CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 1 Geactualiseerde Verordening fysieke leefomgeving Baarn

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging24.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 8:8 Schadevergoeding [vervallen] Artikel 8:9 Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters, voor zover het bomen heesters en heggen betreffen die eigendom zijn van de gemeente. Artikel 8:10 Bestrijding van boomziekten 1. Indien zich op een terrein één of meer houtachtigen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtachtige te vellen; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtachtige direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 8:11 Bescherming publieke houtachtigen 1. Het is verboden om houtachtigen, die eigendom van de gemeente Baarn zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren of anderen ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. 2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtachtige als in het eerste lid aan te brengen of anderszins te bevestigen. 3. Het bevoegd gezag kan van het verbod van het tweede lid, ontheffing verlenen. HOOFDSTUK IX: BODEM Artikel 9:1 Bodemonderzoek [vervallen] Artikel 9:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem [vervallen] Artikel 9:3 Voorwaarden omgevingsvergunning [vervallen] Artikel 9:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften [vervallen] HOOFDSTUK X: ERFGOED PARAGRAAF 1: ERFGOEDREGISTER Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister [vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026] PARAGRAAF 2: AANWIJZING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE CULTUURGOEDEREN EN VERZAMELINGEN Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling [vervallen; opgenomen in Erfgoed verordening gemeente Baarn] Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling [vervallen; opgenomen in Erfgoedverordening

gemeente Baarn 2026] PARAGRAAF 3: AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het bevoegd gezag kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming zich tot dat specifieke deel. In het aanwijzingsbesluit dient dit tot uitdrukking te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en

b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Artikel 10:5 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 10.4 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, wordt aangewezen, voert het bevoegd gezag overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 10:6 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 10.5 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie Het bevoegd gezag vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit. Artikel 10:8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 10:9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingenaanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

PARAGRAAF 4: BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT Artikel 10:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 10:12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 10:13 Intrekken van de omgevingsvergunning [vervallen] Artikel 10:14 Weigeringsgronden 1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. PARAGRAAF 5: RIJKSMONUMENTEN Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonumentenactiviteit Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsbesluit. PARAGRAAF 6: AANWIJZING GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN Artikel 10:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het bevoegd gezag, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Het bevoegd gezag zendt het voorstel voor advies aan de gemeentelijke commissie ruimtelijk kwaliteit.

3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht regels vast in het omgevingsplan. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre bestaande regels uit het omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of nieuwe beschermde regels kunnen worden vastgesteld. 7. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermde stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van een omgevingsverordening. Artikel 10.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het bevoegd gezag, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:16, eerste lid, wijzigen of intrekken.

Artikel 10:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Het bevoegd gezag verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 10:14 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet of zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

PARAGRAAF 7: VANGNET ARCHEOLOGIE Artikel 10:19 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij:

a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wabo is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. HOOFDSTUK XI: MARKT Artikel 11:1 Grenzen van de markt 1. Het bevoegd gezag bepaalt ten aanzien van de markt: a. een kaart van de markt. 2. Op de kaart van de markt zijn aangegeven: a. de grenzen van de markt; b. de vaste standplaatsen. Artikel 11:2 Nadere regels Het bevoegd gezag zijn bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in dit hoofdstuk.

Artikel 11:3 Standplaatsvergunning [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:4 Vereisten [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:5 Intrekking vaste standplaatsvergunning [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:6 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:7 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024] Artikel 11:8 Onmiddellijke verwijdering [vervallen; opgenomen in Marktverordening gemeente Baarn 2024]

HOOFDSTUK XII: AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER Artikel 12:1 Verbod op aankoppelen in geval van nieuwbouw 1. Het is verboden om bij nieuwbouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, op een openbaar vuilwaterriool hemelwater aan te koppelen of grondwater aan te koppelen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 2. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 4. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Artikel 12:2 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw 1. Het is verboden om bij bestaande bouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, in een openbaar vuilwaterriool hemelwater te lozen of grondwater te lozen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 2.

Burgemeester en wethouders kunnen de wijze bepalen waarop het afkoppelen moet plaatsvinden. Dit kan: a. op initiatief van de gemeente, waarbij het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool wordt afgekoppeld op het terrein van de eigenaar op kosten van de gemeente. b. op initiatief van de gemeente, waarbij de eigenaar van het terrein zelf op eigen kosten het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool afkoppelt. 3. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het besluit dient de afkoppeling te zijn gerealiseerd. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn met ten hoogte twaalf maanden verlengen. 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen als bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 5. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. HOOFDSTUK XIII: SLOTBEPALINGEN Artikel 13:1 Strafbepaling 1.

