CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1383257 Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging bijlage 1 Geactualiseerde Verordening fysieke leefomgeving Baarn

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Verordening Fysieke Leefomgeving Baarn, eerste wijziging24.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging Intitulé Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging

RAADSBESLUIT Openbaar

Zaaknummer 1383257 Onderwerp: Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging

De raad van de gemeente Baarn - gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 januari 2026 - behandeld in het debat in de raad d.d. 11 februari 2026 - gelet op artikel 147 en 149 van de Gemeentewet

besluit: De Verordening fysieke leefomgeving Baarn, eerste wijziging vast te stellen.

Vastgesteld in de vergadering, op 25 februari 2026 C.B.H. Heusingveld griffier M.A. Röell voorzitter

Inhoudsopgave Verordening fysieke leefomgeving Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk V: Standplaatsen Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren

Hoofdstuk VIII: Bomen Hoofdstuk IX: Bodem (bouwverordening) Hoofdstuk X: Erfgoed Hoofdstuk XI: Markt Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater Hoofdstuk XIII: Slotbepalingen

Toelichting Hoofdstuk 1: Algemene toelichting 1:1 Inleiding 1:2 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen 1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn Hoofdstuk 2: Toelichting per artikel Hoofdstuk I: Algemene bepalingen Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk V: Standplaatsen Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren Hoofdstuk VIII: Bomen Hoofdstuk IX: Bodem (bouwverordening) Hoofdstuk X: Erfgoed Hoofdstuk XI: Markt Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater Hoofdstuk XIII: Slotbepalingen

BIJLAGEN Bijlage 1: Begripsbepalingen Bijlage 2: Kaart Bebouwde kom Boswet behorende bij raadsbesluit 15RV000112

Verordening fysieke leefomgeving Baarn

HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1. Bijlage 1 van deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in aanwijzingsbesluiten, beleidsregels of andere op deze verordening gebaseerde regelingen, kunnen aanvullend van toepassing zijn, mits zij niet in strijd zijn met de begripsbepalingen van deze verordening en de reikwijdte daarvan niet beperken. In geval van strijdigheid prevaleren de begripsbepalingen van deze verordening. Artikel 1:2 Werkingsgebied Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Baarn. Artikel 1:3 Beslistermijn 1. Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verlengen, tenzij het de beslistermijn bij een aanvraag omgevingsvergunning betreft. 3. Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing, die als omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, zijn de procedurele bepalingen van de Omgevingswet van toepassing. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. Een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening geldt voor de vergunninghouder en/of degene die de vergunde activiteit verricht. 2. Indien de vergunning of ontheffing voor een ander gaat gelden dan de in het eerste lid bedoelde persoon of personen, wordt het bevoegd gezag daarover onverwijld geïnformeerd, met uitzondering van vergunningen die als omgevingsvergunning zijn verleend. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend artikel 5.37 (normadressaat omgevingsvergunning en aanwijzing vergunninghouder) van de Omgevingswet van toepassing.

Artikel 1:6 Intrekken of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de vergunninghouder dit verzoekt. 2. Op het intrekken of wijzigen van een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing, anders dan een omgevingsvergunning, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.

De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen overtreft. 3. Op een vergunning of ontheffing die als omgevingsvergunning wordt verleend, zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. Op een omgevingsvergunning zijn de bepalingen van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK II: BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 strekkende meter op de rijbaan ten behoeve van hulpdiensten, 2 strekkende meter op fietspaden en 1,2 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden. 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor uitstallingen, reclameborden en spandoeken. 4. Het bevoegde gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. 6. In afwijking van het vierde lid is geen ontheffing nodig: a.

voor de bij uitvoeringsbesluit van het college aangewezen voorwerpen, onder de voorwaarden dat deze voorwerpen maximaal 6 maanden worden geplaatst en minimaal 4 weken voor de plaatsing melding is gedaan middels een door het college vastgesteld meldingsformulier en aan alle gestelde voorwaarden voor plaatsing van objecten wordt voldaan, en; b. indien op basis van de ‘Baarnse richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ toestemming is verleend door de wegbeheerder, ook de daarbij gestelde voorwaarden worden nageleefd. 7. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening; c. terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 van APV; d. door het bevoegd gezag aan te wijzen categorieën van voorwerpen voor zover voldaan wordt aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; e. uitstallingen van goederen of voorwerpen behorende bij winkels op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van de weg, mits wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vastgestelde nadere regels; f.

