CConstaterende datBaarle Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerpbestemmingsplan

Commissie Ruimte en Economie 14 juni 2022, gemeente Baarle NassauBij agendapunt: Ingekomen stukken29.413 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan “Alphenseweg 39” Gemeente Baarle-Nassau

datum projectnummer

18 mei 2022 201327

Bestemmingsplan “Alphenseweg 39”

Aveco de Bondt BV Boschstraat 35, 4811 GB Breda T +31 76 522 52 62 www.avecodebondt.nl

Gemeente Baarle-Nassau Toelichting

project projectnummer projectleider

versie fase auteur

Bestemmingsplan “Alphenseweg 39” 201327 Marcel Volbeda

3.0 ontwerp Marcel Volbeda

paraaf gecontroleerd

Toby van Baast MSc

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding en doel Vigerende bestemmingsplan Leeswijzer

1 1 2 3

2 2.1 2.2 2.3

Huidige en beoogde situatie Huidige situatie Beoogde situatie Verkeer en parkeren

5 5 5 6

3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2017 3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.3.1 Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling

9 9 9 9 10 11 12 12 13 14 15

3.3.3.2 Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

16

3.3.4 3.4 3.4.1 3.4.2

Omgevingsverordening 2021 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau Woonvisie 2018-2023, ‘Baarle BRUIST, in Baarle kom je thuis’

18 19 19 20

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.6.1 4.6.2 4.7 4.8 4.9 4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.10 4.11 4.12

Planologisch relevante (milieu)aspecten Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie Natuurgebieden Flora en fauna Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Inrichtingen en externe veiligheid Transport en externe veiligheid Buisleidingen en externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

21 21 21 22 26 28 29 29 30 31 32 34 34 35 35 37 38 39

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

5 5.1 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

Juridische plantoelichting Inleiding Opbouw van de regels Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

41 41 41 41 41 42 42 43

6 6.1 6.2 6.3

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid

45 45 45 45

7 7.1 7.2 7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Omgevingsdialoog Zienswijzen

47 47 47 47

Bijlagen Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek, mei 2020 Bijlage 2 Archeologisch onderzoek, juni 2020 Bijlage 3 Archeologisch onderzoek, inventariserend veldonderzoek, mei2021 Bijlage 4 Voortoets stikstof, maart 2022 Bijlage 5 Quickscan soortenbescherming, oktober 2020 Bijlage 6 Nader onderzoek Ecologie, oktober 2021 Bijlage 7 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, december 2021 Bijlage 8 Omgevingsdialoog Bijlage 9 Standaardadvies groepsriscio 2022, februari 2022

Uitsnede topografische kaart. Het plangebied is met gele ster aangeduid. Bron: www.topotijdreis.nl, 2020

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

De ontwikkeling heeft betrekking op de gronden behorende bij het adres Alphenseweg 39 te Baarle-Nassau. Op de locatie is momenteel een woning aanwezig op een ruim perceel. De locatie is gelegen aan de Alphenseweg, een hoofdtoegangsweg tot de kern Baarle-Nassau en maakt onderdeel uit van een bestaand woongebied. Het is de wens van de initiatiefnemer om de bestaande woning gebouwd in 1965 te amoveren en te vervangen door een moderne woning. Het perceel heeft een oppervlakte van 2.989 m 2 (bron: kadaster). Het perceel heeft daarmee voldoende ruimte om nog twee extra vrijstaande woningen te realiseren. Ter plaatse is maar één vrijstaande woning toegestaan, waardoor het initiatief niet mogelijk is op basis van het vigerende planologische kader. De gemeente Baarle-Nassau heeft in haar brief d.d. 17 februari 2020 aangegeven medewerking te willen verlenen aan het toevoegen van twee extra wooneenheden op het woonperceel. Medewerking wordt verleend door middel van een herziening van het geldende bestemmingsplan.

