Bijlage Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Hiermee wordt het tegengaan van hittestress en/of wateroverlast bevorderd. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken,
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 24/48
dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Daar er nog geen concrete bouwplannen zijn kan de daadwerkelijk te realiseren retentie meer of minder bedragen. In de regels is een verplichting opgenomen om bij de bouw te voorzien in voldoende waterberging.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 25/48
Huishoudelijk afvalwater Het afvalwaterriool van de nieuwe woning zal worden aangesloten op het bestaande riool. Om verontreiniging van het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen, wordt bij de ontwikkeling gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen.
Conclusie Op grond van de watertoets kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingen in het plangebied geen belemmering vormen voor de waterhuishouding. Hemelwater wordt op eigen perceel verwerkt. 4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 26/48
In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen de waarde Historische stedenbouw. De locatie ligt op de rand van het gebied dat gerekend wordt tot de oude dorpskern van Baarle-Nassau, Baarle-Hertog. De oorspronkelijke nederzetting
Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met een gele ster is het plangebied weergegeven. Bron: kaarten.brabant.nl, 2020
omvat Baarle-Nassau, Belgische enclaves, Baarle-Hertog, en Nederlandse exclaves, ontstaan na opdeling van bezittingen tussen hertog van Brabant en heer van Breda in 1198 en resulterend in zeer kleinschalig patroon van rijksgrenzen. Ondanks de staatkundige grenzen ontbreekt tussen de twee dorpen elk visueel onderscheid, uitgezonderd enkele dubbele overheids- en andere gebouwen (stadhuizen, politiebureaus, kerken en dergelijke). Staatkundig is het gebied zonder meer een unicum. De bestaande woning stamt uit de jaren 60 van de vorige eeuw en is zelf geen onderdeel van het historisch erfgoed. Daar de gronden pas in de jaren 60 van de 20ste eeuw bebouwd zijn geraakt betekent het vervangen van de woning en de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen hebben geen negatief effect op de historische stedenbouw. De locatie is tevens gelegen in de molenbiotoop van de Molen De Wachter gelegen aan de Alphenseweg 6 in Baarle-Nassau. De molen is door brand verwoest in 1956. Wat nog resteert is de stenen romp. De kap en wieken zijn verdwenen. Hierdoor is de molenbiotoop niet meer verbonden aan een werkende molen. Wat eventueel nog resteert is de belevingswaarde van de molenbiotoop als een open gebied met lage bebouwing. De beoogde ontwikkeling ligt in bestaand bebouwd gebied en is qua bouwmassa vergelijkbaar met de in de directe
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 27/48
omgeving bestaande bebouwing. Tussen de oude molen en het plangebied bevind zich bestaande bebouwing waarvan een deel bestaande uit twee bouwlagen met kap. De bouwhoogte zoals in onderhavig plan is circa 1 meter hoger dan in het vigerend bestemmingsplan en vloeit voort uit de eisen zoals deze zijn neergelegd in het Bouwbesluit. Gezien het feit dat de molen niet meer in werking is of zal zijn, de reeds aanwezige bebouwing en de eisen van het bouwbesluit betekent dat de beoogde bouwhoogte aanvaardbaar is. De Alphenseweg vormt zelf een historische lijn van redelijk hoge waarde. De loop van de weg wordt niet gewijzigd als gevolg van dit voornemen. De nieuw te bouwen woningen accentueren de loop van de Alphenseweg waardoor de historische lijn versterkt wordt. In het plangebied en directe omgeving zijn geen andere cultuurhistorische waarden aangeduid die met het planvoornemen geschaad kunnen worden. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee dan ook geen belemmering voor de voorziene ontwikkeling. Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor het planvoornemen. 4.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende archeologische elementen. Voor onderhavig plangebied is op de CHW geen archeologische aanduiding opgenomen. Beleid gemeente De gemeente Baarle-Nassau heeft in 2012 de archeologische beleidskaart vastgesteld. Op deze kaart is het plangebied aangeduid met een middelhoge archeologische verwachting. Op deze kaart is het gebied aangeduid met ‘Historische kern – randzone’. Hierbinnen geldt het beleidsadvies behoud in situ en anders onderzoek in de vroege fase van het planvorming. Hierbij geldt een diepteondergrens van 0,4 m – mv en een oppervlakteondergrens van 500 m2. Voor initiatieven die deze maten overschrijden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 28/48
Door ADC-ArcheoProjecten is een bureau- en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar de locatie. Het rapport is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Inmiddels is naar aanleiding van archeologisch vooronderzoek een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Hieruit blijkt dat in twee delen van het plangebied moet worden voorzien in de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De gemeente heeft besloten dat binnen de rode zone een sloopbegeleiding (KNA protocol opgraving – variant archeologische begeleiding) plaats te vinden, in de overige delen wordt besloten tijdens de aanvraag omgevingsvergunning. Als men gaat ontwikkelen in die delen waar geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ voor is opgenomen en men stuit tijdens bouw- of andere werkzaamheden toch op archeologische resten, dan moet dit volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 zo spoedig mogelijk gemeld worden bij de gemeente. Conclusie Het aspect archeologie is door het deels handhaven van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.6
Ecologie
4.6.1
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.
Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied in Nederland betreft de ‘Regte Heide & Riels Laagl’, welke is gelegen op een afstand van circa 6,6 kilometer. Dichterbij ligt het Vogelrichtlijngebied ‘Arendonk, Merksplas, OudTurnhout, Ravels en Turnhout’ in België. De afstand hier bedraagt circa 3,3 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van het juridischplanologisch mogelijk maken van één extra woning op een bestaand bouwperceel. Om het effect van de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect stikstof op omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage van deze voortoets is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Met behulp van het programma AERIUS is inzichtelijk gemaakt of er effecten zijn afkomstig van de ontwikkeling op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 29/48
Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.2
Flora en fauna
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Om inzichtelijk te maken of beschermde soorten gebruik maken van (de bebouwing in) het plangebied heeft Veldbiologische Werken in augustus 2020 een quickscan soortenbescherming uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van deze toelichting. Uit de bevindingen van het veldbezoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en de toetsing van resultaten aan relevante wetgeving blijkt dat bij onderhavige ontwikkeling mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten vleermuizen en wel de Laatvlieger, de Watervleermuis, Rosse vleermuis en de dwergvleermuis.
Tevens zijn in het plangebied huismussen en gierzwaluwen aanwezig waarvoor een nader onderzoek nodig is. Het aanvullend onderzoek van 18 oktober 2021 is uitgevoerd door Econsultancy en is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Het onderzoek concludeert dat de onderzoekslocatie geen vaste rust-, voortplantings- en verblijfsplaatsen van vleermuizen voorkomen. De voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie leiden daarom naar verwachting niet tot overtreding ten aanzien van beschermde verblijfsfuncties voor bovengenoemde soortgroep. De voorgenomen werkzaamheden zijn daarmee niet ontheffingsplichtig ten aanzien van vleermuizen. Ondanks dat aan de vereiste onderzoeksinspanning is voldaan, kan het nooit volledig worden uitgesloten dat een incidentele verblijfsfunctie van één of enkele beschermde individuen wordt gemist. Het protocollair onderzoek blijft een reeks van momentopnamen, waardoor niet elke avond en/of ochtend gedurende het seizoen onderzoek
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 30/48
plaats kan vinden. Wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch (verblijfplaatsen van) één of meerdere betreffende soorten worden aangetroffen op onverwachte plekken, dienen de verstorende werkzaamheden ter plaatse tijdelijk te worden gestaakt en dient in eerste instantie contact te worden opgenomen met een deskundige. De directe omgeving van de onderzoekslocatie wordt gebruikt door vleermuizen als foerageergebied en paarterritoria. Ten aanzien van in de omgeving rondvliegende en foeragerende vleermuizen wordt geadviseerd om gedurende de werkzaamheden verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of om andere vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) toe te passen. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Indien binnen het broedseizoen het overige groen wordt verwijderd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Tot slot geldt dat te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen en werkzaamheden zoveel als mogelijk buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Conclusie De soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 31/48
Beoordeling Voor onderhavig plangebied is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van De Roever milieuadvies is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Voor de volledige onderbouwing en motivering wordt kortheidshalve naar de bijlage verwezen. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van het rapport. Uit het onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd voor de Alphenseweg, Generaal Maczeklaan en de Industrieweg. Voor deze wegen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt gerespecteerd. Voor de drie woningen dient een hogere grenswaarde procedure gevolgd te worden als gevolg van de Alphensweg. De geluidsbelasting als gevolg van het verkeer op de Generaal Maczeklaan vraagt om een hogere waarde procedure voor twee woningen. De overige beoordeelde wegen leiden tot een geluidsbelasting die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het rapport is aangegeven dat maatregelen niet mogelijk of doelmatig zijn. Er kan voldaan worden aan het gemeentelijk beleid waardoor het verlenen van een hogere grenswaarde mogelijk is. Door de overschrijding van de voorkeursgrenswaarden dient de gevelwering voldoende geluidswerend te zijn om in de woningen een geluidsniveau van maximaal 33 dB te halen.
