CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1373646 Bestemmingsplan Verleggen gastransportleiding W-500-01 bijlage 1 BP Verleggen gastransportleiding W-500-01 toelichting

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Verleggen gastransportleiding W-500-0111.586 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Toelichting ‘Verleggen gastransportleiding W-500-01’ Zandheuvelweg/Oud-Eemnesserweg te Baarn

Document: Status:

Toelichting Bestemmingsplan ‘verleggen W-500-01’ Vastgesteld

Datum:

December 2025

Opgesteld door:

In opdracht van:

Documentgegevens Bestemmingsplan:

Verleggen gastransportleiding W-500-01

Documentnummer: Revisie:

2310-0506-1 1

Laatste wijziging: Status:

19-12-2025 Vastgesteld

Ravelijn 10 4285 ED Woudrichem Tel. 0613165830 info@vdh-omgevingsadvies.nl

www.vdh-omgevingsadvies.nl

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

2

Inhoud 1.

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1.

Aanleiding ............................................................................................................ 5

1.2.

Ligging plangebied................................................................................................. 5

1.3.

Vigerende bestemmingsplannen .............................................................................. 6

1.4.Leeswijzer ................................................................................................................. 7 2.

Beschrijving plangebied ............................................................................................. 9

2.1 Bestaande situatie ...................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................................... 9 3.

Beleidskader .......................................................................................................... 11

3.1.

Rijksbeleid .......................................................................................................... 11

3.1.1.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ........................................................... 11

3.1.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................................ 12

3.1.3.

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) ...................................... 13

3.1.4.

Besluit ruimtelijke ordening ........................................................................... 13

3.1.5.

Structuurvisie Buisleidingen ........................................................................... 13

3.1.6.

Besluit externe veiligheid buisleidingen ........................................................... 14

3.2.

Provinciaal beleid ................................................................................................ 14

3.2.1.

Omgevingsvisie ............................................................................................ 14

3.2.2.

Omgevingsverordening.................................................................................. 15

3.3.Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 17 3.3.1

Structuurvisie Baarn 2030 ................................................................................. 17

3.4. Conclusie ................................................................................................................ 18 4.

Omgevingsaspecten ................................................................................................ 19

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................ 19

4.2

Archeologie ........................................................................................................ 20

4.2.1 Onderzoek ......................................................................................................... 20 4.3

Cultuurhistorie .................................................................................................... 21

4.4

Explosieven ........................................................................................................ 22

4.5

Bodem ............................................................................................................... 23

4.6

Flora & Fauna ..................................................................................................... 24

4.6.1

Gebieden ........................................................................................................ 24

4.6.2

Soorten .......................................................................................................... 28

4.7 4.7.1

Water ................................................................................................................ 30 Watergangen en –keringen ............................................................................... 30

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

3

4.7.2

Grondwater ..................................................................................................... 31

4.7.3

Watertoets ...................................................................................................... 31

4.8

5

Externe veiligheid ................................................................................................ 32

4.8.1

Besluit externe veiligheid Buisleidingen ............................................................... 34

4.8.2

Kwantitatieve risicoanalyse ............................................................................... 34

4.10

Kabels en Leidingen ............................................................................................. 35

4.9

Luchtkwaliteit ..................................................................................................... 35

4.10

Geluid, geur, lichthinder en windhinder .................................................................. 35

4.11

Conclusie ........................................................................................................... 36

Juridische planbeschrijving ........................................................................................... 37 5.1

Planmethodiek .................................................................................................... 37

5.2 Functie van het bestemmingsplan .............................................................................. 37 5.2

6

Bestemmingsregeling........................................................................................... 37

5.2.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................ 38

5.2.2

Toelichting op de regels .................................................................................... 38

Uitvoerbaarheid en handhaving ..................................................................................... 41 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 41 6.2 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................... 41 6.3 Handhaving ............................................................................................................ 41

7

Bijlagen...................................................................................................................... 43

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

4

1. Inleiding 1.1.Aanleiding Gasunie Transport Services B.V. heeft twee bestaande afsluiterschema’s S-6210 en S-6365 gelegen ter hoogte van de Zandheuvelweg te Baarn. Beide afsluiterschema’s zijn verouderd en moeten vervangen worden. De S-6365 zal vervangen worden door een passtuk, terwijl de S-6210 gereconstrueerd zal worden. De vernieuwde S-6210 zal tevens iets naar het westen worden verplaatst. De beoogde verlegging vindt plaats over een leidinglengte van ca. 75m en maximaal ca. 22 meter afwijkend ten op zichte van het huidige tracé. De verlegging wordt uitgevoerd door middel van een open ontgraving. De beoogde locatie van het nieuwe afsluiterschema S-6210 is gelegen op de gemeentegrens van Baarn en Laren en is dus in beide gemeenten van invloed op de bestemde situatie. Met artikel 14 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is bepaald dat een 40-bar (en hoger) hoge druk gastransportleiding planologische relevantie kent en dat deze in bestemmingsplannen dienen te worden opgenomen. Binnen de op de locatie van de verlegging (relevante) vigerende bestemmingsplannen is geen mogelijkheid opgenomen om de verlegging van de leiding binnenplans mogelijk te maken. In overleg met gemeente Baarn is overeengekomen om het juridisch planologisch vastleggen van het nieuwe leidingnetwerk middels een bestemmingsplanherziening te realiseren.

Het voorliggende plan biedt dit planologische kader. De aanpassingen van het gastransportnetwerk worden mogelijk gemaakt door het aanleggen van een nieuwe gastransportleiding. In overleg met enkele stakeholders, in het bijzonder gemeenten Baarn en Laren, is een tracé ontworpen en afgestemd.

1.2. Ligging plangebied Het project speelt zich af ter hoogte van de Oud-Eemnesserweg, Zandheuvelweg en Weg over Anna’s Hoeve, direct ten oosten van de Rijksweg A27.