Luchtfoto locatie. Plangebied is met rode contour aangegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2020

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 1/48

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de rand van het stedelijk gebied van Baarle-Nassau. Kadastraal staan de gronden bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummer 4236. De nabije omgeving aan de noord- en westzijde van de locatie bestaat uit een woongebied met vrijstaande woningen opgebouwd uit twee lagen met een kap. De omgeving ten zuiden en oosten van het plangebied bestaat uit een combinatie van woonfuncties en bedrijventerrein. Het plangebied grenst in het noorden en oosten aan een Belgische enclave. 1.2

Vigerende bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan “Dorpen” van de gemeente Baarle-Nassau, welke op d.d. 11 april 2012 onherroepelijk is geworden. Naast dit bestemmingsplan is op 24 februari 2016 het “Bestemmingsplan Dorpen, 1e herziening” vastgesteld. Dit plan heeft echter geen invloed op de gewenste ontwikkeling. Het bestemmingsplan “Dorpen” kent aan de gronden binnen het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ toe. Binnen het bestaande bouwvlak (dat verdeeld is over drie kavels) zijn hoofdgebouwen toegestaan. De bestemming ‘Tuin’ mag niet bebouwd worden met woningen. Het maximaal aantal toegestane woningen is reeds gerealiseerd waardoor de gewenste ontwikkeling niet mogelijk is op grond van het vigerend bestemmingsplan. Om de drie woningen te realiseren is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Dorpen". Het plangebied is met een rode contour aangegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2020

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 2/48

1.3

Leeswijzer

In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 de huidige en de beoogde situatie voor het plangebied toegelicht. In hoofdstuk 3 is het planvoornemen getoetst aan het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 heeft betrekking op de planologisch relevante (milieu)aspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aan de orde en in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 3/48

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 4/48

2

Huidige en beoogde situatie

2.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen in het noordoosten van de kern Baarle-Nassau en het perceel grenst aan Belgisch grondgebied. De locatie ligt direct aan de provinciale weg richting Alphen (Alphenseweg). Deze weg is een verbindingsweg tussen de kernen Baarle-Nassau en Alphen. De Alphenseweg vormt een fraaie, groene entree naar het dorp. De huidige woning wordt ontsloten via de Alphenseweg. Ten westen van het plangebied ligt een woongebied gekenmerkt door een grote verscheidenheid in woonbebouwing. Grote en kleine woningen komen naast elkaar voor op percelen met een variabele omvang. Aan de Generaal Maczeklaan in het zuidwesten ligt momenteel een grote tuin. Ten oosten van het plangebied (aan de overkant van de Alphenseweg) is een bedrijventerrein gelegen. 2.2

Beoogde situatie

Algemeen De nieuwe vrijstaande woningen zullen wat betreft bouwmassa’s aansluiten op de omgeving. De bestaande woningen bestaan overwegend uit twee bouwlagen met kap. Het huidige bouwvlak georiënteerd op de Generaal Maczeklaan kent een sterk verspringende rooilijn. De verspringende rooilijn langs deze straat wordt doorgezet in de nieuwe situatie met bebouwing georiënteerd op de Generaal Maczeklaan. Aan de Alphenseweg zal de rooilijn aansluiten bij de bestaande bebouwing in deze straat. De twee noordelijk geprojecteerde woningen zullen ontsloten worden op de Alphenseweg. De zuidelijke woning wordt ontsloten via de Generaal Maczeklaan.

Grove schets inrichtingsprincipe. Deze is nader uitgewerkt naar de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Bron: Compositie 5 stedenbouw BV, 2020

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 5/48

Dicht aan de straat staat een oude bruine beuk die een karakteristieke uitstraling heeft door een laag vertakte en brede kroon. De initiatiefnemer heeft een boomtechnisch onderzoek uit laten voeren. Onderzoek is gedaan naar de huidige staat en de veiligheid van de boom. De boom is in goede conditie en is zeer karakteristiek voor het perceel. Aangezien echter door lange tijd geen onderhoud aan de boom is gepleegd is deze sterk verwilderd. Door Quercys boomexperts b.v. wordt geadviseerd ten behoeve van de verkeersveiligheid de kroon van de boom aan de wegzijde met enige regelmaat te snoeien waarbij de laag hangende takken dienen te worden ingenomen. Door een vakkundig snoeibedrijf wordt naar aanleiding van het vorenstaande gesteld dat door deskundige snoeibeurten de totale omvang van de beuk met 1/3 kan worden teruggebracht zonder de uitstraling van de boom geweld aan te doen. Deze boom is een belangrijk onderdeel van de inrichting van het plangebied en is daarom ingepast in het stedenbouwkundig ontwerp. Ten behoeve van het plan is een terrein-inmeting verricht waarbij de terreinomvang exact is bepaald. Hierbij is ook de exacte positie van de beuk met kroon ingemeten. De eerste stedenbouwkundige schets is de leidraad geweest in overleg tussen de gemeente en de initiatiefnemer voor de passende inrichting.

