Bijlage 2 -Toelichting TAM-IMRO
Tekst van het document
Indien een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dient bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport te worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten zoals bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet, opgenomen. Voor deze projecten moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft een plan als bedoeld in het eerste lid van artikel 16.36 van de Omgevingswet. Er dient een mer-beoordeling opgesteld te worden op basis van onder andere artikel 16.36, lid 3 van de Omgevingswet omdat het plan gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau en zorgt voor kleine wijzigingen. In combinatie met artikel 11.1, lid 3 van het Omgevingsbesluit moet er daarom een mer-beoordeling worden opgesteld. Onderstaand (in hoofdstuk 5) wordt ingegaan op alle relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving.
Dit hoofdstuk kan naast een motivering in het kader van het plan ook gezien worden als mer-beoordelingsnotitie. Met toepassing van hetgeen beschreven in hoofdstuk 5 kan worden geconcludeerd dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is. 5.2. Ladder voor duurzame verstedelijking In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 5.129g, Bkl. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het eerste lid van artikel 5.129g is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
‘ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling omdat het niet de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening betreft.
Pagina 24 van 61
5.3. Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor.
5.3.1. Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Oordeelsestraat, een weg in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau, die met name wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer tussen Baarle-Nassau en het gehucht Heikant. De weg beschikt over voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen van de toekomstige burgerwoningen en het kleinschalige akkerbouwbedrijf op een goede wijze af te wikkelen. De beoogde ontwikkeling leidt planologisch gezien bovendien tot een afname van het aantal verkeersbewegingen, aangezien de intensieve agrarische bedrijfsvoering wordt beëindigd. In de huidige situatie genereert het pluimveebedrijf structureel verkeer ten behoeve van onder andere de aan- en afvoer van voer, mest, eieren en materieel. Deze verkeersbewegingen komen in de toekomstige situatie te vervallen. Na de sanering wordt het plangebied uitsluitend nog gebruikt voor woondoeleinden en kleinschalige akkerbouw, functies die aanzienlijk minder verkeer genereren. Daarmee is sprake van een duidelijke vermindering van verkeersbelasting op de Oordeelsestraat ten opzichte van de bestaande planologische situatie. Deze ontwikkeling sluit aan bij het gemeentelijk beleid van Baarle-Nassau, waarin wordt ingezet op functieverandering van vrijkomende agrarische erven met behoud van leefbaarheid en bereikbaarheid in het buitengebied.
5.3.2. Parkeren Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen het plangebied. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. In deze richtlijn zijn parkeernormen opgenomen voor uiteenlopende functies. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een richtwaarde van 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen per woning. Beide (voormalige) agrarische bedrijfswoningen beschikken over voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Bij beide woningen is ruimschoots ruimte beschikbaar om te voorzien in minimaal drie privéparkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de geldende parkeernorm. Voor het kleinschalige akkerbouwbedrijf, waar uitsluitend sprake is van een vormverandering van het bouwvlak, geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen op het erf reeds toereikend zijn. De vormverandering leidt immers niet tot een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten, maar is uitsluitend bedoeld om het bestaande machinepark inpandig op te slaan. Er is geen sprake van uitbreiding van het areaal of intensivering van de bedrijfsvoering. Er blijft daarmee sprake van een kleinschalig agrarisch gebruik, waarvoor het bestaande parkeeraanbod afdoende is. Aanvullende parkeervoorzieningen zijn niet noodzakelijk. De ontwikkeling leidt tot een afname van verkeersbewegingen en er is voldoende parkeergelegenheid.
De ontwikkeling heeft geen negatief effect op het milieuaspect verkeer en parkeren. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 5.4. Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
Pagina 25 van 61
5.4.1. Gebiedsbescherming
De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Regte Heide en Riels laag en Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout (Belgisch Natura 2000-gebied).
De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft het Belgisch Natura 2000-gebied Arendonk, Mekrsplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout , dat op een afstand van circa 2,8 kilometer ligt. Het Nederlandse Natura 2000-gebied Regte Heide en Riels laag bevind zich op een afstand van circa 5,8 kilometer. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt.
Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). In het kader van een planologische procedure dienen de gevolgen van de ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden in de omgeving te worden betrokken. Er dient onderzocht te worden of de ontwikkeling uitvoerbaar is gelet op de bescherming van de habitats en diersoorten binnen de aangewezen gebieden. In het kader van deze beoordeling is het niet noodzakelijk om een volledige inhoudelijke toetsing van de effecten van de ontwikkeling uit te voeren, zoals dit plaatsvindt in het kader van eventuele vergunningverlening voor Natura 2000-activiteiten. Deze toetsing is aan het bevoegd gezag inzake vergunningverlening voor omgevingsvergunningen Natura 2000-activiteiten (i.c. college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant).
Het bevoegd gezag voor deze BOPA (college van burgemeester en wethouders) kan op basis van de gegevens rondom de stikstofberekening de uitvoerbaarheid beoordelen. Als een ontwikkeling niet zorgt voor een toename van stikstofdepositie is er geen sprake van een verslechtering en mag aangenomen worden dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. In het kader van de uitvoerbaarheidstoets, mag het bevoegd gezag uitgaan van de juistheid van de AERIUS-berekeningen tenzij eenvoudig zonder onderzoek is vast
Pagina 26 van 61
te stellen dat de gebruikte gegeven evident onjuist zijn. Het is niet de bedoeling dat het bevoegd gezag een volledige inhoudelijke toetsing uitvoert. Dit is immers, zoals eerder aangegeven, aan het bevoegd gezag inzake vergunningverlening voor de Natura 2000-activiteit. Deze werkwijze van uitvoerbaarheidstoets wordt beschreven in een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van Rechtbank Gelderland (uitspraak ECLI:NL:RBGEL:2025:7393, r.o. 8.2). De gemaakte opmerkingen door de omgevingsdienst zijn aangepast in de onderbouwing en bijlage met betrekking tot de stikstofberekeningen. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie waardoor voldoende aannemelijk is dat de stikstofemissie van de ontwikkeling de uitvoering van het voornemen niet in de weg staat. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlagen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
5.4.2. Soortenbescherming
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Oordeelsestraat 66a en 68 dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen
Pagina 27 van 61
niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Bovenstaande sluit de aanwezigheid van beschermde soorten echter niet uit. Om deze reden is door Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd op de planlocatie. Op basis van de quickscan zijn een aantal aanbevelingen gedaan. Onderstaand zijn deze opgenomen. - Voorkom het schijnen van kunstlicht op omliggende groenelementen en laanbeplanting - Aandacht voor zorgplicht marterachtigen en algemene grondgebonden zoogdieren - Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren - Aandacht voor zorgplicht algemene amfibieën, verwijder de afwateringskuil bij droogval of buiten voortplantingsseizoen Er zal rekening worden gehouden met bovenstaande aanbevelingen. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. De ontwikkeling zal niet leiden tot een significant negatief effect op het gebied van soortenbescherming. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten derhalve niet noodzakelijk. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. 5.5.
Activiteiten en milieuzonering Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. In het omgevingsplan worden regels gesteld voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten. De handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen.
Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijke milieuaspecten geur en geluid. De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten. Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt in gemengd gebied aangezien het gebied wordt aangegeven als een bebouwingslint en er sprake is van een sterke functiemenging in het gebied.
In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gesitueerd. Dit houdt in dat de richtafstand met één afstandsstap verkleind mag worden.
Pagina 28 van 61
De ontwikkeling betreft onder meer de sanering van de aanwezige pluimveehouderij aan de Oordeelsestraat 66a en 68, waardoor in de toekomst geen leghennen meer zullen worden gehouden. Aangezien er geen sprake meer zal zijn van een agrarisch bedrijf, dienen de bestaande bedrijfswoningen planologisch te worden omgezet naar burgerwoningen. In dat kader zal de onderliggende agrarische bestemming worden gewijzigd naar 'Wonen'. Daarnaast zal een deel van het bouwvlak van de Oordeelsestraat 66a en 68 worden toegevoegd aan het agrarisch bouwvlak van de Oordeelsestraat 66. Tegelijkertijd zal een deel van het bestaande bouwvlak van de Oordeelsestraat 66 worden verwijderd, waardoor per saldo sprake is van een vormverandering van het bouwvlak zonder vergroting van het totale bouwvlakoppervlak. Conform de VNG-publicatie bestaan er geen richtafstanden voor woonbestemmingen. Wel zijn er richtafstanden opgenomen voor agrarische percelen, waaronder akkerbouwbedrijven. Omdat hierbij sprake zal zijn van vormverandering van het bouwvlak waardoor de bedrijfsactiviteiten van het kleinschalig akkerbouwbedrijf veranderen, dient te worden bepaald of er geen nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat. Een akkerbouwbedrijf wordt op basis van de VNG-publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’ ingedeeld in milieucategorie 2.