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:1, vijfde juncto eerste lid, 2:2, tweede lid, 2:3, eerste lid en 2:13, eerste lid. 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 8:10, tweede lid en artikel 8:11 eerste en tweede lid gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 4.

In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 12:1 en 12.2 gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de hoofdstukken VII en IX. Artikel 13:2 Toezicht en handhaving 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. 2. Het bevoegd gezag dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VII de bij besluit van het bevoegd gezag aangewezen personen. 4. Indien het bevoegd gezag vaststelt dat de verplichtingen van hoofdstuk VII niet zijn nagekomen, kan het bevoegd gezag besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid en haar overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd het instemmingsbesluit in te trekken, dan wel de werkzaamheden stil te leggen indien er wordt gewerkt: a. zonder instemmingsbesluit of zonder melding; b. in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; c.

in afwijking van de nadere regels; d. in strijd met het geldende breekverbod. 6. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk X is de door het bevoegd gezag aan te wijzen personen belast. 7. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk XI is de marktmeester belast. 8. Dit artikel is niet van toepassing op hoofdstuk IX. Artikel 13:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens de hoofdstukken II, III, IV, V en VI gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 13:4 Inwerkingtreding en intrekking 1. Deze verordening treedt in werking een dag na die waarop zij is bekendgemaakt. 2. Overeenkomstig het eerste lid treden in werking op hetzelfde moment als deze verordening: a

de Erfgoedverordening gemeente Baarn 2026;

Artikel 13:5 Overgangsbepaling 1. Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht op welke grondslag deze zijn aangelegd. 2. Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 3. Bezwaarprocedures tegen besluiten die zijn gebaseerd op de Verordening fysieke leefomgeving Baarn, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet onherroepelijk is beslist, worden afgehandeld volgens de regels zoals deze golden voor inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 13:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Baarn, eerste wijziging.

BIJLAGEN Bijlage 1: Begripsbepalingen ALGEMEEN APV: Algemene Plaatselijke Verordening Baarn; bestuursorgaan: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een vergunning of ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; omgevingsplan: het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, dan wel het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet; omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet; omgevingsverordening: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; vergunning of ontheffing: een besluit van het bevoegd gezag om toestemming te verlenen of te weigeren gebaseerd op deze verordening;

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK II) hoofdgebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij artikel 1.1, onderdeel A van het Besluit bouwwerken leefomgeving; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; uitweg: een ingang of uitgang van een perceel voor motorrijtuigen, als bedoeld in artikel 1, lid c van de Wegenverkeerswet, met uitzondering van motorrijtuigen op 2 wielen, om de openbare weg te bereiken, gelegen op gemeentegrond (ook wel inrit, uitrit en oprit genoemd).

VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER (HOOFDSTUK III) bedrijf: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting, milieubelastende activiteit of andere bedrijfsmatige activiteit uitvoert als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Omgevingsbesluit; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal voorzieningen is verbonden; geluidgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van de Omgevingswet worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende activiteit; geluidgevoelige terreinen: terreinen die op grond van de Omgevingswet worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende activiteit; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal voorzieningen; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE (HOOFDSTUK IV) kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 5.1, tweede lid onder a van de Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; sprokkelen: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout. STANDPLAATSEN (HOOFDSTUK V) buitenplanse omgevingsplanactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan:

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV. OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN (HOOFDSTUK VI) openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN (HOOFDSTUK VII) a. aansluiting: het gedeelte van de kabel en/of leiding dat een netwerk verbindt met een fysiek punt waarop een klant de toegang tot een openbaar netwerk wordt geboden; b. belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen; c. breekverbod: verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden in de grond; d. gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 10.11 van de Omgevingswet, artikel 5.2, eerste lid van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst; e. instemmingsbesluit: besluit van het bevoegd gezag op een aanvraag tot instemming van de voorgenomen werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n; f.

kabels en/of leidingen: een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie-)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;

g. marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt; h. netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk; i.

netwerk: samenstel van kabels of leidingen;

j.

niet-openbare kabels en/of leidingen: kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet gebruikt worden om openbare, zijnde voor het publiek beschikbare, diensten aan te bieden;

k. openbare gronden: openbare gronden, als genoemd in artikel 1.1, onderdeel aa, van de Telecommunicatiewet; l.

