CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

191760 VOBP Drakenburgergracht Zorg 2020 bijlage 9 Verkenning wezenlijke kenmerken en waarden NNN Amerpoort

Besluit in de Raad 27 januari 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Voorontwerp bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 20209.861 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapport Projectnummer: 367099 Referentienummer: 20200827_Rapport_NNN_Baarn.docx Datum: 22-09-2020

Verkenning compensatie terreinen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) op terrein Amerpoort, Baarn Verkenning van wezenlijke kenmerken en waarden

Concept Opmerking: de ontwikkellocaties (binnen NNN) en compensatielocaties zijn in november 2020 vastgesteld door Amerpoort. De wezenlijke kenmerken en waarden van de ontwikkellocaties dienen aan de hand hiervan in beeld gebracht te worden. Dit geldt ook voor de potentie van de compensatielocaties. Onderhavige rapportage is daarop nog niet aangepast.

Opdrachtgever: Amerpoort M. Stuijt - Koot Furkaplateau 15 3505 AB UTRECHT

Verantwoording Titel

Verkenning compensatie terreinen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) op terrein Amerpoort, Baarn

Subtitel Verkenning van wezenlijke kenmerken en waarden

Projectnummer

367099

Referentienummer

20200827_Rapport_NNN_Baarn.docx

Revisie

C2.0

Datum

22-09-2020

Auteur

Mark Grutters

E-mailadres

mark.grutters@sweco.nl

Gecontroleerd door

Yann Horstink

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

2

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.1

Aanleiding en doel ................................................................................................... 4

1.2

Werkwijze ................................................................................................................ 5

1.3

Wettelijke kaders en beleidskaders ......................................................................... 5

2

Plangebied............................................................................................................ 10

2.1

Begrenzingen plangebied ...................................................................................... 10

2.2

Aangewezen gebieden met natuurwaarden .......................................................... 10

2.3

Beschrijving van de deellocaties voor ruimtelijke ontwikkelingen en uitruil .......... 14

3

Toetsing beleid .................................................................................................... 26

3.1

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 26

3.2

Oude boskernen en Oude bosgroeiplaatsen ......................................................... 33

3.3

Wet natuurbescherming ........................................................................................ 34

4

Conclusie .............................................................................................................. 35

Referenties ........................................................................................................................... 36

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Voorliggende rapportage is een studie naar de haalbaarheid van het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen op het terrein van Amerpoort, locatie Nieuwenoord, te Baarn, dat binnen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangewezen gebied ligt, en waarvan ook delen binnen gebied liggen dat valt onder Beleidsregels natuur en landschap (verder: het plangebied) (figuur 2.1). Dit naar aanleiding van het opstellen van een ruimtelijke visie voor het terrein, waarbij functies zijn verschoven om ze optimaal op elkaar te laten aansluiten (zie figuur 1.1). Voordeel hierbij voor natuur is dat delen van het terrein binnen het NNN, die thans in gebruik zijn door Amerpoort voor hun bedrijfsvoering, uit gebruik worden genomen, zodat natuur daar versterkt kan worden.

Figuur 1.1. Visiekaart van het terrein van Amerpoort (Sweco, augustus 2020).

Bij de toetsing aan het provinciale beleid dient beoordeeld te worden wat de (netto) effecten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden en andere natuurwaarden. Voor de opgestelde visie wordt onderzocht of deze haalbaar is. Hoofddoel van voorliggende rapportage is te kijken of de aantasting van natuur, die de voor realisatie van de visie nodige ontwikkelingen zullen hebben, voorkomen of opgeheven kunnen worden met het realiseren van natuur op andere locaties binnen het terrein van Amerpoort, en zo geen significante aantasting optreedt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hiertoe worden de (potentieel) aanwezige wezenlijke waarden en kenmerken beschreven van de terreinen die binnen het NNN vallen en de terreinen die voor de uitruil in aanmerking komen. Deze beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden gebeurt op basis van bestaande en middels een veldbezoek verkregen gegevens. Hiermee wordt een eerste indruk verkregen van de haalbaarheid van het uitvoeren van de plannen van de visie binnen het NNN. Een

4

mogelijke conclusie kan zijn dat aanvullend onderzoek nodig is om de wezenlijke kenmerken en waarden voldoende in beeld te krijgen. Bij de toetsing van de effecten wordt ook gekeken of het uitruilen van de NNN-gebieden zou kunnen leiden tot wijziging in de samenhang tussen aangrenzende NNN-gebieden en de verbindingsfunctie die het gebied heeft voor soorten en ecosystemen. Er wordt beschreven of er per saldo een verbetering of verslechtering op kan treden van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hiervoor wordt gekeken wat de huidige wezenlijke kenmerken en waarden zijn en wat de kenmerken en waarden kunnen worden op de nieuw in te richten locaties. De middels Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden en soorten worden besproken, en er wordt beoordeeld of de plannen aanwezige Oude bosgroeiplaatsen en oude boskernen zouden kunnen aantasten en wat de consequenties van een eventuele aantasting kunnen zijn. 1.2

Werkwijze

Voor de beoordeling van de potentiele natuurwaarden is een veldbezoek gebracht door een ecoloog aan de verschillende locaties binnen Nieuwenoord. Dit veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 juni 2019 (weersomstandigheden: 15-18˚C, 4/8 bewolkt, geen neerslag). Gedurende het veldbezoek is onderzocht of er beschermde of bedreigde soorten flora en fauna vastgesteld konden worden en of er potenties hiervoor aanwezig zijn. De bureaustudie omvat een onderzoek naar verspreiding van beschermde natuurwaarden aan de hand van data in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen 5 jaar. Er is gekeken naar soorten aanwezig binnen het plangebied en in de directe omgeving ervan. 1.3

Wettelijke kaders en beleidskaders

1.3.1

Wet natuurbescherming

1.3.1.1

Houtopstanden

Bij de kap van bomen is het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming (Wnb) relevant. Dit onderdeel bevat regels ter bescherming van houtopstanden. De regels zijn van toepassing op houtopstanden buiten de bebouwde kom Houtopstanden. Het plangebied ligt geheel buiten de begrenzing van de bebouwde kom 1. Voor houtopstanden buiten de bebouwde kom is de provincie bevoegd gezag. Het is niet toegestaan een houtopstand te vellen zonder voorafgaande melding aan Gedeputeerde Staten. In de Beleidsregels natuur en landschap wordt invulling gegeven aan de bescherming 2. Ook geldt een herplantplicht voor de gevelde bomen in het kader van de Wnb. Houtopstanden buiten de bebouwde kom, bestaande uit een rij van tenminste 20 bomen of een oppervlakte van tenminste 10 are (1.000m2), zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming tenzij deze zich binnen de bebouwde kom bevinden. Deze bescherming geldt ook wanneer een (klein) deel van dergelijke beplantingen geveld wordt. Een ’kennisgeving van voorgenomen velling’ indienen bij het bevoegd gezag is nodig bij een velling van houtopstanden die zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. De 1 Gemeente Baarn - Vaststelling kaart 'Bebouwde kom Boswet'. Gemeenteblad Nr. 25818, 2 maart

2016. 2 Voor de uitvoering van Wnb heeft de Provincie Utrecht een Provinciale Natuurvisie vastgesteld, het

Beleidskader Wet Natuurbescherming, de Verordening natuur en landschap Provincie Utrecht 2017 en de Beleidsregel natuur en landschap Provincie Utrecht 2017.