De woningen aan de Alphenseweg zijn ten opzichte van deze schets verder naar achter geplaatst om beter rekening te kunnen houden met de prachtige beuk. De woning aan de Generaal Maczeklaan is ten opzichte van deze straat ook naar achter verplaatst om de afstand tussen de Generaal Maczeklaan en de rotonde te vergroten. Deze aanpassingen zijn verwerkt in de verbeelding van dit bestemmingsplan. Door deze ontwikkeling is het verder mogelijk geworden om de Alphenseweg met 1,5 meter te verbreden voor de aanleg van een voetpad. Vormgeving De exacte vormgeving en uitwerking van de nieuw te bouwen woningen zijn nog niet bekend. Deze uitwerking zal plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. 2.3

Verkeer en parkeren

Verkeer Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de nieuwbouw, dienen de kengetallen uit de ASVV 2012 van het CROW te worden geraadpleegd. Het plangebied is gelegen in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’ en te typeren als ‘niet stedelijk’ gezien de stedelijkheidsgraad op basis van CBS gegevens . Bij het te realiseren woningtype vrijstaand hoort een maximaal aantal voertuigbewegingen per etmaal (vpe) van 8,6 per woning. Derhalve genereert het plan in totaal maximaal (8,6 x 3) = 25,8 voertuigbewegingen per etmaal. Eén woning wordt ontsloten op de Generaal Maczeklaan en twee op de Alphenseweg. De huidige intensiteiten bedragen 4.489 en 4.055 motorvoertuigen per etmaal voor respectievelijk de Alphenseweg en de Generaal Maczeklaan. De capaciteit van een gemiddelde erftoegangsweg is gericht op maximaal 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De toename aan verkeersbewegingen is daarmee acceptabel. Parkeren Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen.

In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 6/48

De gemeente heeft haar parkeerbeleid neergelegd in de Nota Parkeernormen 2011. Op grond van deze nota dient iedere woning (>100 m2) te voorzien in twee parkeerplaatsen per woning. De ontwikkeling heeft voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde parkeergelegenheid en is daarmee uitvoerbaar. De verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid is geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. De toekomstige aanvraag voor omgevingsvergunning voor het bouwen moet getoetst worden aan deze regel (artikel 11 van deze regels).

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 7/48

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 8/48

3

Beleidskader

3.1

Inleiding

De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. 3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet.

Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit.

Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Voorliggend plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, is van toepassing op onderhavig plan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 9/48

Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. 3.2.2

Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012

Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Voorliggend plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen en het radarstation op vliegbasis Woensdrecht. Rondom deze radarstations mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. Onderhavig plangebied is daarnaast gelegen in het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht. In het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht geldt ter hoogte van Putte een maximale bouwhoogte van 113 meter voor alle bouwwerken. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation.

Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en de Rarro van toepassing, aangezien er bij onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 10/48

Ligging van het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen en Woensdrecht. De rode aanwijzer toont de ligging van het plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels, zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2017

Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.

Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 11/48

Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige bestemmingsplan voegt ter plaatse van het plangebied twee extra woningen planologisch toe. De ontwikkeling is reeds gelet op de kleinschalige omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is doorlopen. De ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. 3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018

Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 12/48

Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het onderhavige planvoornemen heeft raakvlakken met de ambities uit de Omgevingsvisie. Het ziet op woningrealisatie binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Baarle-Nassau. Het waarborgt duurzaam ruimtegebruik door herontwikkeling van een bestaande locatie. Daarmee draagt realisatie van het plan bij aan de totstandkoming van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en biedt het duidelijk een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving. Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant. 3.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014

Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant. Beoordeling Het plangebied is in de SVRO gelegen binnen de stedelijke structuur, aangeduid als ‘Kernen in het landelijk gebied’. Op de gronden die aangewezen zijn als kern in het landelijk gebied wordt voorzien in de lokale behoefte voor verstedelijking inzake wonen, werken en voorzieningen.