registratiesysteem: digitaal systeem dat de gemeente gebruikt om meldingen en instemmingen van werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken;

m. spoedeisende werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n: werkzaamheden voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden; n. werkzaamheden handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleuf loze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; o. werkzaamheden van werkzaamheden van niet ingrijpende aard met een gezamenlijke tracélengte tot vijfentwintig (25) meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; het maken van maximaal twee op brekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². BOMEN (HOOFDSTUK VIII) bebouwde kom: bij raadsbesluit in het kader van artikel 4.1 onderdeel a juncto 9.9 eerste lid van de Wet natuurbescherming vastgestelde bebouwde kom; bomeneffect-analyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand; bomenfonds: gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand.

Herplant vindt plaats binnen een termijn van vijf jaar na ontvangst van de geldelijke bijdrage in het kader van een compensatieverplichting; boom: een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas met een stamomtrek van minimaal 78 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking van deze minimale stamomtrek van 78 cm geldt geen minimale stamomtrek indien het bomen zijn als in artikel 8:6, 8:7, 8:8, 8:9 en 8:10 van deze verordening; compensatieplan: overzicht waarin opgenomen: aantal en soort te plaatsen nieuwe houtopstand in het plangebied als vervanging van aantal en soort te kappen houtopstand in hetzelfde plangebied; houtachtige: een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas; houtopstand: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet; kandelaberen: het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand; knotten: het afzagen van de kroon van de houtopstand; noodkap: kap van houtopstand binnen 48 uur, die nodig is in verband met grote gevaarzetting voor de directe omgeving; perceel: een bebouwd perceel dat met erf en/of tuin een eenheid vormt.

Als meerdere zelfstandige woonadressen binnen één kadastraal perceel vallen, wordt de omvang van het perceel bepaald op basis van het adres van de zelfstandige wooneenheid van de eengezinswoning waarop de houtopstand zich bevindt; vellen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.

BODEM (HOOFDSTUK IX) [vervallen] ERFGOED (HOOFDSTUK X) gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; stads- of dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; MARKT (HOOFDSTUK XI) markt: de door het bevoegd gezag ingestelde warenmarkt. AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER (HOOFDSTUK XII) aankoppelen: het aansluiten van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater op een openbaar vuilwaterriool; afkoppelen: het beëindigen van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater naar een openbaar vuilwaterriool, door dit afvalwater te benutten, te infiltreren in de bodem dan wel te brengen in oppervlaktewater; bestaande bouw: reeds gebouwd bouwwerk; hemelwater: regenwater, ijzel, sneeuw en hagel; nieuwbouw: geheel of gedeeltelijk nieuw te bouwen bouwwerk; openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast.

Bijlage 2: Kaart Bebouwde kom Boswet behorende bij raadsbesluit 15RV000112

TOELICHTING Hoofdstuk 1: Algemene toelichting 1:1 Aanleiding Met het oog op de invoering van de Omgevingswet zijn de regels uit diverse gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving gebundeld in de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Baarn, vastgesteld op 25 november 2020 en in werking getreden op 1 januari 2021. Deze verordening was opgesteld in de verwachting dat de Omgevingswet per 1 januari 2022 zou gaan gelden. De Omgevingswet is uiteindelijk op 1 januari 2024 in werking getreden. Sindsdien hebben zich zowel in wet- en regelgeving als in de toepassing van de Omgevingswet nieuwe inzichten en ontwikkelingen voorgedaan. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente Baarn in 2025 de behoefte geconstateerd om de Verordening fysieke leefomgeving inhoudelijk te actualiseren. De aangepaste Verordening fysieke leefomgeving die hier voorligt, betreft een actualisatie van de bestaande verordening uit 2021. Met deze actualisatie wordt de verordening beter in lijn gebracht met de geldende systematiek van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. De verordening vormt daarmee een actuele en juridisch consistente basis voor de verdere uitwerking en uiteindelijke opname van gemeentelijke regels in het toekomstige omgevingsplan van de

gemeente Baarn. Met deze actualisatie wordt geen nieuw inhoudelijk beleid vastgesteld, maar bestaande regels worden geactualiseerd en, waar nodig, opnieuw afzonderlijk vastgesteld, waaronder de regels inzake erfgoed. 1:2 Inleiding Onder de fysieke leefomgeving wordt verstaan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. De gemeente Baarn gaat de invoering van de Omgevingswet – in navolging van de meeste gemeenten – vormgeven langs vier (samenhangende) sporen: 1. Organisatievisie en participatie; 2. kerninstrumenten; 3. veranderopgave; 4. informatievoorziening en processen. Het spoor kerninstrumenten, heeft betrekking op de zes instrumenten uit de Omgevingswet, waarmee de gemeente de fysieke leefomgeving kan benutten en beschermen. Een van die instrumenten is het omgevingsplan. Het omgevingsplan zal alle regels over de fysieke leefomgeving bevatten die de gemeente binnen haar grondgebied stelt, waaronder de regels die voorheen waren opgenomen in afzonderlijke verordeningen. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om deze regels in het omgevingsplan op te nemen.