5

eigenaar van grond, waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen. Bovenstaand is niet nodig wanneer de houtopstanden vallen onder de volgende categorieën: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

houtopstanden op erven en in tuinen; andere houtopstanden dan op erven en in tuinen binnen een bebouwde kom als bedoeld in het volgende lid; wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet geknotte populieren of wilgen; vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren en andere (schub)coniferen, kleiner dan 7,5 m, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; meidoorn, sierkers, sierpeer en sierappel; het periodieke vellen van griend- en hakhout wordt voor de toepassing van deze wet niet onder vellen begrepen; dunning van houtopstanden, dat wil zeggen het periodiek vellen welke uitsluitend dient als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de houtopstand; indien de velling van de houtopstand benodigd is voor de uitvoering van een werk in overeenstemming met een goedgekeurd bestemmingsplan.

1.3.1.2

Soorten

Bij uitvoering van werkzaamheden in een later stadium zijn de effecten op middels Wnb beschermde soorten van belang. Het bestemmingsplan is pas uitvoerbaar wanneer bij eventuele overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb dit afdoende te mitigeren en compenseren is zodat een ontheffing van worden verstrekt. Een verwachting over deze effecten wordt in hoofdstuk 3 gegeven. In de Wet natuurbescherming (Wnb) worden binnen de soortenbescherming drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): 1. lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; 2. lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; 3. lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; 4. lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; 5. lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.): 6.

lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; 7. lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; 8. lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;

6

9. lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen;

10. lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.): 11. lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:  onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;  onderdeel b. de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of  onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet Natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de nieuwe wet geldt een ontheffingsplicht. Een ontheffing kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.

Het is mogelijk om ten aanzien van Andere soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wnb, mits de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan geen ontheffing nodig.

1.3.2

Provinciaal beleidskader Natuurnetwerk Nederland

De basis van het natuurbeleid in provincie Utrecht is het Natuurnetwerk Nederland. De planologische bescherming hiervan is geregeld via de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-20283 en de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 4. Op grond van deze PRV dienen ruimtelijke besluiten voor gronden binnen NNN-bestemmingen en regels te bevatten die de wezenlijke kenmerken en waarden beschermen en in stand houden. Niet elke ingreep leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden

3 Provincie Utrecht, 2017. Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 Provincie Utrecht (Herijking 2016).

Vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht in de vergadering van 12 december 2016. Publicatiedatum: 19 januari 2017, Status: PS-besluit, Referentienummer: 81A2D63B. 4 Provincie Utrecht, 2017. Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (Herijking 2016).

Vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht in de vergadering van 12 december 2016. Publicatiedatum: 19 januari 2017, Status: PS-besluit, Referentienummer: 81A2D63D.

7

van het NNN, of tot een significante vermindering van de oppervlakte of samenhang van de gebieden. Ingrepen die, na het eventueel nemen inrichtingsmaatregelen, de wezenlijke kenmerken en waarden niet significant aantasten, zijn toegestaan. Nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, zijn onder voorwaarden toegestaan. Hierbij wordt getoetst aan het ‘nee, tenzij-principe’. Ingrepen met per saldo een significante negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Dit wordt toegelicht in artikel 2.4 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In figuur 1.2 is het ‘nee, tenzij’-principe stapsgewijs weergegeven.

Figuur 1.2

Schema: Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.

Als de plannen tot schade leiden aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Compensatie moet voldoen aan de volgende voorwaarden: • de compensatie is minimaal gelijkwaardig aan het verlies aan waarden en kenmerken; • de compensatie vindt plaats in aansluiting op het NNN, of binnen de groene contour, of binnen het NNN op een locatie waar nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en dit leidt tot versnelling van realisatie van het NNN; • de realisatie van de compensatie, het beheer en de instandhouding daarvan zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het ruimtelijk besluit, waarin de aantastende ruimtelijke ingreep mogelijk wordt gemaakt. Om toch projecten in het NNN te kunnen realiseren zijn verschillende benaderingen van compensatie toe te passen: ‘Plussen en minnen’, de ‘Saldobenadering’ en de ‘Herbegrenzing’. In al deze gevallen dient onderbouwd te worden waarom en hoe de ontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, dit zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Bij ‘Plussen en minnen’ wordt het negatieve effect van een ontwikkeling direct bij uitvoering van het plan opgeheven met voor natuur positieve ingrepen, zodat er geen significante aantasting is.

De onderdelen die natuurwinst opleveren worden in hetzelfde project opgenomen. De oppervlakte NNN, natuurkwaliteit (wezenlijke kenmerken en waarden) en samenhang mogen hierbij niet afnemen. Bij de Saldobenadering kan de feitelijke begrenzing worden gewijzigd en in een gezamenlijk ruimtelijk plan worden opgepakt, waarbij per saldo een meerwaarde voor natuur ontstaat (aantasting of vermindering op de ene plaats, uitbreiding en verbetering op de andere plaats). Bij herbegrenzing wordt een stukje van het NNN dat verdwijnt geruild tegen een minstens gelijkwaardige toevoeging aan het NNN.

8

Wezenlijke kenmerken en waarden De ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ van de bij het gebied behorende natuurdoelen en natuurkwaliteit van het NNN zijn door de provincie Utrecht op hoofdlijnen geformuleerd. Deze luiden als volgt: 12. de bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, waaronder ook begrepen worden de vereiste omgevingsfactoren, zoals donkerte, bodem, water en milieu;

13. de robuustheid en de aaneengeslotenheid van het NNN; 14. de aanwezigheid van bijzondere soorten; 15. de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Ook moet onderzocht worden of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het NNN niet leidt tot significante vermindering van de oppervlakte van de (natuur-)gebieden of de samenhang tussen deze gebieden: 16. Behoud van oppervlakte 17. Behoud van samenhang tussen de gebieden.

1.3.3

Ander provinciaal natuurbeleid

Het provinciaal natuurbeleid is vastgesteld in de Natuurvisie Provincie Utrecht 2017. Hierin zijn ook de Beleidsregels natuur en landschap (Bnl) vastgesteld, die onderdeel uitmaken van de regels t.a.v. houtopstanden in de Wet natuurbescherming. Deze beleidsregels hebben deels betrekking op de in het plangebied aanwezige Oude boskernen en Oude bosgroeiplaatsen. Dit zijn voor de Utrechtse biodiversiteit belangrijke gebieden. Het bos op oude bosgroeiplaatsen herbergt natuurkwaliteiten die in jongere bossen ontbreken. Voor Oude boskernen kan door de provincie een kapverbod worden opgelegd. Voor Oude bosgroeiplaatsen geldt geen ontheffingsmogelijkheid van de herplantplicht op dezelfde grond. Er is dan ook de verplichting dat bij Oude bosgroeiplaatsen herplant altijd plaats dient te vinden op dezelfde grond (vaststelling van de wijziging van de Beleidsregels natuur en landschap 2017, provinciaal blad Nr. 7438, 9 oktober 2018). Op Oude bosgroeiplaatsen wordt compensatie ter plekke verlangd, omdat anders de ecologische kwaliteit van de bosgrond in het geding komt. Bij boscompensatie geldt een toeslag, afhankelijk van de tijd dat het natuurbeheertype (het bos) dat verloren gaat, ter plaatste aanwezig is geweest (c.q. de ouderdom van het bos op de bosgroeiplaats).

