CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Regionale analyse voortijdige schoolverlaten en arbeidsmarkt

Gemeenteraad (openbaar) 17 december 2025, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel - Vaststellen regionaal programma Wet van school naar duurzaam werk21.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Omdat havisten verspreid zitten over veel verschillende opleidingen, is dit een mbo(-4)-brede vraag. - Aandacht voor de begeleiding van instromende havisten in het mbo: de vraag is of havisten in het mbo andere begeleiding nodig hebben in de overstap of eerste fase van het mbo dan vmbo-leerlingen die de overstap maken. Dit vraagt om nadere verkenning tussen mbo en havo-scholen.

27 In de cijfers is geen (eventuele) instroom van havisten in de entreeopleidingen van Yonder opgenomen en ook niet de instroom in de vavo 28 Sowieso heeft de Rooi Pannen in verhouding tot het totale aantal studenten relatief de meeste havisten. Dat heeft volgens de Rooi Pannen (vooral) te maken met het type onderwijs dat zij bieden. De Rooi Pannen biedt ook tussentijdse instroommogelijkheden, maar daar wordt zeer beperkt gebruik van gemaakt. 29 Specifiek onderzoek naar de overstap van havo naar mbo ontbreekt. De genoemde aandachtspunten komen voort uit onderzoek naar factoren die bijdragen aan een succesvolle aansluiting vo-mbo. Geraadpleegd via: https://www.kennisrotonde.nl/vraag-en-antwoord/doorstroom-havo-naar-mbo

| 27

-

2.3.2

Aandacht voor monitoring: op dit moment ontbreken de cijfers om te kunnen bepalen of ongediplomeerde havisten in het mbo meer kans hebben op uitval dan (gediplomeerde) vmbo-leerlingen. Het is aan te raden dit beter te gaan monitoren. Verschillen tussen mboinstellingen kunnen aanleiding geven om nader te verkennen hoe de kennismaking, overstap en eerste periode van havisten in het mbo eruit ziet en wat men hierin van elkaar kan leren. Datzelfde geldt ook voor havo-scholen en verschillen in hoe zij havisten voorlichten over de mogelijke keuze voor en overstap naar het mbo. Instroom en uitval van nieuwkomers in het mbo

Een tweede groep waar in de regionale analyse op is ingezoomd betreft de groep nieuwkomers. De vraag is welk risico zij lopen op voortijdig schoolverlaten, wat achterliggende ondersteuningsvragen zijn en tot welke aandachtspunten dat leidt voor de regionale aanpak. In paragraaf 2.2.3 kwam al aan de orde dat voortijdig schoolverlaten in de onderbouw vo voor een belangrijk deel is toe te schrijven aan de ISK. Dat betekent dat nieuwkomers relatief vaak voortijdig schoolverlater zijn. Onbekend is in welke mate dit administratieve oorzaken heeft (zoals verhuizingen). We kunnen ook kijken naar de schoolloopbanen van nieuwkomers die doorstromen van de ISK naar mbo entree en hun kansen op uitval. We hebben hiervoor gegevens ontvangen van Yonder. Omvang instroom nieuwkomers in Entreeopleiding Van alle instroom in de Entreeopleiding van Yonder in 2022-2023 was circa 45 procent afkomstig van de ISK. Een jaar later betrof dat ruim de helft van de totale instroom in de Entreeopleiding. Het overgrote deel (75-80%) van de doorstromers van de ISK start in het verlengde Entreetraject; (bijna) alle anderen starten in het 1-jarig NT2-Entreetraject. Tussen 2022-2023 en 2023-2024 is het aantal inschrijvingen van ISK-leerlingen in de Entree fors gestegen (van 101 in 22-23 tot 151 in 23-24).

Figuur 2.17 Instroom van ISK-leerlingen in Entreeopleiding Yonder, naar type traject 160 140 120 100 80 60 40 20 0

3 122 76 22

29

2022-2023

2023-2024 Instroom ISK

1-jarig NT2 Bron: Yonder (bewerkt KBA Nijmegen)

28 |

verlengd traject NT2

regulier / NT1

Uitval van nieuwkomers in Entreeopleiding en doorstroom naar mbo-2 Van alle gestarte ISK-leerlingen in de Entree in 2022-23 valt circa 14 procent uit. De uitval van instromers uit de ISK in 2023-2024 ligt met 9 procent iets later. De uitval van nieuwkomers in de Entreeopleiding ligt daarmee lager dan gemiddeld in de Entree (29% in 22-23, 22% in 23-24). Zo is de uitval van vo-leerlingen die instromen in de Entree (veel) hoger. Een groot deel van de nieuwkomers in de Entreeopleiding stroomt door naar mbo-2, het betreft (bijna) de helft van de ISK-leerlingen die start in de Entreeopleiding. Dat is vergelijkbaar met de totale doorstroom vanuit mbo-1 naar mbo-2. Vanuit mbo-2 bekeken betreft circa 40 procent van de doorstroom mbo-1 naar mbo-2 een nieuwkomer.30 Figuur 2.18 Studiesucces in Entreeopleiding Yonder, voor herkomst ISK en totaal (N in grafiek) 100% 36

90% 80%

36

57

70% 60%

65 14

13

44

78

7

3 2023-2024

76

65

50% 40% 30%

104

139

20% 10% 0%

2022-2023 Instroom ISK diploma richting arbeid

19

14

2022-2023

2023-2024

Instroom totaal in Entree doorstroom mbo-2

uitval

nog bezig Entree

Bron: Yonder (bewerkt KBA Nijmegen).

Studiesucces van nieuwkomers op mbo-2 Voor het studiesucces van nieuwkomers die vanuit de Entreeopleiding zijn doorgestroomd naar mbo-2 kunnen we kijken naar nieuwkomers die in 2021-2022 de overstap hebben gemaakt naar mbo-2. Het betreft 48 nieuwkomers. Bijna de helft heeft in 2023-2024 een mbo-2 diploma behaald. Het percentage gediplomeerde nieuwkomers ligt veel hoger dan dat van de totale groep mbo-1 naar mbo-2 doorstromers (33%). 19% van de nieuwkomers is uitgeschreven (uitgevallen) en 10% is naar een andere opleiding buiten Yonder doorgestroomd. De rest (23%) is nog bezig met de mbo-2-opleiding. Vergeleken met de totale groep mbo-1 naar mbo-2 doorstromers is het percentage nieuwkomers dat naar een andere opleiding buiten Yonder doorstroomt lager en de uitval is vergelijkbaar. Ondanks de niet hoger dan gemiddelde uitval van voormalig ISK-leerlingen op mbo-2, is het wel een groep die om aandacht vraagt. Waar het inburgeringsplichtige jongeren betreft, betekent uitval op mbo-2 dat zij (alsnog) moeten inburgeren. Dat roept de vraag op in hoeverre het – achteraf bezien – de juiste keuze is geweest om te starten met de Entreeopleiding en de mbo-2-opleidingen. Inburgeren in de zelfredzaamheidsroute (Z-route) was mogelijk een betere keuze geweest.

30 Gedefinieerd als: afkomstig van de ISK.

| 29

Figuur 2.19 Studiesucces van doorstromers mbo-1 naar mbo-2, voor herkomst ISK en totaal (N in grafiek)

ISK doorstroom (mbo-1 naar mbo-2)

22

Totaal doorstroom mbo-1 naar mbo-2

9

48

0%

10%

20%

25

30%

40%

5

35

50%

60%

70%

Diploma mbo-2 (inclusief doorstroom mbo-3/4)

Uitgeschreven

Doorstroom buiten Yonder

Nog bezig mbo-2 of verlenging

80%

11

1

34

1

90% 100%

Onbekend Bron: Yonder (bewerkt KBA Nijmegen)

We concluderen dat ISK-leerlingen een groot deel uitmaken van de totale instroom in de Entreeopleidingen en dat hun studiesucces beter is dan dat van andere Entreestudenten. De ISK-leerlingen die na de Entreeopleiding doorstromen naar mbo-2 halen daar vaker een mbo-2 diploma in vergelijking met de totale groep doorstromers vanuit de Entree. In de gesprekken en de regionale sessies wordt benoemd dat de arbeidsmarkt (ondanks dit mbo-2-diploma) ervaart dat nieuwkomers nog onvoldoende de Nederlandse taal beheersen. Voor de nieuwkomers die uitvallen op mbo-2 leidt dit tot vragen over welke route meer passend zou zijn, gezien het feit dat een (groot) deel inburgeringsplichtig is. Doelgroep en aandachtspunten In de gesprekken komt de diversiteit van de doelgroep nieuwkomers aan bod. Die diversiteit is er op een aantal kenmerken: - In ‘type’ nieuwkomer, waarin (grofweg) het onderscheid te maken is tussen asielzoekers, statushouders, amv’ers, arbeidsmigranten en Oekraïners. Belangrijke aspecten hierbij zijn of de jongere wel/geen status heeft, wel/niet inburgeringsplichtig is en of de jongere wel/niet recht heeft op studiefinanciering (Oekraïners hebben dan niet).