Bij de vaststelling van de Verordening fysieke leefomgeving in 2021 zijn, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet, regels uit bestaande gemeentelijke verordeningen en uit delen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) samengebracht in één integrale verordening voor de fysieke leefomgeving. In dat kader zijn de onderstaande (delen van) verordeningen en delen van de APV ingetrokken en per december 2020 van inwerkingtreding opgenomen in deze verordening: a. Hoofdstuk 2, afdeling 2 met uitzondering van artikel 2:14 van APV Baarn; b. Hoofdstuk 4, afdeling 1 APV Baarn; c. Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6 van APV Baarn met uitzondering van artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21; d. Hoofdstuk 5, afdeling 4 van APV Baarn; e. Hoofdstuk 5, afdeling 6 van APV Baarn; f. Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn; g. Bomenverordening gemeente Baarn 2016; h. Bouwverordening Baarn 2012, artikel 9.1, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6; i. Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn; j. Marktverordening gemeente Baarn 2011; k. Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn. 1:3 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen

De Verordening fysieke leefomgeving vormde bij de eerste vaststelling een belangrijke bouwsteen voor het toekomstige omgevingsplan. Met het oog op de toen beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2022 had de gemeente Baarn hiermee een eerste inhoudelijke voorbereiding getroffen voor het opstellen van een omgevingsplan. Bij die voorbereiding heeft de gemeente geïnventariseerd welke onderwerpen betrekking hadden op de fysieke leefomgeving. Op basis daarvan is destijds een driedeling aangebracht: -

Onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten worden opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld onderwerpen zoals welstand, bouwverordening, Erfgoedverordening, Bomenverordening en nog een aantal onderdelen uit de APV.

-

Regels over onderwerpen die de (fysieke) leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief kennen, kunnen worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester zelfs niet toegestaan. Andere regels over de (fysieke) leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden of (persoonlijk) gedrag gerelateerd karakter worden evenmin verplicht opgenomen. Voorbeeld is een hondenuitlaatplek: de plek is een onderwerp dat de fysieke leefomgeving betreft en zou opgenomen kunnen worden maar het opruimen van het achtergebleven rommel en het aanlijnen van de honden zijn gedragsregels en zijn niet gericht op de fysieke leegomgeving.

-

verordeningen die niet mogen worden opgenomen: Dit zijn regels waar de beoogde fysieke leefomgeving niet het motief is. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van openbare orde (burgemeestersbevoegdheid), feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels en legesbepalingen.

De gemeente Baarn heeft uit de driedeling gekozen om de minimale omzetting te hanteren. Dit betekent dat de onderwerpen die moeten worden meegenomen daadwerkelijk zijn meegenomen. In het kader van de actualisatie is beoordeeld of de bestaande regels in de Verordening fysieke leefomgeving inhoudelijk nog in lijn zijn met de Omgevingswet. Daarbij is tevens gekeken naar de noodzaak van technische aanpassingen, onder meer in verband met verwijzingen naar vervallen verordeningen en gewijzigde wet- en regelgeving. Daarnaast zijn documenten betrokken die samenhangen met onderwerpen waarop de verordening betrekking heeft, zoals uitvoeringsbeleid, uitvoeringsplannen en beleidsplannen. Op basis van deze beoordeling is de Verordening fysieke leefomgeving geactualiseerd. 1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn De Verordening fysieke leefomgeving Baarn is ingedeeld in 13 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Hoofdstuk 2 tot en met 12 bevatten regelingen voor diverse onderwerpen, die eerder in de toelichting zijn genoemd. Hoofdstuk 13 is een slotbepaling met onder andere procedureregels als straf-, overgangs- en slotregels. Hierbij is rekening gehouden met uitzonderingen uit de geïntegreerde regels.