9

2

Plangebied

2.1

Begrenzingen plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Baarn, aan de rand van de Utrechtse Heuvelrug. Het is een woon-/zorgcentrum gelegen in de bossen op de Heuvelrug. Nieuwenoord is een bosrijke locatie. Ook binnen het gebied zijn veel bomen, bosjes en lanen aanwezig. Aan de westzijde ligt het landgoed Drakenburg, aan de noordzijde zorginstelling Sherpa, aan de oostkant ligt het terrein van boomkwekerij Bomencentrum Nederland. Ten zuiden van het gebied loopt de spoorlijn Hilversum-Baarn. De begrenzing van het vigerende bestemmingsplan (vastgesteld 27-01-2010) wordt aangegeven in figuur 2.1. Hierin zijn de verschillende bestaande functies zichtbaar: maatschappelijk/zorg, cultuur en ontspanning/kinderboerderij, water en bos. In figuur 2.2 worden de onderscheiden deelgebieden aangegeven, dit zijn de gebieden A1 en A3. Dit zijn deelgebieden waarvoor er plannen zijn om te ontwikkelen en deelgebieden welke als natuur ingericht zouden kunnen worden als compensatie. Deelgebieden A2 en A4 zijn in een eerder stadium wel beschouwd, maar hiervoor zijn geen plannen voor ontwikkelingen. Deze worden verder dan ook niet besproken in deze rapportage. In figuur 2.2 wordt eveneens de begrenzing van het NNN weergegeven.

Figuur 2.1. Vigerende bestemmingen op terrein Nieuwenoord.

2.2

Aangewezen gebieden met natuurwaarden

2.2.1

Natuurnetwerk Nederland

De centrale functies van Amerpoort liggen buiten de begrenzing van het NNN, de randen van het terrein liggen wel binnen de begrenzing (figuur 2.2). Binnen de begrenzing van het

10

NNN liggen ook de gebouwen van de technische dienst aan de Bedrijfsweg (deelgebied B2 in figuur 2.2) en de parkeerplaats aan de noordelijke Nieuwenoordlaan (deelgebied A1).

Figuur 2.2. Deellocaties en begrenzing NNN. Rood: locaties binnen NNN waarbij de wens is deze te ontwikkelen, blauw: locaties binnen en buiten NNN die tot natuur met hogere waarden ontwikkeld zouden kunnen worden.

2.2.2

Natuurbeheertypen

Delen van het plangebied, zowel binnen als buiten NNN, hebben een natuurbeheertype (figuur 2.3). Vrijwel alle natuurbeheertypen binnen het plangebied betreffen type N16.03 Droog bos met productie. De watergang zuidelijk van de kinderboerderij (figuur 2.1) aan de Huydecoperlaan is aangemerkt als N04.02 Zoete plas. N16.03 Droog bos met productie is een bostype met diverse, vaak aangeplante bomen. Het heeft geen bijzondere ecologische waarde, en is relatief gemakkelijk te realiseren omdat de abiotische omstandigheden voor dit type weinig kritisch zijn. Dit bostype ontwikkelt zich vaak naar dichte, eenvormige bossen (www.BIJ12.nl). Op deze ontwikkeling hebben natuurlijke verstoringen beperkt effect. Vaak is menselijk beheer nodig om dynamiek te bevorderen. Oude bossen of bossen grenzend aan oude bospercelen kunnen een hoge natuurwaarde hebben, vooral als ze een gevarieerde structuur hebben met een hoog aandeel zware bomen en dood hout. Variatie in het bos door de aanwezigheid van bijvoorbeeld open plekken, dood hout, gemengd bos en een goed ontwikkelde bosrand is van belang voor diverse faunagroepen zoals broedvogels, dagvlinders en zoogdieren.

Van de bij natuurbeheertype N16.03 behorende kwalificerende broedvogelsoorten komen in ieder geval boomklever, kleine bonte specht en groene specht in of nabij de onderzoeksgebieden voor, en van deze soorten is de kans aannemelijk dat ze er ook

11

broeden. Van vuurgoudhaan en appelvink zijn waarnemingen op grotere afstand bekend, maar ook voor deze soorten is habitat aanwezig in het plangebied (zie verder paragraaf 3.3 voor kwalificerende soorten).

Figuur 2.3. Aanwezigheid natuurbeheertypen in en rond het plangebied (bron: Natuurbeheerplan 2019 Provincie Utrecht).

2.2.3

Oude boskernen en Oude bosgroeiplaatsen

Een groot deel van het plangebied is aangemerkt als Oude bosgroeiplaats. Hierbinnen liggen enkele Oude boskernen (figuur 2.4). Een Oude bosgroeiplaats is een boslocatie die in het midden van de negentiende eeuw als bos op de historische kaarten staat aangegeven en tot op heden onafgebroken een boslocatie is gebleven (Beleidskader Wet natuurbescherming provincie Utrecht 2017). Deze locaties zijn waardevol vanwege de goed ontwikkelde bosbodem en daarmee samenhangende flora en fauna. Een Oude boskern is een actuele groeiplaats van autochtone bomen en struiken die afstammelingen zijn van de oorspronkelijk inheemse flora die na de ijstijd op eigen kracht Nederland heeft bereikt (Beleidskader Wet natuurbescherming provincie Utrecht 2017). De groeiplaats kan zowel een bos betreffen als een houtwal, of een enkele boom of struik die als relict van het oorspronkelijk bos te beschouwen is. Belangrijk is de aanwezigheid van een bosbodem van 150 jaar of ouder. De provincie heeft voor de Heuvelrug de Oude boskernen op grond van oude topografische kaarten en veldonderzoek in kaart gebracht (Wildschut et al. 2004). De boskernen zijn hierbij in 3 waardeklassen ingedeeld. Zie figuur 2.5 voor de in het plangebied aanwezige waardeklassen.

12

Figuur 2.4. Aanwezigheid Oude bosgroeiplaatsen (groen) en Oude boskernen (oranje) in en rond het plangebied (bron: Provincie Utrecht via Nationaal Georegister).

Figuur 2.5. Waardeklassen van de aanwezige Oude boskernen (bron: Provincie Utrecht).

13

De begrenzing van de Oude bosgroeiplaatsen is door de Provincie globaal aangegeven. Binnen deze begrenzing liggen diverse gebieden die geen bos betreffen of waarvan discutabel is of het daadwerkelijk een oude bosgroeiplaats betreft. Tenminste het bebouwd gebied van Nieuwenoord valt feitelijk niet onder de definitie van Oude bosgroeiplaats, gezien de leeftijd van de bebouwing. Ook van enkele andere delen kan beargumenteerd worden dat deze niet onder de definitie vallen, zoals het deelgebied A3 (zie ook paragraaf 2.3). In 2020 zijn de boslocaties op het terrein van Amerpoort in beeld gebracht door een deskundige (Harleman 2020). Het gaat om de gebieden die aangegeven worden in figuur 2.6. In de met blauwe cijfers genummerde gebieden is geen bos meer aanwezig. Binnen de beoogde ontwikkellocaties A1 en A3 blijkt geen sprake te zijn van waardevolle Oude boskernen, Oude bosgroeiplaatsen of hakhout.

Figuur 2.6. Nader beschouwde boslocaties met hun veronderstelde waarde.

