Bijlage 2 -Toelichting TAM-IMRO
Tekst van het document
Pagina 43 van 61
Afbeelding 16: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Baarle-Nassau inventarisatie bouwkunst en stedenbouw
Afbeelding 17: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Baarle-Nassau inventarisatie cultuurlandschap
Pagina 44 van 61
Afbeelding 18: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Baarle-Nassau waardering Bouwkunst en stedenbouw
Afbeelding 19: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Baarle-Nassau Waardering cultuurlandschap
Uit de kaarten van de gemeente Baarle-Nassau blijkt dat binnen de planlocatie geen bouwkunst of cultuurhistorisch waardevolle stedenbouw is gelegen. Het plangebied ligt binnen het op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Baarle‑Nassau aangeduide landschapstype P0k3 – droge kampontginning, regelmatig verkaveld. Dit landschapstype wordt gekenmerkt door hogere, droge dekzandgronden met een rechtlijnig, rechthoekig verkavelingspatroon, erven langs wegen en paden en de afwisseling van open akkers met perceelsranden in de vorm van sloten, hagen, houtwallen en bomenrijen. Het betreft een cultuurlandschap van gemiddelde waarde. Het huidige agrarische erf met bedrijfswoning en agrarische bedrijfsgebouwen sluit hier niet volledig bij aan door de grootschalige, moderne stal welke qua maat en schaal afwijkt van de historische kleinschaligheid van het kampontginningslandschap.
Pagina 45 van 61
De voorgenomen ontwikkeling houdt in dat de bestaande veehouderij wordt beëindigd en wordt omgezet naar een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, in combinatie met twee woonfuncties. Daarbij wordt een deel van de huidige, met name grotere en ruimtelijk dominante stallen gesloopt. De resterende bebouwing wordt binnen het bestaande erf benut voor het nieuwe agrarische gebruik en de woonfuncties. Daarnaast wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd, gericht op het versterken van de kenmerkende structuur van de droge kampontginning, onder meer door het accentueren van perceelsgrenzen met streekeigen beplanting en het vergroenen van het erf. Omdat de historische verkaveling volledig behouden blijft, de bebouwing geconcentreerd wordt op het bestaande erf, storende grootschalige bedrijfsgebouwen verdwijnen en de perceels- en erfbeplanting juist wordt versterkt, wordt de ruimtelijke en cultuurhistorische structuur niet aangetast. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van het landschapstype P0k3 – droge kampontginning, regelmatig verkaveld, en deze op onderdelen zelfs versterkt. De ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de cultuurhistorische en/of archeologische waarden.
Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect cultuurhistorie en archeologie. 5.11. Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl) Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning en de (voormalige) bedrijfswoningen mogen al als zodanig worden gebruikt. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen die behouden blijven zullen deels worden gebruikt als bijgebouw behorende bij de toekomstige burgerwoningen en deels bij het kleinschalig akkerbouwbedrijf.
Dit gebruik is verglijkbaar met het huidige gebruik en dus niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. De noodzaak van een bodemonderzoek volgt voort uit artikel 22.30 van het omgevingsplan. Dat is noodzakelijk bij het realiseren van gebouwen waar
Pagina 46 van 61
mensen langer dan 2 uur per dag verblijven. Gezien binnen de planlocatie geen nieuwe gebouwen worden opgericht en geen nieuw gebruik voor een periode van 2 uur of langer wordt gerealiseerd is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Daarbij kan benoemd worden dat de gebouwen bestaand zijn en dat het daarom lastig mogelijk is om een bodemonderzoek ter plaatse uit te voeren. De beoogde ontwikkeling betreft het beëindigen van een pluimveehouderij en het omzetten van twee bedrijfswoningen tot woonfunctie. Hierbij wordt het agrarisch bouwvlak van vorm veranderd en wordt een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij, uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de bodem. 5.12. Weging van waterbelang In een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
5.12.1. Waterrelevant beleid
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
5.12.1.1.
Provinciaal beleid
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de projectlocatie niet in ‘Grondwaterbeschermingsgebied’.
Pagina 47 van 61
De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
5.12.1.2.
Beleid Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.
Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 januari 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m 2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn.
Pagina 48 van 61
5.12.1.3.