Hoofdstuk 2: Toelichting per artikel Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Algemeen De gebruikte begrippen zijn ongewijzigd geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving of aangepast om aan te sluiten bij de Omgevingswet. Beslistermijn

Omgevingsvergunningen op basis van overgangsrecht (OPA's zoals kappen van bomen, uitweg, monument, archeologie, enz.): reguliere procedure 8 weken, eenmalig verlengen met max. 6 weken (art. 16.64 Ow). Dit betreft de vergunningplichten uit de VFLOB die via art. 22.8 Ow en art. 2.1a Omgevingsbesluit als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gelden (o.a. uitweg, alarminstallatie, vellen houtopstand, handelsreclame, opslaan roerende zaken, gemeentelijk monument/ beschermd gezicht). Overige vergunningen of ontheffingen vallen onder Afdeling 4.1.3 Awb: Voor overige VFLOBvergunningen/ontheffingen (niet-OPA): beslistermijn 8 weken, verlenging met een redelijke termijn op grond van de Awb (Titel 4.1, Afdeling 4.1.3). Er geldt géén vaste verlengtermijn zoals bij de Omgevingswet. Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Inhoudelijke wijziging: Onder de Omgevingswet geldt als uitgangspunt dat vergunningen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving in beginsel zaak- of locatiegebonden zijn. Artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop de vergunning betrekking heeft. Deze persoon is daarmee vergunninghouder en verantwoordelijk voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

Wanneer een andere persoon de activiteit voortzet, is geen nieuwe vergunning vereist, maar geldt op grond van artikel 5.37, tweede lid, Ow wél een informatieplicht richting het bevoegd gezag. Er is daarmee sprake van een functioneel persoonskarakter, in die zin dat de vergunning de persoon volgt die de activiteit uitvoert, maar dit is niet hetzelfde als een klassiek persoonsgebonden vergunning zoals bedoeld in de APV. Begripsbepalingen behorende tot de ondergrondse infrastructuren (hoofdstuk VII) Aansluiting Aansluitingen worden door de relatief beperkte omvang van de werkzaamheden uitgezonderd van een aantal algemene regels van hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarvoor is een lichter formeel regime van toepassing waarvoor nadere kaders zijn gesteld. Een fysiek punt zoals bedoeld in de definitie is bijvoorbeeld een netwerkaansluitpunt, gasmeter, watermeter of ISRApunt. Dit betekent dat onder andere huisaansluitingen, zoals bedoeld in de WIBON, aansluitingen voor bedrijfspanden of windmolens ook onder deze definitie vallen. Breekverbod In dit hoofdstuk zijn bepalingen over het breekverbod opgenomen die het bevoegd gezag de bevoegdheid geeft een verbod op te leggen tot uitvoering van werkzaamheden bij extreme weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, zware sneeuwval of ijzel, strenge vorst) of tijdens evenementen.

Dat wil zeggen dat er niet in de grond gegraven mag worden zolang het breekverbod geldt. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen.

Gedoogplichtige De gemeentelijke betrokkenheid is vooral gericht op haar rol als beheerder van de openbare gronden. In deze hoedanigheid is de gemeente in het kader van de Telecommunicatiewet gedoogplichtige als het gaat om openbare elektronische communicatienetwerken. Het begrip gedoogplichtige ziet in deze verordening ook op de gemeente indien zij gedoogplichtig is krachtens de Omgevingswet dan wel anderszins leidingen (impliciet) moet gedogen. Te denken valt aan privaatrechtelijk afspraken tussen gemeente en een kabel- en/of leidingeigenaar of indien voor deze een aansluitplicht geldt. Gedoogplichtigen moeten de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen toestaan in en op hun gronden. Onder instandhouding van

de kabels en/of leidingen wordt verstaan het hebben, houden en onderhouden van de kabels en/of leidingen. Het gaat daarbij dus niet alleen om het verrichten van onderhouds- en exploitatiewerkzaamheden. Ook het enkel hebben en houden van de kabels en/of leidingen, zonder dat daaraan werkzaamheden worden verricht, geldt als instandhouding. Instemmingsbesluit Werkzaamheden als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze verordening moeten vooraf (digitaal) gemeld worden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen: -

reguliere werkzaamheden;

-

werkzaamheden van niet ingrijpende aard;

-

spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing.