kabels of snoeren ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen, uitsluitend voor zover deze zijn geplaatst in door de gemeente aangelegde kabelgoottegels. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen over de aanleg en ingebruikname van de kabelgoottegels; en

g. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 8. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening. Artikel 2:2 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij artikel 5.1 van de Omgevingswet. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Omgevingswet, de omgevingsverordening, Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe, de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening. Artikel 2:3 Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het bevoegd gezag kan nadere regels vaststellen waarin onder andere nadere beoordelingscriteria worden vastgelegd. 3. Onverminderd artikel 1:8 lid 1 van deze verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de noodzaak van een tweede uitweg onvoldoende is gemotiveerd naar oordeel van het bevoegd gezag. 4. Het bevoegd gezag kan het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien: a. het gebruik van de uitweg tot doel heeft dat zal of kan worden geparkeerd op gronden voor de voorgevel van een hoofdgebouw, dit geldt niet voor naast en in het verlengde van de voorgevel; b. de afmeting van de parkeerplaats niet zal of kan voldoen aan de minimale afmetingen van 2,5 meter breedte en 5 meter diepte volgens de richtlijnen van de CROW;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe of de omgevingsverordening. Artikel 2:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:5 Openen straatkolken en dergelijke Het is voor degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:6 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:7 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het bevoegd gezag aangewezen periode; b.

voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen ofte laten liggen. 2. De verboden uit het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Omgevingswet. Artikel 2:9 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:10 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de omgevingsverordening. Artikel 2:11 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak of roerende zaak, niet zijnde voertuigen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor (handels)reclame-uiting 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op, aan of in een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding, in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

e. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, tenzij in dit onderwerp wordt voorzien door de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet. 4. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de omgevingsverordening of de Omgevingswet. Artikel 2:13 Bewegwijzering 1. Het is verboden op of aan een de openbare plaats een verwijzingsbord naar openbare instellingen, hotels, pensions, restaurants, campings en overige bedrijven of instellingen te plaatsen of te doen plaatsen waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.

Het verbod is niet van toepassing indien een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2:12 van deze verordening, is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving. HOOFDSTUK III: VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDHINDER Artikel 3:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan, zijn niet van toepassing op door het bevoegd gezag per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente. 4. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuwkalenderjaar bekend. 5.

Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het bevoegd gezag een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

6. Bij de aangewezen collectieve festiviteiten mag (tussen 07:00 – 24:00 uur) het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, met een middelingstijd van 1 minuut gemeten in de meterstand Fast veroorzaakt door een bedrijf/evenement organisatie, op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de muziekinstallatie, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, 80 dB(A) en 93 dB(C) zijn. 7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden. 8. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidswaarden, bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Artikel 3:2 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een bedrijf toegestaan: a. op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag; b.

in afwijking van het bepaalde onder a, op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderhaar incidentele festiviteiten te houden, waarbij de geluidswaarden als bedoeld in artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan en artikel 3:3 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits: I.

de beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag en;

II.

het gaat om bedrijven die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg.

2. Het is een bedrijf toegestaan om tijdens maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan niet van toepassing is, mits beheerder of eigenaar van het bedrijf ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het bevoegd gezag. 3. Het bevoegd gezag stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het bevoegd gezag op verzoek van de beheerder of eigenaar van een bedrijf een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Bij een incidentele festiviteit zijn de geluidswaarden, met de daarbij behorende bedrijfstijden voor het gebruik van elektronische verstrekte muziek in een bedrijfsgebouw of op het buitenterrein van een bedrijf, in tabel 1 en tabel 2 weergegeven. Tabel 1. Geluidswaarden bij geluidgevoelige gebouwen, bij incidentele festiviteiten gehouden binnen in het bedrijfsgebouw.

Geluidswaarden

Geluidswaarden

Van 07.00 tot 23.00 uur voor alle dagen,

23.00 uur tot 7.00 uur voor alle dagen en op vrijdag

in het weekend (vrijdag /zaterdag) toegestaan tot 01.00 uur

& zaterdagnacht na 01.00 uur

LAr,LT *1

LCeq *2

LAr,LT *1

LCeq *2

Op de gevel geluidgevoelige bestemming

70 dB(A)

83 dB(C)

40 dB(A)

53 dB(C)

in- aanpandig geluidgevoelige bestemming

55 dB(A)

68 dB(C)

25 dB(A)

38 dB(C)

Tabel 2. Geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, bij incidentele festiviteiten gehouden in de openlucht op het buitenterrein van een bedrijfslocatie. Geluidswaarden

Geluidswaarden Van 07.00 tot 23.00 uur!