Figuur 1 Locatie plangebied

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

5

In onderstaande figuur is de ligging van de bestaande (rood) en nieuwe leiding (paars onderbroken) weergegeven. Tevens is de gemeentegrens zichtbaar gemaakt (zwart).

Figuur 2 Locatie te verleggen leiding (paars is nieuw, rood is bestaand) De aanleg van de nieuwe gastransportleiding zal plaatsvinden door middel van open ontgraving. Daarbij wordt een sleuf gegraven en de leiding vanaf maaiveld in de sleuf aangelegd en aangesloten op het bestaande netwerk. Ter hoogte van het leidingdeel nabij de OudEemnesserweg wordt een passtuk geplaatst zodat een doorgaande leiding ontstaat en het nieuwe afsluiterschema de functie van het oude schema overneemt. Nadat het nieuwe leidingwerk in bedrijf is genomen, worden de bestaande leidingdelen buiten bedrijf gesteld. Deze oude leiding wordt dan gereinigd en (waar mogelijk) verwijderd.

1.3.Vigerende bestemmingsplannen De vigerende planologische situatie op grondgebied van gemeente Baarn is geborgd in de bestemmingsplan ‘Drakenburgergracht’ dat is vastgesteld op 10 juli 2013. In dit plan is ter hoogte van de nieuw geprojecteerde lijn van de toekomstige leiding geen dubbelbestemming ‘leiding-gas’ opgenomen. De gastransportleiding kan derhalve op basis van de vigerende bestemmingsplannen niet worden aangelegd, bestemd en beschermd middels de regels.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

6

Figuur 3 Bestaande planologische situatie De in bovengenoemde bestemmingsplan geldende regels zijn en blijven onverminderd van toepassing na van kracht worden van het voorliggende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan neemt de vigerende bestemmingen en bijbehorende regels over vanuit die plannen en voegt als het ware de dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ toe op de beoogde situatie van het nieuwe afsluiterschema. Aangezien het ontwerpbestemmingsplan nog voor inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft ook de vaststellingsprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening van toepassing en is daarom het begrip bestemmingsplan nog steeds juist. Inhoudelijk is het plan dusdanig ongewijzigd, los van de compensatieverplichting van het NNN-gebied, dat het als ongewijzigd vastgesteld kan worden beschouwd.

1.4.Leeswijzer Na deze inleiding en beschrijving van de werkzaamheden volgt in hoofdstuk 2 een beknopte beschrijving van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader nader aan de orde gesteld. In hoofdstuk 4 komen de omgevingsaspecten met de resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken aan bod, gevolgd door de juridische planopzet in hoofdstuk 5. Hierin worden de gewenste ontwikkelingen vertaald in een juridisch-planologische regeling. Daarmee vormt dit hoofdstuk een toelichting op de planregels. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 aandacht besteed aan

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

7

de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het voorliggende plan, waarbij ook inspraak en overleg van belang zijn. De toelichting wordt afgesloten met een overzicht van bijlagen.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

8

2. Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Baarn op de gemeentegrens met Baarn. De locatie direct ten Westen van de Rijksweg A27 in de berm van de Weg over Anna’s Hoeve en kruising Zandheuvelweg/Oud-Eemnesserweg. Dit is één van de doorgaande wegen tussen Hilversum en Baarn. Vanaf de gemeentegrens met Laren begin het natuurgebied Crailo dat grotendeels in beheer is bij het Goois Natuurreservaat.

2.1 Bestaande situatie De reeds aanwezige gastransportleiding kruist de Zandheuvelweg en Oud-Eemnesser op verschillende locaties. Deze situatie is van oudsher ontstaan en de veelvoud aan leiding is mede vanwege de aanwezigheid van het nabij gelegen Meet- en Regelstation van Gasunie (in het natuurgebied binnen gemeente Laren). Hier wordt het hoodfgastransportnetwerk (tot 80bar) verdeeld richting het regionale gastransportnetwerk (40bar). De leiding is in gemeente Baarn volledig gelegen op eigendom van diezelfde gemeente.

2.2 Toekomstige situatie Met de aanpassingen aan het leidingnetwerk zal de planologische situatie wijzigen, er wordt immers een nieuw afsluiterschema gerealiseerd in de noordelijke berm van de Weg over Anna’s Hoeve. De functie van de berm blijft, na afloop van de werkzaamheden, ongewijzigd. In de nieuwe situatie wordt er ‘slechts’ een extra dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ aangebracht bovenop de reeds aanwezige enkelbestemming ‘Verkeer’. De begrenzing van het voorliggende plan is afgestemd op de toekomstige ligging en begrenzing van de gasleiding en bijbehorende belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Binnen de belemmeringenstrook gelden restricties zoals het niet zonder meer mogen uitvoeren van werkzaamheden of plaatsen van gebouwen en bouwwerken zodat de leiding extra beschermd is. In onderstaande figuur is het beoogde plangebied bij benadering weergegeven met daarop de nieuwe ligging van de leiding (paars) tevens de ligging van de bestaande leiding (rood). De blauwe contour omvat de bestemmingsplangrens (bij benadering) waarbinnen de verlegging zich dient plaats te vinden (par 1.4). Deze strook van ca. 8m breedte is tevens de belemmeringenstrook die Gasunie hanteert bij haar regionale gastransportleidingen.

De toekomstige planologische situatie geeft de daadwerkelijke ligging van de nieuwe leiding aan middels een dubbelbestemming ‘Leiding-Gas’ van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding. Het voorliggende bestemmingsplan zal worden getoond op www.ruimtelijkeplannen.nl met

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

9

slechts de strook waarop de dubbelbestemming van toepassing is en is daarmee zichtbaar voor eenieder.

Figuur 4 ligging en begrenzing plangebied

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

10

3. Beleidskader Op zowel Rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau bestaan er diverse beleidsstukken waarbij met het opstellen van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de relevante beleidsstukken.