- In problematiek en ondersteuningsvragen: dat richt zich zowel op de beheersing van de Nederlandse taal, de cognitieve capaciteiten, de aanwezigheid van trauma’s en de vraag of en hoe lang jongeren al geen onderwijs meer hebben gevolgd. Betrokkenen merken op dat er een groei is van nieuwkomers die geen of zeer weinig onderwijs hebben gevolgd (bv. omdat zij jarenlang in vluchtelingenkampen hebben gewoond). Deze jongeren zijn praktisch analfabeet, missen sociale en emotionele binding en functioneren niet (goed) in een schoolse setting. Het leidt tot een toenemend aantal nieuwkomers dat problematisch gedrag laat zien in het onderwijs. - In motivatie om onderwijs te volgen. Lang niet alle nieuwkomers zijn gemotiveerd om onderwijs te volgen. Dat kan verschillende oorzaken hebben: jongeren die geld 30 |

willen/moeten verdienen (bv. sparen voor gezinshereniging), jongeren die door het lage taalniveau het onderwijs dat ze volgen niet begrijpen en gedemotiveerd raken en/of jongeren die liever leren in de praktijk. Knelpunten in het onderwijs aan nieuwkomers Grootste knelpunt in het onderwijs aan nieuwkomers is niet het aantal onderwijsplekken (dat is, anders dan in sommige andere regio’s, voldoende), maar wel het aantal passende plekken. Onderliggende knelpunten hierbij zijn: - Het taalniveau in het vervolgonderwijs (d.w.z. het onderwijs waar leerlingen na de ISK naar uitstromen) is voor veel nieuwkomers te hoog. Het Nederlandse onderwijs is erg talig ingericht, met bv. toetsing in het Nederlands. Het leidt voor een deel van de nieuwkomers tot plaatsing in een ‘lager’ onderwijsniveau dan zij cognitief aankunnen. Er is behoefte aan onderwijsaanbod op een hoger niveau met extra taalonderwijs/NT2. Bv. op havoniveau, maar mogelijk ook op mbo-2/3/4. In de volle breedte is er onvoldoende extra taalondersteuning voor nieuwkomers op de vervolgplek. Zo is bijvoorbeeld ook het praktijkonderwijs handelingsverlegen bij nieuwkomers van wie het Nederlands onder A2-niveau ligt. - Er is onvoldoende aanbod aan meer praktijkgerichte routes voor nieuwkomers, waarin zij het onderwijs én de taal kunnen leren op de werkvloer.

Ingewikkeld hierbij is belemmerende wet- en regelgeving (wat mag wel/niet binnen het vo, wat zijn eisen vanuit inburgering, etc.). Wens is om meer in te zetten op bbl-routes binnen de Entreeopleiding voor nieuwkomers, meer inzet van praktijkleren / praktijkverklaringen en routes waarin onderwijs en inburgering wordt gecombineerd (bv. Entree i.c.m. inburgeren volgens Z-route). Kwalificering is een belangrijk aspect in de vormgeving van deze routes, vanwege het civiel effect. - Het vormgeven van doorgaande leerlijnen kan beter. Er is een breed gedragen wens om meer en beter na te denken over wat voor jongeren de meest passende route is na uitstroom uit de ISK. Hiervoor is meer (structurele) afstemming nodig tussen zowel ISK’s in de regio, (vervolg)onderwijs, swv vo en gemeente. Oplossingsrichtingen Op basis van de hiervoor genoemde knelpunten worden door betrokkenen de volgende oplossingsrichtingen en aandachtspunten benoemd: - Formaliseren van de rol van de ISK als expertisecentrum. ISK kan hierin het (vervolg)onderwijs ondersteunen door (1) signalering en advies (meedenken), (2) deskundigheidsbevordering (o.a. rondom NT2 en traumasensitief lesgeven) en (3) begeleiding van individuele leerlingen. Wat betreft punt 3 sluit dat ook aan op de wens om (een deel van de) jongeren die doorstromen vanuit de ISK nog enige tijd te blijven begeleiden (overgangsfase i.p.v. harde knip).

Op dit moment is de rol van de ISK nog vooral informeel en op casusniveau. Door dit te formaliseren en structureel neer te zetten ontstaan kansen om het onderwijs aan nieuwkomers na uitstroom uit de ISK te versterken. - Ondersteuning van scholen in de bekostiging van extra NT2-onderwijs. Dit vraagt afstemming tussen swv, gemeente en onderwijs. Belangrijk hierin is ook dat een aantal scholen bereid zijn om hierin te investeren/specialiseren (o.a. op de ‘hogere’ niveaus). - Opzetten van nieuw aanbod en beter benutten van bestaande mogelijkheden om meer praktijkgerichte routes voor nieuwkomers te realiseren (zie eerder genoemde voorbeelden). Belangrijk hierbij is de samenwerking onderwijs met gemeente gericht op de vraag wat jongeren die moeilijker leren nodig hebben om meer praktijkgericht te leren. In de

| 31

-

-

gesprekken ging het bijvoorbeeld over een gecombineerd traject Entree en inburgering via de Z-route. Samenwerking moet zich richten op de vraag of dit inderdaad een passend traject is, wat dit in begeleiding vraagt (bv. jobcoaching), hoe dit bekostigd kan worden en wat het voor het onderwijs betekent (bv. t.a.v. doorstroomrecht mbo-2, terwijl jongere geen B1-niveau haalt). Verbeteren van bepalen meest passende vervolgtraject. Om de doorgaande leerlijn beter vorm te geven is het belangrijk om (nog) meer na te denken over wat – vanuit de leerling bezien, zowel in mogelijkheden als wensen – de meest passende vervolgroute is na uitstroom uit de ISK. Daarvoor is, zoals hiervoor benoemd, ook de ontwikkeling van nieuw passend aanbod relevant. Vanwege de inburgeringsplicht van veel nieuwkomers is er ook de wens om het bestaande Entree inburgeringstraject, waar nieuwkomers tegelijkertijd de Entreeopleiding en de B1-inburgeringsroute volgen, beter te positioneren. Jongeren die dit traject succesvol afronden hebben immers voldaan aan hun inburgeringsplicht. Bij doorstroom naar mbo-2 leidt eventuele uitval niet tot de plicht om (alsnog) in te burgeren (en daarmee een langer traject voor de jongere). De inschatting of iemand in staat is om (op termijn) een startkwalificatie te behalen zou hierin een belangrijk criterium kunnen zijn.

Om beter te kunnen vaststellen welke route het meest passend is, hebben betrokkenen behoefte aan de ontwikkeling van duidelijke criteria.31 Wens is om het gesprek hierover ‘steviger’ neer te zetten, met betrokkenheid van alle relevante partijen (ISK’s, vo/swv, entree, mbo-2/3/4, gemeente) om draagvlak te realiseren. Bijvoorbeeld door hiervoor een werkgroep op te richten. Ook het (structureel) bevragen van de jonge nieuwkomers zelf is hierin belangrijk. Versterken van de (warme) overdracht. Om te werken aan eerder genoemd knelpunt van doorlopende leerlijnen is het tevens belangrijk dat de progressie die de leerling op de ISK heeft doorgemaakt, en zijn of haar ondersteuningsbehoefte goed wordt overgedragen aan de vervolgschool. Dat is voor ISK-leerlingen een aandachtspunt, omdat ouders of leerlingen dit zelf niet altijd doen (als gevolg van taalproblemen, cultureel bepaald). Betrokkenen benoemen op dit punt ook nog de verschillen die er zijn in vorm en inhoud van overdracht tussen ISK’s in de regio. Die verschillen hangen onder meer af van het aantal doorstromers / locatie, bestaande samenwerkingen (bv. doorstroom binnen hetzelfde bestuur loopt vaak beter) en de aanwezigheid van vaste contactpersonen.