Dit aspect zal nader aan de orde komen in de omgevingsvergunningsprocedure voor de bouw. Het woon- en leefklimaat is ‘goed tot slecht’ te noemen door de cumulatieve geluidbelasting. Door het aanbrengen van een gevelwering die het geluidsniveau binnen de woningen terug brengt tot 33 dB wordt het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar beschouwd. Conclusie Voor de locatie is een besluit hogere grenswaarde genomen PM. Het aspect wegverkeerslawaai vormt een belemmering voor het planvoornemen. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen zal aangetoond moeten worden dat het binnenniveau in de woningen de 33 dB niet overschrijdt. 4.8
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Voor onderhavig plangebied is enerzijds geïnventariseerd welke bedrijven of inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied voor overlast kunnen zorgen op de nieuwe woning en anderzijds of onderhavige ontwikkeling kan leiden tot het beperken van deze bedrijven of inrichtingen in hun bedrijfsvoering. De VNG-handreiking omschrijft 2 omgevingstypen; het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied én het omgevingstype gemengd gebied. Het initiatief wordt gerealiseerd in een woonwijk in de kern Putte. Het plangebied wordt omringd door bestaande woningen.
Voorliggend plangebied en de directe omgeving kunnen worden getypeerd als een rustige woonwijk.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 32/48
Beschouwd is welke milieuhinderlijke activiteiten, zoals genoemd in de VNG-handreiking, in de omgeving van het plangebied zijn gelegen. De nieuwbouwlocatie aan de Alphenseweg 39 wordt hoofdzakelijk omgeven door bestaande burgerwoningen. Aan de overzijde van de Alphenseweg ligt een bedrijventerrein aan weerszijden van de Industrieweg. De nieuwe woningen en de bedrijven liggen met voorgelvels naar elkaar toe. Er kan derhalve uitgegaan worden van de respectievelijke bouwvlakken. De kleinste afstand bedraagt circa 34 meter. Het bedrijventerrein staat bedrijven toe tot milieucategorie 2. Voor dergelijke bedrijven geldt de richtlijnafstand van 30 meter. De nieuwe woningen liggen daarmee buiten de richtlijnafstand waardoor de woningen noch de bedrijven hinder ondervinden van elkaar. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied Op de locatie Industrieweg 5 vigeert het bestemmingsplan “Dorpen, 1 e herziening” welke op 24 februari 2016 is vastgesteld. Dit bestemmingsplan geeft een specifieke bestemming aan het adres Industrieweg 5 alwaar een metaalbewerkingsbedrijf is toegestaan in de milieucategorie 3.2. De richtlijnafstand bedraagt daarmee 100 meter. De afstand van het bedrijf tot de gronden waar de woningen gebouw mogen worden bedraagt circa 75 meter. Hiermee valt het plangebied binnen de richtlijnafstand tot dit bedrijf.