Voor de reguliere werkzaamheden geldt dat pas gestart mag worden met die werkzaamheden als op basis van een aanvraag een instemmingsbesluit is verleend. De gemeente hanteert in het algemeen een doorlooptijd van acht weken voor het geven van een besluit op aanvragen voor reguliere werkzaamheden. Voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit noodzakelijk maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf. Na melding kan in het algemeen binnen een termijn van enkele werkdagen met de werkzaamheden gestart worden. Voor spoedeisende werkzaamheden kan het zijn dat schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is. Alleen in dit uitzonderingsgeval is het toegestaan het werk achteraf te melden. In de praktijk dient altijd in ieder geval telefonisch vooraf gemeld te worden. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden omvangrijk zijn geweest of bijvoorbeeld een waterweg hebben gekruist, dient alsnog een instemmingsbesluit te worden aangevraagd volgens de gebruikelijke procedure. Zo kan de gemeente alsnog de aan haar verstrekte relevante informatie verwerken. Kabels en/of leidingen Kabels en/of leidingen zijn onderdeel van een openbaar netwerk, daaronder ook begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten.

Voorbeelden van kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en omroepkabels, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen, waterleidingen en leidingen ten behoeve van stadsverwarming (transport-, distributie- en dienstleidingen) en kabels en leidingen voor industriële netwerken. Voorbeelden van distributie of mutatiepunten zijn handholes, afsluiters, brandkranen, lassen, enzovoort. Het begrip kabels en/of leidingen omvat ook lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken (zoals mantelbuizen, kabelgoten, duikers) en beschermingswerken. Het gaat om kabels en/of leidingen die onderdeel uitmaken van openbare netwerken, dus niet om verbindingen die liggen binnen de installatie c.q. het domein van een (eind)gebruiker (producent of een afnemer), of uit gebruik genomen kabels en/of leidingen.

Marktconforme kosten De gemeente streeft ernaar om het medegebruik van bestaande voorzieningen (van de gemeente zelf of van andere betrokken partijen) te stimuleren. Partijen kunnen worden verplicht daarvan gebruik te maken, met dien verstande dat de te betalen vergoeding marktconform dient te zijn. Hierbij is aansluiting gezocht bij de definitie zoals die in de Telecommunicatiewet wordt gebruikt. Netwerk

De omschrijving maakt met name duidelijk dat het gaat om het geheel van kabels of leidingen die bestemd zijn voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, bijvoorbeeld de distributie- en transportnetten voor energie (gas, water, elektriciteit) en de elektronische communicatienetwerken (zoals geregeld in en krachtens de Telecommunicatiewet, artikel 1.1. onderdelen e en h). Netbeheerder Netbeheerders zijn de beheerders van (niet-)openbare netwerken bestemd voor het transport van water, energie en informatie. Dat zijn dus ook de aanbieders van (niet-) openbare elektronische communicatienetwerken. Vaak zal de netbeheerder in het geval van voorgenomen werkzaamheden de rol van opdrachtgever op zich nemen. Onder een netbeheerder wordt tevens verstaan degene die in eigen naam en voor eigen rekening kabels en/of leidingen ten dienste van een dergelijk netwerk aanlegt, in stand houdt en opruimt, ook indien hij niet zelf dit netwerk of de diensten via dit netwerk dan wel de bijbehorende faciliteiten aanbiedt.

Openbare gronden Hiertoe worden, conform het in de begripsbepalingen genoemde wetsartikel, gerekend de openbare wegen inclusief trottoirs/voetpaden, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, tunnels, beschoeiingen en andere werken, evenals wateren inclusief bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn (ook wel openbare ruimte genoemd). Spoedeisende werkzaamheden Hiervoor geldt een lichter procedureel regime. De netbeheerder moet duidelijk maken dat dit werk redelijkerwijs geen uitstel kan dulden op grond van de aangegeven belangen. Werkzaamheden (Graaf)werkzaamheden in de openbare grond, inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding en sleufloze technieken in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen. Onder instandhouding in de zin van hoofdstuk 7 van deze verordening wordt mede begrepen het nemen van maatregelen, waaronder verplaatsen van de kabels en/of leidingen zoals bedoeld in artikel 7:8 van hoofdstuk 7 van deze verordening en in de Telecommunicatiewet. Onder sleufloze technieken wordt verstaan het maken van een holle ruimte in de grond, met behulp van een (gestuurde) boring of persing, zonder daarbij de omringende grondslag te verwijderen. De regels van hoofdstuk 7 van deze verordening hebben betrekking op mechanische werkzaamheden en handmatige werkzaamheden.