De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma. In de kernen in het landelijk gebied worden woningen gebouwd voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van ‘migratiesaldo – nul’. De provincie legt de nadruk op zorgvuldig ruimtegebruik waarbij de provincie de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag wil afremmen. Dit betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Het accent ligt dan ook op inbreiden en herstructureren.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 13/48

Uitsnede Structurenkaart uit Structuurvisie Ruimtelijke Ordening met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020

Met voorliggend planvoornemen worden twee extra woningen mogelijk gemaakt binnen de stedelijke structuur van de kern Baarle-Nassau. Het plan draagt, gezien de ligging van het plangebied, met de voorziene bestemmingsplanwijziging bij aan de concentratie van verstedelijking binnen de bestaande stedelijke structuur. Regionale afstemming met betrekking tot het woningbouwprogramma wordt nader getoetst in paragraaf 3.3.3. Conclusie Voorliggend initiatief is passend binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening 2014 van de provincie Noord-Brabant. 3.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 14/48

samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Interim omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 3.5 t/m 3.8 Iov. De toetsing wordt hierna uitgevoerd. 3.3.3.1

Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling

Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het toevoegen van twee woningen en de herbouw van een woning in bestaand stedelijk gebied van Baarle-Nassau. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov, mits passend binnen de woningbouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald en mits de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.

De laatste provinciale woningbouwprognoses dateren van 2020. In 2020 telde Noord-Brabant ruim 1.104.635 woningen. De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognose (2050) groeien, al is de groei in landelijke gebieden minder sterk. In Baarle-Nassau is in de periode van 2020 t/m 2040 zelfs sprake van een lichte krimp van de bevolking. Vanwege de algemene demografische trend van de toename van het aantal éénpersoonshuishoudens, blijft de woningbehoefte in Baarle-Nassau voor die periode ongeveer gelijk. Uitgangspunt van de Brabantse Agenda Wonen (2017) is ruim baan te geven aan ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen. Na 2017 worden jaarlijks regionale afspraken gemaakt via een regionaal perspectief op wonen en woningbouw. De meeste recente verslaglegging van regionale afspraken is gedaan in de ‘Voortgangsrapportage 2019/2020” van de Brabantse Agenda Wonen (3 maart 2020). In deze verslaglegging wordt nogmaals onderstreept dat de provincie ontwikkeling van nieuwe woningen in binnenstedelijke locaties verkiest boven landelijke uitbreiding. Het planaanbod op inbreidingslocaties neemt toe in heel Brabant en hangt samen met de sterk toegenomen aandacht voor gebieds- en transformatieopgaven binnen bestaande steden en dorpen.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 15/48

Deze praktijkontwikkeling is in lijn met het fundament van de Brabantse Agenda Wonen, waarin het ‘accent op duurzame verstedelijking’ is en als richtinggevend principe is opgenomen “het woningbouwprogramma optimaal in te zetten op (toekomstige) binnenstedelijke locaties – inbreiden, herstructureren, transformeren – en voor het herbestemmen van leegstaand en leegkomend kantoor-, winkel- en ander vastgoed, met als uitgangspunt dat zorgvuldig ruimtegebruik voor zuinig ruimtegebruik gaat” (Voortgangsrapportage 2019/2020, p. 15). In de voortgangsrapportage staat dat enkel woningbouwplannen op uitbreidingslocaties om regionale afstemming vragen. Het gemeentelijke woningbouwprogramma gaat uit van een reële woningbehoefte en zetten in op flexibiliteit om in te kunnen spelen op veranderingen en nieuwe kansen. Lokaal onderzoek en afspraken tussen gemeente, marktpartijen en/of corporaties vormen de inhoudelijke basis voor te realiseren programma’s. In principe wordt ingezet op inbreiding en transformatie locaties. In te motiveren uitzonderingsituaties wordt gekeken naar woningbouwlocaties buiten het bestaand stedelijk gebied. De ruimtelijke kwaliteit van de opgave op de betreffende locatie, mede in relatie tot de directe omgeving, is hierbij een belangrijk aandachts- en uitgangspunt.