Voor bedrijven in deze categorie geldt een standaardrichtafstand van 30 meter tot een geurgevoelig object, zoals een burgerwoning. Indien sprake is van een gemengd gebied, mag de richtafstand met één stap worden verkleind, wat resulteert in een richtafstand van 10 meter. De directe omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied, aangezien er sprake is van een combinatie van agrarische functies en burgerwoningen binnen een relatief beperkte afstand. Hierdoor is het gerechtvaardigd de richtafstand van 30 meter te reduceren tot 10 meter. Hoewel de toekomstige bestemmingen direct aan elkaar grenzen en de richtafstand formeel niet wordt aangehouden, is in dit geval sprake van een reeds bestaande situatie. De woningen zijn fysiek reeds aanwezig; de wijziging betreft uitsluitend een planologische aanpassing waarbij de voormalige bedrijfswoningen aan de Oordeelsestraat 66a en 68 worden omgezet naar burgerwoningen. De bestaande ruimtelijke situatie blijft derhalve ongewijzigd. Aan de zuidzijde van het perceel aan de Oordeelsestraat 66a wordt het bouwvlak aangepast ten behoeve van het akkerbouwbedrijf. Het gaat hierbij niet om een uitbreiding van het bouwvlak, en de bedrijfsactiviteiten komen niet dichter bij de toekomstige woningen te liggen. De nieuwe loods wordt uitsluitend gebruikt voor het opslaan van machines en werktuigen.
Er is dus geen sprake van intensief gebruik of extra verkeersbewegingen. Het bedrijf blijft bovendien kleinschalig van aard. In de beoogde situatie grenst de woonbestemming aan het bouwvlak van het agrarische bedrijf. Hierdoor wordt de richtafstand van 10 meter niet gehaald. De afstand wordt namelijk gemeten vanaf de maximale planologische mogelijkheden — dat wil zeggen: vanaf de bestemmingsgrens, die in dit geval op 0 meter ligt. Hoewel er sprake is van een bestaande situatie, verandert de functie van agrarische bedrijfswoning naar reguliere woning. Daarmee vervalt de functionele binding. Om hiermee rekening te houden, is in het bestemmingsplan een aanduiding ‘agrarisch uitgesloten’ opgenomen tot 10 meter vanaf de aangrenzende woonbestemming. Deze aanduiding zorgt ervoor dat er binnen deze zone geen agrarische bedrijfsactiviteiten mogen plaatsvinden. Op die manier wordt alsnog voldaan aan de richtafstand van 10 meter. De bebouwing binnen 10 meter van het bestemmingsvlak wordt gebruikt als bijgebouw bij de woning. Gelet op het gemengde karakter van het gebied, de afstanden tot de woningen, het ontbreken van intensieve bedrijfsvoering en de planologische status van de bestaande situatie, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is eveneens geen sprake van significant negatieve milieueffecten.
De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten van activiteiten en milieuzonering zoals bedoeld in de VNG-publicatie.
Pagina 29 van 61
5.6. Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.6.1. Toetsing normen luchtkwaliteit
Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO 2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.
Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Er worden geen nieuwe grootschalige verkeersgenererende functies toegevoegd. Integendeel, de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering leidt tot een afname van transportbewegingen zoals mestafvoer, voeraanvoer, bedrijfsverkeer en fijnstofemissie afkomstig van de pluimveehouderij. De verkeerstoename als gevolg van de omzetting naar twee burgerwoningen is verwaarloosbaar in vergelijking met het bestaande agrarisch gebruik.
