vastgesteld. In deze visie worden de beleidslijnen van de gemeente vastgelegd. Belangrijke instrumenten daarvoor zijn het bestemmingsplan (in de nabije toekomst de omgevingsvisie en het omgevingsplan) en de gemeentelijke monumentenlijst (op basis van de erfgoedverordening). Met deze beleidsvisie worden de volgende doelen beoogd: • de beleidscontouren voor het cultureel erfgoed vast te leggen; • de juridische borging hiervan in bestemmingsplannen, en op termijn in de omgevingsvisie en het omgevingsplan, vast te leggen; • de huidige gemeentelijke monumentenlijst te herijken en op basis van de nu bekende waarderingen vervolgstappen te zetten om te komen tot een uitbreiding hiervan.
34
In hoofdstuk 5 van de beleidsvisie worden de toekomstige beleidscontouren per discipline c.q. beleidsterrein nader uitgewerkt. Met betrekking tot archeologie zullen Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG’s) en de Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden / Verwachtingszones (AWV’s), zoals die zijn onderscheiden op de Archeologische beleidskaart, in de gemeentelijke bestemmingsplannen worden opgenomen. Dit heeft als doel om de archeologische waarden en verwachtingen goed te borgen. Het verschil tussen deze AWG’s en AWV’s is dat er binnen de AWG’s reeds archeologische waarden bekend c.q. aangetoond zijn, terwijl er voor de AWV’s op basis van inhoudelijke gronden verwachtingen gelden voor het aantreffen van archeologische vondsten. Dat betekent, dat in de AWG’s het beleid over het algemeen strenger zal zijn dan in de AWV’s. Die strengheid uit zich in de zogenaamde vrijstellingsgrenzen. Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG) • AWG-categorie 1: Archeologische rijksmonumenten. Elke vorm van bodemingrepen zonder of in afwijking van de vergunning is op basis van de Erfgoedwet verboden. • AWG-categorie 2: AMK-terreinen, de historische dorpskernen en historische (bewonings)locaties. Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv.
• AWG-categorie 3: Buitenplaatsen. Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. • AWG-categorie 4: Militair erfgoed. Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 50 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV) • AWV-categorie 5: Gebieden met een hoge archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. • AWV-categorie 6: Gebieden met een middelhoge of onbekende archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. • AWV-categorie 7: Gebieden met een lage verwachting en vanaf een diepte van 80 cm –Mv een onbekende verwachting. Streven naar behoud in huidige staat.
Archeologisch (voor)onderzoek is verplicht bij: - Bodemingrepen tussen 30 cm en 80 cm -Mv als het oppervlak van de ingreep groter is dan 5000 m² - Bij ingrepen van 80 cm -Mv of dieper geldt dat archeologisch onderzoek verplicht is bij een oppervlakte vanaf 500 m² • AWV-categorie 8: Gebieden met een lage archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 5000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv. • AWV-categorie 9: Watergebieden met een archeologische verwachting. Streven naar behoud in huidige staat indien archeologische resten aanwezig zijn; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep in de waterbodem groter is dan 100 m². • Overige gebieden: Gebieden zonder archeologische verwachting. Er is geen archeologisch onderzoek nodig aangezien onderzoek reeds is uitgevoerd, waarna het terrein is vrijgegeven, dan wel omdat de ondergrond verstoord is tot onder het archeologisch relevante niveau.
35
projectlocatie
Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarn
Op de Archeologsiche beleidskaart is de projectlocatie aangeduid als Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 6 met een middelhoge of onbekende verwachting. Archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv. De beoogde verbouw op de projectlocatie heeft betrekking op een optopping van het gebouw, waarbij geen bodemingrepen plaatsvinden. Een archeologisch (voor)onderzoek is voor dit project niet nodig. 3.9.2 Cultuurhistorie In de Beleidsvisie Erfgoed wordt ook aandacht besteed aan het (historisch) cultuurlandschap. Inhoudelijk is er naast het rapport de beschikking over een tweetal kaarten: de Kenmerkenkaart cultuurlandschap en prestedelijk landschap en de Waarderingskaart historisch cultuurlandschap (gebiedsgewijs). De waarderingskaart is in de eerste plaats als een signalerend strategisch document bedoeld: waar willen we onze cultuurhistorische aandacht op richten? De kenmerkenkaart bevat de feitelijke inhoudelijke informatie over de waarden die aanwezig zijn. Deze kaart is de feitelijke beleidsonderlegger en kan worden gebruikt als toetsingskader bij vergunningaanvragen en bij ruimtelijke besluitvorming, bijvoorbeeld ten aanzien van principebeslissingen.