2.3

Beschrijving van de deellocaties voor ruimtelijke ontwikkelingen en uitruil

In deze paragraaf worden de 5 deelgebieden beschreven. Voor twee hiervan (A1 en A3) bestaan ontwikkelplannen. Deelgebieden A2 en A4 mogen niet worden ontwikkeld. Van de andere drie wordt onderzocht of deze als natuur kunnen worden ontwikkeld (B1, B2 en B3), of hier worden de natuurwaarden versterkt om wezenlijke kenmerken en waarden te verhogen. In figuur 2.2 worden deze gebieden op kaart weergegeven, met de begrenzing van het NNN. In tabel 2.1 worden de oppervlakten gegeven van de deelgebieden, en wordt aangegeven of deze binnen het NNN, Oude bosgroeiplaatsen of Oude boskernen gelegen zijn.

14

Tabel 2.1. Oppervlakten deelgebieden, huidige ligging t.o.v. NNN en bosgroeiplaatsen en boskernen. code oppervlakte (ha) ligging bosgroeiplaats/-kern1 Bestaand NNN, in te ruilen voor maatschappelijk A1 1,04 NNN A3 0,98 NNN OBG2 Totaal 2,02 Toe te voegen NNN B1 0,55 B2 1,42 B3 0,83 Totaal 2,81 1 OBG: Oude bosgroeiplaats OBK: Oude boskern

buiten NNN NNN buiten NNN

OBG OBG OBG & OBK

toekomstige functie maatschappelijk maatschappelijk

natuur natuur natuur

15

A1 Nieuwenoordlaan Dit deelgebied omvat twee grasvelden die door bos (deels aangemerkt als N16.03) van elkaar gescheiden zijn. Het oostelijke veld is deels verhard en in gebruik als parkeerterrein, verder is er een korte, vrij voedselarme vegetatie te vinden. Hiernaast ligt loofbos met enkele naaldbomen, met onder meer grove dennen, essen, berken en acacia. Aan de zuidkant van het gebied en aan de rand van het westelijke grasveld staan enkele oude, dikke beuken. Aan de zuidkant van het terrein dicht langs het pad groeien enkele hoge, oude paardenkastanjes. Het oostelijke grasveld kent een ruige, vegetatie van meer voedselrijke bodem. Dit terrein wordt deels gebruik om (grond)afval op te slaan, net als de rand van het bos midden in het deelgebied. Aan de randen van het westelijk veld staan enkele oude zomereiken.

Figuur 2.7. Ligging deelgebied A1 Nieuwenoordlaan.

16

Figuur 2.8. Impressie deelgebied A1 Nieuwenoordlaan.

A3 Rondweg/Mariaoordlaan Op deze locatie heeft recent kap van volgroeid naaldbos (fijnspar) plaatsgevonden, hier is nu opslag van onder andere berk en braam aanwezig. Op het zuidelijk deel van het terrein is jong berkenbos aanwezig. Ook ligt hier een kleine gegraven poel. De oevers van de poel zijn bedekt met takken en blad, en er is deels beschoeiing aangebracht om erosie van de steile oeverdelen tegen te gaan. Deze poel staat in verbinding met een kleine watergang die langs de zuidrand van het gebied naar het westen doodloopt. Op deze locatie is enkele jaren geleden kamsalamander aangetroffen.

17

Het gehele deelgebied is door de provincie Utrecht aangewezen als Oude bosgroeiplaats. Op topografische kaarten5 is te zien dat vanaf de kaart van 1933 tot en met de kaart van 1961 geen bos aanwezig was op deze locatie. Eerst was het grasland, later werd het onderdeel van een schietbaan. Vanaf 1962 tot en met de kaart van 1973 staat het gebied als boomkwekerij op de kaart, als onderdeel van de boomkwekerij die oostelijk van de locatie nog steeds aanwezig is. Vanaf de kaart van 1974 tot de meest recente kaart van 2018 is (deels) weer bos aanwezig op de locatie. Hiermee voldoet deze locatie niet aan de definitie van Oude bosgroeiplaats.

Figuur 2.9. Ligging deelgebied A3 Rondweg/Mariaoordlaan.

5 topografische kaarten zijn geraadpleegd op www.topotijdreis.nl. Deze site van het Kadaster bevat

een collectie van topografische kaarten die de periode 1815-heden beslaat.

18

Figuur 2.10. Impressie deelgebied A3 Rondweg/Mariaoordlaan.

Beoogde locaties voor nieuw te ontwikkelen natuur B1 Rondweg noord Dit deelgebied betreft een bosstrook ten zuiden van de rondweg. Het wordt aan de noordkant begrensd door een greppel/sloot, aan de zuidkant door de Eekhoornweg. Het is een gemengd bos, met onder meer beuk, berk, zomereik en grove den. Deze bomen hebben alle een beperkte omvang. Langs de randen groeien lijsterbes, hazelaar, vogelkers, braam en kamperfoelie. Deze worden beperkt ook in de ondergroei aangetroffen. In de

19

greppel groeit de Rode Lijst-soort dubbelloof. Grote delen van het gebied hebben weinig ondergroei. Het deelgebied is aangewezen als Oude bosgroeiplaats.

Figuur 2.11. Ligging deelgebied B1 Rondweg noord.

20

Figuur 2.12. Impressie deelgebied B1 Rondweg noord.

B2 Huydecoperlaan / Bedrijfsweg In het westelijk deel van dit deelgebied bevinden zich enkele lage gebouwtjes en dierverblijven van de kinderboerderij. De zuidelijke punt van het westelijk deel van het terrein is in gebruik als depot voor allerlei materialen. Het bos is gemengd loofbos met voornamelijk zomereik, Amerikaanse eik, berk en spar. Enkele beuken en Amerikaanse eiken hebben een flinke omvang. In de ondergroei is braam aan te treffen, en ook ruigtekruiden als brandnetel, springzaad en reuzenbalsemien (een invasieve exoot). Ook zijn er enkele groeiplaatsen van Japanse duizendknoop, een invasieve soort die voor grote (beheer)problemen kan zorgen. Ten zuiden van de bebouwing groeien enkele zomereiken, langs de Huydecoperlaan is een laan aanwezig met voornamelijk Amerikaanse eiken. Het deelgebied grenst aan de zuidoostkant aan een groter bosperceel met voornamelijk hoge Amerikaanse eiken. Het deelgebied is aangewezen als Oude bosgroeiplaats. Even ten zuiden van het deelgebied ligt een oude boskern (zie figuur 2.4).

21

Figuur 2.13. Ligging deelgebied B2 Huydecoperlaan / Bedrijfsweg.

22

Figuur 2.14. Impressie deelgebied B2 Huydecoperlaan / Bedrijfsweg.

B3 Huydecoperlaan west Het bos in dit deelgebied sluit aan op het bos op landgoed Drakenburg. Het is ervan gescheiden door een watergang die langs de westkant van het plangebied loopt. Naar het zuiden toe buigt deze af naar het westen, waarna hij parallel aan het spoor loopt. Kenmerkend aan deze locatie is de enkele rij met hoge, oude Amerikaanse eiken langs de zuidrand, die aansluiten op de dubbele rij langs de Huydecoperlaan. Verschillende bomen vertonen natuurlijke holten die door boombewonende diersoorten gebruikt kunnen worden. Het bos ten noorden van de laan bestaat uit aanzienlijk jonger productie(loof)bos met veel ruigtekruiden in de ondergroei. locatie B3 ligt binnen een Oude bosgroeiplaats, en het oostelijk gedeelte van de locatie is door de Provincie Utrecht aangemerkt als waardevolle Oude boskern. De begrenzing van deze boskern loopt verder door op het landgoed Drakenburg (zie figuur 2.4). Het deel van de boskern dat binnen het terrein van Amerpoort ligt, wordt op basis van het veldonderzoek aangemerkt als weinig tot matig waardevol, gezien de aanwezigheid van naaldhout en verruiging door exoten (Amerikaanse eiken), de dikke bladlaag en aanwezigheid van verschillende verstoringen (Harleman 2020). Van kaphout is geen sprake (meer), het betreft regulier productiebos. Aandachtspunt voor het beheer is de aanwezigheid van Japanse duizendknoop.