Om bovenstaande oplossingsrichtingen te (kunnen) realiseren benadrukken alle betrokkenen die gesproken zijn het belang van elkaar, elkaars onderwijs en elkaars mogelijkheden nog beter te leren kennen en in te zetten op meer samenwerking en verbinding in kennis en expertise. De bestaande (goede) contacten en samenwerkingen vormen hierbij de basis. 2.3.3

Uitstroom uit het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

In de regionale analyse hebben we ook ingezoomd op de uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en vso, en hun kansen in het vervolgonderwijs. Regionale cijfers over de mate waarin pro- en vso-leerlingen succesvol zijn in de overgang naar de arbeidsmarkt of vervolgonderwijs ontbreken. Wel zijn er cijfers over het studiesucces van pro- en vso-jongeren in de Entreeopleidingen van Yonder. Uit die cijfers blijken leerlingen uit het praktijkonderwijs ongeveer

31 De uitstroomprofielen die de ISK hanteert kunnen hierin een uitgangspunt vormen.

32 |

even vaak (29% in 22-23; 23% in 23-24) uit te vallen als andere Entreestudenten (29% in 22-23; 22% in 23-24). Entreestudenten uit het vso vallen beduidend vaker uit (50% in 22-23; 43% in 2324). Uit landelijk onderzoek van Regioplan blijkt ook dat vso-leerlingen die doorstromen naar het mbo het lastig hebben op het mbo. Zij veranderen vaker dan gemiddeld van opleiding en zij behalen minder vaak een diploma dan leerlingen die niet op het vso hebben gezeten. 32 Ook in de overgang naar de arbeidsmarkt zijn vso-leerlingen kwetsbaar. Uit landelijk onderzoek blijkt dat van de vso-leerlingen met het uitstroomprofiel arbeidsmarkt zo’n 60 procent direct na uitstroom geen werk heeft (34 procent geen werk én geen uitkering, en 25 procent geen werk maar wel een uitkering).33 Voor leerlingen vanuit het praktijkonderwijs is de overgang naar arbeid ook kwetsbaar. Van de leerlingen die uitstromen uit het praktijkonderwijs heeft zo’n 30 procent direct na uitstroom geen werk (22 procent geen werk én geen uitkering en 9 procent geen werk maar wel een uitkering).34 Regionale uitstroom uit het voortgezet speciaal onderwijs Figuur 2.20 laat de uitstroom uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso) in 2022-2023 zien voor de regio Midden-Brabant en de benchmarkregio’s. Circa een derde van alle uitstromende vsoleerlingen maakt de overstap naar het mbo.

Twee derde stroomt uit naar een andere (niet-onderwijs) bestemming, zoals arbeid of dagbesteding. In vergelijking met de benchmarkregio’s is de doorstroom van vso naar mbo in de regio Midden-Brabant relatief laag. Deze relatief kleine uitstroom naar het mbo is verklaarbaar vanuit het uitstroomprofiel dat leerlingen volgen binnen het vso. Het aandeel vso-leerlingen met het uitstroomprofiel arbeid is ruim drie keer zo hoog in Midden-Brabant als in de benchmarkregio’s (39 procent versus 12 procent) en iets hoger dan landelijk (33%).35 Figuur 2.20 Uitstroom uit het voortgezet speciaal onderwijs 36 100% 80% 60%

51%

67%

40% 20% 0%

40%

20% 13%

9%

Midden-Brabant

BM-Regio's

Vso -> mbo 1

Vso ->mbo2

Vso ->niet ow

Bron: LPBL-tool.

32 Regioplan. (2023). De overstap van vso naar mbo. Hoe kan de overstap worden versoepeld? 33 Arbeidsmarktpositie van leerlingen uitgestroomd uit het voortgezet speciaal onderwijs met uitstroomprofiel arbeidsmarkt. Verkregen van: https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/voortgezet-onderwijs/aansluiting-arbeidsmarkt/arbeidsmarktpositie-vso?utm_source=chatgpt.com 34 Arbeidsmarktpositie van leerlingen uitgestroomd uit het praktijkonderwijs. Verkregen van: https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/voortgezet-onderwijs/aansluiting-arbeidsmarkt/arbeidsmarktpositie-pro?utm_source=chatgpt.com 35 De percentages zijn gebaseerd op het totaal aantal pro- en vso- leerlingen. Bron: LPBL-tool. 36 Aantallen vso-leerlingen die naar andere vormen van onderwijs overstappen zijn laag en door de LPBL-tool buiten beschouwing gelaten.

| 33

Regionale uitstroom uit het praktijkonderwijs In Figuur 2.21 is te zien hoeveel leerlingen uit het praktijkonderwijs in 2022-2023 uitstroomden naar het mbo (niveau 1 en 2) of uit onderwijs (arbeid of evt. dagbesteding) in Midden-Brabant en de benchmarkregio’s. Hieruit blijkt dat er in de regio relatief veel uitstroom uit onderwijs is in vergelijking met de benchmarkregio’s (44% versus 34%). Ook is er relatief veel uitstroom naar mbo2 en (dus) minder naar mbo-1. Dat betekent dat relatief veel pro-leerlingen in de regio al een mbo-1 diploma behalen in het praktijkonderwijs. Beide pro-scholen in de regio Midden-Brabant bieden deze mogelijkheid aan. Figuur 2.21 Uitstroom uit het praktijkonderwijs 37 100% 80%

34%

44%

60% 40%

20% 33% 46%

20% 22% 0% Midden-Brabant Pro -> mbo 1

BM-Regio's Pro->mbo2

Pro->niet ow

Bron: LPBL-tool.

Aandachtspunten Voor de regionale analyse is niet met betrokkenen uit pro, vso of mbo gesproken over aandachtspunten ten aanzien van de overgang van vso en pro naar mbo of de overgang van vso en pro naar werk. Aandachtspunten die vanuit ander onderzoek naar voren komen zijn veelal ‘ingredienten’ waar regionaal al aan wordt gewerkt, maar die mogelijk verder versterkt kunnen worden. We noemen er enkele38: - Het vergroten van de kennis vanuit het praktijkonderwijs en vso over het mbo en andersom: alleen met goede, realistische informatie over de mogelijkheden, maar ook de onmogelijkheden binnen het mbo (bijvoorbeeld qua maatwerk en begeleiding) kan een leerling goed worden voorgelicht. Dit vraagt om een sterk netwerk van (contact)personen uit pro, vso en mbo, vroegtijdige samenwerking, duidelijke informatievoorziening over de ondersteuningsstructuur op het mbo en kennisdeling. Op leerlingniveau vraagt dit om verdere doorvertaling in LOB en voorbereiding op het mbo: zowel inhoudelijk (realistische verwachtingen t.a.v. opleiding, beroepsbeeld, niveau) als in setting (verschillen vso/pro en mbo). - Het actief oppakken van verzuim en (dreigende) uitval (ook in de zomerperiode): voor de student moet duidelijk zijn met wie hij/zij contact kan opnemen als het niet goed gaat.

37 Aantallen pro-leerlingen die naar andere vormen van onderwijs overstappen zijn laag en door de LPBL-tool buiten beschouwing gelaten. 38 Gebaseerd op o.a. onderzoek naar de overstap vso-mbo (Regioplan) en de Checklist negen ingrediënten voor een succesvolle overgang v(s)o-mbo. Geraadpleegd via: https://www.steunpuntpassendonderwijs-povo.nl/wp-content/uploads/2022/10/Checklist-negen-ingredienten-voor-een-succesvolle-overgang-vso-mbo-digitaal.pdf

34 |

Hier kan ook de pro- of vso-school nog een rol in spelen. De (deels nieuwe) nazorgplicht vanuit de Wet van school naar werk biedt hier (meer) ruimte voor. Ook de inzet van peers is een optie. Daarnaast is de vroegtijdige inzet van bv. verzuimcoördinator en vroegtijdige betrokkenheid van leerplicht/doorstroompunt relevant. - Het (verder) verbeteren van een warme overdracht plus individueel contact met de leerling in de overgang: het gaat hier niet alleen over een warme overdracht, maar ook over contact met leerling en ouders in de overstap. Het opbouwen van een relatie is daarvoor belangrijk. Overstap- of transitiecoaches (bv. vanuit pro/vso) kunnen de overstap begeleiden. - Het (verder) vergroten van de mogelijkheden voor flexibiliteit/maatwerk (op alle mbo-niveaus) kan vsv voorkomen (niet alleen voor vso- of pro-leerlingen). Hierbij gaat het o.a. om meerdere instroommomenten, maatwerk (bv. in examinering) en afgifte van mbocertificaten. In de overgang school naar werk verwijzen we naar paragraaf 3.3.