Op de gevel geluidgevoelige bestemming

23.00 uur tot 7.00 uur (de hieronder genoemde geluidswaarden zijn gelijk aan die van de reguliere geluidswaarden, hetgeen inhoudt dat er na 23:00 uur geen muzikale activiteiten buiten zijn toegestaan).

LAr,LT *1

LCeq *2

LAr,LT *1

LCeq *2

70 dB(A)

83 dB(C)

40 dB(A)

53 dB(C)

*1 Het toelaatbare geluidniveau LAr,LT op de gevel(s) van de dichtstbijzijnde en relevante woning(en) of op 50 meter afstand van de erfgrens van een bedrijf indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, veroorzaakt door muziekgeluiden door een festiviteit vanuit het bedrijf. *2 Het toelaatbare geluidniveau LCeq (bastonen) op de gevel(s) van de dichtstbijzijnde en relevante woning(en) of op 50 meter afstand van de erfgrens van een bedrijf indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, veroorzaakt door muziekgeluiden door een festiviteit vanuit het bedrijf. a. het LAr,LT en LCeq wordt met een middelingstijd van één minuut gemeten in de meterstand Fast. b. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen gelden niet als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; c. de in de tabel aangegeven geluidswaarden op de gevel ook gelden op de grens van geluidgevoelige terreinen

7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden bedoeld in het zesde lid wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden.

8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in een gebouw blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 9. Met uitzondering van bedrijven buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van een bedrijf tijdens incidentele festiviteiten muzikale activiteiten worden gehouden, mits: a

de dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de erfgrens van het bedrijf, of de opstelling van de muziekbron op het terrein van het bedrijf, op minimaal 50 meter afstand liggen; en

b

de incidentele festiviteit plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 en 23.00 uur).

Artikel 3:3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek gelden de geluidswaarden onder artikel 22.63, eerste en derde lid, van het omgevingsplan, zie tabel 3: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel 3. Geluidswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, bij het gebruik van onversterkte muziek in en buiten een gebouw.

Locatie Binnen/buiten een gebouw

Geluidswaard en van 7:00 tot 19:00 uur

Geluidswaard en

Geluidswaard en

van 19:00 tot 23:00 uur

van 23:00 tot 07:00 uur

Op de gevel geluidgevoelige bestemming

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

in- aanpandig geluidgevoelige bestemming

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

2. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidswaarden in het eerste lid. 3. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen doormuziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een clubgebouw gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het omgevingsplan van toepassing.

5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van deze verordening. Artikel 3:3a Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden, met uitzondering bij bedrijven, in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het bevoegd gezag kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het bevoegd gezag vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening.

Artikel 3:3b Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden, met uitzondering van bedrijven (automobiel), zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 3:3c Geluidhinder door vrachtauto’s 1. Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:3d Routering 1. Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, met een vrachtauto(‘s) als bedoeld in artikel 3:3c, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het bevoegd gezag aangewezen weg te rijden. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3:4 Overige geluidhinder 1.

Het is verboden, met uitzondering van bedrijven, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid. 3. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen. 4. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit Activiteiten Leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving of de omgevingsverordening. Artikel 3:4a Mosquito 1. Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste een maand verlengen.

HOOFDSTUK IV: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE PARAGRAAF 1: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 4:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het bevoegd gezag in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een bedrijf, in de openlucht of buiten op de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het bevoegd gezag kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de omgevingsverordening of Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe.

PARAGRAAF 2: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

Artikel 4:2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende opeen terrein. 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4:3 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4.2, eerste lid is niet van toepassing op door het bevoegd gezag aangewezen plaatsen. 2. Het bevoegd gezag kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangengenoemd artikel 4.2, vierde lid. Artikel 4:4 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang op andere plaatsen dan de op grond van artikel 4:3 aangewezen plaatsen; b. in andere gevallen dan onder a voor zover: i. ii. iii.

sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of het woon- of leefklimaat wordt aangetast.