De situatie is echter aanvaardbaar daar andere gevoelige functies zoals wonen reeds dichter bij gelegen zijn. Zo zijn er binnen het bedrijventerrein diverse bedrijfswoningen aanwezig van andere bedrijven. De dichtstbijzijnde daarvan ligt op 20 meter afstand. De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt aan de Industrieweg 6 op circa 23 meter. Voor deze woning is op 1 november 2017 het bestemmingsplan vastgesteld. Ten behoeve van dat bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek (rapport Wematech mei 2017) blijkt dat als gevolg van de bedrijfsvoering van het metaalbewerkingsbedrijf voldaan wordt aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus uit de vigerende vergunning ter plaatse van de toen nog te realiseren woning aan de Industrieweg 6. De geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woning bedraagt ten hoogste 44 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, wat overeenkomt met een zeer goed woon- en leefklimaat. Gezien de veel grotere afstand van het bedrijf tot aan het plangebied kan in redelijkheid geconcludeerd worden dat het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd wordt en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 33/48
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Uitsnede van de risicokaart. Met een gele ster is het plangebied weergegeven. Bron: www.risicokaart.nl, 2020
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Het plangebied valt niet onder een 10-6-risicocontour. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied aan de Alphenseweg 39 ruimschoots buiten de invloedssfeer van deze inrichting is gelegen. Op het adres Geerstraat 8 is een bedrijf aanwezig dat zeep-, was-, reinigings- en onderhoudsmiddelen vervaardigd. Dit bedrijf kent een groepsrisico invloedgebied van 275 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 600 meter tot dit bedrijf. De overige installaties (rode stip) betreffen propaantanks. Op de Smederijstraat 5 is een ethanoltank aanwezig. Voor al deze installaties is de afstand tot het plangebied meer dan voldoende om geen effecten te
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 34/48
hebben. Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een afdoende verantwoording van de veiligheidsrisico’s. Dit standaardadvies inclusief de standaard verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 9 toegevoegd aan deze onderbouwing. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10 -6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen.
Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een afdoende verantwoording van de veiligheidsrisico’s. Dit standaardadvies inclusief de standaard verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 9 toegevoegd aan deze onderbouwing. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante buisleidingen gelegen. Een standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een afdoende verantwoording van de veiligheidsrisico’s. Dit standaardadvies inclusief de standaard verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 9 toegevoegd aan deze onderbouwing.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 35/48
Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 36/48
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO 2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 37/48
Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van twee extra woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat voor het aspect luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e.
buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor tra nsport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 38/48
4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 28 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van twee woningen binnen de bestaande stedelijke structuur. Hiermee blijft de ontwikkeling ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Verder is categorie D11.2 van toepassing enkel in het geval dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het gebruik van het perceel verandert niet enkel de mogelijkheid voor het realiseren twee woningen extra woningen. Daar de woningen gerealiseerd worden binnen een bestaand stedelijk gebied en het een open ruimte betreft bij een bestaande
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 39/48
woning , is de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling beperkt. Er is derhalve geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 van categorie D11.2. Toetsing van het planvoornemen aan het Besluit m.e.r. kan achterwege blijven. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Ook is het niet nodig om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 40/48
5
Juridische plantoelichting
5.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2
Opbouw van de regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het bestemmingsplan “Dorpen” en het bestemmingsplan “Dorpen, 1e herziening” alsmede het gemeentelijke handboek. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3
Regels
5.3.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 41/48
5.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Een regel hoeft niet alle elementen te bevatten, dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 Tuin Binnen de bestemming ‘Tuin’ zijn tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen toegestaan, evenals water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming is tevens de aanduiding ‘waardevolle boom’ opgenomen. In de reels is bepaald dat deze boom behouden dient te blijven. Artikel 4 Verkeer Deze bestemming is opgenomen ter verbreding van het profiel van de Alphenseweg. Hiermee is het mogelijk gemaakt om een openbaar voetpad langs deze weg te realiseren. Binnen de bestemming is tevens de aanduiding ‘waardevolle boom’ opgenomen. In de reels is bepaald dat deze boom behouden dient te blijven. Artikel 5 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is erop gericht om de bouw van maximaal drie vrijstaande woningen mogelijk te maken.
Regels worden gegeven voor het gebruik voor wonen al dan niet met een beroep aan huis met de daarbij behorende voorzieningen. Artikel 6 Waarde – Archeologie De dubbelbestemming heeft tot doel de te verwachten archeologische waarden te beschermen. De dubbelbestemming heeft voorrang boven de andere geldende bestemmingen, en legt beperkingen op aan deze onderliggende bestemmingen. Ten eerste mag binnen de dubbelbestemming in beginsel niet worden gebouwd. Hiervan kan worden afgeweken indien door middel van onderzoek aangetoond wordt dat er geen archeologische belangen in het geding zijn. 5.3.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel geeft de algemene regels voor het ondergronds bouwen weer. Tevens is geregeld hoe om te gaan met inritconstructies voor parkeerkelders. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt al het gebruik dat afwijkt van het toegelaten gebruik in de bestemmingen als strijdig aangemerkt.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 42/48
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bestaat uit algemene afwijkingen; er wordt een aantal zaken genoemd waarbij het bevoegd gezag bevoegd is om een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van de afwijking. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Dit artikel bestaat uit algemene wijzigingen; er wordt een aantal zaken genoemd waarbij burgemeester en wethouders bevoegd zijn het plan te wijzigen. Artikel 12 Parkeernormen In dit artikel is de waarborging opgenomen ten behoeve van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied. 5.3.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 13 Overgangsrecht In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wabo, overgenomen. Het betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen.
Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 14 Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 43/48
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 44/48
6
Economische uitvoerbaarheid
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2
Toepassing Grondexploitatiewet
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. 6.3
Economische uitvoerbaarheid
Het onderhavige planvoornemen is Grondexploitatiewet-plichtig, echter het verhaal van de kosten is anderszins verzekerd. De anterieure kosten alsmede eventuele kosten met betrekking tot planschade zullen verhaald worden door middel van een anterieure overeenkomst. Deze wordt gesloten alvorens het bestemmingsplan als ontwerp ter visie wordt gelegd.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 45/48
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 46/48
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vooroverleg reacties op het plan zijn ontvangen van het waterschap Brabantse Delta, de brandweer MiddenBrabant en de provincie Noord-Brabant. Het waterschap geeft een positief wateradvies en verzoekt om aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen. De toelichting is op dit punt aangevuld. De brandweer geeft aan dat in het kader van externe veiligheid gebruik gemaakt kan worden van de standaard verantwoording groepsrisico. Dit standaardadvies is opgenomen als bijlage bij de toelichting. De provincie Noord-Brabant heeft laten weten dat haar belangen niet in het geding zijn bij de uitvoering van onderhavig bestemmingsplan. 7.2
Omgevingsdialoog
In juni 2020 heeft de initiatiefnemer de omwonenden schriftelijk op de hoogte gesteld van het planvoornemen. De initiatiefnemer heeft voor een schriftelijke aanpak gekozen in verband met Corona. Van de ingekomen reacties heeft de initiatiefnemer een verslag gemaakt waarin ook gereageerd wordt op de ingebrachte punten. Het verslag is aan alle betrokken aangeboden en als bijlage 8 bij de toelichting van dit rapport gevoegd. 7.3
Zienswijzen
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
datum referentie
18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0
P 47/48
Regels
bestemmingsplan "Alphenseweg 39"
3
Gemeente Baarle-Nassau
4
Inhoudsopgave Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
7 7 12
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Tuin Verkeer Wonen Waarde - Archeologie
13 13 15 17 21
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
25 25 26 28 29 30 31
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
33
Artikel 13 Artikel 14
Overgangsrecht Slotregel
33 34
Bijlagen regels Bijlage 1 Lijst van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2 Nota Parkeernormen 2011
bestemmingsplan "Alphenseweg 39"
5
Gemeente Baarle-Nassau
6
Hoofdstuk 1
Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
Plan
Het bestemmingsplan "Alphenseweg 39" met identificatienummer NL.IMRO.0744.BPAlphenseweg39-ON01 van de gemeente Baarle-Nassau. 1.2
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.3
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.4
Archeologisch onderzoek
In een schriftelijke rapportage vastgelegd bureau- en/of veldonderzoek naar de materiële neerslag van menselijke aanwezigheid en menselijk handelen in het verleden. 1.5
Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6
Bebouwingspercentage
Een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte bestemmingsvlak/bouwperceel/bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. 1.7
van
het
Bedrijf
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.8
Bedrijf aan huis
Het door een bewoner van een woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een klompenmakerij of een cateringbedrijf. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.
bestemmingsplan "Alphenseweg 39"
7
1.9
Beroep aan huis
Een beroep aan huis is het door een bewoner van een woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebieden, schoonheidssalons, honden-trimsalons en pedicures, die door hun beperkte omvang in de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. In Baarle-Nassau dient hieronder niet te worden begrepen kappers. In Ulicoten worden kappers hieronder wel begrepen.
1.10
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.11
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.12
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.13
Bevoegd gezag
Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.14
Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.15
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.16
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.17
Bouwlaag
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.18
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Gemeente Baarle-Nassau
8
1.19
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20
Bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel. 1.21
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.22