Bijlage 6 Lijst van ambtshalve wijzigingen BP Schrans 2 Castelré
Tekst van het document
Achterzijde woonhuis
12
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680
Binnenzijde woonhuis
Houten aanbouw
Voorzijde betonnen schuur
Overzicht grasland naast het plangebied
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied en het invloedsgebied van de ingreep onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of nesten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,9 kilometer afstand van oostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000 gebied Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven. Op ongeveer 8,6 kilometer afstand naar het zuidoosten ligt Natura 2000 gebied Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout en westelijk op 10 kilometer Natura 2000 gebied De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in rood en blauw aangegeven.
Minimaal 2,9 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 Met de meest nabije Natura 2000-gebieden op minder dan 10 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 80 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in groene kleur.
Minimaal 80 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Atlas Leefomgeving
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt op minimaal 80 meter afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied. De werkzaamheden zijn echter van een zodanige aard en altijd op minimaal 80 meter afstand van het NNN-gebied zodat er waarschijnlijk geen deel van het NNN-gebied wordt aangetast. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard en het effectbereik van de werkzaamheden behorend bij het slopen van de oude woning en het realiseren van een nieuwe woning elders op het perceel op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten deze gebieden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680
5.2 Soortenbescherming Bijlage 1, project Schrans met nummer BE-0680 d.d. 18 juli 2023 geeft een overzicht van de waargenomen plant- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. De soorten worden per alinea beschreven.
5.2.1 Flora Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 3 beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze planten staan op de rode lijst en zijn sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Afstand plangebied
Habitat
Akkerogentroost
0-2 km
Zonnige, open plaatsen op matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond (krijt, leem en zandige klei). Akkerogentroost is een halfparasiet, die woekert op de wortels van grassen en cypergrassen
Korensla
0-2 km
Muurbloem
0-2 km
Zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkarme zandgrond. Groeit op heiden, op zandstrandjes langs rivieren, in akkers (m.n. wintergraan) en moestuinen, in bermen en op braakliggende terreinen. In Nederland is ze beperkt tot akkers, maar soms treedt ze onbestendig op in bermen en op bouwterreinen. Zonnige plaatsen op droge, oude, sterk verweerde, met zachte kalkspecie gevoegde muren en kalkrotsen
De bodem in de invloedssfeer bestaat uitsluitend uit leemarm of zwak lemig fijn zand. Deze bodem is niet geschikt voor de akkerogentroost. Het plangebied zelf bestaat naast de bebouwing en verharding uit een gecultiveerd gazon en biedt vanwege de inrichting en het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor korensla. De omliggende akkers zijn wel geschikt voor de korensla. Deze akkers zullen behouden blijven en het habitat van de korensla dus ook. Conclusie In het plangebied zelf komt geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten voor. Hierdoor is uitgesloten dat er verstoring van beschermde plantensoorten zal plaatsvinden ten gevolge van de werkzaamheden.
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 5 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 1 vleermuissoort, 2 marterachtigen en 2 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort Gewone dwergvleermuis
Afstand plangebied 0-2 km
Habitat en bescherming Vooral bebouwing, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De bomen in het plangebied zijn tijdens de veldbezoeken intensief gecontroleerd op holtes, gaten of loshangende schors, waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Overige bomen in de omgeving van het plangebied zijn niet nader onderzocht, maar staan op dusdanige afstand van de voorgenomen werkzaamheden dat mogelijke verblijfplaatsen niet verstoord worden. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De woning beschikt niet over een spouw. Wel is er een dakbeschot aanwezig onder het pannendak. Deze is echter niet bereikbaar vanwege het vulschuim dat onder de overhangende kopgevelpannen aanwezig is. Ook de schuur is niet toegankelijk voor vleermuizen. Tussen het golfplaten dak en de wand is bouwschuim aanwezig, waardoor de ruimte tussen de golfplaten en de wand afgesloten is. Ook zijn er geen andere mogelijke verblijfplaatsen waargenomen, zoals een losse loodslab of dakpan, kieren en gaten bij gordingen of ruimte achter de windveren.