2.4

Vsv’ers één jaar later

In de voorgaande paragrafen is gekeken naar doelgroepen en hun risico op voortijdig schoolverlaten en op (risicovolle) overgangen. In de (huidige) vsv-aanpak is ook aandacht voor het terugleiden van vsv’ers naar school of naar werk. Daarvoor wordt gekeken naar de positie van vsv’ers één jaar later. In het nieuwe programma zal de focus wijzigen en wordt naar NEET-jongeren gekeken als indicator voor participatie. In het volgende hoofdstuk komen we daar op terug. Wanneer er wordt gekeken naar vsv’ers en hoe het hen één jaar na uitval vergaat, zijn er drie mogelijkheden: de vsv’er is nog steeds vsv’er, de vsv’er is terug naar school of de vsv’er is aan het werk. In Figuur 2.22 is het aandeel vsv’ers dat na één jaar nog steeds vsv’er is te zien. Het aandeel schommelt over de jaren, maar is ongeveer gelijk aan de ontwikkeling in de benchmarkregio’s. Gemiddeld over vijf jaar ging het om 42 procent van de vsv’ers. Figuur 2.22 Vsv’ers nog steeds vsv’er 1 jaar later 60% 50% 40%

39,5%

30% 20% 10% 0% 2017/18

2018/19

2019/20 Midden-Brabant

2020/21

2021/22

2022/23

BM-Regio's

Bron: LPBL-tool.

| 35

Figuur 2.23 laat de verdeling over de verschillende categorieën zien voor Midden-Brabant en landelijk. 24 procent van de vsv’ers ging na één jaar terug naar school, en 34 procent was na één jaar aan het werk. Dit is vergelijkbaar met de benchmarkregio’s. Figuur 2.23 Vsv’ers 1 jaar later (gemiddelde over een periode van 5 jaar) 100% 34%

35%

24%

23%

42%

42%

Midden-Brabant

BM-Regio's

80% 60% 40% 20% 0%

Nog steeds VSV

Naar school

Aan het werk

Bron: LPBL-tool.

Het aandeel vsv’ers dat na één jaar terugkeert naar onderwijs of aan het werk is varieert tussen gemeenten. In Figuur 2.24 is dit per gemeente te zien. In Hilvarenbeek zijn relatief veel vsv’ers na één jaar nog steeds vsv’er (69 procent), terwijl dit in bijvoorbeeld Dongen minder is (31 procent). In beide gemeenten gaat het overigens om relatief kleine aantallen.39 Uit deze cijfers is niet op te halen waar deze verschillen vandaan komen. Figuur 2.24 Vsv’ers 1 jaar later, per gemeente (gemiddelde over periode van 5 jaar) 100% 27% 80%

25%

31%

42%

29%

33%

45%

39%

6% 60%

40%

17%

32%

27%

24% 26%

16%

27% 69% 51%

20%

40%

44%

39%

31%

44%

35%

0% Dongen

Gilze en Rijen

Goirle

Hilvarenbeek Loon op Zand

Nog steeds VSV

Naar school

Oisterwijk

Tilburg

Waalwijk

Aan het werk

Bron: LPBL-tool.

39 Het aantal vsv’ers is in Hilvarenbeek, Dongen, maar ook andere regiogemeenten, veel kleiner dan in (de grootste gemeente) Tilburg. In aantallen gezien zijn de meeste vsv’ers die dat een jaar later nog steeds zijn dus afkomstig uit Tilburg.

36 |

3 De overgang van school naar werk

In dit hoofdstuk gaan we in op de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk (3.1) en wat deze wet betekent voor het nieuwe regionale programma (3.2). Vervolgens kijken we in 3.3 naar de inzet en effectiviteit van de aanpak van de begeleiding bij de overgang van opleiding naar werk zoals deze nu is in Midden-Brabant. In 3.4 en 3.5 gaan we in op de beschikbare cijfers over de doelgroep van het nieuwe regionale programma op het gebied van de overgang van opleiding naar werk.

3.1

De wet Van school naar duurzaam werk

De nieuwe programmaperiode begint tegelijk met de (beoogde) invoering van de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk. De wet Van school naar duurzaam werk wil de kansengelijkheid vergroten door jongeren met (een risico op) een afstand tot de arbeidsmarkt te begeleiden bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk bij (dreigende) werkloosheid. Uit landelijk onderzoek blijkt dat de bestaande wettelijke taken van de mbo-instellingen, het Doorstroompunt en gemeenten hierin niet altijd goed op elkaar aansluiten. Er zijn verschillende knelpunten in beleid en wet- en regelgeving rondom de overgang van jongeren van opleiding naar werk40: - De ondersteuning die jongeren krijgen bij de overgang van opleiding naar werk is beperkt. Mbo-instellingen werken vooral diplomagericht en hebben geen wettelijke taak om jongeren na diplomering te begeleiden. De gemeente werkt onvoldoende preventief: uit onderzoek blijkt dat het huidige beleid de zelfredzaamheid van jongeren overschat en dat een goede ketenaanpak om jongeren te ondersteunen naar werk ontbreekt, waardoor zij uit beeld raken. De participatiewet is primair gericht op reactief handelen en minder op preventief handelen.

- De ondersteuning van het Doorstroompunt houdt te vroeg op: jongeren van 18 tot 23 jaar zonder startkwalificatie komen in beeld via het Doorstroompunt van de gemeente voor begeleiding van opleiding naar werk, maar dit geldt niet voor jongvolwassenen tussen de 23 en 27 jaar zonder startkwalificatie. De positie van deze jongeren zonder startkwalificatie is kwetsbaar en de kans dat iemand zijn baan na enige jaren alsnog verliest is aanzienlijk. - De samenwerking tussen deze verschillende partijen komt niet altijd van de grond: het aanbod voor jongeren is op veel plekken versnipperd De wet Van school naar duurzaam werk speelt op deze knelpunten in met vier maatregelen 41: (1) Onderwijs – Scholen bieden studenten die dat nodig hebben tot een jaar na diplomering aanvullende loopbaanbegeleiding tijdens het onderwijs en na diplomering, gericht op de overgang naar vervolgonderwijs of werk (uitbreiding van de taak). (2) Doorstroompunt – Het Doorstroompunt biedt jongeren zonder startkwalificatie tot 27 jaar begeleiding terug naar school of naar werk (uitbreiding van de doelgroep).

40 Wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk. 41 VNG. (2023). Uitvoeringstoets ‘Van school naar duurzaam werk’.

| 37

(3) Gemeenten – De gemeente biedt jongeren die zelfstandig of met lichte ondersteuning van school of het Doorstroompunt hun weg naar de arbeidsmarkt niet kunnen vinden ondersteuning (uitbreiding van de taak). (4) De partijen werken verplicht samen in de totstandkoming en uitvoering van een regionaal programma.

3.2

Veranderingen in het regionaal programma

De invoering van de wet Van school naar duurzaam werk heeft gevolgen voor het regionaal programma, op het gebied van focus, doelgroep en betrokken partijen. Bredere focus Het huidige regionaal programma richt zich op het voorkomen en bestrijden van VSV van jongeren tussen de 12 en 23 jaar en het verhogen van het aantal vsv’ers dat na één jaar terugkeert in onderwijs of aan het werk is. Het nieuwe regionale programma richt zich ook op het tegengaan van voortijdig schoolverlaten, maar heeft een bredere focus om zoveel mogelijk jongeren onderwijs te (laten) volgen en/of te laten werken. Hierbij is specifiek aandacht voor het verbeteren van de overgang van school naar werk (voor jongeren zonder én met startkwalificatie). In paragraaf 3.3 wordt ingegaan op de huidige inzet op het gebied van de begeleiding bij de overgang van school naar werk in Midden-Brabant. Verbreding doelgroep Naast een uitbreiding van de focus van het regionale programma is er ook sprake van een verbreding van de doelgroep: de leeftijdsgroep waar het programma zich op richt wordt verbreed van 12 tot 23, naar 12 tot 27 jaar. Daarnaast richt het programma zich niet meer alleen op voortijdig schoolverlaters, maar ook op een nieuwe doelgroep: NEET-jongeren. NEET-jongeren zijn jongeren tussen de 15 en 27 jaar die op een bepaald moment niet werken en geen onderwijs volgen (Not in Employment, Education or Training).

De NEET-doelgroep is breder dan de groep vsv’ers en bestaat zowel uit vsv’ers als uit jongeren met een startkwalificatie en jongeren vanuit het pro en vso. Het aandeel NEET-jongeren in een regio wordt internationaal gezien als een kwaliteitsindicator voor de overgang tussen onderwijs en de arbeidsmarkt. In paragraaf 3.4 wordt ingezoomd op de NEET-jongeren in Midden-Brabant. Zoals genoemd in de maatregelen uit de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk, werken scholen, het Doorstroompunt en gemeenten verplicht samen in het regionaal programma. De contactgemeente, contactschool en centrumgemeente zijn alle drie gezamenlijk en gelijkwaardig verantwoordelijk voor het regionaal programma.