3.1.Rijksbeleid 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De op 11 september 20201 vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes het Rijk maakt en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Deze keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. De NOVI sorteert voor op de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang met elkaar. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zeespiegelstijging, hoge rivierafvoeren, wateroverlast en lange periodes van droogte zijn hier voorbeelden van. In 2050 zal Nederland klimaatbestendig en waterrobuust zijn. In 2050 moet Nederland ook een duurzame energievoorziening hebben.

Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Voorwaarde is dat bewoners goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Voor de ontwikkeling van duurzame energie zijn regionale energiestrategieën (RES) essentieel. Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES invulling aan de inpassing van duurzame energie op het land. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. De Nederlandse economie dient toekomstbestendig te worden, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. Het gebruik van duurzame energiebronnen en verandering van productieprocessen wordt gestimuleerd. Steden en stedelijke regio's zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. De leefbaarheid van stedelijk gebied staat voorop. Hiervoor dienen deze 1

Staatscourant nr. 48104, 15 september 2020

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

11

gebieden in te zetten op klimaatadaptatie om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Ook dient de bouw van nieuwe woningen te zijn gericht om een zo breed mogelijk aantal inwoners te bereiken. Mobiliteit dient aan te sluiten op nieuwe ontwikkelingen waarbij onder meer de CO2 uitstoot wordt verminderd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Er dient een balans tussen de ontwikkeling van natuur en landbouw te worden gevonden. Hiernaast dient het een prettige omgeving te zijn om te werken, wonen en te recreëren. Biodiversiteit van gebieden en de verduurzaming van landbouw zijn kernpunten. Afwegingsprincipes Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo'n situatie keuzes te maken worden drie afwegingsprincipes gebruikt: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt het Rijk naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik •

van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

•

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

• De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces. De voorgenomen ontwikkeling(en) raakt de belangen die in de NOVI worden genoemd niet.

3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen die juridische borging vragen, staan in de AMvB Ruimte (ook wel bekend als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening – Barro). De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten gemeenten zich houden aan bij AMvB of verordening gestelde regels. Nieuwe of gewijzigde regels moeten binnen een bepaalde termijn in de bestaande bestemmingsplannen worden verwerkt. Dit kan betekenen dat gemeenten bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de nieuwe AMvB Ruimte. De AMvB Ruimte is in

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

12

december 2011 in werking getreden. Door het bestemmen van de nieuw aan te leggen buisleiding strookt de voorgenomen ontwikkeling met het Barro. 3.1.3. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De regels uit het Barro zijn verder uitgewerkt in het Rarro. In het Rarro zijn ruimtereserveringen opgenomen voor de nieuwe aanleg en voor de uitbreiding van de infrastructuur. Ter plaatse van de in het Rarro bepaalde ruimtereservering mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op basis van het vigerende bestemmingsplan niet reeds mogelijk waren, met uitzondering van tijdelijke bouwwerken en bijbehorende bouwwerken. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende plan biedt daarin mogelijkheden. De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een ruimtereservering conform het Rarro. 3.1.4. Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 oktober 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de “ladder voor duurzame verstedelijking” zoals opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. De “stappen van de ladder” worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte; 2.

kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins; 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid). Met ingang van 1 januari 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking aangepast. De minister wil daarmee de knelpunten oplossen die in de dagelijkse praktijk worden ervaren bij toepassing van de ladder. Signalen uit de praktijk en de daaruit voortgekomen jurisprudentie hebben er toe geleid dat de Minister met betrokken partijen verkend heeft welke knelpunten de toepassing van de ladder kent. De voornaamste knelpunten zijn: • •

onduidelijk begrippenkader toepassing bij globale en flexibele bestemmingsplannen

• •

onderzoekslasten regionale afstemming

Voor het voorliggende plan heeft de aanpassing van de ladder van duurzame verstedelijking verder geen gevolgen ten opzichte van voorheen en past daarmee binnen het beleidsdocument. 3.1.5. Structuurvisie Buisleidingen Op 12 oktober 2012 is de Structuurvisie Buisleidingen vastgesteld. Dit is een visie waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Op basis van de hoofdlijnen uit de Structuurvisie Buisleidingen kunnen provincies en gemeenten het exacte buisleidingtracé bepalen. Uitgangspunt daarbij is zoveel mogelijk bundeling met bestaande buisleidingen(-stroken). De gastransportleiding

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

13

in dit plan valt niet onder de werkingssfeer van de Structuurvisie Buisleidingen, maar draagt wel bij aan het streven om het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen te laten verlopen. 3.1.6. Besluit externe veiligheid buisleidingen Op 1 januari 2011 is middels de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de oude circulaire “Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen” uit 1984 vervangen. Op grond van dit besluit (artikel 6, lid 4) mag een buisleiding slechts worden aangelegd of vervangen indien dit in overeenstemming is met het geldend bestemmingsplan of indien voor die aanleg of vervanging een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor een nadere uitwerking van de externe veiligheidsaspecten wordt verwezen naar paragraaf Externe veiligheid van het volgende hoofdstuk. Hierin worden de resultaten van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse (QRA, bijlage 2) voor de te verleggen leiding nader besproken.

3.2.Provinciaal beleid Het Omgevingsbeleid van Utrecht omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 3.2.1. Omgevingsvisie De komende 30 jaar pakt de provincie omvangrijke, complexe en urgente opgaven aan. Er is veel ruimte nodig voor duurzame ontwikkeling van diverse functies, zoals wonen, werken, mobiliteit, energie, recreatie, natuur en landbouw. Tegelijkertijd is het de provinciale ambitie om de bestaande Utrechtse kwaliteiten verder te versterken. Het is belangrijk om nu al na te denken over de juiste balans tussen opgaven en Utrechtse kwaliteiten en keuzes te maken die daarvoor nodig zijn. Hiervoor is deze Omgevingsvisie vastgesteld. In deze Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie is een instrument uit de Omgevingswet die per 1 januari 2024 in werking treedt. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. Zolang de Omgevingswet niet in werking is getreden, heeft de Omgevingsvisie werking onder de bij deze plannen en visies behorende wetten.