Gemeentelijk waterbeleid
Op 29 september 2020 heeft het college ingestemd met een nieuw verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025. Ter besluitvorming zal dit plan voorgelegd worden aan de gemeenteraad. In het vGRP staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de watertaken uitvoeren. De gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog willen zich nadrukkelijk profileren als groene gemeenten met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP is bepaald dat alle nieuwbouwwoningen (zowel in- als uitbreidingen) binnen de gemeente Baarle-Nassau en de gemeente Baarle-Hertog dienen te worden aangesloten op de riolering. Dit wordt afgedwongen, doordat de lozing van verontreinigd water op oppervlaktewater en in de bodem niet is toegestaan. Dit is wettelijk geregeld door middel van het lozingenbesluit Wet Bodembescherming en het Zoneringsplan. Bij de verlening van een omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichte aansluiting op de riolering. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd.
Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm voor het vervangende oppervlak en 78 mm voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden.
5.12.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de directe nabijheid van de projectlocatie zijn, ten noorden en zuiden van het plangebied Awatergangen aanwezig, zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 20: Uitsnede leggerkaart Brabantse Delta
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf de locatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak.
Pagina 49 van 61
Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
5.12.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing en erfverhardingen zullen verdwijnen. Hiervoor is er sprake van een afname in oppervlakteverhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. Afvalwater van huishoudelijke aard wordt ook in de beoogde situatie geloosd op het gemeentelijk riool. Het effect van de ontwikkeling op het waterhuishoudkundige systeem is voornamelijk positief. Er kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 5.13. Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.
5.13.1. Ondergrondse leidingen
Op de EV-signaleringskaart dient gecontroleerd te worden of er gastransportleidingen en dergelijken zijn opgenomen. In het omgevingsplan dient gecontroleerd te worden of er aanduidingen zijn opgenomen voor riooltransportleidingen en/of watertransportleidingen. Riooltransportleidingen en watertransportleidingen betreffen leidingen die geen betrekking hebben op omgevingsveiligheid maar op technische infrastructuur. In paragraaf 5.11 is reeds getoetst aan het aspect omgevingskwaliteit. In afbeelding 10 is weergegeven dat binnen of nabij de projectlocatie geen relevante (buis)leidingen aanwezig zijn. Derhalve zijn in het omgevingsplan geen beperkingen opgenomen.
5.13.2. Hoogspanningslijnen
Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.
Pagina 50 van 61
Afbeelding 21: Uitsnede RIVM-netkaart, plangebied zwart omcirkeld
Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig afbeelding 21. De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.
5.13.3. Radarverstoringsgebied
In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Aangezien er geen nieuwe gebouwen of bouwwerken worden gerealiseerd, voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl. De beoogde ontwikkeling betreft het beëindigen van een veehouderij waarbij de overtollige bebouwing gesloopt wordt. Ook worden twee woningen voorzien van een woonfunctie en wordt een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, opgericht. Het bouwvlak wordt van vorm verandert/verkleind. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve milieueffecten met betrekking tot het aspect technische infrastructuur. 5.14. Lichthinder Lichthinder vormt een relevant aandachtspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen, omdat kunstmatige verlichting kan leiden tot verstoring van zowel de omgeving als natuurwaarden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter sprake van een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie met een pluimveehouderij. Lichthinder en natuur
Pagina 51 van 61
Met het beëindigen van de pluimveehouderij verdwijnen de lichtbronnen die samenhangen met intensieve agrarische bedrijfsactiviteiten, zoals stal- en erfverlichting in de avond- en nachtperiode. De nieuwe situatie bestaat uit twee woningen met een woonfunctie en een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij. Deze functies kennen een beperkt en regulier gebruik van verlichting, voornamelijk ten behoeve van veiligheid en bereikbaarheid. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant ligt op circa 1.100 meter en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 2.800 meter afstand. Gezien de aard van de ontwikkeling, de afnemende verstoringsbron en het ontbreken van nieuwe, grootschalige lichtinstallaties met een groot bereik, is uitgesloten dat significante negatieve effecten op natuurwaarden optreden. De landschappelijke inpassing met beplanting draagt bovendien bij aan afscherming van strooilicht. Lichthinder omliggende woningen Het agrarisch bouwvlak ligt aansluitend aan een woonbestemming. Het beoogde agrarische gebruik zonder veehouderij brengt geen permanente nachtelijke activiteiten of zware terreinverlichting met zich mee. Verlichting blijft beperkt tot functionele erf- en gevelverlichting, die eenvoudig kan worden gericht en afgeschermd, zodat geen hinderlijke instraling naar omliggende woningen optreedt.