Volgens artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl hoeft geen afzonderlijk luchtkwaliteitsonderzoek te worden uitgevoerd wanneer een project "niet in betekenende mate bijdraagt" (NIBM) aan de jaargemiddelde concentratie van PM₁₀ of NO₂. Een bijdrage wordt als NIBM beschouwd als deze minder bedraagt dan 3% van de grenswaarde, wat overeenkomt met: • 1,2 μg/m³ voor PM10, • 0,75 μg/m³ voor PM2,5, • 1,2 μg/m³ voor NO2.
Pagina 30 van 61
De vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van het kleinschalige akkerbouwbedrijf zal eveneens niet leiden tot een toename van vervoersbewegingen. De vormverandering heeft uitsluitend tot doel om een bestaande loods van de voormalige pluimveehouderij te betrekken bij het akkerbouwbedrijf, zodat de aanwezige machines en werktuigen inpandig kunnen worden opgeslagen. Deze aanpassing betreft een interne herverkaveling van het erf en leidt niet tot intensivering van het gebruik of uitbreiding van het areaal. Derhalve is geen sprake van extra verkeersbewegingen of emissiebronnen als gevolg van deze wijziging. Daarmee voldoet het gehele plan aan de criteria van "niet in betekenende mate" (NIBM), zoals bedoeld in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. De luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.6.2. Woon- en leefklimaat
Indien aan de grenswaarden zoals beschreven in voorgaande alinea wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Jaarlijks wordt door RIVM onderzocht wat de achtergrondconcentratie is van verschillende stoffen. Het ruimtelijke patroon van de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 toont in het noorden van Nederland en in Zeeland lagere waarden dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en de hogere aandelen van secundair fijnstof zorgen voor hogere fijnstof concentraties in zuiden en oosten van Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxiden. De waarden van de verschillende stoffen worden door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gebruikt om Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) te maken. Volgens deze kaarten wordt in Nederland bijna overal aan de wettelijke grenswaarden voldaan. Lokaal kan de grenswaarde voor fijnstof wel overschreden worden op grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en TataSteel. Ook bij gebieden met een hoge concentratie aan pluimveehouderijen kan lokaal sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.
In de omgeving van de planlocatie zijn geen pluimveehouderijen of zware industrie te vinden. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie niet worden overschreden. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,94 μg/m3, voor PM2,5 8,727 μg/m3 en voor NO2 9,785 μg/m3, zie afbeelding 7, 8 en 9.
Pagina 31 van 61
Afbeelding 7: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10
Afbeelding 8: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5
Pagina 32 van 61
Afbeelding 9: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2
Ten aanzien van de luchtkwaliteit is er ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder kan op basis van vorenstaande ook geconcludeerd worden dat er geen sprake is van significant negatieve milieueffecten door onderhavige ontwikkeling. 5.7. Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. De geluidsproductie van een kleinschalig akkerbouwbedrijf is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen van en naar het erf, alsmede van het gebruik van werktuigen en machines op het terrein. In het omgevingsplan is het aspect geluid uitgewerkt in paragraaf 22.3.4, waarin regels zijn opgenomen met betrekking tot geluid dat door een activiteit wordt veroorzaakt op of in een geluidgevoelig gebouw, voor zover deze op de betreffende locatie is toegelaten op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Wel vindt een vormverandering van het bouwvlak plaats.
Het akkerbouwbedrijf ligt direct grenzend aan het perceel van het voormalige agrarische bedrijf aan de Oordeelsestraat 66a. Door de vormverandering komen er geen bedrijfsgebouwen dichter bij woningen te liggen. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de (voormalige) bedrijfswoningen aan de Oordeelsestraat 66a en 68 reeds zijn aangemerkt als geluidsgevoelig object. Het kleinschalig akkerbouwbedrijf heeft dus al een geluidsplafond richting deze woningen. Voor wat betreft het aspect geluid wordt voldoende afstand aangehouden tussen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf en de aangrenzende woonbestemming. Tot een afstand van 10 meter vanaf de woonbestemming is een aanduiding ‘agrarisch uitgesloten’ opgenomen. Binnen deze zone zijn geen agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan. Hiermee is geborgd dat de geluidsbelasting op de woning beperkt blijft. De onderbouwing van deze keuze en de planologische borging hiervan is uitgebreid beschreven in paragraaf 5.5, onder het kopje ‘Activiteiten- en milieuzonering’.
