CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017

Gemeenteraad (openbaar) 29 juni 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 202220.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, PW). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Een participatieplaats is bedoeld om additionele werkzaamheden te verrichten. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega's zijn allemaal zaken waaraan een belanghebbende in een participatieplaats kan werken. Ook is het mogelijk hiermee te beoordelen of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de PW). Na negen maanden beoordeelt het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, PW). Zo niet, dan beëindigt het college de participatieplaats.

17

Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats beoordeelt het college opnieuw of zij de participatieplaats zal voortzetten. Als het college concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan zij de participatieplaats nog één jaar verlengen. Echter, in dat geval dient het college een andere werkomgeving aan te beiden (artikel 10a, negende lid, PW). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de PW). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie. Voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de PW). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening zijn vastgelegd (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, PW). De premie is vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW. Bij het bepalen van de hoogte van de premie is de gemeenteraad niet verplicht om aan te sluiten bij het in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet genoemde bedrag.

Alleen de maximale hoogte van de premie is begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Dit blijkt uit de woorden 'ten hoogste'. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is gekozen voor een premie van telkens C 299,00 per zes maanden. Paragraaf 2.3: Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of beperkingen richting werk Artikel 7: Participatievoorziening beschut werk Het college biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW, of een persoon is aan wie het UWV een uitkering verstrekt (eerste lid). Het college is verplicht om iemand de voorziening beschut werk aan te bieden, wanneer die persoon daarop aangewezen is (artikel 10b, eerste lid, PW). Deze verplichting geldt tot wanneer de vastgestelde aantallen beschutte werkplekken zijn bereikt (artikel 10b, zesde lid, PW).

Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk (eerste en tweede lid) is in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling het college moet inzetten om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid) en welke voorzieningen het college aanbiedt tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt (vierde lid). Stap 1: advies UWV Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort, verricht het UWV voor het college de werkzaamheden ten behoeve van die vaststelling en adviseert het college hierover. Het UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk (artikel 10b, tweede lid, PW). Het UWV verricht de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort ook op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW of een persoon aan wie het UWV een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, PW). Een dergelijk verzoek kan deze persoon alleen zelf indienen. Een andere belanghebbende, zoals een werkgever, kan dat dus niet. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert het UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven.

18

Stap 2: besluit van de gemeente Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. Stap 3: dienstbetrekking beschut werk Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, eerste lid, PW). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, PW). Het college kan zelf bepalen waar zij de beschutte werkplek organiseert. Dat kan zijn binnen de gemeente, maar ook bij de bestaande SWbedrijven, of bij een andere, aan de gemeente gelieerde organisatie. Het kan zijn dat een reguliere werkgever bereid is de benodigde beschutte omstandigheden te bieden. Van deze werkgever verwacht het college dan een inspanningsverplichting om de persoon met een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden toe te leiden naar een dienstbetrekking zonder beschutte omstandigheden. Het college kan hiervoor voorzieningen en instrumenten uit de PW inzetten. Het toekennen van een beschutte werkplek is een besluit in de zin van de Awb.

Volgorde toekenning Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat het college de voorziening beschut werk in principe toekent op volgorde van vaststelling dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (tweede lid). Dit is conform de bedoeling van de wetgever dat personen voor wie niet direct een beschutte werkplek beschikbaar is, bij voorrang een beschutte werkplek krijgen aangeboden in het daarop volgende jaar. De gemeente is verplicht om elk jaar een aantal beschutte werkplekken te realiseren. De raad kan bij verordening een hoger aantal door het college te realiseren dienstbetrekkingen vaststellen. De gemeente ontvangt slechts financiële middelen voor het verplichte aantal te realiseren beschutte werkplekken. De verordening gaat uit van een minimaal aantal beschutte werkplekken dat gelijk is aan de opgelegde target (verplichte aantal).

Het college kan besluiten om bovenop de target extra dienstbetrekkingen beschut werk te realiseren. Deze afweging maakt het college per geval. Artikel 8: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde Het college kan de loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel uitsluitend inzetten als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, PW. Het gaat daarbij om personen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk. Het college kan deze - indien nodig - voor een langere periode inzetten. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer. In artikel 10c PW is bepaald dat het aan college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de PW is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of zij loonkostensubsidie voor hen inzetten. In artikel 8, tweede lid, van deze verordening is vastgelegd welke criteria het college daarbij in acht neemt. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, PW. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.