3.3

Begeleiding van school naar duurzaam werk in Midden-Brabant

In 2024 heeft KBA Nijmegen een onderzoek uitgevoerd naar de bestaande inzet van begeleiding van school naar duurzaam werk in de regio Midden Brabant. Daarbij is gekeken naar succesfactoren en effectiviteit van de inzet en naar andere of aanvullende ondersteuning die nodig is in de regio. In deze paragraaf wordt een samenvatting van de resultaten gegeven.

38 |

De mbo-instellingen hebben met name ervaring opgedaan met het begeleiden van studenten bij de overgang van opleiding naar werk in het kader van de subsidie nazorg. De verschillende mboinstellingen en vso- en pro-scholen hebben ieder hun eigen aanpak in het bieden van nazorg. De scholen volgen hierin hun eigen beleid en hebben hun aanpak onderling (nog) niet met elkaar afgestemd. Bij de overgang van school naar werk is daarnaast een rol weggelegd voor het Doorstroompunt, dat jongeren tot 23 (of op verzoek ook voor jongeren tot 27) helpt met vragen rondom onderwijs, verzuim en thuiszitten, en het Jongerenpunt, dat bestaat uit klantregisseurs van de afdeling werk en inkomen van de gemeente Tilburg. Het Jongerenpunt is er voor problemen op verschillende leefgebieden, zoals werk, studie en financiële zaken. De betrokkenheid van de gemeente is niet voor iedere school of mbo-instelling gelijk. Uit het onderzoek zijn een aantal succesfactoren in de aanpak gebleken. Succesfactoren binnen het onderwijs zijn bijvoorbeeld het laten uitvoeren van de begeleiding/nazorg door mensen binnen het onderwijs met kennis en expertise op het gebied van het benaderen van en het spreken met jongeren en met kennis over ondersteuningsmogelijkheden in de regio en hoe door te verwijzen.

Een succesfactor in de begeleiding vanuit de gemeente (en het Doorstroompunt) is onder andere het actief benaderen en informeren van jongeren over het bestaan en de functie van de gemeente en het Doorstroompunt. Doordat iedere school een eigen aanpak heeft, en de gemeente op verschillende manieren betrokken is bij de verschillende scholen, zijn de succesfactoren niet overal (in dezelfde mate) doorgevoerd. Overkoepelend wordt de regio aanbevolen om gezamenlijk een duidelijke visie te formuleren op de inzet in de ondersteuning van school naar werk van de onderwijsinstelling en de gemeente én de samenwerking hierin, omdat deze samenwerking verplicht wordt met de nieuwe wet. Daarnaast wordt er in het rapport gewezen op het belang van kennisdeling en netwerkontwikkeling, bijvoorbeeld tussen het mbo en het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs. Het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs hebben ruime ervaring in het opbouwen en onderhouden van een netwerk van werkgevers die ervaring hebben met het begeleiden van studenten met extra ondersteuningsbehoeften. De mbo-instellingen hebben niet altijd een goed overzicht van welke werkgevers studenten met een ondersteuningsbehoefte goed zouden kunnen begeleiden, en zouden gebruik kunnen maken van de kennis en ervaring van de vso- en pro-scholen.

Andere aanbevelingen die uit het onderzoek naar voren komen zijn: - meer gezamenlijk (toe)werken naar een netwerk van passende bedrijven / sociale werkgevers. - inzetten op het vergroten van kennis en expertise bij bedrijven (m.n. MKB) op het gebied van ondersteuningsbehoeften en bepaalde voorzieningen en subsidies waar zij gebruik van kunnen maken wanneer zij studenten/werknemers met een extra ondersteuningsbehoefte aannemen voor een stage- of werkplek. Vergroten van de bekendheid over de mogelijkheden tot ondersteuning vanuit de gemeente richting jongeren (o.a. door verder vergroten zichtbaarheid, aansluiten in communicatie bij doelgroep, outreachende aanpak). Het rapport met daarin alle succesfactoren, knelpunten en aanbevelingen is hier te vinden.

| 39

3.4

NEET-jongeren

Omdat het nieuwe regionale programma ook aandacht moet hebben voor de overgang van school naar werk, en daarbij wordt gekeken naar NEET-jongeren, gaan we in deze paragraaf kort in op de omvang van deze groep in de regio Midden-Brabant en hun positie. In Figuur 3.1 is te zien welk aandeel van de jongeren in Midden Brabant een NEET-jongere is, welk deel in onderwijs zit en welk deel aan het werk is. In Midden-Brabant is 8,5 procent van de jongeren een NEET-jongere (5.870 jongeren). 59 procent van alle jongeren (15-27 jaar) zit in onderwijs en 33 procent is aan het werk. Figuur 3.1 Aandeel NEET-jongeren, regio en benchmarkregio’s 100% 80%

33%

35%

59%

57%

60% 40% 20% 0%

8,54%

8,3%

Midden-Brabant

BM-Regio's

NEET: geen OW-geen Werk

In onderwijs (OW)

Aan het werk (geen OW)

Bron: LPBL-tool.

Van de 5.870 NEET-jongeren (die dus onderwijs volgen noch werken) kunnen we nagaan welk deel met uitkering of als werkzoekende al in beeld is. Circa een derde van de NEET-jongeren in Midden-Brabant heeft een uitkering, en is daarmee in beeld bij de afdeling werk en inkomen van de gemeente. Een klein deel (2 procent) is in beeld bij het UWV en staat ingeschreven als werkzoekende. De overige jongeren (64 procent) worden ‘buiten beeld’ genoemd. Dit betekent niet dat zij ook daadwerkelijk allemaal niet in beeld zijn. Een deel van deze jongeren is (ook nu) in beeld bij het Doorstroompunt, of is in begeleiding als niet-uitkeringsgerechtigde en daarmee bekend bij de afdeling werk en inkomen van de gemeente. Tussen gemeenten in de regio is er veel variatie te zien in het aandeel NEET-jongeren dat ‘buiten beeld’ is. De percentages variëren van 41 procent tot 75 procent van alle NEET-jongeren in die gemeente.

40 |

Figuur 3.2 NEET-jongeren, uitgesplitst naar uitkering en werkzoekend (N Midden-Brabant = 5.870) 9% 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0%

2%

1%

34%

36%

64%

63%

Midden-Brabant

BM-Regio's

Zonder uitk of uwv inschr.

Met uitkering

Werkzoekend (UWV, zonder uitk)

Bron: LPBL-tool.

Op basis van verschillende bronnen heeft LPBL de subgroep NEET-jongeren zonder uitkering verder ingekleurd. Het betreft de in bovenstaande figuur rood gemarkeerde subgroep (circa 3.800 NEET-jongeren in Midden-Brabant). In Figuur 3.3 zijn de NEET-jongeren zonder uitkering ingedeeld naar leeftijd. 43 procent van de jongeren is 23 tot 27 jaar. Dit zijn 1.650 jongeren. Figuur 3.3 NEET-jongeren zonder uitkering of UWV-inschrijving naar leeftijd

3% 0%

54% 10%

20%

30%

43% 40% 15 tot 18

50% 18 tot 23

60%

70%

80%

90%

100%

23 tot 27

Bron: LPBL-tool.

Van de ruim 5.800 NEET-jongeren in de regio Midden-Brabant zijn er dus circa 1.650 die geen uitkering hebben én 23-27 jaar zijn. Een deel van deze jongeren heeft (ook) geen startkwalificatie, en valt daarmee onder de nieuwe doelgroep van het Doorstroompunt. Het gaat (naar schatting) om 44 procent van alle NEET-jongeren van 23-27 jaar zonder uitkering. Ten opzichte van álle NEET-jongeren zonder uitkering (dus ongeacht hun leeftijd), gaat het om circa 19 procent. (zie Figuur 3.4). Dit zijn naar schatting 727 jongeren. Deze 727 jongeren vormen dus de nieuwe doelgroep van het Doorstroompunt. 42 Niet al deze jongeren zullen ook daadwerkelijk extra ondersteuning nodig hebben van het Doorstroompunt. In de leidraad van LPBL wordt hierover gezegd dat zo’n 5 tot 10 procent van deze jongeren behoefte aan extra ondersteuning zal hebben.43 Cijfers ontbreken om een inschatting te kunnen maken of dit ook voor Midden-Brabant in deze mate geldt.