Dit is een invasieve exoot, die als de juiste beheermaatregelen niet worden genomen gaat woekeren en inheemse flora zal verdringen.

23

Figuur 2.15. Ligging deelgebied B3 Huydecoperlaan west.

24

Figuur 2.16. Impressie deelgebied B3 Huydecoperlaan west.

25

3

Toetsing beleid

3.1

Natuurnetwerk Nederland

De effecten van het plan worden beoordeeld in het licht van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN waar het plangebied in is gelegen. De toetsingscriteria worden hieronder weergegeven (bron: Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028, herijking 2016). In de volgende paragrafen worden deze criteria nader besproken. 1. de bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, waaronder ook begrepen worden de vereiste omgevingsfactoren, zoals donkerte, bodem, water en milieu; 2. de robuustheid en de aaneengeslotenheid van het NNN; 3. de aanwezigheid van bijzondere soorten; 4. de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen (inclusief samenhang). 5. Behoud van oppervlakte (samenhang met 2) 6. Behoud van samenhang tussen de gebieden (gedeeltelijke overlap met 2 en 4) 3.1.1

Bestaande en potentiële waarden

3.1.1.1

Actuele waarde

Natuurbeheertypen Het NNN binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bosgebied dat valt onder natuurbeheertype N16.03 Droog bos met productie (zie figuur 2.3). Dit bostype is veelal ontstaan uit hakhout, heide- en stuifzandterreinen, en is door onder andere de vaak goede groei een belangrijk type voor de houtproductie. Door de veelal uniforme aanleg en beheer in het verleden, de lage leeftijd van de bossen en een onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting is de diversiteit in dergelijke bossen (nog) relatief laag. Diverse faunagroepen waaronder broedvogels, dagvlinders en zoogdieren zijn gebaat bij variatie in het bos, door bijvoorbeeld de aanwezigheid van open plekken, dood hout, gemengd bos en een goed ontwikkelde bosrand. Verder kan het bostype van belang zijn voor (vaak bedreigde) paddenstoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten en insecten. Abiotisch Het gebied is naar verwachting over het algemeen vrij donker ‘s nachts. De deelgebieden grenzen veelal aan ander (onverlicht, donker) bosgebied. Wel worden de bestaande wegen beperkt verlicht met staatlantaarns. Gebieden die aan verlichte wegen grenzen zijn A3, B2 en deels B3. Ook bij A1 zijn enkele lantaarnpalen aanwezig, nabij het parkeerterrein en aan de Isengardlaan.

Het effect hiervan op fauna is naar verwachting beperkt, omdat het licht weinig uit kan stralen door de begroeiing die er omheen aanwezig is. Soorten die wel verlichting mijden, waaronder sommige vleermuissoorten, kunnen (delen van) deze gebieden wellicht mijden. De bodem bestaat Humuspodzolgronden (Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand), naar het oosten (in deelgebied A3) overgaand naar Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. De grondwaterstand varieert van >1,6 meter in het noordelijk deel tot 0,8-1,2 meter in het zuidelijk deel. Door de bodemopbouw wordt er in de toplaag weinig vocht vastgehouden. Het vasthouden van vocht gebeurt vooral door binding met humus- en kleideeltjes en gering

26

ook door capillaire werking. Over het algemeen is er echter sprake van een droge bovenlaag. Onder de actuele waarde van het NNN valt ook de aanwezigheid van Oude boskernen. Deze worden in paragraaf 3.2.1 nader besproken. Beoogde ontwikkellocaties (gebieden met code A) In de gebied A1 zijn oude diverse oudere bomen en laanstructuren met grotere, oudere bomen te vinden. Variatie in de vorm van structuurrijke randen of open plekken is vooral te vinden in deelgebied A1, waar diverse struweelranden aan de grasvelden grenzen. Van deelgebied A3 wordt verwacht dat dit in het recente verleden een vrij uniform sparrenbos was. Beoogde NNN-gebieden (gebieden met code B) Bosgebied B1 heeft een diverse begroeiing, maar is weinig structuurrijk. Veel van de aanwezige bomen zijn van beperkte ouderdom. Wel zijn er met name aan de zuidzijde enkele struweelranden aanwezig die voor diversiteit in structuur zorgen. In de gebieden B2 en B3 zijn langs de Huydecoperlaan laanstructuren met grote, oudere (niet-inheemse) Amerikaanse eiken te vinden. De gebieden B2 en B3, die beide grotendeels aangemerkt zijn als N16.03, grenzen aan watergangen met beheertype N04.02 Zoete plas. 3.1.1.2

Potentiele waarde

Alle gebieden hebben het beheertype N16.03 (Droog bos met productie). Voor dit beheertype geldt dat oudere bossen of bossen grenzend aan oude bospercelen een hoge natuurwaarde kunnen hebben, vooral als ze een gevarieerde structuur hebben met een hoog aandeel zware bomen en dood hout. Het aandeel zware bomen is vrij beperkt in het plangebied, de grotere bomen betreffen vooral oude beuken, Amerikaanse eiken en paardenkastanjes in deelgebied A1, B2 en B3. Binnen het plangebied is het aandeel dood hout zeer laag, en de meeste bomen hebben maar een beperkte ouderdom. Wel is het bomenbestand gevarieerd qua soorten, en kenmerkend voor de wat rijkere bodems. Oude bospercelen zijn aanwezig op de locaties van Oude boskernen en enkele Oude bosgroeiplaatsen (zie paragraaf 3.2). Het gekapte deel van A3 betrof een monocultuur van grove den. Beheer gericht op veroudering van de bomen en het deels laten staan van dood hout kan de natuurwaarde van het bos verder laten toenemen. Kwalificerende broedvogelsoorten van N16.03 waar het gebied mogelijk wel potenties voor heeft, maar die niet zijn waargenomen, zijn in ieder geval fluiter en raaf. Met name het hoge bosperceel met Amerikaanse eik direct zuidelijk van B2 vormt een potentieel broedbiotoop.

Wanneer dit gebied door Amerpoort uit gebruik wordt genomen zal in het zuidelijk deel van het terrein meer rust zijn, waardoor er soorten tot broeden kunnen komen die dit voorheen niet deden. De eikenlaan aan de oostkant van B2 is geschikt biotoop voor zwarte specht. Een enkele waarneming van zwarte specht is bekend van een locatie in het verlengde van deze beukenlaan, dicht bij het spoor. Zwarte specht is gevoelig voor verstoring. Bij toegenomen rust in dit gebied zou de soort hier tot broeden kunnen komen. Ook de laan met oude Amerikaanse eiken aan de zuidrand van B3 is geschikt voor zwarte specht. Amerikaanse eiken zijn geschikte bomen voor zwarte spechten om hun nesten in uit te hakken. Zwarte spechten creëren zo ook holten voor bosuilen, boommarters en andere soorten die zelf geen holten kunnen maken in (gezonde) loofbomen. Op termijn worden deze holten (door inrotting) ook geschikt voor vleermuizen. Andere kwalificerende broedvogelsoorten zijn kenmerkende soorten van open gebieden waaronder boomleeuwerik en geelgors, die in het plangebied niet verwacht worden.