19

Loonwaardebepaling In de PW en in de lagere regelgeving zijn de wettelijke eisen neergelegd waaraan de loonwaarde methodiek moet voldoen. Daarbinnen hebben de gemeenten en regio's beleidsvrijheid gekregen. De PW bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling waarvoor de gemeente heeft gekozen, in de gemeentelijke verordening een plaats moet krijgen. Gemeenten moesten begin 2015 regionale afspraken maken over de loonwaardebepaling in het Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor loonwaardebepaling hing dus samen met de vorming van het Werkbedrijf. Voor de ABG gemeenten betreft dat de arbeidsmarktregio Hart van Brabant. Door middel van een aanbestedingsprocedure is gekozen voor de loonwaardemethodiek Dariuz. In artikel 8 van deze verordening is opgenomen dat dit de loonwaardemethodiek is die de gehele regio inzet. Het instrument voldoet aan voorwaarden van het Ontwerpbesluit loonkostensubsidie Participatiewet en is door het ministerie goedgekeurd. Naast de keuze van het instrument zijn er ook verschillende andere afspraken gemaakt met betrekking tot de loonwaardemeting zoals de regiogemeenten die uitvoeren. Zo is bijvoorbeeld afgesproken dat gemeenten gebruik kunnen maken van eikaars loonwaardespecialisten en dat een accountmanager die de plaatsing heeft verzorgd nooit degene kan zijn die de loonwaardemeting uitvoert.

Paragraaf 2.4: Studietoeslag Voorwaarden individuele studietoeslag Artikel 36b, eerste lid, PW spreekt zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek - gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag: » 18 jaarof ouder is; «

recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF2000) of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS);

»

geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 PW heeft; en

«

een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering (WSF2000) of een WTOStegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk WSF2000 of WTOS moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of iemand van dit recht gebruik maakt, is niet in de PW geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond van de PW. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op WSF2000 of WTOS. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op WSF2000 of WTOS heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen. De artikelen 12, 43, 49 en 52 PW zijn niet van toepassing bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, PW). De belanghebbende moet de aanvraag indienen bij het college. Het college houdt geen rekening met een eventuele draagkracht van de ouders (artikel 12 PW). Het college kan een individuele studietoeslag niet als lening verstrekken als een persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 PW is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, PW). Ook artikel 52 PW is niet van toepassing op de individuele

20

studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de PW). Dit maakt dat het college de individuele studietoeslag niet kan verstrekken in de vorm van een voorschot. Artikel 9: Indienen verzoek De persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, PW. Onder aanvraag is te verstaan: een verzoek van een persoon om een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, Awb). De belanghebbende dient de aanvraag in beginsel schríftelijk in te dienen (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop de belanghebbende het verzoek, als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, PW moet indienen, staat in deze verordening dat hij het verzoek moet doen met een door het college vastgesteld formulier. Het college ziet een verzoek dan als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schríftelijke aanvraag (artikel 4:1 Awb) die is ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die hij vraagt (artikel 4:2, eerste lid, Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, Awb).

Een mondeling verzoek valt hiermee dus niet aan te merken als een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b PW. Artikel 10: Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon In eerste instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van verminderd arbeidsvermogen op basis van beschikbare gegevens. Wanneer het college niet in staat is zelf deze beoordeling te maken, dan zal zij een extern advies inwinnen. Artikel 11: Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat het college alleen bij de aanvraag hoeft te kijken of belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden. Het college hoeft niet later ook nog te onderzoeken of iemand is blijven studeren. Wel zal het college bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode op dat moment weer moeten onderzoeken of iemand voldoet aan de criteria. Een studiejaar start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar. Artikel 12: Hoogte individuele studietoeslag Het college kent de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden toe. Een individuele studietoeslag bedraagt C 100,00 per maand.

Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een individuele studietoeslag. Artikel 13: Betaling individuele studietoeslag Het college betaalt een individuele studietoeslag eenmalig per studiejaar in één bedrag uit. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 12 van deze verordening, vermenigvuldigd met 12 maanden. Bij de start van een nieuw studiejaar kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Hiertoe moet hij een nieuwe aanvraag indienen.

Paragraaf 2.5: Tegenprestatie Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW. Deze mogelijkheid staat al langere tijd in de wet, maar met de invoering van de WWB maatregelen 2015, welke zijn opgegaan in de PW) is de verplichting tot het opstellen van een verordening opgenomen. Opvallend hierbij is dat de wet nog steeds een discretionaire bevoegdheid aan het college geeft om de tegenprestatie op te dragen en

21

niet spreekt van een wettelijke verplichting. Maar de verplichte verordening geeft een ander signaal aan gemeenten: de wetgever verlangt van de gemeenten dat zij de tegenprestatie regelen, maar gemeenten hebben de vrijheid om de tegenprestatie naar vermogen op te leggen. De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door hetgeen is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid moet van korte duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen verdringing opleveren op de arbeidsmarkt. Artikel 14: Doelgroep en doel De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie geldt in beginsel voor iedereen die een uitkering ontvangt. Dit geldt niet alleen voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de PW, maar ook voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. Het opleggen van een tegenprestatie naar vermogen is geen middel, maar een doel. Doel is om uitkeringsgerechtigden, die tot dusver aan de zijlijn stonden, te prikkelen om zich in te zetten voor de samenleving als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering. Artikel 15: ínhoud van een tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.

Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Het college dient hierbij maatwerk toe te passen. Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het college van hem verwacht. Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden In de wet is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet om iets extra's gaan waar normaal gesproken geen volledige betaalde kracht voor wordt ingezet. De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op de eisen van het EVRM. In beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden zij in ieder geval als tegenprestatie kan inzetten (artikel 15, tweede lid, van deze verordening). Deze werkzaamheden zijn te beschouwen als een uitwerking van artikel 15 van deze verordening.

Samenwerking met maatschappelijke organisaties De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

22

Artikel 16: Het opdragen van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja, welke tegenprestatie zij aan de belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep aantekenen (TK 20132014, 33 801, nr. 7, p. 49).Het college moet rekening houden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden zoals zorgtaken. Het college draagt de werkzaamheden immers op 'naar vermogen'. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten Geen tegenprestatie Als daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, PW). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (artikel 9, vijfde lid, PW).

De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is bovendien niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW (artikel 9, zevende lid, PW). Voorts houdt het college bij het opdragen van een tegenprestatie rekening met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en de vergoeding hiervan. Artikel 17: Duur en omvang van een tegenprestatie De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale duur van drie maanden. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de belanghebbende daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de volledige termijn waarop deze is opgelegd waarbinnen (gedeeltelijke) werkzaamheden zijn verricht. Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor gekozen om maximaal 8 uur per week, en maximaal 80 uur per kalenderjaar een tegenprestatie op te dragen. Naast de tegenprestatie kan de belanghebbende de rest van de week nog steeds voldoen aan een eventuele re-integratie - of arbeidsverplichting. We leggen binnen een periode van twaalf maanden een tegenprestatie slechts eenmaal op. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf maanden. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een belanghebbende.

Artikel 18: Afzien van het opleggen van een tegenprestatie Er is een aantal redenen waarom het college geen tegenprestatie oplegt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op. Daarnaast legt het college geen aanvullende tegenprestatie op als iemand al voldoende maatschappelijk actief is en op deze wijze een tegenprestatie levert aan de maatschappij.

Hoofdstuk 3: Afstemming van de uitkering Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum is het college verplicht een bestuurlijke boete op te leggen als sprake is

23

van schending van de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om bij schending van de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen. Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht, dan is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending van de medewerkingsplicht, arbeids- en reintegratieverplichting, aan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig misdragen of het niet nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. In paragraaf 3.1 en 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18 PW uitgewerkt om vorm en Ínhoud te geven aan een sanctiebeleid (vaststellen afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is voorgeschreven als de belanghebbende naar het oordeel van het college: * tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan; » de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in artikel 17, eerste lid, PW niet of onvoldoende nakomt. Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering als een tijdelijke overbrugging is te zien naar participatie met betaald (gesubsidieerd) werk.

Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn uitkeringsgerechtigden wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te laten) wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Zij kunnen daarbij ondersteuning krijgen met voorzieningen. De tegenhanger hiervan is het sanctiebeleid. Als een belanghebbende een noodzakelijk traject naar participatie frustreert, handelt het college metterdaad en streng (lik op stuk beleid). Ook waar het agressie/geweld tegen die dienstverleners die de wetten uitvoeren betreft. Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 19 t/m 22 Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de PW en de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepalingen komen tegemoet aan de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie. De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie tot de PW-inkomensgarantie op minimumniveau. Artikel 19: Het opleggen van een verlaging van de uitkering De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie zijn hierbij aangehaald.

Het college beoordeelt het opleggen van een maatregel op de volgende criteria: » de ernst van de gedraging: welke verplichting is niet of niet correct nagekomen; » de mate van verwijtbaarheid: is de het de belanghebbende wel volledig te verwijten dat hij een verplichting niet is nagekomen; en » de persoonlijke omstandigheden: soms zijn de omstandigheden zodanig dat de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de omstandigheden ook een reden zijn om geen maatregel op te leggen. Met name deze laatste overweging is maatwerk, omdat het college hier uitgaat van de persoonlijke situatie van de belanghebbende. Artikel 21: Afzien van het opleggen van een verlaging In dit artikel is een termijn gesteld waar binnen het college een maatregel kan opleggen. Deze termijn geldt alleen voor de niet-geüniformeerde maatregelen van artikel 18, vierde lid, PW. Concreet betekent dit dat als de gedraging meer dan 2 jaar voordat het college deze constateert heeft plaatsgevonden, zij afziet van het opleggen van een maatregel. Let wel: dit geldt niet voor de schending van de inlichtingenplicht! Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als

24

hier dringende redenen voor zijn. Dit zal niet vaak het geval zijn. Hierbij valt te denken aan de zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 PW. Artikel 22: Ingangsdatum en tijdvak en recidive In het eerste lid is bepaald dat de verlaging pas kan ingaan op het moment dat iemand hiervan op de hoogte is gesteld, dus als hij of zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom gaat de verlaging in op de maand volgend op de maand waarin de beschikking aan de belanghebbende is verstuurd in. Meestal wijzigt de toepasselijke norm niet. Voor de effectuering van de verlaging geldt de norm in de maand waarin het college de maatregel effectueert, om te voorkomen dat zij belanghebbende financieel onevenredig benadeelt. Een voorbeeld hierbij is dat iemand de norm alleenstaande heeft op het moment dat het college de maatregelwaardige gedraging constateert, en leeft als gehuwde (met de norm voor gehuwden) op het moment dat het college de verlaging effectueert. Als het college een verlaging van 1096 gedurende één maand oplegt, zal zij deze effectueren op de norm voor gehuwden. In dit geval is de verlaging hoger, maar het kan andersom ook zo zijn dat de verlaging lager uitvalt als de situatie omgekeerd is (gehuwdennorm is gewijzigd in een norm voor een alleenstaande).

In het tweede lid is bepaald dat verlaging geen terugwerkende kracht kent en ingaat per de eerste van de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze in per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna ligt, mits de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel uitbetaald, dan geldt de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de beschikking. Het derde lid bepaalt de sanctie in het geval een belanghebbende in een maand aan meerdere dezelfde - maatregelwaardige gedragingen begaat. De belanghebbende laat een herhaling zien van één bepaalde gedraging. De sanctie is in dat geval dat het college de tweede en volgende gedraging ziet als zelfstandige gedraging. Voor iedere gedraging legt het college dan een verlaging op. In het vijfde lid is bepaald dat, wanneer er sprake is van meerdere - verschillende maatregelwaardige gedragingen, het college in dat geval altijd de maatregel met de hoogste sanctie oplegt. In dit geval gaat het om een situatie waarin het college in één onderzoek constateert dat de belanghebbende meerdere - verschillende - maatregelwaardige gedragingen heeft begaan.