42 Samengevat kom je tot deze groep in de volgende stappen: ca 70.000 15-27-jarigen in de regio → waarvan 5.870 NEET-jongeren → waarvan 3.820 NEET-jongeren zonder uitkering of UWV-inschrijving → waarvan 1.650 23-27-jaar → waarvan 727 geen startkwalificatie en niet behorend tot pro/vso-doelgroep. 43 LPBL baseert dit percentage op ‘eerdere studies’. Niet duidelijk is welke studies dit betreft.

| 41

Figuur 3.4 NEET-jongeren (15-27 jaar) zonder uitkering of UWV-inschrijving aangevuld met vsv en pro/vso-uitstroom (N = 3.820) 100% 80%

50% (N = 1.910)

60% 40%

19% (N = 727)

20%

25% (N = 963)

0%

6% (N = 219) Pro/vso

VSV

VSV-nieuwe doelgroep

Met startkwalificatie

Bron: LPBL-tool.

Zoals in Figuur 3.4 ook te zien is, bestaat ongeveer een kwart van de doelgroep NEET-jongeren zonder uitkering of UWV-inschrijving uit vsv’ers (tot 23 jaar), waar het Doorstroompunt nu al een verantwoordelijkheid voor heeft. Ongeveer 50 procent van de NEET-jongeren zonder uitkering of UWV-inschrijving heeft een startkwalificatie. Dit zijn deels jongeren die het niet lukt om werk te vinden, maar ook bijvoorbeeld jongeren die niet werken of naar school gaan in verband met een ziekte of beperking, of jongeren die tussen twee opleidingen inzitten. Een deel van de NEET-groep valt met de nieuwe wet onder de nazorgregelingen van mbo-instellingen. Dit kunnen zowel jongeren zonder als met startkwalificatie zijn (niveau 2 en ‘andere jongeren die ondersteuning nodig hebben’). De totale omvang van de groep die ondersteuning zal krijgen bij de overgang van opleiding naar werk is op dit moment niet goed in te schatten, omdat dit afhankelijk is van keuzes die (regionaal) gemaakt (moeten) worden door de scholen, het Doorstroompunt en gemeenten.

3.5

Verdiepende cijfers

Om een verdiepend beeld te krijgen op de NEET-jongeren in de regio hebben we cijfers opgevraagd bij de verschillende gemeenten in de regio Midden-Brabant, onder andere over jeugdwerkloosheid, kenmerken van jongeren die tot de (nieuwe) doelgroep van het regionaal programma behoren, de overgang van opleiding naar werk en de ondersteuning die jongeren krijgen vanuit de gemeente. Doel van deze uitvraag was om een verdiepend beeld te geven van de (nieuwe) doelgroep van het regionaal programma. Een opvraag van de cijfers bij de gemeenten in de regio was helaas niet succesvol. De gewenste informatie is niet of beperkt beschikbaar gebleken. Dat betekent dat we voor de regionale analyse alleen hebben kunnen werken met enkele openbaar toegankelijke, algemene, cijfers over jeugdwerkeloosheid in de regio. Vanuit het Nederlands Jeugdinstituut zijn cijfers beschikbaar over jeugdwerkloosheid per gemeente. Het gaat om het aandeel werkzoekende jongeren tussen de 16 en 23 jaar per gemeente. Het aandeel werkzoekende jongeren in de regio Midden-Brabant varieert tussen de 2,0 en 4,4

42 |

procent, waarbij Hilvarenbeek en Loon op Zand het laagste aandeel jeugdwerkloosheid hebben en Tilburg het hoogste aandeel.44 Alleen door de gemeente Oisterwijk zijn gegevens aangeleverd die iets zeggen over de jeugdwerkeloosheid en de typering van deze doelgroep. De gemeente telt 93 jongeren die door participatieconsulenten begeleid worden. Deze groep is als volgt te typeren: Ruim de helft ontvangt een uitkering vanuit de Participatiewet (rest is NUGger). Van de jongeren met een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangt bijna 40 procent ook hulpverlening/zorg en bijna 20 procent volgt een opleiding, cursus of training. Enkele jongeren zitten in een proefplaatsing. Werkervaringsplek, doen vrijwilligerswerk of doen arbeidsmatige dagbesteding. Circa een vijfde volgt een inburgeringstraject De opleidingsachtergrond is meestal niet geregistreerd. Waar het wel geregistreerd is, gaat het vaak (67%) om jongeren met maximaal vmbo-niveau. 20 procent betreft jongeren op mbo/havo/vwo niveau en 6% hbo/wo-niveau. Niet duidelijk is in hoeverre deze cijfers in de andere gemeenten van de regio Midden-Brabant vergelijkbaar zijn.

Door het ontbreken van cijfers is het niet mogelijk om de onderzoeksvragen over de typering van de overgang van school naar werk voor uitstromers met en zonder startkwalificatie uit het mbo te beantwoorden. Omdat in het nieuwe regionale programma wel aandacht moet zijn voor deze doelgroep, is het belangrijk om zo snel mogelijk – en zeker ook in de monitoring van het succes van de maatregelen in het nieuwe programma – aandacht te hebben voor monitoring. Dit vraagt om regionale afspraken in het verzamelen, bijhouden en analyseren van cijfers. Mogelijk biedt de Jongeren in Beeld lijst van het Inlichtingenbureau hiervoor een eerste stap en kunnen gemeenten hierin samen optrekken / gezamenlijk afspraken maken. Met deze tool is zicht te krijgen op de groep jongeren 23-27 jaar zonder startkwalificatie.45

44 NJi. (g.d.) Werkzoekende jongeren (jeugdwerkloosheid). Verkregen van: https://staat-van-de-jeugd.nl/indicatorpagina/?i=i341 45 Het Inlichtingenbureau kan de lijst van jongeren van 23-27 jaar zonder startkwalificatie koppelen aan gegevens over werk en uitkering, waardoor zicht ontstaat op de groep jongeren zonder startkwalificatie, zonder werk en zonder uitkering.

| 43

4 Leidende principes in de regionale aanpak

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op verschillende groepen en overgangen die in de aanpak van voortijdig schoolverlaten – en na 1 januari 2026 ook in de overgang van school naar werk – belangrijk zijn om aandacht voor te hebben. In eerdere onderzoeken, bijeenkomsten en (beleids)documenten gaat het los van doelgroepen of overgangen ook over de manier waarop de regio wil werken om zoveel mogelijk jongeren een passende plek te bieden. Ook vanuit de analyses zoals die in voorgaande hoofdstukken is gepresenteerd komen een aantal aandachtspunten naar voren in wat leidende principes (zouden moeten) zijn in de aanpak. Deze leidende principes volgen deels ook uit de vijf thema’s die in de maatregelen van het huidige regionale programma centraal staan.46 De leidende principes zouden gebruikt kunnen worden in de vormgeving van de aanpak en samenwerking in het nieuwe regionale programma: in het structureren van het aanbod, het spreken in dezelfde taal en het werken vanuit dezelfde ambitie.47 De vier leidende principes, die hierna worden toegelicht zijn: 1. Preventiedenken 2. Transitiedenken 3. Perspectief- en maatwerkdenken 4. Samenhangend en netwerkdenken Preventiedenken Het voorkomen van uitval is een centraal uitgangspunt in de huidige vsv-aanpak en moet dat volgens betrokkenen ook blijven.

Een belangrijk element hierin is het tijdig in beeld hebben van alle jongeren en hun ondersteuningsvragen (vgl.: Jongeren in beeld bij elke overstap; Basis op orde en verknopen). In documenten die voor de regionale analyse zijn bekeken en de sessies die zijn georganiseerd komen verschillende goede voorbeelden naar voren (o.a. Sterke start Entree, extra begeleidingstijd van slb’ers in entreeopleidingen, Sterke start vavo, activerende verzuimgesprekken bij Rooi Pannen) die wijzen op het belang van een goede en warme overdracht en het zien en (er)kennen van de student in een zo vroeg mogelijk stadium. Betrokkenen wijzen erop dat deze uitgangspunten ook van toegevoegde waarde zijn om uitval te voorkomen van studenten op mbo-2/3/4. Een tweede element dat binnen preventiedenken een belangrijke rol heeft is registratie en monitoring. Dit helpt om alle jongeren in beeld te hebben, risicogroepen te signaleren en onderbouwde keuzes te maken in de aanpak. Op sommige plekken gaat dit al heel goed (bv. De klas van… waarin jongeren die uitstromen uit het praktijkonderwijs en vso worden gevolgd). Tegelijkertijd zien betrokkenen ook nog mogelijkheden om monitoring te versterken.