2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op een plaats die bij of krachtens artikel 6:2 is aangewezen; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:3 van deze verordening zijn aangewezen.

PARAGRAAF 3: BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA

Artikel 4:5 Bescherming gemeentegroen Het is verboden op een voor het publiek toegankelijke plaats enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen. Artikel 4:6 Beschermde planten: paddenstoelen plukken 1. Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens paddenstoelen (fungi) te plukken, te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: a. als de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; b. voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn. Artikel 4:7 Beschermde planten: bloemen, planten, hout, mos sprokkelen of meenemen 1. Het is ter bescherming van natuur en landschap verboden om in alle gemeentelijke bossen, plantsoenen, parken, (natuurlijke) bermen, het Baarns bos en het bosgebied tussen de Zandheuvelweg, Amsterdamsestraatweg, Biltseweg en de gemeentegrens daar van nature voorkomende bloemen, planten, hout en mos te plukken, sprokkelen, te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet: a.

als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden door of in opdracht van het bevoegd gezag of; b. voor zover de bepalingen van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn en; c. voor zover de persoon beschikt over direct aantoonbare schriftelijke toestemming van de rechthebbende en er geen negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de natuur en het landschap. HOOFDSTUK V: STANDPLAATSEN Artikel 5:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het bevoegd gezag weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan dan wel als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is geweigerd. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

4. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van de dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of de omgevingsverordening. 6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het bevoegd gezag een standplaats wordt of is ingenomen. HOOFDSTUK VI: OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN Artikel 6:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het bevoegd gezag. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening. Artikel 6:2 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het bevoegd gezag kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening. 4. Het bevoegd gezag kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de

openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. HOOFDSTUK VII: ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN PARAGRAAF 1: INLEIDENDE BEPALING Artikel 7:1 Toepasselijkheid 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op werkzaamheden door of namens de netbeheerder in of op openbare gronden binnen de gemeente Baarn. 2. Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet. Artikel 7:2 Nadere regels 1. Het bevoegd gezag kan ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. 2. Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. openbare orde en veiligheid; b. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; c. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; d. ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; e. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die dienen te worden verstrekt. PARAGRAAF 2: AANVRAGEN EN MELDEN VAN WERKZAAMHEDEN Artikel 7:3 Aanvragen en melden 1.

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:4, bij het bevoegd gezag te worden aangevraagd. De aanvraag tot instemming van voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet. 2. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het bevoegd gezag teneinde de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente en/of als er tevens een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het bevoegd gezag hiervan op de hoogte. 4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen drie (3) werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij het bevoegd gezag. 5. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij de burgemeester van de gemeente Baarn of bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk

binnen één werkdag na de start van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan bij het bevoegd gezag. Artikel 7:4 Instemmingsvereiste 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het bevoegd gezag genomen instemmingsbesluit. 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het bevoegd gezag. De gemeenteraad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 3. De werkzaamheden dienen binnen één jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid. 4. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 5. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij extreme weersomstandigheden en/of evenementen kan een bevoegd gezag een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van extreme weersomstandigheden berust bij het bevoegd gezag. De termijn zoals bedoeld in het derde lid wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk één dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het bevoegd gezag de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren. Artikel 7:5 Gegevensverstrekking 1.

Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. 2. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; d. de vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, als mede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen; e. een digitale GBKN tekening (PDF-formaat) met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: 1. een opgave van het gewenste tracé; 2. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; f.

overtuigende gegevens en inzicht van een ter zake deskundige omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;

g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking; h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; i.

een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen.

3. Voor een melding, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. De volgende gegevens dienen daarbij in ieder geval te worden verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; d. de lengte en breedte van de sleuf of montage gat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de daadwerkelijke startdatum van de werkzaamheden. Artikel 7:6 Voorschriften bij instemmingsbesluit 1. Het bevoegd gezag kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a. de openbare orde; b. de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d.

de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grondaanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten zoals archeologische vondsten. 2. De voorschriften, genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Baarn tegenmarktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. 3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden dienen schriftelijk te worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het bevoegd gezag vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.