De uitleglocaties in stedelijke kernen met een omvang van circa 75 woningen of meer en in landelijke kernen met een omvang van circa 25 woningen of meer worden bestuurlijk afgestemd. Er is nog steeds sprake van een overprogrammering, maar door een hogere bevolkingsgroei dan in 2017 verwacht, is het verschil kleiner geworden. Een groot deel van die capaciteit zit nog niet in harde plancapaciteit. De gemeente verwacht in de praktijk in de buurt van de prognose te blijven. Wanneer het gaat om een inbreidingslocatie hoeven deze niet regionaal afgestemd te worden. Het onderhavige plan betreft een inbreidingslocatie waardoor regionale afstemming niet nodig. Onderhavige ontwikkeling betreft voorts een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’: de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een locatie in het bestaand stedelijk gebied. Het betreft het inbreiden van een bestaande woonlocatie waarbij een verouderde woning gesloopt wordt en vervangen. Hierbij zullen de woningen gasloos uitgevoerd worden. Tot slot bevordert het plan een gezonde leefomgeving door woningen te realiseren binnen het stedelijk gebied van de kern Baarle-Nassau, alwaar voorzieningen per fiets of te voet te bereiken zijn. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov N-B. 3.3.3.2

Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov N-B) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: • nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 16/48

•

2.

er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel.

Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaardecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2.

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied ‘Stedelijk Gebied’ of een bestaand bouwperceel. De ontwikkeling van de woningen vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied, derhalve binnen bestaand ruimtebeslag; b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van de beoogde bouwvlakken voor de woningen is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 17/48

Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Het planvoornemen heeft geen negatief effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2 van deze toelichting. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Het planvoornemen ziet toe op woningbouw. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan een binnenstedelijke herontwikkellocatie waar in de huidige situatie een woning aanwezig is die verouderd is. Door een binnenstedelijke locatie in te zetten voor woningbouw ontstaat een kwaliteitsimpuls voor de omgeving. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. 3.3.4 Omgevingsverordening 2021 Toetsingskader Op 23 maart 2021 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in ontwerp ter inzage gelegd.

De Omgevingswet verplicht dat de provincie een omgevingsverordening vaststelt. Provinciale Staten stellen de Brabantse Omgevingsverordening naar verwachting eind 2021 vast, waarna die op 1 juli 2022, gelijk met de Omgevingswet, in werking treedt. De wijzigingen ten opzichte van de huidige Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de eisen die de aankomende Omgevingswet stelt aan de Omgevingsverordening. Verder zijn er een aantal andere inzichten verwerkt. Dit betreft de volgende onderwerpen: • Er zijn regels opgenomen voor een maximale boordiepte voor bodemenergiesystemen. •

Er zijn regels opgenomen voor grondverzet in grondwaterbeschermingszones, inclusief de toepassing voor PFAS-houdende grond.

•

De regels voor het kappen van houtopstanden zijn aangepast aan de Brabantse Bossenstrategie.

•

Omgevingskwaliteit heeft een centrale plek gekregen bij de instructieregels voor het omgevingsplan aan gemeenten. Hierbij is een bouw-sloop regeling vormgegeven en is een ruime maatwerkregeling opgenomen ter versterking van omgevingskwaliteit. De mogelijkheden voor collectieve woonvormen in het buitengebied zijn verruimd. Er zijn wijzigingen doorgevoerd in de gebieden op de kaart die aangeven waar welke regels gelden. Naast actualisaties zijn er ook gebieden vervallen of samengevoegd.

• •

Beoordeling De Omgevingsverordening heeft geen veranderingen in het beleid voor binnenstedelijke woningbouw tot gevolg. Ook onder de Omgevingsverordening Noord-Brabant is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de omgevingsverordening.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 18/48

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

Toetsingskader De gemeente Baarle-Nassau heeft op 26 juni 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. In deze omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau komen de hoofdlijnen van al hun plannen samen, hierdoor ontstaat een integraal totaalbeeld van de ruimtelijke keuzes. Volgens de Visiekaart Omgevingsvisie ligt het plangebied in een gebied dat is aangeduid als ‘kernen’.