Doordat de intensieve pluimveehouderij wordt beëindigd en overtollige bebouwing wordt gesloopt, neemt de noodzaak voor omvangrijke erfverlichting af en ontstaat per saldo een rustiger en donkerder erf. Conclusie Gelet op de beëindiging van de pluimveehouderij, de beperkte en regulier toepasbare verlichting in de nieuwe situatie, de landschappelijke inpassing en de afstanden tot natuurgebieden en omliggende woningen, is geen sprake van een onevenredige toename van lichthinder en verbetert de omgevingskwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. Er is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook kunnen negatieve milieueffecten door onderhavige ontwikkeling worden uitgesloten. 5.15. Trillingen Trillingen kunnen een vorm van hinder vormen wanneer activiteiten of infrastructuur in de omgeving leiden tot voelbare of hoorbare vibraties. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de mate van trillinghinder echter zeer beperkt, zowel voor de omliggende omgeving als voor de bestaande woningen binnen de planlocatie. Met het beëindigen van de pluimveehouderij vervallen activiteiten die mogelijk incidenteel trillingen konden veroorzaken, zoals het gebruik van zware machines of aan- en afvoerbewegingen in de nachtelijke uren. De nieuwe situatie bestaat uit twee bestaande woningen met een woonfunctie en een agrarisch bedrijf zonder veehouderij.
Deze bedrijfsvoering omvat lichte agrarische werkzaamheden die geen structurele bron van trillingen vormen. De frequentie en intensiteit van zwaar verkeer op het erf nemen af, omdat grote transportbewegingen van en naar een pluimveebedrijf niet langer plaatsvinden. De herinrichting van het bouwvlak en de sloop van overtollige bebouwing hebben evenmin invloed op het ontstaan of versterken van trillingbronnen. De woningen die onderdeel uitmaken van de planlocatie zijn bestaande gebouwen die reeds lange tijd in dezelfde fysieke en functionele omgeving staan. Er zijn geen externe bronnen aanwezig die tot relevante trillingsniveaus leiden. In de directe omgeving bevindt zich geen spoorlijn, zware industrie of luchthaven, waardoor structurele bodemtrillingen zijn uitgesloten. Ook het nieuwe agrarische gebruik brengt geen activiteiten met zich mee waarbij zware machines langdurig of intensief worden ingezet. De verwachte trillingsbelasting blijft daarmee ruim beneden de drempelwaarden waarbij hinder of schade kan optreden. De ontwikkeling leidt niet tot relevante trillinghinder. Zowel de bestaande woningen op de locatie als de omliggende omgeving worden niet blootgesteld aan nieuwe of intensievere trillingbronnen. Er is voor wat betreft het aspect trillingen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ook vallen negatieve milieueffecten door onderhavige ontwikkeling uit te sluiten.
Pagina 52 van 61
5.16. Ontplofbare oorlogsresten Ontplofbare oorlogsresten (OO) kunnen bij grondroerende werkzaamheden een veiligheidsrisico vormen. Landelijk en gemeentelijk beleid schrijft daarom voor dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of sprake kan zijn van een verhoogd risico en of nader onderzoek noodzakelijk is. De gemeente Baarle‑Nassau beschikt over een risicokaart met locaties waar, op basis van historisch onderzoek, een verhoogde kans op niet‑ontplofte explosieven uit de Tweede Wereldoorlog bestaat. Deze kaarten en de achterliggende risico‑inventarisaties worden volgens de landelijke richtlijnen gebruikt om te bepalen of bij een project aanvullend onderzoek naar OO nodig is.