Pagina 33 van 61
Gezien het beperkte karakter van de bedrijfsvoering, het uitsluitend inpandig gebruik van het bedrijf, en het feit dat er geen geluidsgevoelige functies worden toegevoegd en de afstand tussen de bedrijfsvoering en de (voormalige) bedrijfswoningen niet wordt verkleind, wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een verslechtering van het akoestisch milieu. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de geldende regels omtrent geluid uit het Bkl en het omgevingsplan. Met betrekking tot de (voormalige) agrarische bedrijfswoningen aan de Oordeelsestraat 66a en 68 geldt dat het gaat om bestaande woningen, die reeds in gebruik zijn als geluidsgevoelige objecten in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend een juridisch-planologische omzetting van deze woningen naar de bestemming 'Wonen', zonder fysieke wijzigingen aan de situering of bouwmassa. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd, noch worden bestaande woningen dichter bij geluidsbronnen, zoals wegen of agrarische bedrijfsactiviteiten, gesitueerd. Ook de afstand tot de as van de Oordeelsestraat blijft ongewijzigd. Gelet op het feit dat de planologische wijziging geen verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat veroorzaakt, zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geluid.
De functiewijziging is daarmee ruimtelijk aanvaardbaar in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 5.8. Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd?
5.8.1. Belemmering bedrijvigheid
Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen opgericht. De ontwikkeling betreft uitsluitend de planologische omzetting van de bestaande (voormalige) agrarische bedrijfswoningen aan de Oordeelsestraat 66a en 68 naar burgerwoningen. Beide woningen zijn in de huidige situatie reeds in gebruik als woning en blijven daarmee aangemerkt als geurgevoelig object. Op grond van het omgevingsplan geldt dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig gebouw, dat deel uitmaakt van een ander bedrijf of dat op of na 19 maart 2000 niet langer onderdeel is van een veehouderij, minimaal 50 meter dient te bedragen wanneer dit object buiten de bebouwde kom is gelegen. Deze afstand geldt voor omliggende veehouderijen reeds in de huidige situatie en blijft ongewijzigd in de nieuwe situatie. De (voormalige) bedrijfswoningen aan de Oordeelsestraat 66a en 68 worden met dit initiatief niet dichter bij omliggende veehouderijen gesitueerd. De toetsingsafstanden blijven derhalve gelijk, waardoor de planologische wijziging geen aanvullende beperkingen oplegt aan omliggende agrarische bedrijven. Binnen een straal van 50 meter zijn geen extensieve veehouderijen gelegen waarvan de bedrijfsvoering beperkt kan worden met de huidige ontwikkeling. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt op plusminus 200 meter en dit bedrijf gaat ook stoppen.
Op basis van deze afstand kan worden aangenomen dat dit voldoende is om te garanderen dat op de planlocatie meer hinder van
Pagina 34 van 61
achtergrondbelasting zal worden ervaren dan van voorgrondbelasting. Hiermee kan gesteld worden dat omliggende bedrijven niet beperkt worden door de huidige ontwikkeling. Met betrekking tot de ontwikkeling aan de Oordeelsestraat 66, waar sprake is van een vormverandering van het bouwvlak, geldt dat geen nieuwe geurgevoelige objecten worden gerealiseerd binnen het plangebied. De bestaande woning aan dit adres is reeds aangemerkt als geurgevoelig object en blijft ongewijzigd in omvang en positie. De vormverandering heeft uitsluitend betrekking op het betrekken van een bestaande loods bij het akkerbouwbedrijf en leidt derhalve niet tot extra of belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven. Algeheel kan worden geconcludeerd dat de gehele ontwikkeling niet zal leiden tot belemmeringen op omliggende agrarische bedrijvigheid.