Om de waardevolle landschapskwaliteiten die als hoog of zeer hoog zijn aangemerkt te beschermen geeft de gemeente er de voorkeur aan om de cultuurhistorische waardenkaart als toetsingsbron in algemene zin te gebruiken, waarbij de kenmerkenkaart een beleidsonderlegger is bij toetsing van ruimtelijke initiatieven en vergunningaanvragen, gekoppeld aan een dubbelbestemming ‘waarde cultuurhistorie’. De projectlocatie heeft op de Kenmerkenkaart de aanduiding “Kampontginningen met plaatselijke essen, Ka1 – bouwlandkamp, met landgoedkenmerken”. In het RAAP-RAPPORT 3391 ‘…de schoonheid van een veel bezocht en door de mode begunstigd oord…’ wordt in paragraaf 4.3.1 een beschrijving gegeven van de ontwikkeling en kenmerken van dit hoofdlandschap. Op de Waarderingskaart heeft de projectlocatie de aanduiding “niet gewaardeerd”. Het planvoornemen voorziet in een optopping van het bestaande gebouw en heeft als zodanig geen nadelig effect op de beschreven kenmerken/kwaliteiten van het aangeduide hoofdlandschap.
36
projectlocatie
Uitsnede Kenmerkenkaart cultuurlandschap en prestedelijk landschap
projectlocatie
Uitsnede Waarderingskaart historisch cultuurlandschap
3.10 Ecologie, groen, natuur en landschap Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn zijn in Natura 2000 opgenomen. De 37
Europese wetgevingen waren in Nederland tot 1 januari 2017 vertaald in de Flora- en faunawet voor de soortbescherming en in de Natuurbeschermingswet 1988 voor de gebiedsbescherming. Nederland had daarmee de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1988 en de Flora en Faunawet samen met de Boswet vervangen door de Wet Natuurbescherming. In deze wet is de provincie aangewezen als bevoegd gezag voor de uitvoering van deze wet. Natura 2000-gebieden De Wet Natuurbescherming regelt evenals de voorheen geldende Natuurbeschermingswet 1988 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor de leefgebieden van vogels en voor de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming). Verder stellen de provincies voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Naast de maatregelen in het beheerplan kunnen provincies: eisen stellen aan handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden (art. 2.4 Wet natuurbescherming), de toegang tot Natura 2000-gebieden beperken (art.
2.5 Wet natuurbescherming) en handelingen verrichten die nodig zijn met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen (art. 2.6 Wet natuurbescherming). Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen. In artikel 2.7, tweede lid is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudings-doelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Ligging dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (bron: Natura 2000 network viewer)
Alle Europese Natura 2000-gebieden zijn weergegeven op de Natura 2000 Network Viewer. Hierop is te zien dat de projectlocatie niet in een Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en ligt op een kortste afstand van circa 6,6 kilometer
38
van de projectlocatie. Ten zuidoosten van dit Natura 2000-gebied ligt het Natura 2000-gebied Arkemheen, waarvan de kortste afstand tot de projectlocatie circa 7,8 kilometer bedraagt. Gelet op deze afstanden tot deze Natura-2000 gebieden is een effect van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Om te bepalen of dit project negatieve gevolgen heeft voor de Natura-2000 gebieden in de omgeving, dient de stikstofdepositie als gevolg van het initiatief in de realisatiefase en de gebruiksfase te worden bepaald. Hiertoe heeft de overheid het programma aanpak stikstof (PAS) opgezet met daaraan gekoppeld een rekenmodule genaamd Aerius. In oktober 2019 heeft Salix Projectpartners B.V. aan de hand van deze rekenmodule een stikstofberekening gemaakt. Op basis van de resultaten van deze berekening kan worden vastgesteld dat er gedurende de exploitatiefase geen significante toename is van de stikstofdepositie.