De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie gaat uit van een adaptieve aanpak; het is een groeidocument. Zo kan flexibel worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Onderstaande figuur is een uitsnede van de kaart van de omgevingsvisie ter hoogte van de voorgenomen ontwikkeling. Nadrukkelijk is hier ambitie in relatie tot natuur en duurzaamheid. De voorgenomen aanpassing aan het gastransportnetwerk geeft, na realisatie van de werkzaamheden, voldoende mogelijkheden om de natuurlijke ambitie nader in te vullen.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

14

Figuur 5 Uitsnede kaart omgevingsvisie

3.2.2. Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale Omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. De Omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale Omgevingsvisie. De Interim Omgevingsverordening is op 10 maart 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 april 2021 in werking getreden. De Interim Omgevingsverordening geldt totdat de Omgevingswet ingevoerd wordt. Dat is naar verwachting op 1 januari 2024. Dan treedt ook de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 in werking. Naast aanpassing van de regels aan de wet (incl. terminologie, verwijzingen e.d.), zijn vanuit voortschrijdend inzicht en nadere verkenning enkele wijzigingen aangebracht ten opzichte van de Interim Omgevingsverordening. De volgende wijzigingen zijn in de Ontwerp Omgevingsverordening doorgevoerd: • bescherming weidevogels breder ingevoerd dan alleen bij duurzame energie; • •

regels voor biomassa aangescherpt; regelgeving borden en andere reclameborden versimpeld: Versterking relatie boer en

•

burger); kaart Kleine landschapselementen geactualiseerd en aangevuld voor Vijfheerenlanden

•

(o.b.v. recente inventarisatie); aanpassing van het begrip erven in relatie tot de natuurnetwerk Nederland-regel;

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

15

•

artikelen die in de Interim Omgevingsverordening op “gereserveerd” stonden, zijn zo veel mogelijk ingevuld. Dit omdat deze onderwerpen onder de wet in samenhang met andere thema’s opgenomen konden worden. Het betreft de volgende onderwerpen: Grondwaterverontreiniging, Gesloten stortplaatsen, Geluid provinciale wegen (o.a. invoeren geluidsproductieplatfonds) en Transformatorstations. Externe veiligheid is nog gereserveerd, omdat de regels afhankelijk zijn van een in de maak zijnde landelijke regeling. De bescherming van waardevolle houtopstanden wordt pas geregeld nadat de inventarisatie afgerond is en de Bossenstrategie door provinciale staten is vastgesteld. Voor deze houtopstanden blijven de beleidsregels gelden. Anticiperend op de wet zijn deze onderwerpen en enkele artikelen, die later ingevuld worden, alvast in de Omgevingsverordening opgenomen en staan op gereserveerd.

Voor het plangebied zijn geen specifieke regels gegevens anders dan het beschermen, instandhouden en verbeteren van bestaande waarden zoals natuur, bodem, watersysteem en landschap. In het provinciaal omgevingsbeleid wordt niet nader ingegaan op de ligging en aanwezigheid van gastransportleidingen en diens toebehoren. Met de komst van de beoogde aanpassing zijn er nog voldoende mogelijkheden om bestaande waarden te realiseren of herstellen in overleg met Gasunie. 3.2.3 Instructieregels NNN ln gevolge de Wet natuurbescherming heeft provincie Noord-Holland de taak zorg te dragen voor de totstandkoming, instandhouding en bescherming van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natuurgebieden en natuurverbindingen zijn aangewezen als NNN, het plangebied (voor het gedeelte van de ontwikkeling binnen gemeentegrenzen van Laren, en daarmee provincie Noord-Holland) ligt in het NNN (zie par 4.6). Aangezien de ontwikkeling voor het gedeelte in gemeente Baarn is gelegen in de provincie Utrecht, en de ontwikkeling niet binnen NNN-gebied is gelegen, heeft het voor deze gemeente geen negatieve invloed op het NNN-gebied.

In de instructieregels voor het NNN-gebied in Noord-Holland is aangegeven dat een ruimtelijk plan alleen mogelijk gemaakt kan worden als het plan strekt tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Het plan voor de reconstructie van de gasleiding strekt hier echter niet toe en stelt hiertoe ook geen regels. Bovendien mogen geen nieuwe activiteiten mogelijk worden gemaakt die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het NNN. Door de reconstructie van de gastransportleiding is er sprake van enige afname van oppervlakte van het NNN. In geval van de reconstructie van de gastransportleiding kan worden gesteld dat sprake is van groot openbaar belang. Op grond van artikel 6,43, lid 5 onder a OVNH2O20 is afwijking op de hoofdregel mogelijk. Nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten, waarbij sprake is van groot openbaar belang, kunnen mogelijk gemaakt worden als: -

er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overige effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

16

Ook als wordt gesteld dat sprake is van een toevoeging van een nieuwe activiteit aan of een beperkte wijziging van de bestaande activiteiten (artikel 6.43, lid 5 onder c) kan dit alleen onder de voorwaarden dat: -

de wijziging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten; de wijziging ondergeschikt is aan de bestaande activiteiten en

-

de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overige effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Vanwege de aanwezigheid van het gastransportleidingen-netwerk zijn geen alternatieven mogelijk op deze specifieke locatie en is de wijziging noodzakelijk voor instandhouding (en ondergeschikt aan) bestaande activiteiten, Gezien bovenstaande voorwaarden is het noodzakelijk dat compensatie van de oppervlakte van NNN-gebied binnen de provinciale grenzen van NoordHolland wordt uitgevoerd.

3.3.Gemeentelijk beleid 3.3.1

Structuurvisie Baarn 2030

Op 10 juli 2013 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie / Structuurvisie Baarn in 2030 vastgesteld. Deze Toekomstvisie bevat een integrale visie en een thematische visie, die beide zijn Uitgewerkt in de Structuurvisie. Met deze nieuwe visie is de gemeente beter in staat om plannen te toetsen en sturing te geven aan ontwikkelingen. Centraal staat hierbij de vraag: hoe de Baarnse identiteit en kwaliteit behouden en versterken? De kernkwaliteiten van de gemeente zijn onder andere het afwisselende landschap, de extensieve recreatie, de overal aanwezige cultuurhistorie, de bereikbaarheid en het hoogwaardig wonen. De visie is uitgewerkt in een structuurvisiekaart waarvan onderstaande figuur een uitsnede is in nabijheid van het plangbied.