Er wordt bijvoorbeeld gewezen op mogelijkheden in systemen als Intergrip en het eventueel benutten van aanvullende modules, zoals GRIP JIKP (waarmee alle jongeren van 16-27 jaar met als achtergrond pro, vso, vmbo-b, entree of NEET in beeld zijn) waarbij zowel scholen als gemeente (beter) zicht krijgen

46 Deze thema’s zijn: 1. Jongeren in beeld bij elke overstap; 2. Basis op orde en verknopen; 3. Aandacht voor maatwerk; 4. Naar een integrale aanpak en 5. Jongeren in kwetsbare positie 47 De ambitie om elke jongere of jongvolwassene tot 27 jaar een passende plek te bieden en te ondersteunen in de (voorbereiding) op een beroepskeuze, een soepele overstap naar het mbo, het behalen van een startkwalificatie en het maken van een soepele overgang van school naar werk.

| 45

op deze doelgroep. Ook het maken van afspraken over het (regionaal) opvragen van en benutten van beschikbare gegevens over jongeren zonder startkwalificatie, niet in onderwijs, zonder werk (of met laag inkomen) en zonder uitkering (via Jongeren in Beeld lijsten) draagt bij aan het vroegtijdig in beeld hebben van relevante (risico)groepen. Transitiedenken De overstap van de ene (onderwijs)situatie naar een andere, maar ook de overgang school-werk vormen kwetsbare momenten in de (school)loopbaan van jongeren. Daar is men in de regio Midden-Brabant zeer bewust van, zoals bleek uit de monitor van de vsv-aanpak in 2023 en de regionale sessies, en om die reden wordt op verschillende plekken (bv. binnen Entree en Vavo) al ingezet op een uitgebreide intake (zie hiervoor) en warme overdracht. In de overgang van school naar werk zien we dat de overdracht goed is ingeregeld voor jongeren die uitstromen uit het praktijkonderwijs of vso en vanuit Entree naar arbeid. Betrokkenen zien ruimte door de overgangen meer als een proces te benaderen in plaats van een moment. Er is dan sprake van een transitie waarin – afhankelijk van de behoefte van de jongere – betrokken partijen (o.a. aanleverende en ontvangende school, of aanleverende school en gemeente) meer naar elkaar toe bewegen, soms al eerder (voor de overgang) in beeld komen en soms later loslaten.

Vanuit de subsidies nazorg zijn hierin al wat eerste ervaringen opgedaan (bv. door betrokkenheid van gemeente in de workshops bij Yonder), maar het is volgens veel betrokkenen noodzakelijk om dit verder te versterken. Perspectief- en maatwerkdenken Om uitval te voorkomen is maatwerk afgestemd op de ondersteuningsbehoefte van de jongeren belangrijk. In de regionale sessie in het kader van dit onderzoek is vaak benoemd dat er meer maatwerk nodig is om meer jongeren te behoeden voor voortijdig schoolverlaten of werkeloosheid. Ook kwam dit naar voren in de monitor van de vsv-aanpak in 2023. Daarbij gaat het zowel om maatwerk binnen het onderwijs (bv. meerdere instroommomenten, kunnen versnellen of vertragen, overstapmogelijkheden bol-bbl, aparte klassen voor bepaalde doelgroepen, etc.), het open inzetten van (veel) meer praktijkgerichte routes (praktijkveklaringen, leren op de werkplek) en maatwerk in de overstap van school naar werk. Naast maatwerk is ook het uitgangspunt dat onderwijs (een diploma of startkwalificatie) geen doel is, maar een hulpmiddel om te participeren in de maatschappij. Dat denken zou volgens betrokkenen meer centraal moeten staan in de aanpak.

Een aantal aspecten zijn relevant in het perspectief- en maatwerkdenken: - Jongere staat centraal in de aanpak - Hanteren van een positieve benadering: wat kan de jongere wél (perspectief)? Willen begrijpen van het gedrag. - Jongeren zien zich gezien en gehoord; pedagogiek gaat voor didactiek - Leerling- of studentgestuurd werken (jongere heeft autonomie over het eigen leren) - Jongerenparticipatie: bevragen van jongeren in vormgeving van aanbod, in hele cyclus (vormgeven, evalueren) - Buiten de lijntjes durven kleuren

46 |

Samenhangend- en netwerkdenken In de huidige vsv-aanpak is integraal werken een kernthema. Dit bleek ook al uit de monitor van de vsv-aanpak in 2023 en moet volgens betrokkenen ook behouden blijven.48 Concreet betekent dit dat relevante leefdomeinen en de daarbij horende partners (o.a. welzijnswerk, jongerenwerk, maatschappelijk werk, jeugdhulp, werk en inkomen; maar ook ouders of andere belangrijke personen in het leven van de jongere) betrokken worden in het zo goed mogelijk ondersteunen van jongeren en dat ‘estafettehandelen’ wordt voorkomen (zie ook: Transitiedenken). Een dergelijke integrale – samenhangende of overstijgende – aanpak helpt zowel in preventieve zin (jongere op de juiste plek te krijgen, uitval voorkomen), maar ook om jongeren na uitval weer terug te leiden richting onderwijs of werk. Samenhangend- en netwerkdenken is belangrijk binnen het hele onderwijs, ongeacht het onderwijstype of -niveau. In de sessies is geconstateerd dat óók op havo en vwo en ook op mbo-3 en -4 uitval vaak samengaat met persoonlijke problematiek. Een integrale aanpak helpt hierin. Aandachtspunten die uit het onderzoek naar voren komen zijn: - Versterk en verbreedt het samenhangend werken in preventieve zin.

Betrek verschillende partners al vanaf de intake (zorg, maatschappelijk werk, jongerenwerk) en doe dit ook meer voor studenten op mbo-2/3/4 (zie ook: preventief denken) - Ga ook in de overgang van school naar werk meer integraal (samen)werken.

48 Goede voorbeelden die worden genoemd zijn o.a. mbo XP, financieel adviseurs, versterken basisondersteuning Entree.

| 47

5 Conclusie

In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitkomsten van de regionale analyse besproken. Er is ingegaan op voorspellers van voortijdig schoolverlaten in de regio (paragraaf 2.1), de typering van voortijdig schoolverlaten in de regio (paragraaf 2.2 en 2.3), de nieuwe wet van school naar duurzaam werk (hoofdstuk 3) en de aansluiting van de bestaande aanpak op de vsv-doelgroep. In dit hoofdstuk sluiten we af met de belangrijkste (samenvattende) conclusies. Typering van voortijdig schoolverlaters in de regio De eerste en tweede onderzoeksvraag zijn gericht op de typering van de groep vsv’ers in de regio en wat er vanuit landelijk onderzoek over voorspellers van voortijdig schoolverlaten bekend is. Het aandeel nieuwe voortijdig schoolverlaters in de regio neemt toe en is wat hoger dan landelijk. Omvang vsv komt overeen met verwachting o.b.v. sociaaleconomische kwetsbaarheid regio Hoeveel voortijdig schoolverlaters er zijn hangt samen met de sociaaleconomische kwetsbaarheid van de regio. Het aantal nieuwe vsv’ers in de regio is in lijn met de verwachting op basis van de mate van kwetsbaarheid. Ook op het niveau van woongemeente of woonwijk in Tilburg zien we een relatie tussen kwetsbaarheid en het aandeel voortijdig schoolverlaters.

Hoog vsv-percentage op mbo-1 en 2, absoluut bijna helft vsv’ers van mbo-4 In 2023-2024 waren er 765 nieuwe vsv’ers, waarvan 70 procent afkomstig is uit het mbo. Uit de regionale analyse vallen een aantal groepen op in termen van voortijdig schoolverlaten. Zo zijn er, ondanks de vele inspanningen om uitval te voorkomen, relatief veel vsv’ers op mbo niveau 1 (N = 74) en niveau 2 (N = 146). Dit betekent niet dat de inzet die er wordt gedaan niet effectief is, maar laat wel zien dat inspanningen om uitval op niveau 1 en 2 te voorkomen nodig blijven, zowel binnen de bol- als de bbl-opleidingen. In absolute zin komen de meeste voortijdig schoolverlaters van niveau 3 (N = 101) en niveau 4 (N = 214) van het mbo. Ruim een vijfde van alle vsv’ers volgde een bbl-traject, maar op mbo-2 en mbo-3 betreft dit de helft van alle vsv’ers. Verschillende redenen die worden gegeven voor uitval zijn ‘groenpluk’ (vaak door een stapeling van push- en pullfactoren) en een tekort aan praktijkgerichte trajecten, persoonlijke problematiek, studiekeuzeproblematiek en niet kunnen voldoen aan de eisen die het werk aan de jongere stelt (door bv. lichamelijke of persoonlijke problemen). Vsv vanuit vavo dalend De uitval vanuit de vavo is in absolute omvang klein (N = 17 in 2023-2024).