27

3.1.2

Robuustheid en aaneengeslotenheid

Voor de toetsing bestaan geen harde criteria. Doel is dat versnippering wordt tegengegaan. Afname in oppervlak kan een significante aantasting tot gevolgen hebben voor de robuustheid en aaneengeslotenheid. Robuuste gebieden zijn minder gevoelig voor verstoring omdat de effecten door de omvang worden gebufferd. Dergelijke gebieden hebben een grote oppervlakte in verhouding tot de omtrek. De Utrechtse Heuvelrug is een robuust, aaneengesloten bosgebied. Het bosgebied met beheertype N16.03 binnen het NNN op Nieuwenoord is versnipperd, met ook een relatief hoge mate van verstoring in het centrale deel door het huidige gebruik. Van extra versnippering als gevolg van de plannen is geen sprake. Door geplande ontwikkelingen komen er geen gebieden van het NNN los te liggen van de grotere aaneengesloten NNN-gebieden. De deelgebieden waarvoor plannen bestaan deze aan het NNN te onttrekken, zijn A1 en A3 (figuur 2.2). Deelgebied A3 ligt aan de rand van het NNN, aan twee zijden grenzend aan bebouwd gebied. Het vormt geen onderdeel van een verbindingszone met een ander gebied en kan beschouwd worden als niet van belang voor de aaneengeslotenheid van het NNN-gebied. De robuustheid van het aangrenzend NNN-gebied verandert hierdoor niet. De deelgebied A1 ligt in een zone van het NNN die ter plaatse een breedte heeft van ca.

110 meter, en die loopt van de Isengardlaan naar het oostelijk deel van de rondweg. Ontwikkelen van A1 brengt de breedte lokaal terug tot ca. 50 meter. De breedte van de bosstrook N16.03 die hier noordelijk van ligt blijft gelijk. Het bosgebied midden in A1, dat de twee grasvelden scheidt, kan een verbindende functie hebben voor bosgebonden soorten in noordoost-zuidwestelijke richting, tussen de bossen langs de Zandheuvelweg en die op het noordwestelijk deel van Nieuwenoord. Westelijk van A1 blijven verbindingen tussen deze gebieden aanwezig. Ten zuiden en ten westen van Nieuwenoord liggen grote aaneengesloten NNN-gebieden. Aan de oostkant ligt landgoed Groeneveld dat onderdeel is van het NNN. De twee deelgebieden die B2 en B3 als NNN ontwikkeld zullen worden, grenzen aan deze robuuste NNN-gebieden. In B3 is een deel van een oude boskern aanwezig. De spoorlijn zuidelijk van het plangebied vormt een barrière door dit gedeelte van het NNN. Met het ontwikkelen van bos in de deelgebieden B2 en B3 wordt de zone met bosgebied binnen NNN aan deze kant van het spoor breder, en wordt hiermee een betere verbinding gecreëerd van de bossen op landgoed Drakenstein met de bossen van Landgoed Groeneveld voor de grondgebonden soorten waarvoor het spoor een barrière vormt. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een afname van robuustheid.

De aaneengeslotenheid neemt noordelijk in Nieuwenoord licht af, zuidelijk in het gebied neemt deze licht toe. De totale oppervlakte van gebied met natuurwaarden blijft nagenoeg gelijk wanneer de oppervlakte van B2, die in de huidige situatie al wel binnen NNN valt, maar waar door huidig gebruik de natuurpotenties niet worden benut, wordt meegeteld. 3.1.3

Aanwezigheid bijzondere soorten

Als groeiplaatsen van bijzondere of beschermde plantensoorten of verblijfplaatsen van bijzondere of beschermde diersoorten in het plangebied voorkomen, dan kan bij aantasting hiervan sprake zijn van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Indien negatieve effecten door middel van mitigerende maatregelen te voorkomen zijn, kan een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden voorkomen worden. Als dit niet te voorkomen is en derhalve compensatie aan de orde is, is zeker sprake van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. De Provincie Utrecht is verantwoordelijk voor het actief verbeteren van de leefomstandigheden van bedreigde soorten. Het beleid is gericht op de aandachtssoorten: bedreigde soorten die in Utrecht voorkomen. Ook staan enkele soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn op

28

deze lijst van aandachtssoorten. Deze aandachtssoorten worden derhalve besproken bij de bedreigde en beschermde soorten. Verder worden de aanwezige kwalificerende soorten voor N16.03 besproken. 3.1.3.1

Beschermde soorten Wet natuurbescherming en soorten van de Rode lijsten

Er kunnen tal van beschermde en bedreigde soorten worden verwacht in het plangebied. Uit de database NDFF zijn van een aantal beschermde soorten waarnemingen bekend uit het plangebied of de directe omgeving. Van deze soorten is het aannemelijk dat ze ook binnen het plangebied kunnen voorkomen. In tabel 3.1 worden de aanwezige soorten weergegeven. Het aantal soorten dat verwacht kan worden is groter dan de genoemde soorten die daadwerkelijk waar zijn genomen. Tabel 3.1. In de NDFF aanwezige beschermde en bedreigde soorten in het plangebied. soort Zoogdieren Boommarter Eekhoorn Konijn Ree Das Gewone dwergvleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis

beschermingsregime

Rode lijst

Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.5 Wnb 3.5 Wnb 3.5

KW KW -

reptielen Hazelworm Ringslang

Wnb 3.10 Wnb 3.10

KW

Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kamsalamander Kleine watersalamander

Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10 Wnb 3.10

KW -

Vogels Huismus Zwarte mees Grote lijster Boerenzwaluw Matkop

Wnb jbn cat. 2 Wnb jbn cat. 5 Wnb jbn cat. 5 -

GE GE KW GE GE

Dagvlinders Bruin blauwtje

-

GE

Planten Dubbelloof

-

GE

Wnb 3.5: Beschermde soort conform artikel 3.5 Wet natuurbescherming; Wnb 3.10: beschermde soort conform artikel 3.10 Wet natuurbescherming, Wnb jbn: vogelsoort met jaarrond beschermd nest. Rode Lijst: KW = Kwetsbaar, GE = Gevoelig.

Zoogdieren Vleermuissoorten die op Nieuwenoord zijn vastgesteld zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Rosse vleermuis is een boombewonende soort, ruige dwergvleermuis is deels boombewonend, maar maakt ook veel gebruik van gebouwen. Er zijn weinig bomen binnen het plangebied die geschikte holten vertonen om als verblijfplaats te kunnen dienen. Deze zijn wel aanwezig in A1, B2 en B3. Hier zouden verblijven van

29

genoemde soorten aanwezig kunnen zijn. Naast de genoemde soorten is het aannemelijk dat de in de omgeving voorkomende boombewonende gewone grootoorvleermuis op het terrein aan te treffen is. Een waarneming van boommarter is bekend van de noordzijde van Nieuwenoord. Boommarters komen verspreid voor op de heuvelrug. Ze leven in oude bossen met geschikte boomholten. In de deellocaties zijn deze zeer beperkt aanwezig, op deze locaties is vermoedelijk ook te weinig rust om als geschikte verblijfplaats van boommarter te kunnen dienen. Het gaat dan om de lanen aan de Huydecoperlaan. Mogelijk aanwezige boomholten in deelgebied A1 kunnen geschikt zijn voor de soort. De das komt voor in de omgeving van het plangebied. Dassen leven in kleinschalige, open terreinen met bosjes, heggen en houtwallen. Ze hebben een grote actieradius, en dassen uit de omgeving kunnen het plangebied aandoen tijdens zwerf- of foerageertochten. Reptielen Verspreid over Nieuwenoord en aangrenzende terreinen worden ringslangen waargenomen. Nabij de spoorlijn is op het terrein van Amerpoort een broeihoop aangelegd die door ringslangen wordt gebruikt. Met name rond de watergang en in het gebied (zoals ten zuiden van B2 en B3) kunnen ringslangen worden verwacht. Dit zijn ook locaties waar met de aanleg van broeihopen voortplanting van de soort gesimuleerd kan worden.