5.8.2. Woon- en leefklimaat De aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat wordt getoetst om de gezondheid en hinder van de toekomstige bewoners binnen de projectlocatie te waarborgen. Dit is een belangrijk aspect binnen de fysieke leefomgeving en dient inzichtelijk gemaakt te worden in het kader van deze ruimtelijke procedure. Door het beëindigen van de veehouderij vervalt de voorgrondbelasting van de Oordeelsestraat 66a en 68. Met betrekking tot de achtergrondbelasting is middels V-Stacks gebied een berekening gemaakt waarbij de cumulatieve geurhinder is berekend. Voor de berekening zijn bedrijven meegenomen die een geuruitstoot hebben binnen een straal van twee kilometer rondom de geurgevoelige gebouwen. De gegevens van veehouderijen van derden zijn afkomstig uit de databestanden van KRD van de gemeentes Baarle-Nassau en Alphen-Chaam. Ook is rekening gehouden met omliggende Belgische bedrijven. Oordeelstraat 7A te Baarle-Hertog Het betreft een pluimveebedrijf dat gevestigd is op het perceel Oordeelstraat 7A te Baarle-Hertog. Voor dit bedrijf werd door de deputatie van de provincie Antwerpen een omgevingsvergunning verleend op 31 oktober 2019. Oordeelstraat 6 en 7 te Baarle-Hertog Het betreft een varkensbedrijf dat gevestigd is op de percelen Oordeelstraat 6 en 7 te Baarle-Hertog.
Voor dit bedrijf werd door de deputatie van de provincie Antwerpen een milieuvergunning verleend op 28 juni 2007. Oordeelstraat 12a te Baarle-Hertog Het betreft een varkensbedrijf dat gevestigd is op het perceel Oordeelstraat 12a te Baarle-Hertog. Voor dit bedrijf werd door het college van burgemeester en schepenen een milieuvergunning verleend op 14 april 2008. Deze invoergegevens zijn terug te vinden in de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing. Het bedrijf aan de Oordeelsestraat 62 en de projectlocatie zelf zijn niet meegenomen in de achtergrondberekening omdat deze locaties beide meedoen aan de LBV regeling. In onderstaande tabel zijn de resultaten van beide berekeningen van de beoogde bedrijfsopzet weergeven en is bepaald welke belasting het meest bepalend in de toetsing van het woon- en leefklimaat.
Pagina 35 van 61
Tabel 1: resultaten berekening milieukwaliteit GGLID Achtergrond belasting beoogd nummer 66 hoek noordwest 18,43 nummer 66 hoek zuidwest 15,72 nummer 66 hoek zuidoost 16,08 nummer 66 hoek noordoost 19,64 nummer 66a en 68 hoek noordwest 20,43 nummer 66a en 68 hoek zuidwest 16,48 nummer 66a en 68 hoek zuidoost 16,66 nummer 66a en 68 hoek noordoost 18,82
Percentage geurgehinderden beoogd
Milieukwaliteit
19% 17% 17% 20% 20% 18% 18% 19%
Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig
PRA Odournet BV heeft in opdracht van het ministerie van VROM de relatie tussen geurbelasting en geurhinder onderzocht. Aan de hand van de meest bepalende belasting is het percentage geurgehinderden berekend. Naar aanleiding van het percentage geurgehinderden kan vervolgens de kwaliteit van het woon- en leefklimaat worden berekend. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder onderstaande milieukwaliteitscriteria:
Afbeelding 10: Milieukwaliteit en geurgehinderden (bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002)
Ter plaatse van de gevoelige objecten is een matig woon- en leefklimaat aanwezig voor het aspect geur. Beoordeeld dient te worden of dit ook aanvaardbaar is. De locatie is gelegen in het buitengebied van Baarle-Nassau. In het buitengebied bestaat doorgaans meer ontwikkelingsruimte voor veehouderijen. Dit gaat gepaard met een hogere milieubelasting. Ook is de locatie gelegen binnen een concentratiegebied voor geur. De bewoners van de woningen aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 hebben nooit geuroverlast ervaren. Daarbij gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de sanering van een veehouderij waardoor het woon- en leefklimaat beter zal worden. Het is relevant om te kijken naar het gemeentelijk beleid om de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat te bepalen. Dit is beschreven in de ‘Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG – gemeenten’. Onderstaand zijn de maximale geurnormen weergeven.