Vulschuim onder de overhangende kopgevelpannen
Bouwschuim tussen de wand en het golfplaten dak
Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. De zuidelijk gelegen bomenlaan langs de Hoogstratensebaan zou kunnen fungeren als een vliegroute. Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of voedselgebied zelfs niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoort is afhankelijk van de hoeveelheid licht, de lichtkleur en de gevoeligheid van een soort voor licht. Wit, blauw en groen licht is door het aandeel Uv-licht veel verstorender dan rood licht. Verlichting kan door verstoring van het gedrag van insecten ook hun voortplanting verstoren, waardoor ook het voedselaanbod voor vleermuizen afneemt. Tijdens de zowel de aanleg- als de gebruiksfase dient rekening te worden gehouden met het gebruik van kunstlicht. Idealiter wordt enkel bij daglicht gewerkt in de aanlegfase. Indien kunstlicht nodig is in een van beide fases, dan kan het gebruik van amberkleurige of rode LED-verlichting met een scherpe lichtbundel de onnodige verstrooiing en daaropvolgende verstoring door licht voorkomen.
Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Bunzing Steenmarter
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Landschapselementen die het plangebied tot een geschikt leefgebied maken voor marterachtigen ontbreken geheel. Het plangebied is te kort gemaaid en onderhouden en wordt schoongehouden. Daardoor zijn er voor marterachtigen geen ruigtehoekjes aanwezig om te schuilen. De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van deze. Er zijn geen geschikte ingangen voor marterachtigen om de bebouwing te betreden, waardoor er geen schuilplaatsen voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn in de bebouwing. Zodoende is het uitgesloten dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het leefgebied van marterachtigen. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat.
Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Edelhert Eekhoorn
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor het edelhert. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. Wel dient in zowel de aanleg- als de gebruiksfase rekening te worden gehouden met het
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 gebruik van kunstlicht. Door het gebruik van verlichting met een scherpe lichtbundel of kappen kan onnodige verstrooiing voorkomen worden. In het plangebied komen geen marterachtigen voor. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.
5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Bescherming categorie* en habitat
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Oehoe Ooievaar Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief
0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
4, boom bewonend 3, boom of gebouw bewonend 2, boom bewonend 3, gebouw bewonend 4, boom bewonend 1, gebouw bewonend 4, boom bewonend
4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust - en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 Op de onderzoek locatie zijn de holtes zijn afgesloten met vul- dan wel bouwschuim waardoor er geen geschikte nestplaatsen voor gierzwaluwen in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast is het invloedsgebied van de ingreep verder enkel sporadisch bebouwd. Als koloniebroeders zijn dan ook geen nestgelegenheden aanwezig die verstoord zouden kunnen worden door licht, trillingen of geluid afkomstig van de werkzaamheden. Gierzwaluwen foerageren hoog in de lucht boven open wateren, veengebieden, moerassen en gemaaide graslanden. Het foerageren van gierzwaluwen uit de nabijgelegen dorpskernen zal niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Huismussen zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden.
De huismus gebruikt ’s winters vooral groenblijvende struiken, dichte begroeiing zoals meidoornhagen, ligusterhagen en haagbeukhagen met een hoogte van doorgaans 2 á 3 meter of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen. Soms zijn ze nog steeds onder dakpannen of in gebouwen te vinden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. De pannen van het zadeldak steken door in de goot, waardoor de eerste rij pannen niet meer toegankelijk is voor huismussen. Verder is het pannendak is goede staat, zonder losliggende pannen. Tussen de wand en het dak van de schuur is een muurplaat aanwezig. De golvingen tussen de planken wand en het dak van de aanbouw zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Er zijn in het plangebied geen geschikte nestplaatsen voor huismussen aanwezig. De vegetatie in het plangebied zal zo veel mogelijk behouden blijven en met de landschappelijke inpassing worden uitgebreid. Rondom de nieuwe woning zal onder andere een groensingel in de vorm van een haag worden aangeplant en zuidelijk ervan zal groenstructuur worden aangeplant. Een rij knotwilgen ia al aangeplant.
Pannendak met de eerste rij dakpannen doorstekend in de goot
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Goede staat van het dak aan de oostzijde van de woning
20
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680
Muurplaat tussen de wand en het dak
Goede staat van het dak aan de oostzijde van de woning
Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt echter voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze drie uitgesloten kan worden.
Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Tevens is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Foerageermogelijkheden voor steenuil en kerkuil zullen met de landschappelijke inpassing niet verslechteren. De oehoe is een aanpasbare soort welke voorkomt in zeer uiteenlopende leefgebieden. Volwassen oehoes zijn plaatstrouw en blijven doorgaans hun gehele leven in hetzelfde territorium. Tijdens de zwerffase kunnen jonge oehoes grote afstanden afleggen in hun zoektocht naar een geschikt territorium. Nestplaatsen bestaan doorgaans uit vrij aanvliegbare holtes in bomen, maar ook in gebouwen zolang als er weinig menselijke activiteit is. In het plangebied en het invloedsgebied zijn geen geschikte nestplaatsen aanwezig. Gezien het opportunistische dieet van de oehoe is het mogelijk dat deze foerageert in de omgeving van het plangebied.
Ook de foerageermogelijkheden van de oehoe zijn niet in het geding ten gevolge van de werkzaamheden. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Er zijn geen nesten van roofvogelsoorten aangetroffen in de bomen. In het invloedsgebied zijn wel bomen aanwezig waar in de toekomst mogelijk een boombewonende roofvogel een nestplaats zou kunnen vinden. Met de beoogde landschappelijke inpassing zal het habitat in de toekomst niet verslechteren. Het een deel van het noordelijke grasland zal kruidenrijk worden ingezaaid. Dit heeft een
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 positief effect op het leefgebied van prooidieren van roofvogels, met name kleine zoogdieren zoals de veldmuis. De slechtvalk broedt bij voorkeur in hoge gebouwen (>4 verdiepingen). Er is voor de slechtvalk geen geschikte habitat aanwezig in het plangebied. Het is dus uit te sluiten dat de werkzaamheden een negatief effect zullen hebben op roofvogelsoorten. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden.
De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen. Conclusie Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Soortgroep en bescherming
Alpenwatersalamander Boomkikker Kamsalamander
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Knoflookpad Poelkikker
0-2 km 0-2 km
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snelstromend of rijk aan vis is. De overwinteringshabitat bestaat voornamelijk uit loofbossen en de hagen en struwelen in kleinschalige landschappen. De dieren overwinteren dan onder de bladeren. Akkers en intensief benut grasland wordt gemeden. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit akkers en intensief benut grasland, waardoor de alpenwatersalamander hier niet voor zal komen. Boomkikker De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. Buiten de voortplantingstijd leven boomkikkers op het land en ook tijdens de voortplantingstijd zitten ze overdag vaak in de oevervegetatie of aangrenzend struweel. Er is geen geschikt habitat voor de boomkikker aanwezig in het plangebied en het invloedsgebied.
Kamsalamander Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke vennen en in leemputten. Net als de alpenwatersalamander zal de kamsalamander niet voorkomen in het invloedsgebied van de ingreep omdat dit bestaat uit akkerbouwgronden. Knoflookpad De knoflookpad is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren. Het is een bedreigde soort, die maar op een paar plekken voorkomt. Daar gaat hij ook nog eens sterk achteruit. De soort heeft een voorkeur voor agrarisch gebied, ruderaal terrein (zoals volkstuinen), rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. De soort wordt ook relatief vaak gemeld op en rond infrastructuur (dijken, wegen en spoorlijnen). Daarnaast wordt de knoflookpad gemeld uit de randen van heideterreinen en uit bos en struweel. Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie.
Het zand moet een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Ook extensief bewerkte akkers (bijv. asperge en aardappelen) voldoen hieraan. Knoflookpadden zijn ’s nachts actief. Overdag graven ze zich in. Het gazon in het plangbied is niet geschikt voor de knoflookpad. De akkers in de directe omgeving zouden wel geschikt kunnen zijn. Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april-september) van de rugstreeppad te worden voorkomen. Een andere optie is (wanneer het plangebied in de huidige situatie nog niet geschikt was) het afzetten van het plangebied met een amfibieënscherm. Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Buiten de voortplanting zijn poelkikkers minder gebonden aan water en brengen ze de rest van het seizoen door op het land. Overwintering vindt gewoonlijk plaats op het land. De poelkikker zou in de landfase voor kunnen komen in het plangebied.