Flora en fauna De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 3 de bescherming van dier- en plantsoorten en bevat regels over de bescherming van vogels op grond van de Europese Vogelrichtlijn, de bescherming van soorten dieren en planten op grond van de Europese Habitatrichtlijn, de bescherming van soorten planten en dieren die niet voorkomen in de Habitatrichtlijn, schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer, jacht, het vangen en doden van dieren, in het wild levende dieren en planten en handel en bezit van dieren en planten. De bescherming van wilde dier- en plantensoorten in Nederland was tot 1 januari 2017 geregeld in de Flora- en faunawet. Deze wet bevatte een aantal verbodsbepalingen om de in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen. De Flora- en faunawet hanteerde een drietal beschermingscategorieën (algemeen beschermde soorten, overige beschermde soorten en strikt beschermde soorten). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht.
Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Indien de voorgenomen activiteit niet verstorend werkt of geen nadelige gevolgen heeft, waardoor aangetoond kan worden dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, hoeft er in de meest voorkomende gevallen geen ontheffing aangevraagd te worden. Op 1 februari 2021 heeft BNL advies te Venhorst voor de projectlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De rapportage van deze quickscan is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De conclusies en aanbevelingen luiden hierin als volgt: Soorten Vogelrichtlijn Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de huismus en gierzwaluw. Nader onderzoek naar het voorkomen/ gebied gebruiksfuncties van deze soorten wordt dan ook niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden, wordt niet nodig geacht door het ontbreken van verblijfplaatsen/ nesten in de direct omgeving.
39
Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied (bomen rondom het wooncomplex en het wooncomplex zelf), is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet-jaarrond beschermde nesten, waaronder spreeuw, boomkruiper, groene specht, (kleine) bonte specht, zwarte mees, koolmees en pimpelmees. Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden.
Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op aanwezige nesten noodzakelijk. Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels, door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten, zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op aanwezige nesten noodzakelijk. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen.
Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied is potentieel geschikt voor nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Utrecht een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zo veel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
40
Aanbevelingen/ natuur-inclusief bouwen Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor en na de verbouwing van het wooncomplex. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe) soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen. Zo kun je denken aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen, gierzwaluwen en andere soorten is van alles te verkrijgen. Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen de gevel of in de spouw van het wooncomplex of tegen de bomen in de aangrenzende tuin. Er zijn speciale vleermuiskasten te koop via internet: www.vivara.nl welke onderdak kunnen bieden aan de diverse soorten vleermuizen. Alles wat hierboven benoemd wordt, is geen verplichting of iets wat opgelegd wordt, maar dit zou voor de vogels en vleermuizen in het gebied een welkome verandering zijn en voor ons als mens een kleine moeite. Op basis van deze conclusies hoeft voorafgaande aan de werkzaamheden geen aanvullend flora- en fauna onderzoek te worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteit werkt niet verstorend en heeft geen nadelige gevolgen.
Bestaande bomen ter plaatse van projectlocatie
Bestaande bomen ter plaatse van projectlocatie
De projectlocatie is gelegen in een woonwijk binnen de kern van Baan met relatief weinig groen op het achter- en voorerf. De bestaande bomen langs de Plataanlaan blijven gehandhaafd (zie bovenstaande afbeeldingen). Het verhogen van de terugliggende dakvlak heeft geen consequenties voor de bestaande bomen.
41
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De projectlocatie is niet gelegen binnen de concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN is gelegen op circa 1,4 kilometer afstand. Gelet de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling mag worden aangenomen dat als gevolg van onderhavig initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.
Ligging van de projectlocatie ten opzichte van NNN-gebieden (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl)
3.11 Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) is een keurmerk voor woningen die voldoen aan de eisen op het gebied van inbraakpreventie en sociale veiligheid. Het Bouwbesluit bevat de minimale eisen waar een bouwwerk volgens de wet aan moet voldoen, óók wat betreft inbraakpreventie en brandveiligheid. Het PKVW is een keurmerk en veel uitgebreider dan het Bouwbesluit. Het bouwbesluit is verplicht en het keurmerk is een keuze. Voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een woning of woongebouw gelden voor dit keurmerk de eisen, zoals vermeld in de handleiding Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. Om aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen te voldoen, moeten alle voor het project relevante eisen per categorie (kavel, gebouw en woning) zijn uitgevoerd.