Afbeelding 22: Risicokaart Baarle-Nassau
De planlocatie aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 ligt in een bestaande agrarische/woonomgeving langs de weg, waar reeds langdurig bewoning en agrarisch gebruik aanwezig is. De locatie is gelegen in een NGE-risicogebied voor geschutmunitie en diverse hoofdgroepen n.a.v. grondgevechten. De beoogde ontwikkeling omvat de sloop van diverse bestaande schuren en opstallen, zoals weergegeven op de situatietekening in de bijlage. Deze bebouwing staat hier al geruime tijd, waardoor de onderliggende bodem bij de bouw en aanleg van funderingen, verhardingen en leidingen reeds intensief is geroerd. Bij dergelijke eerdere werkzaamheden zouden aanwezige explosieven naar verwachting al zijn aangetroffen. De voorgenomen sloopwerkzaamheden vinden bovendien hoofdzakelijk plaats binnen de bestaande bouwmassa en kennen geen diepgaande grondroering buiten de reeds verstoorde zones. Gelet op het feit dat de gronden reeds eerder zijn bebouwd en geroerd, de ligging in bestaand bebouwd gebied langs de Oordeelsestraat en het ontbreken van aanwijzingen uit gemeentelijk risicobeleid dat hier sprake is van een specifiek verdacht gebied, wordt het risico op het aantreffen van ontplofbare
Pagina 53 van 61
oorlogsresten bij de voorgenomen sloop als zeer gering ingeschat. Aanvullend specifiek onderzoek naar OO wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Uiteraard blijft de algemene meldingsplicht gelden indien tijdens de werkzaamheden onverwacht verdachte objecten worden aangetroffen. 5.17. Gezondheid Gezondheid betreft een relevant component in de fysieke leefomgeving. Onder andere de veehouderijen in de omgeving en het woon- en leefklimaat zijn relevant in het kader van een ruimtelijke procedure.
5.17.1. Endotoxinen en volksgezondheid
Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Enkele relevante onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a.
gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De ontwikkeling voorziet in een algehele verbetering van de volksgezondheid in de directe omgeving aangezien de pluimveehouderij wordt gesaneerd. Hierdoor ontstaat een verlaging van de geurbelasting en fijnstofbelasting in de omgeving. Aangezien endotoxine een onderdeel is van fijnstof, betekent dit automatisch ook dat de endotoxinewaarde in de omgeving aanzienlijk wordt verminderd. De sanering van de pluimveehouderij leidt daarmee tot een algehele verbetering in het kader van volksgezondheid. Zoals bovenstaand al is beschreven is op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof.
Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden, zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevant component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: ▪ Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; ▪ Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; ▪ Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Maximaal wordt een endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De dichtstbijzijnde varkens- en pluimveehouderijen zijn gelegen aan de Oordeelsestraat. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes
Pagina 54 van 61
naar de omgeving verspreiden zijn in het Toetsingskader endotoxinen op basis van de fijnstofemissie afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde pluimvee- of varkensbedrijf van enige omvang is gelegen aan de Heikant 12 te Baarle-Nassau en heeft een fijnstofemissie van 5.014 kg per jaar. Dit betreft een vleeskuikenhouderij. Op basis van het Endotoxine Toetsingskader 1.0 is de minimale richtafstand bepaald op 429 meter. De feitelijke afstand tussen dit pluimveebedrijf en de woningen aan de Oordeelsestraat 66a en 68 bedraagt circa 1,2 kilometer. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstand. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van volksgezondheid sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie.
5.17.2. Geitenhouderijen Naar aanleiding van het VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 7 juli 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Hieruit reist in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag of er bij het ontwikkelen van nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, dan ook rekening gehouden moet worden met de omgekeerde werking. Hoe kan immers een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd worden en is het vanwege de risico’s voor de volksgezondheid wel wenselijk om nieuwe gevoelige functies op te richten nabij geitenhouderijen? Om die reden is er door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant een memo opgesteld waarin is in gegaan op de omgekeerde werking van het geitenmoratorium. In de omgeving van de projectlocatie, aan OordeelHeikant 1, ligt een geitenhouderij. Ten behoeve van het initiatief wordt de omgekeerde werking van het geitenmoratorium derhalve getoetst aan de hand van de memo van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant. De eerste reactie is doorgaans dat het (gemeente)beleid consequent moet zijn. Een stop op de uitbreiding van geitenhouderijen moet andersom ook doorwerken voor woningbouwprojecten.