Echter is het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de poelkikker.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 Bepaalde amfibieën zoals de gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker zouden mogelijk voor kunnen komen, ook in landfase. Deze kunnen zich in de erfbeplanting en in de tuinen van het plangebied kunnen schuilhouden tussen de beplanting, tussen opgeslagen materialen en ingegraven in de grond. Het voorkomen van alpenwatersalamander, kamsalamander en boomkikker in het plangebied is uitgesloten vanwege de intensief bewerkte en bemeste directe omgeving. De knoflookpad en poelkikker zouden voor kunnen komen in het invloedsgebied van de ingreep. Voor beide soorten zal de ontwikkeling echter geen essentieel leefgebied verstoren.
Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar geen waarnemingen van nachtvlindersoorten. Er zijn 2 libellensoorten en 2 dagvlindersoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Bosbeekjuffer Gevlekte witsnuitlibel
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Grote vos
0-2 km
Grote weerschijnvlinder
0-2 km
Soortgroep en habitat Libellen, bosbeken Libellen, laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen Dagvlinder, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg
Bosbeekjuffer Bosbeekjuffers zijn te vinden langs langzaam stromende beken en rivieren met veel vegetatie. Ze geven de voorkeur aan helder, schoon water en zijn vaak te vinden bij bosrijke gebieden in de buurt van waterlichamen. In het invloedsgebied van de ingreep komt een dergelijke habitat niet voor. Gevlekte witsnuitlibel De meeste gevlekte witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. Deze biotooptypen hebben met elkaar gemeen dat het water helder, ondiep (één meter of minder), matig voedselrijk en beschut gelegen is. Zowel vegetatieloze als dichtgegroeide wateren worden gemeden. Ook dit biotoop ontbreekt in het invloedsgebied van de ingreep. Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. De genoemde biotopen en geschikte bomen ontbreken in het plangebied.
Grote weerschijnvlinder Het habitat van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Op de vliegplaatsen groeien wilgen op beschutte plaatsen in de halfschaduw en staan enkele grotere, markante bomen. In de omgeving van het plangebied zijn geen wilgen aangetroffen, daarnaast kenmerkt de omgeving zich voornamelijk door open agrarische gronden of graslanden. Algemene libellensoorten komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven. Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 Algemene vlindersoorten hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort. Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden. Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Vanwege de omliggende akkerbouwgronden komen er geen bosbeken, vegetatierijke vennen of duinplassen voor in het invloedsgebied van de ingreep. Ook ontbreekt het aan daadwerkelijke loofbossen. Hierdoor is er geen geschikt habitat aanwezig voor vlinders en libellen. Overige soorten Er zijn de laatste vijf jaar in een straal van twee kilometer rond het plangebied waarnemingen van beschermde soorten. Deze zijn terug te vinden in de onderstaande tabel. Soort Vermiljoenkever
Afstand plangebied 0-2 km
Soortgroep en habitat Kever, rottend hout
Vermiljoenkever In 2012 werd de vermiljoenkever voor het eerst aangetroffen in Nederland. De soort komt inmiddels in diverse vochtige bossen in de provincies Noord-Brabant, Limburg en Gelderland voor. De vermiljoenkever is opvallend gekleurd maar kent een zeer verborgen levenswijze. Zowel de larven als de volwassen kevers brengen het grootste deel van hun leven door onder de schors van dode bomen. Er zijn in het plangebied geen dode bomen aanwezig, waardoor de vermiljoenkever hier niet voor zal komen. Overige beschermde soorten insecten, waaronder de vermiljoenkever, zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie Amfibieën, reptielen en vissen zullen niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Vanwege de nabijgelegen agrarische percelen ontbreekt het aan de geschikte habitattypes voor reptielen. In het invloedsgebied ontbreekt het aan oppervlaktewater waar beschermde vissoorten van afhankelijk zijn. Voor amfibieën is het ontbreken van het oppervlaktewater ook ongunstig. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen.
Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. De in de omgeving staande waardplanten blijven allemaal behouden.
5.3 Houtopstanden Volgens artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Er zijn binnen het plangebied geen houtopstanden die middels het planvoornemen zullen verdwijnen. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Wet natuurbescherming.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680
6. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna met de werkzaamheden verstoord worden. Met de sloop van de woning en de schuur zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De te slopen bebouwing is volledig afgesloten voor beschermde diersoorten en is volledig ongeschikt voor verblijf- schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten. De potentiële vliegroute langs de Hoogstratensebaan zal behouden blijven door zo min mogelijk gebruik te maken van kunstlicht in zowel de aanleg- als de gebruiksfase en door de verstrooiing van kunstlicht te voorkomen. De foerageermogelijkheden voor vogels in het invloedsgebied zullen met de landschappelijke inpassing niet afnemen. Bepaalde beschermde amfibieën zouden in het invloedsgebied in de landfase voor kunnen komen. Echter zal ook voor hen de kwaliteit van het leefgebied niet afnemen. De aanwezigheid van beschermde ongewervelden wordt op voorhand uitgesloten. Met de ingreep worden geen Natura-2000 of NNN-gebieden aangetast. Door het aanleggen van een tuin rondom en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming o De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied.
Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680 Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen. Voor de ontwikkeling van het plangebied Schrans 2 raden wij de volgende natuur inclusieve maatregelen aan: o Veel vleermuissoorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestgelegenheid, maar onze huizen en verdere bebouwing worden steeds dichter. Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik van al bestaande holtes, zoals spleten en spouwen. Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter- of kraamverblijfplaats).
Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een verblijfplaats. Naast het plaatsen van vleermuisvoorzieningen kunt u ook ruimtes in het gebouw vrijlaten voor vleermuizen. Denk hierbij aan open stootvoegen om de spouw toegankelijk te maken, ruimte achter de gevelbetimmering te laten of ruimte maken in (dubbele) daklijsten. o Op plaatsen waar wegen niet intensief gebruikt wordt, zoals parkeerplaatsen kan er halfbestrating worden gebruikt. De openingen tussen de stenen biedt ruimte aan planten die tolerant zijn voor betreding. De vegetatie ontwikkelt zich vanzelf, maar kan met inzaaien worden bevorderd. De planten zorgen voor zaden en insecten die weer dienen als voedsel voor vogels.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
27
Ecologische quickscan Schrans 2 Castelré, BE-0680
7. BRONNEN
Websites www.atlasleefomgeving.nl www.brabant.nl www.floron.nl www.natuurmonumenten.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.NDFF.nl www.ravon.nl www.waarneming.nl www.waarneming.be www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.wetnatuurbescherming.nl www.wikipedia.nl
Andere bronnen Checklist vleermuisprotocol Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk groene bureaus
Bijlagen Bijlage 1: de verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: de beschermde soortenlijst par 3.2 Wet natuurbescherming Bijlage 3: de beschermde soortenlijst par 3.3 Wet natuurbescherming
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
28
Bijlage D: geactualiseerde AERIUS-Berekening realisatiefase
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Van Dun Advies Raadhuisstraat 32, 5126 CJ Gilze Schrans 2 Castelré 22115
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RhnLGysWEVTC 04 juli 2024, 15:19 OwN2000-rekengrid incl. eigen rekenpunten
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Realisatiefase Schrans 2 Castelré - Beoogd Realisatiefase Schrans 2 Castelré - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RhnLGysWEVTC (04 juli 2024)
2024 -
1,4 kg/j
48,0 kg/j
2/8
Projectberekening
Realisatiefase Schrans 2 Castelré (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 3 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Mobiele bronnen Verkeersnetwerk
RhnLGysWEVTC (04 juli 2024)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
82,4 g/j 1,3 kg/j
14,7 kg/j 33,3 kg/j
3/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RhnLGysWEVTC (04 juli 2024)
4/8
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Realisatiefase Schrans 2 Castelré" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RhnLGysWEVTC (04 juli 2024)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/8
Projectberekening
Per eigen rekenpunt
Naam
Coördinaat
8
Historische fortengordels van Antwerpen als vleermuizenhabitat. (22 km) Kalmthoutse Heide (21 km)
9
Kalmthoutse Heide (21 km)
7
Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen (13 km)
11 5
Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden (24 km) De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld (10 km)
6
Klein en Groot Schietveld (10 km)
1
Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop (2 km) Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout (9 km)
X:95567 Y:366722 X:90873 Y:380116 X:90774 Y:381639 X:114851 Y:367909 X:119327 Y:358242 X:103141 Y:376320 X:103140 Y:376318 X:113121 Y:378974 X:120708 Y:379315 X:114981 Y:372751 X:120778 Y:377601
10
2 3 4
RhnLGysWEVTC (04 juli 2024)
Het Blak, Kievitsheide, Ekstergoor en nabijgelegen Kamsalamanderhabitats (9 km) Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout (9 km)
Projectbijdrage (mol N/ha/jr)
-
6/8