Figuur 6 Uitsnede kaart Structuurvisie Baarn 2030

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

17

Het plangebied is op Baarns grondgebied gelegen binnen de gebiedsbegrenzing van het thema infrastructuur en de ecologische hoofdstructuur. In directe nabijheid zijn de gebieden gelegen die vanuit de structuurvisie aandacht hebben gekregen voor landschap/bos en zorg. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling en de mogelijkheden voor dubbel grondgebruik (leiding en natuur/infrastructuur) biedt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering ten aanzien van de visie vanuit de gemeentelijke Structuurvisie.

3.4. Conclusie De noodzakelijke verlegging van de gastransportleiding conflicteert niet met de bovengenoemde beleidsdocumenten. Het behoud en versterken van waarden en ontwikkelingsrichtingen vanuit de beleidsdocumenten wordt niet in gevaar gebracht door de beoogde aanpassingen van het gastranportnetwerk en daarmee past het binnen de beleidsregels. In het volgende hoofdstuk wordt in het kader van omgevingsaspecten nader geanalyseerd en beoordeeld in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

18

4. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verantwoording van de ontwikkelingen van de voorliggende planologische afwijking met het oog op milieu- en omgevingsaspecten.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van een gastransportleiding. Daarmee wordt een activiteit mogelijk gemaakt die wordt genoemd in bijlage II bij het Besluit m.e.r.: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van aardgas” (D 8.1). Een m.e.r.-beoordelingsplicht is aan de orde in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (zoals Natura 2000-gebied, Ecologische hoofdstructuur of grondwaterbeschermingsgebied). Alhoewel de activiteit ruimschoots onder de drempelwaarde ligt, is een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk (artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage 1994). Op grond van het Besluit Milieueffectrapportage moet het besluit om geen MER te verlangen separaat (als zelfstandig besluit) worden genomen, dit proces kan parallel met de bestemmingsplanherziening meelopen. Het doel van een m.e.r.-beoordeling is om te analyseren in hoeverre sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Als uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kan het bevoegd gezag besluiten een m.e.r.procedure op te starten. Als de milieugevolgen beperkt zijn of hier in het plan goed mee om kan worden gegaan, volstaat deze m.e.r.-beoordelingsnotitie.

De m.e.r.-beoordeling is dan afgerond en vormt dan een bijlage bij dit bestemmingsplan. De verlegging van het leidingwerk die met dit plan mogelijk wordt gemaakt is minimaal. Het leidingwerk komt nagenoeg op dezelfde locatie te liggen. De invloed op de omgeving is dan ook verwaarloosbaar. De leiding komt niet dichter bij gevoelige gebieden of bestemmingen te liggen. Gedurende de werkzaamheden kan er sprake zijn van enige verstoring van de omgeving. Gelet op de beperkte tijdsduur en de kleinschaligheid van het project, betreft het hier echter een gering effect. De milieugevolgen van het plan zijn in deze onderbouwing inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat geen grote gevolgen zijn te verwachten. Met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan kan dan ook worden geconcludeerd dat het voornemen niet leidt tot significant nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet Milieubeheer waardoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure kan worden uitgesloten. Uit de conclusie van de mer-notitie2 blijkt dat, gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan, de kenmerken van de potentiële effecten en de te treffen maatregelen, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage in het kader van het bestemmingsplan.

De mer-aanmeldnotitie kan parallel lopen aan de bestemmingsplanherziening.

VDH Omgevingsadvies, aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Verleggen gastransportleiding W-500-01 nabij de Zandheuvelweg/Oud-Eemnesserweg te Baarn., 2310-0506-4, 22-12-2025. 2

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

19

4.2

Archeologie

Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door alle lidstaten van de Raad van Europa. Eén van de doelstellingen van het Verdrag is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Dat is dan ook de reden dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op 1 september 2007 is de beleidsuitvoering van het archeologische beleid bij gemeenten komen te liggen. De gemeenten hebben de plicht om in bestemmingsplannen aan te geven welke archeologische waarden worden verwacht en mogelijk in het geding zijn. In het vigerende bestemingsplan ‘Drakenburgergracht’ is een archeologische bescherming (Waarde-Archeologie 1)opgenomen. Op deze specifieke locaties zullen graafwerkzaamheden worden uitgevoerd die mogelijk gevolgen hebben voor aanwezige waarden. Het te graven oppervlakte is meer dan de in het bestemmingsplan vrijgestelde oppervlakte van 100m² waardoor een archeologisch vooronderzoek is uitgevoerd. Deze archeologische bestemming is bepaald aan de hand van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, waarvan onderstaande illustratie een uitsnede is.

Figuur 7 Uitsnede gemeentelijke archeologisch verwachtingskaart 4.2.1 Onderzoek In opdracht van initiatiefnemer heeft recent bureauonderzoek3 plaatsgevonden. Uit het onderzoek blijkt dat in het oostelijke deel van het plangebied, dat op het grondgebied van de gemeente Baarn ligt, de ondergrond verstoord is tot in de BC-horizont van het dekzand of dieper. In dit deel van het plangebied worden geen intacte archeologische resten meer verwacht. 3

17-07-2023, RAAP Rapport 6545, Plangebied afsluiterschema S-6210 te Laren en Baarn.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

20

Voor dit deel wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Verwijderen bestaande leidingen De bodemopbouw ter hoogte van de bestaande leidingen is bij de aanleg daarvan geroerd. Om deze te verwijderen worden smallere sleuven gegraven dan bij de aanleg, daarom is ook hier de kans dat archeologische resten worden verstoord klein. Indien tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden alsnog onverhoopt archeologische waarden worden aangetroffen dan zal opdrachtgever hiervan melding maken conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. De gemeente Baarn zal hiervan op de hoogte worden gebracht als bevoegd gezag zijnde.