Dit zou betekenen dat het (uit voorzorg) niet wenselijk is om nieuwe gevoelige functies op te richten binnen 2 km van geitenhouderijen. Het is echter aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken. Hierbij kan in ogenschouw worden genomen dat: ▪ In Nederland 3,5% van de ziektelast gerelateerd is aan milieufactoren. Van deze milieufactoren veroorzaakt blootstelling aan luchtverontreiniging veruit de meeste ziektelast. De in de VGOonderzoeken geconstateerde ziektelast valt in principe onder de bestaande ziektelast door milieufactoren. Er is dus geen verhoging van de ziektelast. Wel zullen er door het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij meer mensen blootgesteld worden aan stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken. ▪ Vanwege het moratorium kan het woon- en leefklimaat als gevolg van stoffen uit de geitenhouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Het moratorium houdt namelijk in dat de bestaande geitenhouderijen mogen blijven en daarmee de huidige gezondheidslast voorlopig aanvaard wordt. Tegelijk wordt onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak om over enkele jaren de risico’s te kunnen verminderen of voorkomen.
▪ Welke stoffen (bron/emissie) de oorzaak zijn van de verhoogde kans op longontsteking rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers nog niet worden aangegeven. Er worden ook geen uitspraken gedaan over de aanvaarbaarheid van het verhoogde risico op longontsteking. Het gevolg hiervan is dat er nog geen verband kan worden gelegd tussen een maximale blootstelling en de al dan niet aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Er is dus geen wettelijk toetsingskader met normen die beschermen tegen het risico op longontsteking vanwege de geitenhouderij en daarom is formeel geen normoverschrijding in het geding. Dit concludeert ook de Raad van State in de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011): ondanks dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er gezondheidsschade kan optreden, hoeft een gemeente daar niet aan te toetsen als dat niet in de regelgeving is verwerkt. ▪ Hieruit kan nog een parallel worden getrokken met het landelijk beleid. Deze kent de regel ‘niet-in-betekenende-mate (nibm)’, welke een kleine toename van de concentratie fijnstof in
Pagina 55 van 61
de buitenlucht toelaatbaar acht. Er is wel sprake van een kleine verslechtering van het woonen leefklimaat, maar deze wordt acceptabel geacht in de wetenschap dat de beperkte verhoging van concentraties fijnstof in de buitenlucht door nationaal generieke maatregelen op termijn worden gecompenseerd. Gebruikmakend van voorgaande overwegingen kan een gemeente de afweging maken om toch medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van enkele woningen of een kleine woonwijk in de nabijheid van een geitenhouderij. Deze woningen mogen dan niet dichter bij de geitenhouderij gebouwd worden dan de al bestaande woningen (alleen inbreiding toestaan). De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden immers vooralsnog aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De kortste afstand tussen het bouwvlak van de geitenhouderij aan Oordeel-Heikant 1 en de projectlocatie bedraagt circa 350 meter. Hiertussen liggen echter reeds bestaande woningen. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat hierbij gaat om reeds bestaande woningen bij een voormalige veehouderij.
Op basis hiervan kan de gemeente overwegen om medewerking te verlenen aan het initiatief. Daarbij kan vermeld worden dat op de locatie aan de Oordeel-Heikant 1 feitelijk slechts enkele hobbygeiten worden gehouden. Er is feitelijk geen sprake van een bedrijfsmatige geitenhouderij.
5.17.3. Spuitzones
In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de projectlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste (overdrachts)maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk.
Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De werking van bovengenoemde maatregelen wordt bevestigd uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2023:269) waarvoor een onderzoek is uitgevoerd door het RIVM. Uit het onderzoek komt als conclusie dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt waarbij neerwaartse bespuiting wordt toegepast. Dit is tevens bevestigd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Dit heeft er mede mee te maken dat telers zich houden aan bovengenoemde afspraken. De (voormalige) agrarische bedrijfswoningen die in het kader van dit plan worden omgezet naar burgerwoningen, grenzen direct aan omliggende landbouwgronden.