Deze laatste zijn vooral van toepassing op werken nabij bomen en andere groenvoorzieningen en bij spoedeisende werkzaamheden of niet ingrijpende werkzaamheden. Hoofdstuk 7 van deze verordening ziet voorts op werkzaamheden in verband met het bevorderen van medegebruik van voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten of geleidingen.

Werkzaamheden van niet ingrijpende aard Het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet. De definitie geeft op hoofdlijnen aan voor welke situaties deze lichtere procedure van toepassing kan zijn. Vaak gaat het om werkzaamheden aan reeds bestaande kabels en/of leidingen en betreft het een beperkte lengte of oppervlakte die niet of nauwelijks het normale gebruik van de openbare gronden beperkt. Daarbij wordt ook mede in de beoordeling betrokken of er rijbanen en andere verhardingen, wateren of groenvoorzieningen gekruist worden of dat boringen noodzakelijk zijn.

Naast aansluitingen tot een bepaalde lengte worden andere niet ingrijpende werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen. Te denken valt aan werkzaamheden die slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht en waarvan de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze niet ingrijpende werkzaamheden geldt een verkorte procedure. Onder deze werkzaamheden vallen ook: -

het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen, zoals buizen ten behoeve van glasvezelkabels (bijvoorbeeld HDPE-buizen) en mantelbuizen;

-

het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m².

Een opbreking kan zijn het maken van een montagegat c.q. lasgat ten behoeve van de toegang tot een distributie- of mutatiepunt, het plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van aansluitingen, het herstellen van kabel- c.q. leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden. Het maken van twee montagegaten c.q. lasgaten tegelijk kan onder andere aan de orde zijn bij het inblazen van glasvezelkabels in bestaande HDPE-buizen. Begripsbepalingen die behoren bij erfgoed (hoofdstuk X) De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1:1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen “gemeentelijk monument” en “stads- of dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven.

De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of c.

in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;

- kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet; - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.

Hoofdstuk II: Bruikbaarheid en aanzien van de weg Hoofdstuk 2, afdeling 2 ´bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen´, artikel 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:16, 2:17, 2:18, 2:21, 2:22 en 2:23 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Artikelen 2:11, 2:12 en 2:13 van deze verordening Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet geldt dat het verrichten van een omgevingsplanactiviteit vergunningplichtig kan worden gesteld. Het plaatsen of voeren van handelsreclame is een dergelijke activiteit, voor zover het gaat om een uiting die zichtbaar is vanaf een voor publiek toegankelijke plaats. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was deze vergunningplicht geregeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen h en i. De gemeente Baarn had destijds uitvoering gegeven aan deze bepaling in APV waarin artikel 4:15 zag op hinderlijke of gevaarlijke reclame en artikel 4:16 op vergunningplichtige lichtreclame. Bij de herziening van de APV in 2018 is artikel 4:16 komen te vervallen, vanuit het oogpunt van deregulering en vermindering van administratieve lasten. Daarbij werd aangenomen dat grote reclameobjecten reeds aan de bouwregelgeving en welstandstoets zouden worden onderworpen, en dat de resterende gevallen beperkt in aantal waren.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de grondslag voor gemeentelijke regels over handelsreclame verschoven naar het omgevingsplan (en voor dit opgave de VFL). De gemeente Baarn kiest er daarom voor om de vergunningplicht opnieuw te verankeren in de VFL, zodat toetsing aan ruimtelijke en veiligheidsaspecten kan plaatsvinden en een grondslag bestaat voor legesheffing. De hierna volgende artikelen voorzien in: • Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (artikel 2:11); • Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting (artikel 2:12); • Bewegwijzering (artikel 2:13). Hoofdstuk III: Geluidhinder Hoofdstuk 4, afdeling 1, ‘voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze regels herzien.

Geluidhinder is een thema dat onder de Omgevingswet op meerdere punten is gewijzigd. De regelgeving is niet langer gebaseerd op het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer, maar sluit nu aan op het nieuwe systeem van milieubelastende activiteiten. Dit betekent dat niet alleen bedrijven, maar ook andere bronnen van geluid zoals muziekinstallaties en installaties in de openbare ruimte als milieubelastende activiteit gereguleerd kunnen zijn. Hierdoor is het nodig om de bestaande regels juridisch en inhoudelijk aan te passen aan de nieuwe systematiek. Daarnaast is het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. Veel van de normen en voorwaarden uit dat besluit zijn nu opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan. In het hoofdstuk zijn daarom verwijzingen opgenomen naar het omgevingsplan, waar regels uit het Bal zijn overgenomen. De eerder gebruikte term ‘inrichting’ is in dit kader vervallen en vervangen door een benadering die uitgaat van concrete activiteiten. Deze verschuiving vraagt niet alleen om een technische actualisatie van terminologie, maar ook om herijking van inhoudelijke begrippen zoals doelgroepen, toepassingsbereik en uitzonderingen.