Pagina 36 van 61
Afbeelding 11: Uitsnede geurnormen Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten'
De planlocatie is gelegen in Deelgebied D. Op 7 van de 8 punten wordt voldaan aan de norm van 20 OUe/m3. Enkel op de noordwestelijke hoek van nummer 66a en 68 wordt de norm net overschreden tot 20,43 OUe/m3. Van het beleid kan worden afgeweken maar er moet dan wel een goede onderbouwing hieraan ten grondslag liggen. Gezien de ligging in het buitengebied, de ligging in het concentratiegebied voor geur en de ligging in de omgeving waar ook ruimte ligt voor agrarische bedrijvigheid, is een hogere geurbelasting aanvaardbaarder op en rondom de planlocatie dan binnen een woonkern. Daarbij gaat met de beoogde ontwikkeling een bedrijf gesaneerd worden. De geurbelasting daalt hiermee aanzienlijk. Tot slot zijn de beoogde woonbestemmingen nu planologisch onderdeel van de veehouderij waardoor de woningen in de beoogde situatie ook als voormalige agrarische bebouwing kunnen worden gezien. Op dit moment wordt ruimschoots voldaan aan de geurnorm. Indien het plan niet kan worden vastgesteld zal er een veehouderij op de planlocatie kunnen blijven bestaan wat zal leiden tot een slechter woon- en leefklimaat binnen de planlocatie. Gezien vorenstaande kan het woon- en leefklimaat in de beoogde situatie als aanvaardbaar worden gezien. Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat heerst in de beoogde situatie.
Ook zijn significant negatieve milieueffecten uit te sluiten door onderhavige ontwikkeling. 5.9. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen (beperkt of zeer) kwetsbaar object of (beperkt of zeer) kwetsbare locatie opgericht. Met de ontwikkeling worden ook geen milieubelastende activiteiten gerealiseerd zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl.
Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.9.1. Beleid
Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht.
Pagina 37 van 61
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken.
De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brandof explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart.
Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes
Pagina 38 van 61
De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico. Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.
5.9.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de risicokaart, zie afbeelding 12.
Afbeelding 12: Uitsnede Risicokaart, locatie weergegeven met zwarte cirkel
Uit de risicokaart, zie afbeelding 12, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Overigens worden met het plan geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd. Plaatsgebonden risico (PR) Uit de signaleringskaart blijkt dat de ontwikkeling niet in de nabijheid van bijvoorbeeld een propaantank of buisleiding is gelegen. Aandachtsgebieden De ontwikkeling ligt ook niet binnen een brand-, explosie of gifwolk aandachtsgebied. Derhalve zijn er voor de beoogde ontwikkelingen geen belemmeringen te verwachten.
Pagina 39 van 61
De beoogde ontwikkeling betreft het beëindigen van een veehouderij waarbij de overtollige bebouwing gesloopt wordt. Ook worden twee woningen voorzien van een woonfunctie en wordt een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, opgericht. Het bouwvlak wordt van vorm verandert/verkleind. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve milieueffecten met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid. 5.10. Archeologie, cultuurhistorie en landschap Cultureel erfgoed De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed vallen: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen het behoud van archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap verplicht moet worden meegewogen in de besluitvorming. Als voor het aspect archeologie behoud in de bodem niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg worden ontsloten via archeologisch onderzoek.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan / archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan.
5.10.1. Archeologie
Wettelijk kader Zoals gezegd, is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1 bepaald dat in een (tijdelijk) omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over behoud van archeologische vindplaatsen in de bodem of archeologisch onderzoek. Om het archeologisch erfgoed te kunnen beschermen heeft de gemeente daarom een gemeentelijke archeologiekaart opgesteld. De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. Onderstaand is een uitsnede van de gemeentelijk archeologische beleidskaart toegevoegd.