De eisen met betrekking tot het kavel hebben betrekking op verlichting openbaar toegankelijke buitenruimte, parkeren in de open lucht nabij woningen, binnenterreinen, achterpaden en complex van bergingen, schuren of privégarages (situering en verlichting) De eisen met betrekking tot het gebouw hebben betrekking op de ontsluiting en toegankelijkheid, onderdoorgang, hoofdingang, toegangsdeuren gemeenschappelijke ruimten, verlichting gemeenschappelijke ruimten, ontsluiting en omvang van een collectief bergingscomplex, berging, voorzieningen in een woongebouw, parkeergarage behorend bij een complex van woningen en collectieve (fietsen)stalling.
42
De eisen met betrekking tot de woning hebben betrekking op zicht op de openbare ruimte, deuren (zicht en verlichting), deuren (inbraakwerendheid), ramen ventilatieopeningen, lichtkoepels en dakramen (inbraakwerendheid), garages (inbraakwerendheid en verlichting) en rookmelders. Bij de verbouw van het woongebouw op de projectlocatie wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde eisen, zoals opgenomen in genoemde handleiding. De te treffen voorzieningen hiervoor zijn op bij de aanvraag omgevingsvergunning behorende tekening(en) weergegeven. 3.12 Kabels en leidingen Op de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
43
4. Motivering medewerking afwijking van het bestemmingsplan In paragraaf 1.3 (vigerend bestemmingsplan) is aangegeven dat de voorgenomen verbouw van het woongebouw op de projectlocatie niet voldoet aan de in het geldende bestemmingsplan Baarn Noord voorgeschreven maximale goot- en bouwhoogte. Het college van burgemeester en wethouders is bereid om in afwijking van het bestemmingsplan medewerking te verlenen aan het bouwplan door middel van een uitgebreide Wabo procedure ex artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij dient de aanvraag omgevingsvergunning te worden voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt aangetoond dat het verbouwplan past in het geldende ruimtelijke beleid van Rijk, de provincie Utrecht en de gemeente Baarn en dat de diverse milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering voor dit project vormen en andersom dat het project geen belemmeringen oplevert voor de diverse leefomgevingsaspecten. Motivering • Het initiatief is in lijn met het ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Utrecht en de gemeente Baarn; • In ruimtelijke/stedenbouwkundige zin sluit het ontwerp van het bouwplan goed aan in de gebouwde omgeving en straatbeeld, waarbij rekening is gehouden met de beeldkwaliteitseisen; • de bestaande functie wonen met zorg verandert niet.
Ook na realisatie van het bouwplan wordt het gebouw gebruikt voor huisvesting van mensen met een zorgvraag; • vanuit verkeer en parkeren geen bezwaar tegen het bouwplan; • het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor het initiatief; • vanuit akoestisch oogpunt is er geen bezwaar tegen het bouwplan; • de projectlocatie is niet gelegen binnen milieuzoneringen van niet-agrarische bedrijven; • de aspecten luchtkwaliteit en externe veiligheid vormen geen belemmering voor het initiatief; • het bouwplan raakt geen essentiële waterbelangen van het Waterschap Vallei en Veluwe en voldoet aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012-2017; • De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met archeologische en cultuurhistorische belangen; • het bouwplan heeft geen significant nadelige effecten op Natura 2000-gebieden en de flora en fauna; • Het bouwplan voldoet aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen; • op de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
44
5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Alle kosten die samenhangen met de uitvoering van het initiatief komen geheel ten laste van de initiatiefnemer. Gelet op het bepaalde in afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie) zijn afspraken gemaakt tussen initiatiefnemer en de gemeente met betrekking tot kostenverhaal. Deze afspraken zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Hierdoor zijn de kosten anderszins verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan te worden vastgesteld. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de vergunningprocedure vindt conform 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening vooroverleg plaats over het bouwplan met de gebruikelijke overlegpartners in het kader van de ruimtelijke ordening waaronder het waterschap Vallei en Veluwe en de provincie Utrecht. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan voorgelegd aan het waterschap door middel van het uitvoeren van de digitale watertoets. Er worden geen essentiële waterbelangen geraakt. Nader overleg met het Waterschap wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Gelet op de locatie, aard en omvang van de ontwikkeling alsmede dat voldaan wordt aan het provinciale beleid, wordt het voeren van een vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk geacht.