Hierdoor is er een nieuwe begrip opgenomen voor bedrijf: ‘natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting, milieubelastende activiteit of andere bedrijfsmatige activiteit uitvoert als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Omgevingsbesluit’. Onder “bedrijven” worden uitsluitend professionele of commerciële partijen verstaan die activiteiten verrichten niet primair ten behoeve van eigen huishoudelijk gebruik, maar in het kader van een onderneming of organisatie. Particulieren die uitsluitend handelen ten behoeve van hun privégebruik worden niet als bedrijf aangemerkt. De aangepaste hoofdstuktekst is hierop afgestemd en bevat de noodzakelijke wijzigingen om aan te sluiten bij het nieuwe wettelijke kader, inclusief het correct doorverwijzen naar het omgevingsplan voor de actuele normstelling. Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6, artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Wel is er een splitsing in enerzijds een verbod op paddenstoelenpluk (artikel 4:5 VFL) en anderzijds een verbod op sprokkelen of meenemen van andere van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos (artikel 4:6 VFL). In de artikelen zijn duidelijke locatieaanduidingen opgenomen.

Daarmee is geen apart aanwijzingsbesluit meer nodig en wordt het toezicht en de handhaving vereenvoudigd. Hoofdstuk V: Standplaatsen Hoofdstuk 5, afdeling 4 ‘Standplaatsen’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor standplaatsen blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk 5, afdeling 6 ‘openbaar water en waterstaatswerken,’ artikel 5:24 en 5:25 zijn geheel geïntegreerd uit de APV Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor openbaar water en waterstaatswerken blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting. Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren Algemeen

De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Het doel van deze toelichting is om informatie, aanvulling en nadere uitleg te verstrekken met betrekking tot hoofdstuk 7 van deze verordening, zowel voor gebruik binnen de gemeente als voor de netbeheerders. De actuele versie van de toelichting is steeds bepalend. Hoofdstuk 7 van deze verordening heeft als doel de regie en coördinatie uniform te regelen met betrekking tot werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en/of leidingen in openbare gronden binnen de gemeentegrenzen. Hoofdstuk 7 van deze verordening reguleert de werkzaamheden in de openbare ruimte, waarbij onder andere de (weg)verharding, maar ook bermen en andere groenvoorzieningen worden opgebroken. Hoofdstuk 7 van deze verordening is ook gericht op minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten ten gevolge van werkzaamheden in de openbare ruimte: proactieve regie, meer grip en sturing op werkzaamheden, het waarborgen van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie tijdens werkzaamheden; uniforme regels en sanctiemogelijkheden en een efficiënt gebruik van de openbare ruimte. Volgens hoofdstuk 7 van deze verordening wordt iedere aanvraag van elke netbeheerder eenduidig behandeld.

Het verschil in wettelijke grondslag voor de diverse kabel- en leidingeigenaren (Telecommunicatiewet e.a.) is geen reden om de aanvragen verschillend te behandelen. Immers, in de praktijk gaat het om dezelfde werkzaamheden. Belangrijk uitgangspunt is dat werkzaamheden alleen in en op de openbare ondergrond mogen worden uitgevoerd na voorafgaande instemming van de gemeente. Voor de aanvraag van een instemmingsbesluit zijn aan de gemeente leges verschuldigd, aangezien de instemming als een dienst van de gemeente aan de netbeheerder is te beschouwen. Voor meldingen in het kader van in en uit gebruik nemen van kabels, niet ingrijpende en spoedeisende werkzaamheden kunnen eveneens leges worden geheven. Aangezien in deze gevallen in de praktijk ook een dienst door de gemeente wordt geleverd, maar een lichtere procedure geldt, zal dit invloed hebben op de hoogte van de legestarieven. Dit leidt op dit punt tot minder leges voor de netbeheerder. Via nadere regels of beleidsregels (bijvoorbeeld een Handboek Kabels & Leidingen, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten en een Nadeelcompensatieregeling) kunnen aanvullende voorwaarden, eisen en regels voor de werkzaamheden van de netbeheerder door en het bevoegd gezag worden vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505959/1