Pagina 40 van 61
Afbeelding 13: Gemeentelijke archeologische beleidskaart
Conform de regels uit het bestemmingsplan en ook conform de Omgevingswet moeten de archeologische waarden van de gronden van de planlocatie in voldoende mate zijn vastgesteld. De planlocatie is gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Belangrijk is het onderscheid tussen archeologische verwachting en archeologische waarde. Een bureau- (en boor)onderzoek is verkennend van aard en niet gericht op het vaststellen van de archeologische waarde van een terrein. Er kunnen (in de regel) alleen uitspraken worden gedaan over de archeologische verwachting. Op basis van verkennend onderzoek, dus het bureau- (en boor)onderzoek, kan vrijgave volgen (bijv. o.b.v. verstoring of landschappelijke ligging), maar het kan ook blijken dat vervolgonderzoek nodig is. Indien vervolgonderzoek nodig is, dan volgt waarderend onderzoek (proefsleuven). Dit onderzoek is dus gericht op het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Uit het waarderende proefsleuvenonderzoek moet blijken: • Ofwel dat het plangebied vrijgegeven kan worden (als er geen behoudenswaardige vindplaats aanwezig is). Het archeologisch rapport en het selectiebesluit waaruit dit blijkt wordt in omgevingsvergunning opgenomen. • Ofwel dat in het plangebied een of meer behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn. In dat geval zijn er twee opties: 1.
Er is verder onderzoek nodig in de vorm van een opgraving. In dit geval dient een Programma van Eisen te worden opgesteld. Dit wordt vervolgens door de gemeente getoetst. Een goedgekeurd Programma van Eisen wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld. 2. De vindplaats wordt niet onevenredig geschaad door de voorgenomen ontwikkeling en kan in de bodem (in situ) behouden blijven. Hiervoor is een behoudsmaatregelenplan vereist. Deze wordt vervolgens door de gemeente getoetst. Een goedgekeurd behoudsmaatregelenplan wordt als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Conform het geldende omgevingsplan is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. De sloopwerkzaamheden die in het kader van de ontwikkeling plaatsvinden, zijn volledig gelegen binnen de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’. Op basis van artikel 5.5 van de Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023 geldt dat bij sloopwerkzaamheden een archeologisch onderzoeksrapport verplicht is, indien:
Pagina 41 van 61
• •
de werkzaamheden betrekking hebben op een oppervlakte van meer dan 500 m², of de werkzaamheden dieper reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld.
Met de beoogde ontwikkeling vinden grondwerkzaamheden plaats tot onder 0,4 meter van het maaiveld. Dit voor onder andere de aanleg van de landschappelijke inpassing en de sloop van de bebouwing. In totaal omvat de sloop ook en oppervlakte van ruim 3.000m2. Om deze reden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat voor het plangebied op basis van ligging en historische context aanvankelijk deels een hoge verwachting gold voor archeologische resten, met name voor perioden vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Deze verwachting is in het veld getoetst door middel van boringen. Hieruit is naar voren gekomen dat de bodem binnen vrijwel het gehele plangebied in aanzienlijke mate is verstoord, waarbij verstoringen reiken tot minimaal circa 60 centimeter en plaatselijk zelfs tot meer dan één meter diepte. Als gevolg van deze bodemverstoring wordt de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten zeer klein geacht. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren en dat er bij de verdere planvorming geen rekening hoeft te worden gehouden met archeologische waarden. De archeologische verwachting voor het plangebied kan daarom worden bijgesteld naar laag.
Wel blijft, conform de Erfgoedwet, de meldplicht van kracht indien tijdens toekomstige werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. In de bijlage is het volledige archeologisch onderzoek toegevoegd.
5.10.2. Cultuurhistorie en landschap
Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie afbeelding 14. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.
Afbeelding 14: Uitsnede omgevingsverordening Noord-Brabant ‘Aardkundige- en Cultuurhistorische waarden
De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit.
Pagina 42 van 61
De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.
Afbeelding 15: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant, plangebied zwart omcirkeld
Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de planlocatie niet is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als archeologisch of cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook de gemeente Baarle-Nassau heeft beleid omtrent cultuurhistorische waarden. De waarden op de planlocatie zijn uiteengezet op de CHW-kaart van de gemeente Baarle-Nassau, zie onderstaande uitsnedes.