Van de locaties A1 t/m A4 kan worden aangenomen dat hier geen vaste verblijfplaatsen van ringslang aanwezig zijn. Hazelworm is waargenomen aan de oostrand van het grasveld van gebied A2 en het bosgebied noordelijk van B1. Het is een soort die in een gevarieerd habitat voorkomt met dichte vegetatie en open plekken om te zonnen. Ze komen vrij algemeen voor verspreid over de Heuvelrug, en kunnen op geheel Nieuwenoord worden verwacht. Amfibieën In de poel en watergang in deelgebied A3 komt de kamsalamander voor. Deze soort komt voor in wateren in bosrijke omgeving. Hoewel de poel niet direct erg geschikt oogt (kamsalamanders hebben voorkeur voor wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie) kan gesteld worden dat de poel en de directe omgeving leefgebied vormen voor de soort. Landhabitat wordt gevormd door houtwallen of struwelen in de omgeving van het voortplantingswater. Aanleg van een nieuwe poel op Nieuwenoord die aan de habitateisen voldoet kan tot vestiging van kamsalamander leiden indien compenserende maatregelen getroffen dienen te worden Dit kan het geval zijn bij het verdwijnen van de huidige poel, of wanneer met extra ecologische maatregelen wenst te treffen voor deze soort. Vogels Algemene broedvogels Van deze vogels zijn de nesten alleen beschermd gedurende de periode dat deze in gebruik zijn.

Er komen tal van algemene (zang)vogelsoorten voor binnen het plangebied. In de NDFF zijn waarnemingen bekend van de volgende soorten: boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, ekster, gaai, goudvink, groenling, grote bonte specht, heggenmus, houtduif, huismus, kleine bonte specht, koolmees, kruisbek, merel, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning, witte kwikstaart, zanglijster, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart. Een groot deel van deze soorten zal binnen Nieuwenoord broeden. Vogels met jaarrond beschermde nesten Nesten van boombewonende vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn, zijn niet aangetroffen. Deze zijn ook niet bekend in de NDFF. Wel is aannemelijk dat op Nieuwenoord huismussen broeden. Deze soort is aan gebouwen gebonden en aan groen

30

dat hier in de nabijheid aanwezig is. De aangrenzende bosgebieden hebben weinig waarde voor huismus. Het plangebied is niet speciaal geschikt voor deze functies, al zullen huismussen hier ook wel aanwezig zijn. Jaarrond beschermde nesten van boombewonende soorten kunnen wel verwacht worden binnen het plangebied. Het lariksperceel van A4 is een geschikte broedlocatie voor roofvogels als havik, sperwer of buizerd. Nesten van buizerd zijn momenteel niet aanwezig, waarnemingen in de NDFF wijzen wel op territoria in de nabijheid van het plangebied. In een lariksperceel in de nabijheid zou een buizerd nestelen. Ook een soort als ransuil kan aanwezig zijn of zich op termijn vestigen in het plangebied, waarbij met name de dichtere naaldbomen zoals bijvoorbeeld net ten noorden van A1 gevonden worden. Sperwer zou in vrijwel alle deelgebieden kunnen (gaan) broeden. Rode Lijst-soorten Verschillende bosvogels van de Rode lijst zijn in en rond het plangebied aanwezig. Dit zijn de mezensoorten zwarte mees en de matkop en de huismus. Dagvlinders In deelgebied A1 is bruin blauwtje waargenomen. Dit is een dagvlinder van de Rode lijst, die leeft in schrale, open graslanden. In de twee graslanden binnen A1 is in beperkte mate leefgebied aanwezig voor deze soort, deze gebieden zijn dus potentieel leefgebied.

Planten De varensoort dubbelloof komt voor in de greppels aan de noordrand van deelgebied B1. Het is een soort van vochtige, humusrijke, (half)beschaduwde plekken. In het gehele plangebied is de soort te verwachten op dergelijke standplaatsen. Andere planten van de Rode lijst die uit directe omgeving bekend zijn, zijn stijve ogentroost, ronde zonnedauw, klokjesgentiaan, klein warkruid, karwij en borstelgras. Dit zijn geen soorten die in het natuurbeheertype N16.03 verwacht worden. Overige soortgroepen De paddenstoel Fijnschubbige elzenzompzwam is bekend uit de omgeving, de exacte vindplaats wordt niet aangegeven in de NDFF. 3.1.3.2

Kwalificerende soorten

Van de voor N16.03 kwalificerende broedvogelsoorten komen er verschillende voor binnen of in de directe omgeving van het plangebied, de kans is groot dat deze er ook broeden. Dit zijn in ieder geval boomklever, kleine bonte specht en groene specht. Van vuurgoudhaan en appelvink zijn waarnemingen op grotere afstand bekend, maar ook voor deze soorten is habitat aanwezig in het plangebied. Dit geldt ook voor zwarte specht. Fluiter, raaf, wielewaal en wespendief kunnen zich in principe binnen het plangebied vestigen, al zijn dit schaarse broedvogelsoorten en zijn alleen de meer rustige delen geschikt. Voor de soorten boomleeuwerik en geelgors is geen geschikt biotoop aanwezig in het plangebied omdat er te weinig open gebied aanwezig is. Van de andere soorten is middelste bonte specht een zeer zeldzame broedvogel in Utrecht, keep is een zeer zeldzame broedvogel in Nederland. Ook sijs is een zeldzame broedvogel in Utrecht. Gezien zijn voorkeur voor naaldbos, en dan met name sparrenbos, is het plangebied vrijwel niet geschikt voor deze soort. Het lariksperceel van A4 is geschikt als broedgebied. Sparrenbos was aanwezig in A3, hier zijn direct buiten het gebied nog wel sparren aanwezig. Enkele sparren zijn aanwezig in B2.

31

3.1.4

Verbindingsfunctie NNN

Landschappelijke structuren kunnen als essentiële verbinding functioneren. Dit zijn foerageer- of migratieroutes, zoals wildwissels of vliegroutes van vleermuizen langs bomenlanen. Ecologische verbindingszones verbinden kerngebieden van het NNN en maken barrières passeerbaar. Indien Ecologische verbindingszones of essentiële verbindingen zodanig worden aangetast dat ze niet meer (volledig) functioneren, dan is sprake van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Zie ook paragraaf 3.1.2. Hier is gesteld dat de boszones in A1 een verbindende functie kunnen hebben voor dieren in noordoost-zuidwestelijke richting. Voor grondgebonden zoogdieren, zoals boommarter en diverse andere kleine marterachtigen, eekhoorn en muizen, kunnen deze boszones een functie hebben voor de uitwisseling van dieren tussen de verschillende gebieden. Om de verbindende functies te behouden kunnen aan de ontwikkelingen eisen worden gesteld. Zo zal de niet aangetaste bosstrook vrij moeten blijven van verdere verstoringen, en moeten de randzones ook kunnen functioneren als verbindingszone. Dit kan door een natuurlijke inrichting van de randzones te behouden, en door geen verlichting te gebruiken die kan resulteren in verstoring van deze randzones. Verder kan de verbindingsfunctie versterkt worden door het toepassen van takkenrillen of vergelijkbare structuren.

