CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1201497 Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Hof van Baarn Bijlage 3.0 Ruimtelijke Onderbouwing

Raadsvergadering 16 april 2025, gemeente BaarnBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Hof van Baarn Eemnesserweg – Laanstraat20.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het projectgebied bevindt zich op circa 11,3 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habittatypen binnen het Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een zogenaamde AERIUSberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste onderzoeksconclusie weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief 5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 600 meter afstand ten zuiden van het projectgebied. Het NNN kent geen externe werking. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

5.6.3.2 Situatie projectgebied Quickscan natuur In het kader van voorliggend plan heeft Econu ter plaatse van het projectgebied een quickscan natuur uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten en -conclusies In de quickscan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het projectgebied. Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen de beschermde soorten als boommarter, bunzing, das, eekhoorn, wezel, hazelworm, levendbarende hagedis, verschillende soorten vleermuizen en enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het projectgebied voor. Door het uitgevoerde veldbezoek in het projectgebied is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen van beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het projectgebied. Het betreft verblijfplaatsen en foerageergebied van vleermuizen en nestplaatsen van de huismus en gierzwaluw. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden.

Soortgericht onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Op basis van de uitkomsten van de uitgevoerde quickscan heeft Econu ter plaatse van het projectgebied een soortgericht uitgevoerd in relatie tot vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten en -conclusies Op basis van de resultaten van het soortgerichte onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen kunnen conclusies getrokken worden met betrekking tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Hierna wordt per soort(groep) de conclusies en de daaruit voortvloeiende adviezen beschreven. Voor het aanvragen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief van een ontheffing is een mitigatieplan noodzakelijk waarin beschreven wordt welke mitigerende maatregelen genomen worden, hoe de staat van instandhouding per soort niet nadelig beïnvloed wordt en hoe er tijdens de werkzaamheden rekening gehouden wordt met de aanwezige soorten. Huismus Er zijn in het projectgebied een drietal broedende huismusnesten aangetroffen, daarnaast wordt door huismussen in het projectgebied gefoerageerd. Indien er werkzaamheden aan de daken worden uitgevoerd waarbij de aanwezige pannen verwijderd worden, of de bebouwing wordt gesloopt, dan is het aannemelijk dat er sprake is van verstoren/vernietigen van huismus nesten. Dit betreft een overtreding van de Wet natuurbescherming en hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden. Gierzwaluw Aangezien er geen gierzwaluwen in het projectgebied nestelen, worden er geen verboden uit de Wet natuurbescherming overtreden bij de uitvoering van de plannen. Vleermuizen Concluderend wordt gesteld dat in het projectgebied vleermuizen zijn waargenomen tijdens de veldbezoeken. De meeste waarnemingen betreft foeragerende vleermuizen. De aangetroffen verblijfplaatsen betreffen een zomerverblijf van gewone dwergvleermuizen en een paarverblijf van gewone dwergvleermuizen.

Er zijn geen massale winterverblijven of kraamverblijven aangetroffen in het onderzochte projectgebied, evenmin werden er essentiële foerageergebieden of migratieroutes aangetroffen. Er zijn dus een paar- en zomerverblijven van de gewone dwergvleermuis aanwezig in het projectgebied. Deze verblijfplaatsen bevinden zich onder de dakbetimmering en bij kantpannen. Indien de daken vervangen worden, of de bebouwing wordt gesloopt, dan is er sprake van het vernietigen van de verblijfplaatsen. Bij minder ingrijpende werkzaamheden (alleen vervangen van ramen/kozijnen) is het mogelijk om met een ecologisch werkprotocol te werken. Er dient een ontheffing Wnb aangevraagd te worden voor het vernietigen/verstoren van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen aangezien er overtredingen van de verbodsbepalingen plaats gaan vinden.

5.6.4

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde ecologische onderzoeken is er een mitigatieplan opgesteld. Vervolgens zijn ten behoeve van de huismus en vleermuizen reeds in 2019 mitigerende maatregelen genomen. Bij de provincie zijn de reeds noodzakelijke Wnb ontheffingen aangevraagd. De Wet natuurbescherming vormt hiermee geen belemmering voor voorliggend plan en de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Baarn beschikt niet over een gemeentelijke archeologische waarden- of beleidskaart. In het geldende bestemmingsplan is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming geldt echter niet ter plaatse van het projectgebied. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats op gronden die in de huidige situatie reeds grotendeels bebouwd zijn. Hiermee zijn deze gronden tevens al verstoord. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.7.2.2 Situatie projectgebied Het projectgebied kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich echter wel meerdere rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In dit geval is echter sprake van een ontwikkeling waarbij op voorhand kan worden uitgesloten dat deze mogelijkerwijs negatief effect zou kunnen hebben in relatie tot de monumenten in de omgeving, of overige cultuurhistorische waarden. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.7.3

Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt in het kader van dit plan niet noodzakelijk geacht en er is geen sprake van negatieve effecten op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een ruimtelijk besluit kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief •

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). •

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.8.2

Situatie projectgebied

Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In voorliggend geval wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden en is geen sprake van een ontwikkeling dat een aaneengesloten gebied betreft waarbij meer dan 2.000 woningen worden gerealiseerd. Van een directe m.e.r.-plicht is dan ook geen sprake. Opgemerkt wordt nog dat er als gevolg van dit project geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is reeds bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten. Het gaat om een relatief kleinschalige ontwikkeling op een herstructureringslocatie waarbij het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de nu toegestane functies in balans is. Verder is, voor zover in dit kader relevant, geen sprake van een nieuwe functie die leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies.

Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat dit project geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief 5.8.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk het de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Voorliggende ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 20222027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP. In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt. Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico’s.

6.1.3

Provinciaal beleid

De provincie stelt kaders en ontwikkelt beleid voor schoon, mooi, veilig en voldoende water in Utrecht. Dit is vastgelegd in het Bodem- Water- en Milieuplan. Voor water heeft de provincie Utrecht drie prioriteiten. Te weten ‘waterveiligheid en wateroverlast’, ‘schoon en voldoende oppervlaktewater’ en ‘een ondergrond met schoon en voldoende grondwater’.

6.1.4

Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

We beschermen het gebied tegen overstromingen; We zorgen voor de juiste hoeveelheid water; We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit; Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden; We halen de hoogst mogelijke waarde uit water; We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2

Watertoetsproces

Het Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat er formeel geen vervolgprocedure noodzakelijk is. Dit heeft er hoofdzakelijk mee te maken dat het projectgebied geen onderdeel uitmaakt van relevante waterkaartlagen. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, is het daarbij nog goed dat rekening gehouden wordt met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het projectgebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Van de zijde van de gemeente Baarn kan hierover het volgende opgemerkt worden. De gemeente Baarn hanteert een voorkeursvolgorde ten aanzien van de manier van verwerken van hemelwater van nieuw verhard oppervlak (particulier en openbaar). Deze volgorde is: • • • •

opvangen en hergebruiken; infiltreren ('afvoeren naar de bodem'); afvoeren naar oppervlaktewater (al dan niet via hemelwaterriool); afvoeren naar gemengd riool.

Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Hierna wordt in de afbeeldingen 6.1 – 6.4 een weergave van de aspecten waterbuffer, capaciteit buffering, riolering en DWA gegeven.

Afbeelding 6.1

Benodigde waterbuffering (Bron: Schipper Bosch)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Afbeelding 6.2

Capaciteit waterbuffering (Bron: Schipper Bosch)

Afbeelding 6.3

Riolering vuilwater (Bron: Schipper Bosch)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Afbeelding 6.4

6.2.3

Riolering DWA (Bron: Schipper Bosch)

Conclusie

Met inachtneming van de uitgangspunten zoals hierboven vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van het verlenen van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is in april 2021 een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer Schipper Bosch en de gemeente Baarn. In de anterieure overeenkomst wordt het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

HOOFDSTUK 8 8.1

Vooroverleg

8.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2

Provincie Utrecht

Voorliggend plan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Utrecht

8.1.3

Waterschap Vallei en Veluwe

Het Waterschap Vallei en Veluwe is in het kader van vooroverleg gevraagd naar haar reactie ten aanzien van voorliggend plan. Het waterschap heeft met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in haar advies geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

8.2

Vooroverleg omgeving

Schipper Bosch hecht waarde aan goed contact met de directe omgeving en belanghebbenden. Uitgangspunt bij de ontwikkeling van het terrein is dat goede participatie kan bijdragen aan een optimaal plan. Mede daarom heeft Schipper Bosch vanaf het begin de buurt betrokken bij de planvorming. Hiertoe is een uitgebreid participatieverslag opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 7 bij deze onderbouwing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1

Beeldkwaliteitsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Bijlage 2

Verkeersonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Bijlage 3

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Bijlage 4

AERIUS-berekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Bijlage 5

Quickscan natuurwaardenonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Bijlage 6

Soortgericht onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

Ruimtelijke onderbouwing “Hof van Baarn, locatie Laanstraat 56-Eemnesserweg” Status: Definitief

Bijlage 7

Participatieverslag

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15294917/1