Uitsnede Visiekaart. Plangebied is met gele ster aangeduid. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2020

Beoordeling Op het gebied van wonen ligt de focus op het bestaand stedelijk gebied. Hierbij is het doel de woningvoorraad zo aan te passen dat deze past bij de toekomstige woningbehoefte en duurzaamheidsambitie. De gemeente richt zich niet op grote uitbreidingslocaties maar richt zich op het bestaande stedelijk gebied. De mogelijkheden voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het aanpassen van de woningvoorraad op de toekomstige woonbehoefte staan daarbij centraal. De huidige woning is sterk verouderd en is aan vervanging toe. Bij de vervangende nieuwbouw wordt een duurzame woning gerealiseerd. Met het toevoegen van twee woningen op de locatie is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik door inbreiden in bestaand stedelijk gebied. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is passend binnen de kader van de Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 19/48

3.4.2

Woonvisie 2018-2023, ‘Baarle BRUIST, in Baarle kom je thuis’

Toetsingskader Meer dan in eerder woonvisies is gekeken naar de bestaande woningvoorraad. Nieuwbouw blijft nodig en wenselijk en de gemeente spant zich in voor extra bouwmogelijkheden. De woonvisie is onderverdeeld in 5 pijlers die in de komende jaren prioriteit krijgen, dit zijn: • Identiteit van het wonen in Baarle-Nassau • Demografie en de woningbehoefte • Betaalbaar wonen • Kwaliteit van de woningvoorraad • Wonen met zorg en welzijn Beoordeling Het initiatief heeft betrekking op in ieder geval twee thema’s van de woonvisie, namelijk ‘demografie en de woningbehoefte’ en ‘kwaliteit van de woningvoorraad’. De woningvoorraad in de gemeente bestaat momenteel uit circa 2.750 woningen, waarvan 2.250 in de hoofdkern Baarle-Nassau en 500 in Ulicoten, Castelré en het buitengebied. De meeste van de woningen behoren tot de koopsector. In de huursector is woningcorporatie Leystromen de grootste verhuurder. De corporatie bezit ongeveer 350 sociale huurwoningen in de gemeente, wat overeenkomt met 12% van de totale woningvoorraad. Daarnaast zijn er nog diverse particuliere verhuurders die circa 50 sociale huurwoningen bezitten in de gemeente. Uit het woningmarktonderzoek van Fakton (2017) blijkt dat de woningvoorraad in Baarle-Nassau gekenmerkt wordt door een hoge toekomstwaarde. Dit wil zeggen dat het aanbod redelijk goed aansluit op de (verwachte) vraag.

In de nieuwbouw liggen volgens het onderzoek vooral kansen in de toevoeging van dure gezinswoningen in de koopsector (vanaf € 275.000 à € 300.000). De drie woningen betreffen dure gezinswoningen in de koopsector en daarmee zijn de nieuwe woningen passend binnen de woonvisie. Met ingang van 1 juli 2018 is de gasaansluitplicht vervallen. Nieuwbouwprojecten zijn vanaf die datum gasloos, ook op die plekken waar nog een gasaansluiting ligt. Naast het gasloos bouwen zorgt men ervoor dat projecten zo verkaveld worden dat we optimaal gebruik kunnen maken van de verschillende energiebronnen, zoals zonnepanelen, warmtepompen, et cetera. Bij nieuwbouw levert men op planniveau maatwerk als het gaat om duurzaamheid, klimaatadaptatie en energieprestatie, ook in relatie tot de financierbaarheid van de woning. Conclusie Voorliggend initiatief past binnen de kaders van de gemeentelijke woonvisie.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 20/48

4

Planologisch relevante (milieu)aspecten

4.1

Inleiding

Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Het plangebied is in de bestaande situatie reeds in gebruik voor de functie wonen. Dat maakt de locatie voor de nieuwe woningen niet verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Door Milon is een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Het rapport van 13 mei 2020 is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 21/48

Tijdens de inspectie van het terrein is een ondergrondse tank aangetroffen. De tank is gereinigd maar niet gesaneerd. Vermoedelijk betreft het een huisbrandolietank van 5 m3. Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie verder geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. Voor het overige terrein geldt dat, gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van bodembedreigende activiteiten, de locatie onverdacht is op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Het onderzoek is daarom uitgevoerd conform de NEN 5740. De locatie is onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). Analytisch zijn in de bovengrond van het overige terrein geen verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte PCB aangetoond. In de ondergrond ter plaatse van de olietank is geen verhoogd oliegehalte aangetroffen. Analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium en naftaleen gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde waarden aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016-2021 van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.

Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021 ‘Grenzeloos verbindend’, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 22/48

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de rijkswateren en de regionale rivieren; • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; • een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Keur Waterschap Brabantse Delta De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d.

de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Beleid gemeente Baarle-Nassau Op 4 november 2020 heeft de gemeenteraad van Baarle-Nassau het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 vastgesteld. In het vGRP verwoordt de gemeente hoe zij invulling geeft aan de gemeentelijke taken rondom afval-, hemel- en grondwater. De gemeente wil zich nadrukkelijk profileren als groene gemeente met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP wordt het watersysteem in het stedelijk gebied in grofweg drie delen verdeeld; • Het stedelijk watersysteem: hemelwater, de vijvers, grachten en sloten;

datum referentie

18 mei 2022 201327_AdB_RAP_0001_v3.0

P 23/48

• •

Het grondwatersysteem dat zich in het hele stedelijk gebied onder de wegen, woningen en groenvoorzieningen bevindt; Het afvalwater systeem: afvoer van het overschot van water (afval-, hemel- en grondwater) naar zuivering of oppervlaktewater.

De drie systemen staan onlosmakelijk met elkaar in verbinding en worden gevoed door neerslag ofwel hemelwater (regen, hagel en sneeuw). Hemelwater komt in de grond en/of wordt opgevangen door de verschillende systemen om wateroverlast in woningen en straten te voorkomen. De loop van het hemel- en grondwater geschiedt op verschillende wijze: • Het hemelwater wordt apart van het afvalwater ingezameld (gescheiden stelsel); • Het hemelwater wordt gezamenlijk met afvalwater ingezameld (gemengd stelsel); • Het apart ingezamelde hemelwater wordt direct getransporteerd naar het oppervlaktewater; • Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem; • Het grondwater stroomt in de regel naar het oppervlaktewater; • Het grondwater inzamelen en transporteren naar het RWA-riool in een gescheiden stelsel); • Het grondwater inzamelen en afvoeren naar het gemengd stelsel; • Het grondwater inzamelen ten behoeve van drinkwaterproductie. Dit vertaald zich in een retentie opgave van 78 mm hemelwater per vierkante meter verhardoppervlak exclusief het reeds aanwezige verharde oppervlak. Beoordeling Hemelwater In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg onverhard en in gebruik als tuin. In de beoogde situatie is sprake van een toename aan verhard oppervlak door het toevoegen van twee woningen ter plaatse van het plangebied.

Het bestaande verharde oppervlak bedraagt circa 735 m 2 op een perceeloppervlak van 3.281 m2. De gemeente hanteert een hogere retentie norm dan het waterschap. Het beleid van de gemeente is bepalend voor de retentie opgave. De nieuwe situatie is nog niet precies bekend daar de beoogde ontwikkeling voorziet in het creëren van bouwkavels en er nog geen concrete bouwplannen bekend zijn. Daar de ontwikkeling uitgaat van drie vrijstaande woningen in het groen wordt gerekend met een totale verhardingspercentage van 60%. In de nieuwe situatie bedraagt de toename aan verhard oppervlak derhalve 3.281 x 0,60 = 1.969 m2. De te verwachte retentie capaciteit waarin voorzien dient te worden bedraagt daarmee 1.969 x 0,078 = 154 m3. Het plangebied heeft voldoende grond om te kunnen voorzien in een retentievoorziening van deze omvang. Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer dus verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente wijst de initiatiefnemer erop dat in het kader van de klimaatverandering het wenselijk is om vergroening van particuliere percelen na te streven (en verstening tegen te gaan). Hierbij kan zowel gedacht worden aan vergroening van tuinen, toepassen van halfverharding ter plaatse van opritten alsook het toepassen van groene daken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11554714/1