Ten noorden van het plangebied bestaat het leefgebied van deze soorten uit bosgebieden rond de Zandheuvelweg en rond Sherpa. Dit is ongeveer de grens van de bossen van de heuvelrug. Binnen de lus A2/A27 zijn weinig andere bosgebieden aanwezig. De genoemde gebieden liggen buiten het NNN, met uitzondering van de bosstrook ten zuiden van de Zandheuvelweg. Het wordt daarom niet verwacht dat het bos in deelgebieden A1 een belangrijke verbindende functie voor bossoorten zal hebben. Van de bosstructuren in het deelgebied wordt niet verwacht dat deze essentiële verbindende functies of vliegroutes voor vleermuizen vormen. In een degelijke bosrijke omgeving zijn vleermuizen die bosstructuren volgen niet gebonden aan één structuur maar zijn er veel alternatieven beschikbaar. 3.1.5

Oppervlakte NNN

De oppervlakte van het NNN waar plannen voor zijn deze te wijzigen naar een maatschappelijke bestemming betreffen twee deelgebieden met een totale oppervlakte van 2,02 hectare. Dit zal worden gecompenseerd met twee gebieden met een gezamenlijke oppervlakte van 1,38 hectare dat in de huidige situatie buiten NNN ligt (B1 en B3) en 1,42 hectare gebied dat binnen NNN ligt, maar waar momenteel bebouwing aanwezig is en bedrijvigheid plaatsvindt (B2). In totaal maakt dit 2,81 hectare. Dit is een toename van oppervlakte ten opzichte van de huidige situatie, indien al deze gebieden inzet zouden worden in de ruil (zie ook tabel 2.1). 3.1.6

Samenhang NNN

Zoals in paragraaf 3.4 wordt beschreven zijn er enkel mogelijke verbindingsfuncties aanwezig in deelgebied A1. Het beheertype dat hier aanwezig is, is N16.03. Buiten dit beheertype zijn binnen het NNN in het plangebied geen andere natuurtypen aanwezig behalve het grasveldje in A1. Voor dit grasland is geen natuurbeheertype aangegeven. Gebieden met beheertype N16.03 zijn oostelijk en noordelijk van deelgebied A1 niet aaneengesloten aanwezig (het gebied ten noorden van Zandheuvelweg ligt buiten NNN). Dels grenst A1 zuidelijk wel aan een ander gebied met natuurbeheertype N16.03. Wanneer A1 geen functie zouden hebben voor het NNN blijven de wel aaneengesloten delen binnen

32

Nieuwenoord nog steeds aaneengesloten. Dit vormt geen wezenlijke afname van samenhang van de bosgebieden in dit deel van het NNN. 3.1.7

Potentiele ontwikkelingswaarden deelgebieden

De deelgebieden B1, B2 en B3 hebben alle potenties om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN rond Nieuwenoord te versterken. De gebieden voldoen aan de vereisten om de natuurbeheertypen (in dit geval N16.03) optimaal te kunnen ontwikkelen. De abiotische omstandigheden zijn vergelijkbaar met die van de gebieden die gecompenseerd dienen te worden. Gebied B1 kent in de huidige situatie een wat hogere mate van verstoring dan B2 en B3, omdat deze tussen de Rondweg en de bebouwing op Nieuwenoord is gelegen. Hierdoor zal de potentiele ontwikkeling achterblijven op die van minder gestoorde gebieden. Dit geldt echter ook voor de andere delen van het huidige NNN die grenzen aan de bebouwing, waaronder ook de deelgebieden A3 en A4, waardoor de te compenseren gebieden ook niet optimaal ontwikkeld zullen kunnen zijn voor wat betreft de meer verstoringsgevoelige diersoorten. In B2 en B3 is nieuwe aanplant van bos mogelijk wanneer de bebouwing verdwijnt en deze gebieden als NNN ingericht kunnen worden. Beheer gericht op variatie en veroudering en het laten staan van dood hout kan het aantal bijzondere soorten doen toenemen. Het geeft mogelijkheden voor verschillende soortenbroedvogels van de Rode lijst en voor vleermuizen.

Het uit gebruik nemen van gebied B2 zorgt voor meer rust, en de ook in het aangrenzende gebied toenemende rust zorgt voor een vergrote kans op vestiging van meer verstoringsgevoelige soorten. Waardevolle ecologische potenties zijn er bij de laan met Amerikaanse eiken aan de Huydecoperlaan (welke doorloopt tot het westelijk deel van deelgebied B3). Deze bomen vertonen holten, ontstaan door scheurvorming en inrotting. Diverse vogel- en vleermuissoorten en wellicht zoogdieren zijn voor hun voortplanting afhankelijk van dergelijke holten. Aan deelgebied B3 is natuurbeheertype N16.03 toegekend, en deze ligt deels in een Oude boskern. Deze nabijheid van een gebied met een hoge ouderdom en hiermee naar verwachting een rijke, voor deze bossen typische diversiteit, verhoogt de kans op de ontwikkeling van hoge natuurwaarden. In deelgebied B2 en B3 is ontwikkeling tot een gevarieerd bos mogelijk. Wel dient hier dan voorkomen te worden dat Japanse duizendknoop zich verder gaat uitbreiden. Gezien het karakter van de soort is de beste oplossing het uitroeien van de soort in het gebied. 3.2

Oude boskernen en Oude bosgroeiplaatsen

3.2.1

Oude boskernen

Toetsingscriterium is: Aantasten van oude boskernen van de categorie 'zeer waardevol' en' bijzonder waardevol'6. In de omgeving van het plangebied zijn enkele boskernen van deze hogere categorieën aanwezig (figuur 2.5). Langs de Zandheuvelweg en Doctor Albert Schweitzerweg liggen enkele langgerekte zeer waardevolle boskernen, op het landgoed Drakenburg liggen twee uiterst waardevolle boskernen. Binnen de grenzen van Nieuwenoord liggen enkele waardevolle boskernen. Delen hiervan liggen binnen de deelgebied en B3. Aangezien dit een beoogde natuurlocatie is vindt hier geen aantasting van de boskern plaatst. 6 Ruimtelijk beleid verblijfsrecreatie binnen de EHS (Heuvelrug): Schema van criteria en hulpmiddelen

voor toetsing van significante aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden (nee,tenzij). Versie 10 december 2007)

33

De begrenzingen van de Oude boskernen lijken echter niet gebaseerd op recente kaarten, daar deze ook over reeds lagere tijd bebouwd gebied liggen. Op de locatie B3 is volgens de beschikbare topografische kaarten wel minstens sinds 1850 onafgebroken bos aanwezig. Op enkele tientallen meters van B2 ligt een Oude boskern, die op de rand van het plangebied ligt en grenst aan de spoorlijn. 3.2.2

Oude bosgroeiplaats

Oude bosgroeiplaatsen mogen niet verloren gaan. Bij kap zal altijd herplant nodig zijn. Herplant kan enkel gebeuren op een zelfde locatie om te zorgen voor continuiteit. Herplant van de reeds gekapte bomen in deelgebied A3 en de mogelijk te kappen berken in dit deelgebied kan elders plaatsvinden, omdat dit geen oude bosgroeiplaats betreft. 3.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9558866/1