In de regionale analyse valt deze groep op omdat voortijdig schoolverlaten binnen de vavo in de afgelopen jaren juist is gedaald (in tegenstelling tot de stijgende trend op landelijk niveau). Succesfactoren in de aanpak zijn onder andere een integrale aanpak, uitgebreide intake en warme overdracht en veel aandacht voor contact en verbinding met de jongere. Zie 2.2.1 voor andere succesfactoren. Vsv uit vo: relatief veel ISK-leerlingen en toename vsv vanuit bovenbouw havo-vwo 28 procent van de nieuwe vsv’ers komt uit het voortgezet onderwijs. Ten opzichte van 2022-203 is het aantal en ook het aandeel vsv’ers uit het vo fors gestegen (dit was 19%). Binnen het vo zijn er – in vergelijking met het landelijke vsv-percentage – relatief veel uitvallers in de onderbouw vo (N = 117). Het gaat in ruim een derde van de gevallen om ISK-leerlingen en cijfers laten zien dat de uitval vanuit het ISK groeit. Echter kunnen verhuizingen en tijdelijke opvanglocaties zorgen

| 49

voor een ruis in aantallen en registraties. Opvallend is ook de stijging van het vsv-percentage in de bovenbouw havo/vwo (N = 35). Kwetsbare overgangen Als onderdeel van de tweede onderzoeksvraag is ook gekeken naar kwetsbare overgangen in het onderwijs. Ongediplomeerde instroom havisten in mbo: groeiende groep Er is sprake van een stijging van het aantal ongediplomeerde havisten dat instroomt in het mbo. Binnen 2,5 jaar is 40 procent gestopt, maar het is niet bekend of zij daarmee ook meer risico lopen op uitval in het mbo dan andere studenten. Door de groeiende instroom van deze groep is het van belang om te onderzoeken in hoeverre er voldoende passend aanbod en begeleiding is voor deze groep. Nieuwkomers in entree: grote groep, knelpunten in passend aanbod Nieuwkomers vormen een groot deel van de instroom in de entreeopleidingen van Yonder. De cijfers laten zien dat zij minder vaak uitvallen in het mbo dan andere studenten. Toch zijn er verschillende knelpunten in het onderwijs voor nieuwkomers. Deze betreffen niet zozeer het aantal onderwijsplekken, maar wel het aantal passende onderwijsplekken en (het bepalen van de meest passende) leerroutes en daarmee het realiseren van doorgaande lijnen na de ISK. Samenwerking tussen partners (ISK, vo, swv, mbo en de gemeente vanuit Inburgering) is hierin cruciaal. Zie 2.3.2 voor een uitwerking hiervan.

Uitstroom uit pro en vso: risico’s in overgangen voor met name vso-leerlingen In Midden-Brabant is de uitstroom van het vso en pro uit onderwijs (en naar arbeid) relatief hoog. Vanuit Midden-Brabant wordt er gewerkt met een sluitende aanpak van vso/pro naar de arbeidsmarkt. Toch lopen met name vso-leerlingen veel risico om na uitstroom geen werk te hebben. Ook in de overgang naar mbo lopen zij veel risico en is sprake van bovengemiddelde uitvalcijfers. Dit vraagt om extra aandacht in de verschillende overgangen (naar mbo, naar werk) en om continuering van de reeds bestaande inzet. De overgang van school naar werk De derde onderzoeksvraag gaat in op hoe de overgang school-werk te typeren is voor uitstromers zonder startkwalificatie en gediplomeerde uitstromers (met startkwalificatie) uit het mbo. De beantwoording van deze onderzoeksvraag gaat samen met de beantwoording van onderzoeksvraag 4 die gericht is op het beschrijven van de veranderingen in de regionale aanpak 2025-2029 als gevolg van de beoogde invoering van de wet Van school naar duurzaam werk. Wet van school naar duurzaam werk: verbreding focus en doelgroep in regionaal programma Met de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk verandert de focus en de doelgroep van het regionaal programma. De doelgroep van het regionaal programma wordt verbreed: de leeftijdsgroep waar het programma zich op richt wordt 12 tot 27 jaar.

Daarnaast richt het programma zich niet meer alleen op voortijdig schoolverlaters, maar ook op de overgang van opleiding naar werk. Hierbij wordt een nieuwe doelgroep (indicator) belangrijk: NEET-jongeren. Dit zijn jongeren die niet werken en niet naar school gaan. Uit de analyses blijkt dat circa 700 NEET-jongeren in de groep 23 tot 27-jaar tot de nieuwe doelgroep van het Doorstroompunt zullen behoren, waarvan (naar verwachting) een beperkt deel ook daadwerkelijk ondersteuning nodig zal hebben bij de overgang van opleiding naar werk. Dit is echter ook mede afhankelijk van keuzes die worden

50 |

gemaakt in de doelgroep die men wil gaan bedienen in de ondersteuning van de overgang schoolwerk. Ondersteuning school naar werk: keuzes maken in afbakening doelgroep, vraagt om aanvullende monitoring De ondersteuning in de overgang van school naar werk beperkt zich momenteel nog vooral tot de doelgroep vso- en pro-leerlingen en entree-studenten.49 Met de nieuwe wet komt de focus ook te liggen op niveau 2 studenten. Aanvullend kunnen andere studenten ‘die dat nodig hebben’ worden meegenomen in de aanpak. Het is aan de regio om hierin keuzes te maken. Onderdeel van de regionale analyse was om meer zicht te krijgen op groepen jongeren die meer risico lopen in deze overgang, om de regio zo te ondersteunen in de besluitvorming / afbakening van de doelgroep. Helaas ontbreken deze data. Regionale afspraken over monitoring zijn nodig om zicht te krijgen op jongeren die meer/veel risico lopen in de overgang school-werk en (nog in te zetten) maatregelen te volgen in hun doeltreffendheid. Aandachtspunten en witte vlekken De vijfde onderzoeksvraag is gericht op in welke mate de aanpak voortijdig schoolverlaten voldoende is aangesloten op de doelgroepen die veel risico lopen op voortijdig schoolverlaten, belangrijke oorzaken van voortijdig schoolverlaten, risicovolle overgangsmomenten en op de veranderingen in de regionale aanpak 2025-2029.

De vraag is of en waar witte vlekken zitten en wat er nodig is om de aanpak beter op aan te laten sluiten. We gaan puntsgewijs in op een aantal (nieuwe) doelgroepen, oorzaken en overgangen. -

-

-

Entree: ondanks de grote inzet die er al is op het voorkomen van uitval, blijft het vsvpercentage relatief hoog. Dat zegt niks over de effectiviteit van de bestaande inzet, maar geeft wel aan dat het belangrijk is om ook in het nieuwe regionale programma in te blijven zetten op deze doelgroep. Mbo-2: ook op niveau 2 is de uitval hoger dan landelijk en in vergelijkbare regio’s. Net als in de Entree gaat het om een vaak kwetsbare doelgroep. Het is aan te bevelen na te gaan in hoeverre de inzet die op niveau 1 al gedaan wordt, uitgebreid kan worden naar niveau 2. Aandacht is daarbij ook nodig voor specifiek de uitval uit de bbl-opleidingen. Mbo-3 en -4: ondanks dat de uitval op niveau 3 en niveau 4 niet hoger is dan landelijk of in vergelijkbare regio’s, zijn in absolute zin de meeste vsv’ers wel afkomstig van deze mbo-niveaus (m.n. mbo-4). Vanwege de omvang is het noodzakelijk dat er in het nieuwe programma aandacht is/blijft voor deze doelgroep. Gezien de diversiteit van uitvalredenen vraagt dit om een inzet langs meerdere sporen: gericht op studiekeuze en switch (bv. de heroriëntatietrajecten, Route35), gericht op persoonlijke problematiek (bv. in de plusvoorziening MBO XP) en gericht op ‘groenpluk’. Voor dit laatste spoor lijkt vooral de ontwikkeling van meer praktijkgerichte routes belangrijk.

Regionaal zou hier meer aandacht voor moeten zijn en kan hier meer gezamenlijk in worden opgetrokken. Dit vraagt ook om investeringen in het verder op- en uitbouwen van relaties met het werkveld; zowel in de vormgeving van praktijkgerichte routes als in het maken van regionale afspraken om groenpluk te beperken.

49 Vanuit de subsidie voor nazorg zijn er ook (eerste) ervaringen opgedaan in de ondersteuning van mbo-2 studenten in de overgang school-werk. Sommige mbo-instellingen hebben deze subsidie ook gericht op studenten van mbo-3 en -4 die dit nodig hebben, maar dat geldt niet voor alle mbo-instellingen in de regio. De inspanningen zijn niet vergelijkbaar met de inspanningen die er zijn voor de doelgroepen pro, vso en entree.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16182131/1