4.3

Cultuurhistorie

In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van nieuwe bestemmingsplannen, maar ook bij het afwijken van bestemmingsplannen door toepassing van de zogenaamde uitgebreide afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo, rekening moeten houden met de in en rondom het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Onder cultuurhistorische waarden vallen naast archeologische waarden ook monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten, die op basis van de Monumentenwet zijn aangewezen. Het provinciaal erfgoedbeleid kent vijf erfgoedspeerpunten die zijn weergegeven op een kaart waarvan onderstaande illustratie een uitsnede is. De ontwikkellocatie is niet gelegen in één van de speerpuntgebieden.

Figuur 8 Kaart met erfgoedspeerpunten

Op de cultuurhistorie kaart van provincie Utrecht wordt het plangebied aangemerkt als Amerpoort en gelegen in het thema agrarisch cultuurlandschap. De cultuurhistorische waarde van het agrarisch cultuurlandschap ligt met name in de gaafheid van de historische verkavelingsstructuur, de ontginningsrichting, het waterbeheersingssysteem en de samenhang van de agrarische patronen en de bebouwingslinten met de historisch kenmerkende gebouwen. Het wordt

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

21

gekenmerkt door een grote openheid van het landschap. De intentie is om de waarden van de agrarische cultuurlandschappen te beschermen en te benutten. Maar tevens realiseert de provincie zich dat klimaatadaptatie, bodemdaling en energietransitie hun impact zullen hebben op dit landschap. Bij ontwikkelingen in dit gebied geldt het principe van behoud door ontwikkeling en vormt de cultuurhistorische waarde een uitgangspunt en inspiratiebron.

Figuur 9 Kaart met erfgoedspeerpunten De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de openheid en de historische verkavelingsstructuur van het agrarisch cultuurlandschap. In, en in de directe omgeving van, het projectgebied zijn geen historische bouwwerken of monumentale panden met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. De verlegging van de gastransportleiding is dan ook niet van (negatieve) invloed op de cultuurhistorie ter plaatse.

4.4

Explosieven

Om meer informatie te achterhalen van mogelijke Niet Gesprongen Explosieven (NGE) is door opdrachtgever een onderzoek4 uitgevoerd. Er is een ruim gebied aan weerszijden van de aan te leggen leiding als onderzoeksgebied aangegeven. Op basis van de beoordeelde feiten is geconcludeerd dat er onvoldoende indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Derhalve is het onderzoeksgebied niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ont29-03-2023, AVG Explosieven Opsporing, Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, Hilversum S-6210 n S6365, 143000154-VO-02D 4

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

22

plofbare oorlogsresten. Grondroerende werkzaamheden kunnen in het onderzoeksgebied op reguliere wijze worden uitgevoerd en een vooronderzoek na-conflictperiode is daarom niet van toepassing De kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten is net zo groot als de gemiddelde kans op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland.

4.5

Bodem

Omdat de werkzaamheden zich met name in en op de bodem zullen plaatsvinden is historisch milieukundig onderzoek5 verricht binnen het plangebied, zowel voor de bodem als de waterbodem. Hiermee is getracht relevante informatie met betrekking tot het voormalig en huidige gebruik te verzamelen en tevens potentieel verdachte activiteiten zichtbaar te maken die de bodemkwaliteit op de locatie mogelijk hebben beïnvloed. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is vast te stellen of er ter hoogte van de onderzoekslocatie sprake is van een verontreiniging van grond en/of grondwater. Aan de hand van een groot aantal peilbuizen en boringen is de ondergrondse situatie op milieukundig aspect inzichtelijk gemaakt. Onderstaande illustratie geeft het aantal onderzoekslocaties weer waarop het onderzoek is gebaseerd.

Figuur 10 Onderzoekslocaties bodemonderzoek

Onderzoeksresultaten bestaande locaties Uit het verrichte onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter hoogte van afsluiterschema S-6365 sterke grond-verontreinigingen met nikkel, PAK aanwezig zijn in de ondergrond. Middels het nader onderzoek zijn de beide verontreinigingen volledig afgeperkt. Verder onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient voorafgaand aan de werkzaamheden een plan van aanpak te worden opgesteld. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen

27 juni 2023, WSP, Verkennend en nader bodemonderzoek afsluiterschema’s S-6210 en S-6365 aan de weg over Anna’s Hoeve te Laren, SOL022574MK, versie 3.0 5

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

23

door een BRL7001 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een BRL6001 gecertificeerd milieukundig begeleider te worden uitgevoerd. Onderzoeksresultaten nieuwe locatie Ter hoogte van de nieuwe locatie van het afsluiterschema kan op grond van het uitgevoerde verkennend en nader onderzoek worden geconcludeerd dat ter hoogte van de boringen 31, 32, 125, 127 en 132 een matige tot sterke grondverontreiniging met PAK aanwezig is welke te relateren is aan de aangetoonde grondverontreiniging met PAK in 2021/2022. Op basis van het onderhavige onderzoek is de omvang van de sterke grondverontreiniging met PAK voor de geplande werkzaamheden voldoende in beeld. Voorafgaand aan de geplande werkzaamheden dient een BUS-melding te worden verricht. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen door een BRL7001 gecertificeerd aannemer onder toezicht van een BRL6001 gecertificeerd milieukundig begeleider te worden uitgevoerd. Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens getoetst aan de CROW400. Uit deze toetsing blijkt dat er bij graafwerkzaamheden ter hoogte van boring 04 (aftappunt 81), naast de basishygiëne, de veiligheidsklasse ‘’Rood vluchtig’’ van toepassing is op basis van de gemeten waarde aan minerale olie in de grond. Ter hoogte van de overige boorpunten is, naast de basishygiëne, geen veiligheidsklasse van toepassing bij graafwerkzaamheden.

De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige te worden vastgesteld.