Daarnaast heeft initiatiefnemer tijdens een informatieavond op 13 juli 2020 het nieuwe bouwplan in relatie tot het oude ontwerp gepresenteerd aan omwonenden. In het nieuwe ontwerp is grotendeels tegemoetgekomen aan de eerder geuite bezwaren tegen het oude ontwerp. De renovatie van het gebouw betekent niet dat er meerdere bewoners op de locatie gehuisvest zullen worden maar de betreffende bewoners zelfstandige woonruimten krijgen aangeboden. Het kantoor van de medewerkers wordt verplaatst van de 1e verdieping naar de begane grond. Klimaat binnen de woningen wordt geregeld door middel van een warmtepomp waarvan geen geluidshinder wordt verwacht. Verder is tijdens de informatieavond aangekondigd dat Kwintes een buurtbeheergroep wil gaan starten waarin zaken als overlast en suggesties kunnen worden besproken. De aanwezigen zijn uitgenodigd uit om zich aan te melden. Naar aanleiding van de reacties van enkele bewoners met betrekking tot privacy, bezonning en geluidoverlast heeft Kwintes aangegeven hiermee rekening te houden door een studie van de bezonning te laten maken en te onderzoeken of de privacy van omwonenden te verbeteren door de dakramen aan de achterzijde wellicht hoger te plaatsen. Voor wat betreft geluidoverlast vraagt Kwintes om in voorkomend geval Kwintes hierop te attenderen daarop geacteerd kan worden.
Daarnaast nodigt Kwintes omwonenden uit deel te nemen aan de buurtbeheergroep. Door aanpassing van het oude ontwerp en rekening te houden met de reactie van bewoners op het nieuwe ontwerp is het maatschappelijk draagvlak voor het bouwplan vergroot. Tenslotte hebben omwonenden ook nog de mogelijkheid om vóór het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning hun zienswijzen kenbaar te maken gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, zodat ook bestuurlijk eventuele opmerkingen en bezwaren van omwonenden kunnen worden meegewogen in de besluitvorming.
45
6. Procedure Ten behoeve van de realisering het bouwplan is het college van burgemeester en wethouders voornemens om een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van uitgebreide Wabo procedure ex artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien de raad akkoord gaat door middel van een ontwerpverklaring van geen bezwaar (vvgb), legt het college het ontwerpbesluit omgevingsvergunning met bijbehorende stukken ter inzage voor de duur van zes weken. Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt het ontwerpbesluit en ontwerp vvgb bekendgemaakt in de Staatscourant, het gemeenteblad op overheid.nl en op de gemeentelijke website. Gedurende de periode van terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de ontwerp vvgb kan iedereen een schriftelijke dan wel mondelinge zienswijze naar voren brengen bij het college van burgemeester en wethouders. Wanneer er in genoemde periode geen zienswijzen zijn ingediend of nadat de tijdig ingekomen zienswijzen zijn beantwoord, volgt de definitieve verklaring van geen bezwaar en kan het college besluiten tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Het besluit omgevingsvergunning wordt vervolgens met de bijbehorende stukken ter inzage gelegd voor de duur van zes weken.
Voorafgaande aan de terinzagelegging wordt het besluit bekendgemaakt in de Staatscourant, het gemeenteblad op overheid.nl en op de gemeentelijke website. Tegen dit besluit kunnen alleen belanghebbenden, die eerder een zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend, gedurende de periode van terinzagelegging beroep instellen bij de rechtbank Midden-Nederland en eventueel de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen.
46