Daarmee wordt formeel niet voldaan aan de in jurisprudentie vaak gehanteerde richtafstand van 50 meter tussen gevoelige functies en gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat deze richtafstand met name relevant is voor open teelten die verticaal worden bespoten,
Pagina 56 van 61
zoals bijvoorbeeld in boomgaarden. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden of vergelijkbare teelten voor. Het aangrenzende agrarisch gebruik bestaat uit grondgebonden teelten, waarbij uitsluitend neerwaarts wordt gespoten. Dit type bespuiting brengt in vergelijking met opwaartse of horizontale bespuiting aanzienlijk minder drift met zich mee, zeker in combinatie met het gebruik van driftarme doppen en het hanteren van spuittechnische voorschriften. De zones zijn er vanuit de bestaande situatie, en zijn er na de wijziging nog steeds. Om de volksgezondheid te beschermen en de korte afstand tot de gronden te kunnen verklaren, is er in de landschappelijke inpassing zodanig aanpassingen gemaakt met haag en bomen, dat de afstand tot aan de spuitzones gerechtvaardigd is. Bovendien betreft het hier bestaande woningen die al jaren op deze locatie aanwezig zijn en nu enkel planologisch worden omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. De woningen komen daarmee niet dichter op de landbouwgronden te liggen dan in de huidige situatie het geval is.
Gelet op het bovenstaande, in combinatie met de aard van de teelten, het beperkte driftpotentieel van neerwaartse bespuiting, het ontbreken van boomgaarden in de directe omgeving en het feit dat sprake is van bestaande bebouwing, kan worden geconcludeerd dat de planologische omzetting van de (voormalige) bedrijfswoningen geen belemmeringen vormt ten aanzien van spuitzones.
5.17.4. Conclusie
Op basis van de beschikbare onderzoeksresultaten en de kenmerken van de omgeving kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit het oogpunt van volksgezondheid. Met de sanering van de pluimveehouderij neemt de emissie van fijnstof en daarmee ook van endotoxinen aantoonbaar af, wat leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit en een vermindering van mogelijke gezondheidseffecten voor omwonenden. Daarnaast wordt ruimschoots voldaan aan de in het endotoxinetoetsingskader gehanteerde richtafstanden ten opzichte van het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf, zodat ook vanuit dat perspectief geen overschrijding van aanvaarde gezondheidsrisico’s aan de orde is. In de omgeving is een geitenhouderij aanwezig, maar de planlocatie ligt niet dichter bij deze veehouderij dan reeds bestaande woningen. Bovendien betreft het feitelijk een hobbymatige geitenhouderij. Gelet op de uitgangspunten van het geitenmoratorium, de jurisprudentie en de daaruit volgende beleidsvrijheid voor gemeenten, kan in redelijkheid worden gesteld dat de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige toename van gezondheidsrisico’s en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
Ten aanzien van spuitzones geldt dat de omliggende gronden worden gebruikt voor grondgebonden teelten met neerwaartse bespuiting, waarbij in de praktijk gebruik wordt gemaakt van driftarme doppen en spuittechnische voorschriften. Er zijn geen boomgaarden of vergelijkbare teelten met opwaartse bespuiting aanwezig. Bovendien gaat het om bestaande woningen die planologisch worden omgezet naar ‘Wonen’, zonder dat de feitelijke afstand tot de landbouwgronden afneemt. Alles overziend vormt het plan geen belemmering vanuit het oogpunt van volksgezondheid, spuitzones en woon- en leefklimaat. Ook leidt de ontwikkeling niet tot een negatief milieueffect.
Pagina 57 van 61
6. Financiële haalbaarheid
De voorgestane ontwikkeling aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een overeenkomst nadeelcompensatie, waarbij de eventuele nadeelcompensatie voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De leges kosten worden betaald door initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 58 van 61
7. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor het beindigen van de pluimveehouderij, het omzetten van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen en het van vormveranderen van het bouwvlak aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 te Baarle-Nassau. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het omgevingsplan. Door het aanvragen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is de ontwikkeling toch mogelijk (artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze onderbouwing is getoetst aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke Omgevingsvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieu-hygiënisch aanvaardbaar is.
Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan de locaties. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 te Baarle-Nassau doorgang vinden.
Pagina 59 van 61
8. Bijlagen
Bijlage 1: Toelichting invoergegevens AERIUS-berekening Bijlage 2: AERIUS-berekening sloopfase Bijlage 3: AERIUS-berekening beoogde situatie Bijlage 4: AERIUS-berekening beoogde situatie incl. sloopfase Bijlage 5: Geurberekening achtergrond Bijlage 6: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 7: Ecologische quickscan Bijlage 8: Tekening te slopen vierkante meters Bijlage 9: Omgevingsdialoog (geanonimiseerd) Bijlage 10: Archeologisch onderzoek
Pagina 60 van 61
Pagina 61 van 61