Artikel 7:7 (Mede)gebruik van voorzieningen 1. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruikgemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het bevoegd gezag aangelegde, voorzieningen indien dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:3, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. PARAGRAAF 3: OVERIGE BEPALINGEN Artikel 7:8 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie 1. Het bepaalde in dit artikel geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in (privaatrechtelijke) schriftelijke afspraken tussen partijen. 2. De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van het bevoegd gezag over te gaan tot het nemen van maatregelen met betrekking tot zijn netwerk, zoals het verplaatsen van kabels en/of leidingen. 3. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het tweede lid wordt verleend op basis vaneen publiekrechtelijke regeling. 4. Het bevoegd gezag en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, elkaars schade zoveel mogelijk beperken. Artikel 7:9 Overleg 1.

Het bevoegd gezag organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Baarn bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. 2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Baarn en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 7:10 Niet-openbare kabels en/of leidingen 1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. 2. Het eerste lid van dit artikel in dit hoofdstuk houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Baarn met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen. Artikel 7:11 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt het bevoegd gezag onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uitgebruik nemen van een kabel en/of leiding dan wel dat een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Het bevoegd gezag kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2. De netbeheerder stelt het bevoegd gezag in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Artikel 7:12 Hardheidsclausule Het bevoegd gezag kan op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en te motiveren gevallen af te wijken van de bepalingen van dit hoofdstuk. Artikel 7:13 Termijnen 1. Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bevoegd gezag dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. HOOFDSTUK VIII: BOMEN Artikel 8:1 Kapverbod 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, houtopstanden te vellen of doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand. 3.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. schubconiferen behorend tot de soort: -

Chamaecyparis (schijncypres);

-

xCupressocyparis (leylandcypres);

-

Platycladus (Japanse levensboom);

-

Thuja (levensboom);

-

Thujopsis (Hiba cypres).

b. houtopstanden die staan op percelen kleiner dan 200 m2, mits het perceel niet is gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. c. De stam van de boom, gemeten op 1,30 m hoogte vanaf de grond, heeft een omtrek kleiner dan 78 cm (= kleiner dan 25 cm diameter). d. Wegbeplanting en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot. 4. De in het derde lid gestelde uitzonderingen gelden niet voor een beschermd stads- of dorpsgezicht.

5. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat voor bij of krachtens deze verordening aangewezen categorieën houtopstanden de daarin genoemde uitzonderingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn. 6. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt. Artikel 8:2 Criteria omgevingsvergunning 1. Het bevoegd gezag kan schriftelijk de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, weigeren, verlenen of onder voorschriften of beperkingen verlenen. 2. De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 8:1 eerste lid, kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- of dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand. 3. Het bevoegd gezag stelt nadere regels of beleidsregels vast voor: a. de aanvulling van de in het tweede lid genoemde waarden; en b. de aanwijzing van categorieën houtopstanden waarvoor een verhoogd beschermingsniveau geldt. Artikel 8:3 Aanvraag 1.

De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. 2. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een compensatieplan en een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project worden overgelegd. 3. In geval van een bouwwerk of technische ingrepen in het terrein binnen de invloedssfeer van de houtopstand kan het bevoegd gezag bepalen dat een Bomeneffect-analyse van alle houtopstand die staat binnen de invloedssfeer van de te vellen houtopstand wordt overgelegd. Artikel 8:4 Intrekking of wijziging De ontheffing, vergunning of de omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend, is vereist;

c. indien de aan de ontheffing, of vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen; d. indien de houder dit verzoekt. Artikel 8:5 Beperking geldigheidsduur 1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden ingetrokken, indien daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden daarvan gebruik is gemaakt. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn. Artikel 8:6 Bijzondere voorschriften 1. Aan de omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3.

Indien waarden genoemd in artikel 8:2, tweede lid van toepassing zijn, kan aan de omgevingsvergunning tot vellen het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. 4. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenfonds. 5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand voor particuliere eigenaren. 6. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage tussen € 1000,00 en € 1500,00 per gevelde houtopstand voor niet particuliere eigenaren. 7. Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor vaststelling van de in het vierde lid genoemde verplichting. 8. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 9.

Bij het verbinden van voorschriften als bedoeld in dit artikel kan het bevoegd gezag onderscheid maken naar categorie houtopstand en beschermingsniveau. Artikel 8:7 Herplant-/instandhoudingsplicht bij illegale velling 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan de verplichting worden opgelegd dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort, in het Bomenfonds. 4. De verplichting als bedoeld in het derde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand. 5. Het bevoegd gezag stelt beleid vast, voor oplegging van de in het derde lid genoemde verplichting. 6. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; b. een bomeneffect-analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. 7. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505959/1