4.6

Flora & Fauna

Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet samengevoegd tot één nieuwe wet. De bevoegdheden zijn hierbij meer komen te liggen bij de provinciale overheden. Een uitzondering hierop zijn ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur hebben, waaronder het gastransportnetwerk van Gasunie. 4.6.1

Gebieden

In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in soorten en gebieden. Met name voor gebieden valt de wetgeving terug op Europese regelgeving van de Habitat- en Vogelrichtlijn waardoor er weinig verandert. Het plangebied is niet gelegen in, of in nabijheid van, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Provinciale gebiedsbescherming De projectlocatie is gelegen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN) van provincie Noord-Holland en net buiten het NNN-gebied van de provincie Utrecht.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

24

Figuur 11 Situatie plangebied ten aanzien van NNN-gebieden (paars en groen) De werkzaamheden in de oostelijke berm van de Zandheuvelweg vinden plaats in Droog bos met productie (N16.03). Hier worden twee bomen gekapt op de grens van het NNN. Deze beperkte kap in een natuurtype waar houtoogst een doel is en reeds periodiek bomenkap plaatsvindt, zorgt niet voor aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN Utrecht. Het bostype blijft als dusdanig behouden. De werkzaamheden in de westelijke berm van de Zandheuvelweg vinden plaats in Dennen-, eiken, en beukenbos (N15.02) en omvatten het definitief kappen van circa 1320 m2 en mogelijk kappen van 405 m2 van dit natuurtype. Ten zuiden van de Weg over Anna’s Hoeve dient mogelijk gekapt te worden vanwege het tijdelijk afsluiten (ook wel bekend als stoppelen) van de gasleiding. Deze locatie ligt binnen natuurtype Dennen-, eiken-, en beukenbos (N15.02) en afhankelijk van de definitieve begrenzing ook mogelijk in natuurtype Droge heide (N07.01). Gezien de omvang van de te kappen oppervlakte binnen het NNN en, zoals reeds beschreven in paragraaf 3.2.3. van deze toelichting, is compensatie van dit oppervlakte noodzakelijk in de provincie Noord-Holland. Het plangebied ligt in gemeente Laren in het NNN-gebied Gooi Midden en Zuid (A18) met als kenmerk “dennen-, eiken-, en beukenbos” (N15.02).

Door middel van natuurcompensatie worden de negatieve effecten op kwaliteit (de wezenlijke kenmerken en waarden), samenhang en het oppervlak van het NNN gecompenseerd op de compensatielocatie, die in gemeente Hilversum ligt. Hiervoor hebben Gasunie en Provincie Noord-Holland een compensatieovereenkomst NNN gesloten met als doel het vastleggen van de rechten en verplichtingen van Partijen met betrekking tot de ten behoeve van de verwezenlijking van het project te nemen compensatiemaatregelen. Als locatie van compensatie is gekozen voor een nabijgelegen locatie in hetzelfde NNN-gebied, echter binnen gemeente Hilversum. Onderstaande locatie is hiervoor geschikt geacht.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

25

Figuur 12 Locatie ontwikkeling (rood) en de locatie van de compensatieopgave in gemeente Hilversum (zwart)

Figuur 13 Situatie compensatieopgave binnen NNN-gebied Compensatieopgave Voor een deel betreft het een tijdelijke en voor deel een permanente aantasting. Voor de permanente aantasting ter grootte van het afsluiterschema en het pad van beton geldt een compensatie-opgave van 1,33 (oppervlakte + toeslag van 1/3) keer de oppervlakte die verloren

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

26

gaat (zie ook figuur 4.1). De toeslag van 1/3 is gebaseerd op een ontwikkeltijd van de bosvegetatie die valt in de categorie 0-25 jaar. Voor het afsluiterschema (89 m2) en pad van grasbeton (84,5m2) is dus een compensatieopgave vereist zoals vermeld in tabel 4.1. Voor de tijdelijke aantasting van het NNN, 506 m2 aan oppervlak van de nieuw te leggen leidingen in het plangebied geldt dat het NNN ter plaatse gehandhaafd kan blijven en is geen extra kwaliteitstoeslag benodigd aangezien dit een ander NNN-beheertype kan krijgen (zoals struikgewas).

Conform de Omgevingsverordening NH2022 dienen effecten op de ecologische waarden en kenmerken van het NNN te worden gecompenseerd (art. 6.54). Hierbij wordt de keuze gegeven tussen fysieke compensatie en financiële compensatie en geldt een compensatietoeslag op basis van de ontwikkeltijd van het vernietigde areaal (in dit geval bosgebied). Bij onderhavig voornemen is gekozen voor fysieke compensatie. Met de ondertekende compensatieovereenkomst op basis van bovengenoemde compensatieplan is de compensatieverplichting door initiatiefnemer juridisch vastgelegd en overeengekomen met betrokkenpartijen (o.a. Provincie Noord-Holland, gemeente Hilversum en grondeigenaar Goois Natuurreservaat (GNR)) waardoor de ontwikkeling passend is binnen dit beleidskader. Voor het deel van het plangebied van gemeente Baarn is gelegen, heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed op de Utrechtse NNN-gebied. Gebiedsbescherming conform Wet Natuurbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied ligt op ruim 7 kilometer ten oosten van het plangebied. Het gaat hier om het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.

Figuur 14 Situatie plangebied ten opzichte van Natura2000-gebieden

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

27

Tussen het plangebied en het Natura2000-gebied bevinden zich meerdere drukke wegen. Gezien de aard van de ingreep (kleinschalige ingrepen) in het plangebied worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht. Negatieve effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op Natura 2000-gebieden kan niet worden uitgesloten. Hiervoor is een Aerius-berekening uitgevoerd en is een onderbouwing toegevoegd waarin de berekening verder is toegelicht. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is de partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor activiteiten van de bouwsector komen te vervallen. Dat houdt in dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie zal moeten worden berekend aan de hand van een Aerius-berekening. Op basis van de Aerius-berekening wordt per Natura2000-gebied zichtbaar in hoeverre en in welke mate er sprake is van stikstofdepositie. Voor de werkzaamheden is deze berekening uitgevoerd. Uit de berekening6 blijkt dat er ten gevolge van de activiteiten tijdens de realisatiefase geen toenames groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvinden op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is daarom geen sprake van een vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming. Bomenkap Het plangebied (binnen de gemeentegrenzen van Laren) is in de OVNH2O20 is aangeduid als `oude bosgroeiplaats'.

