CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017

Gemeenteraad (openbaar) 29 juni 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 202220.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Voor artikel 28 (oud) geldt hetzelfde als voor artikel 27 (oud).

passend re-integratie aanbod; 4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ; 5. het niet naar vermogen meewerken aan de arbeidsen reintegratieverplichtingen. b. tweede categorie: 1. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2. het niet naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; 3. het dooreen alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht; 4. het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; 5. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.

4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW en IOAZ; 5. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of reintegratie; 6. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. b. tweede categorie: 1. het niet naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; 2. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de reintegratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht; 3. het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; 4. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.

Artikel 32: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Artikel 31: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Het nieuwe artikel 31 is een samenvoeging

1.

2.

3.

4.

5.

Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde lid van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. 1096 van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan C 4.000,00; b. 2096 van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan C 4.000,00. Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de verlaging 2096 van de uitkering gedurende één maand. Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 10096. Deze bepaling geldt alleen voor de PW. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor de soort kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou

1.

Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde lid van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. 1096 van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan C 4.000,00; b. 2096 van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan C 4.000,00. 3. Als geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld, volstaat het college met het geven van een schríftelijke waarschuwing. 4. Als een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is geraakt, of als sprake is van verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening, wordt een verlaging toegepast gedurende één maand met inachtneming van het bepaalde in het vijfde en zesde lid van dit artikel. 5. De verlaging als bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op de hoogt e van het netto inkomen, dan wel de hoogte van de netto voorliggende voorziening, inclusief vakantietoeslag met een maximum van 10096 van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag. 6.

Het inkomen zoals bedoeld in het vierde lid wordt in beginsel

van artikel 32 en 33 (oud). De leden 1 en 2 van artikel 32 (oud) zijn niet gewijzigd en gelijk aan artikel 31, eerste en tweede lid (nieuw). Het derde lid is gewijzigd in die zin, dat als het college geen benadelingsbedrag kan vaststellen, zij voortaan een schriftelijke waarschuwing kan opleggen, in plaats van een verlaging. Dit sluit aan bij artikel 18a, derde en vierde lid, PW). Artikel 32, vierde lid (oud) is verplaatst naar artikel 31, zevende lid (nieuw). Artikel 32, vijfde lid (oud) is verplaatst naar artikel 31 achtste lid (nieuw). Artikel 32, zesde lid (oud) is verplaatst naar artikel 31, negende lid (nieuw). Artikel 33, eerste lid (oud) is geschrapt. Het betreft hier een bepaling het verrekenen van een recidiveboete met de uitkering, zonder rekening te houden met de beslagvrije voet (robuust incasso). De verordeningsplicht op dit onderdeel is vervallen. Artikel 33, tweede lid (oud) is verplaatst naar artikel 32, vierde lid (nieuw). Artikel 33, derde en vierde lid (oud) zijn verplaatst naar artikel

6.

hebben voorzien. Als toepassing van het vierde lid leidt tot onbillijkheden wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onder b, PW en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.

Artikel 33: Verlies van een passende voorliggende voorziening 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening wordt een verlaging van de uitkering opgelegd van 10096 gedurende één maand, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend vanaf de start van de verrekening; 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening wordt, indien een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is geraakt, een verlaging toegepast gedurende een maand. 3. De verlaging zoals bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld op de hoogte van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag, maar bedraagt maximaal 10096 van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 4. Het inkomen zoals bedoeld in

berekend op basis van het laatste ontvangen loon, dan wel de hoogte van de voorliggende voorziening, gedurende de laatste gehele maand. Als het een wisselend inkomen betreft, dan wordt de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvíngen. 7. Bij versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 10096 van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Deze bepaling geldt alleen voor de PW. 8. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor (bijzondere) bijstand geen gebruikt maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor het soort kosten waarvoor (bijzondere) bijstand wordt aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien. 9. Als toepassing van het zevende lid leidt tot onbillijkheden, dan wordt toepassing geven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onderdeel b, PW en wordt e uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder, dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.

31, vijfde en zesde lid (nieuw).

het tweede lid wordt in beginsel berekend op basis van het laatst ontvangen loon gedurende een gehele maand. Indien het een wisselend inkomen betreft dan wordt de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen. Paragraaf 3.3: Bestuurlijke boete

Vervallen

Artikel 48 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verzamelverordening 2015".

Artikel 40: Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017'.

Artikel 49 Inwerkingtreding De verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

Artikel 41: Inwerkingtreding De verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 1 januari 2017.

Dit spreekt voor zich.

Artikel 50 Intrekking oude verordeningen en overgangsrecht 1. De "Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ, Bbz 2013" wordt op 1 januari 2015 ingetrokken. 2. Voor wat betreft de reintegratieparagraaf geldt het volgende: een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de

Artikel 42: Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2016' wordt per 1 januari 2017 ingetrokken. 2. Voor wat betreft de reintegratieparagraaf geldt het volgende: een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de 'Verzamelverordening

Het eerste lid spreekt voor zich. Het tweede lid regelt dat een belanghebbende aan wie een voorziening op het gebied van re­ ïntegratie is toegekend op grond van de Verzamelverordening 2015, van deze voorziening gebruik kan blijven maken,

Deze paragraaf is in zijn geheel vervallen. Het betreft bepalingen over het verrekenen van een recidiveboete met de lopende uitkering (robuust incasso). De verordeningsplicht op dit onderdeel is vervallen. De overige artikelen zijn vernummerd. Dit spreekt voor zich.

3.

Verzamelverordening 2013, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor de duur dat deze is verstrekt. De toeslagenparagraaf van de Verzamelverordening 2013 blijft gelden voor alle belanghebbenden, die op 31 december 2014 een uitkering krachtens de WWB ontvingen, bij ongewijzigde omstandigheden tot 1 juli 2015.

Participatiewet, IOAW, lOAZen Bbz 2016', die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor de duur dat deze is verstrekt.

ondanks het feit dat de Verzamelverordening 2015 is ingetrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11541701/1