Voor het vellen van houtopstanden zoals bedoeld in Wet natuurbescherming (Wnb) dienen de regels van paragraaf 4.1.3. houtopstanden en herbeplanting van de OVNH2O20 in acht genomen te worden. In de toelichting op het plan wordt opgemerkt dat voor werkzaamheden aan het hoge druk gastransportnetwerk van Gasunie het ministerie van EZ (RVO) bevoegd gezag is in het kader van de Wnb. Herplant van de te kappen bomen is volledig en naar tevredenheid afgestemd met GNR en zal na de werkzaamheden plaatsvinden binnen het hele gebied waar gekapt is. Dit behoudens de locatie van het afsluiterschema, op de locatie van het afsluiterschema geldt dat herplant ter plaatse niet mogelijk is, waarvoor het compensatieplan en de compensatielocatie in de gemeente Hilversum zijn ingericht. Dit plan is inmiddels door Gasunie en de Provincie Noord-Holland ondertekend. 4.6.2

Soorten

De verandering die de Wet natuurbescherming voor soorten met zich mee heeft gebracht is dat er nieuwe soorten beschermd zijn en eerder beschermde soorten juist geen beschermde status meer hebben. Per provincie is hierin onderscheid gemaakt waardoor de soortenbescherming niet meer landelijk gelijk is. Vanuit de natuurwetgeving blijft bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden of (mitigerende) maatregelen kunnen worden genomen. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer heeft dan ook een natuurtoets7 naar flora en fauna verricht op en rond de projectlocatie. Resultaten

3 december 2025, Antea Group, stikstofdepositie-onderzoek, vervangen afsluiterschema’s S-6210 en S6365 te Hilversum, 0496049.000, revisie 01 7 20-06-2023, WSP Nederland B.V., Natuurtoets afsluiterschema’s S-6365 en S-6210, SOL022574FF, definitief 6

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

28

Aan de hand van gegevens uit de bureaustudie, de aanwezige biotoop en ecologische expertise is een inschatting gemaakt met betrekking tot het (mogelijk) voorkomen van beschermde plantenen diersoorten. Tevens is natuurinformatie opgevraagd bij de Nationale Databank Flora en Fauna. Uit het onderzoek wordt het volgende geconstateerd: •

Het verspreidingsbeeld van streng beschermde soorten hazelworm en levendbare hagedis op de ingreeplocatie en binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep is onvoldoende actueel en volledig om effecten van de ingreep te kunnen beoordelen. Vervolgonderzoek is nodig. Aan de hand van het vervolgonderzoek kan de verplichting volgen voor een eventueel noodzakelijke Wnb-ontheffing of nadere mitigerende

•

maatregelen tijdens uitvoering. Deze zullen door initiatiefnemer worden opgevolgd. Binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep kunnen de volgende streng beschermde soorten voorkomen: das, hazelworm en levendbarende hagedis. Verder dient gedurende het broedseizoen rekening te worden gehouden met broedende vogels.

•

Negatieve effecten kunnen deels worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen voorafgaand of tijdens de werkzaamheden.

•

Indien de voorgestelde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, wordt overtreding van verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en 3.10 voor de meeste soorten voorkomen. Alleen voor de nader te onderzoeken soorten is dat nog onduidelijk.

De voorgestelde mitigerende maatregelen voor de aanwezige soorten dassen en (algemene) broedvogels luidt als volgt; Grondgebonden zoogdieren (dassen) • De werkputten worden met een flauw talud afgewerkt als uittreedplaats voor dieren of er worden uittreedplanken aangebracht. Op deze wijze kunnen dassen zelfstandig de werkput verlaten. Ook is het mogelijk te voorkómen dat dassen in de werkput terecht komen door deze volledig af te zetten met een dassenkerend raster. Broedvogels •

De werkzaamheden (inclusief bomenkap) worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van aanwezige broedvogels. Dat loopt globaal van maart t/m juli, maar in het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.

•

Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om de ingreeplocatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te maken voor vogels om er te broeden, op voorwaarde dat met zekerheid is vastgesteld dat er geen essentiële functies, zoals verblijfplaatsen en vliegroutes, voor andere beschermde soorten aanwezig zijn. Dat kan door binnen de begrenzing van het werkterrein (werkputten, grond- en materiaalopslag, parkeerplaatsen, etc.) bomen en struiken te rooien en overige vegetaties kort te houden. Dergelijke maatregelen dienen uitsluitend voor het voorkómen van vestiging, niet voor het bestrijden van al aanwezige broedgevallen. Op deze wijze wordt voorkomen dat broedvogels gaan broeden op het werkterrein, waarna werkzaamheden ook in het broedseizoen kunnen plaatsvinden.

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

29

Opgemerkt moet worden dat voor werkzaamheden aan het hoge druk gastransportnetwerk van Gasunie het ministerie van EZ (RVO) bevoegd gezag is in het kader van de Wnb8.

4.7

Water

Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. 4.7.1

Watergangen en –keringen

De leggerkaart van het Waterschap laat zien dat het plangebied niet is gelegen in, of in directe nabijheid van, een waterkering.

Figuur 15 Situatie leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe (in rood het plangebied) Ook is er geen direct raakvlak met aanwezig oppervlaktewater. Meest dichtstbijzijnde watergang is de C-watergang direct ten oosten van de Oude Eemnesserweg.

8

Zie artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming

‘Bestemmingsplan verleggen W-500-01’

Toelichting

30

Figuur 16 Situatie leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe (in rood het plangebied) 4.7.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16505927/1