In het zesde lid, onderdeel b is bepaald dat bij recidive de duur van de verlaging in principe altijd twee maanden is, ook als er sprake is van een derde of vierde overtreding. Dit in afwijking van de geüniformeerde verlagingen, waarbij de duur van de verlaging bij herhaalde niet nakoming is gesteld op drie maanden. In het geval dat het college een verlaging van 10096 gedurende een maand oplegt, dan verdubbelt de duur van de verlaging bij recidive. In het geval dat het college een verlaging van 5096 gedurende een maand oplegt, verdubbelt de hoogte van de verlaging bij recidive. In het zevende lid is bepaald dat, als de uitkering is beëindigd het college geen verlaging van de uitkering meer kan effectueren. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe uitkering aanvraagt en het college deze toekent, dan kan zij de verlaging of het deel dat nog niet is geëffectueerd, alsnog effectueren op de nieuwe uitkering vanaf de ingangsdatum. Artikel 23: De berekeningsgrondslag van de verlaging. Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 24: Waarschuwing In plaats van het opleggen van een verlaging kan het college bij gedragingen van de 2e categorie zoals bedoeld in artikel 26 sub b en artikel 27 sub b van deze verordening volstaan met het geven van een

25

schríftelijke waarschuwing. Dit kan alleen in de situaties waarin de verordening dit toestaat. De waarschuwing telt mee voor de recidive en het college moet hiertoe dan ook beschikken en registreren. Artikel 25: Horen van de belanghebbende(n) Het college moet de belanghebbende horen en het besluit altijd schríftelijk nemen. Vanzelfsprekend zijn de bepalingen van de Awb hierop ook van toepassing. In dit artikel staan alleen de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van de PW. De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is gesteld. Het college kan slechts in bepaalde situaties, zoals opgenomen in deze verordening, gemotiveerd afzien van het horen. Paragraaf 3.2: Gedragingen en bij'behorende maatregelen Paragraaf 3.2.1: Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 26: Gedragingen PW De artikelen 26 en 28 moet men in onderlinge samenhang lezen. In artikel 26 zijn de schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin staan genoemd, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën kent artikel 28 een gewicht toe in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.

Gedragingen in de eerste categorie De gedragingen die hier genoemd zijn wegen allemaal zeer zwaar gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het uitgangspunt van participatie naar vermogen, dat een verlaging van de uitkering van 10096 voor de duur van één maand proportioneel is geacht. Deze verlaging is bovendien redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende door diens opstelling, houding of gedrag niet zelf in het bestaan kan voorzien. Daarnaast sluit de bepaling in de verordening hiermee aan bij de in de wet genoemde (wel geüniformeerde) maatregelen. Gedragingen in de tweede categorie De gedragingen die hier genoemd wegen minder zwaar dan de gedragingen in de eerste categorie. Gelet op de aard van de gedragingen in relatie tot het teruglopende participatiebudget, is een verlaging van 2096 gedurende één maand niet disproportioneel geacht. Artikel 27: Gedragingen IOAW en IOAZ De artikelen 27 en 28 moet men in onderlinge samenhang lezen. In artikel 27 zijn de schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin staan genoemd zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën kent in artikel 28 een gewicht toe in de vorm van een verlagingspercentage.

De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging is ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Artikel 28: Hoogte en duur van de verlaging In het eerste lid staan de verlagingspercentages behorende bij de verlagingswaardige gedragingen als bedoeld in de artikelen 26 en 27. Met de Wet Maatregelen WWB 2015, thans opgenomen in de PW, zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, PW). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming van de gedragingen in

26

de eerste categorie als bedoeld in de artikelen 26 en 27 aan te sluiten bij de maatregelen voor het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen in de eerste categorie. In het tweede lid is bepaald dat het college op basis van individuele omstandigheden kan besluiten de verlaging van 10096 gedurende een maand op te delen in twee maanden verlaging van 5096. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine kinderen die door de verlaging van 10096 in dusdanige problemen komen dat de huisvesting in het geding komt. Hierbij zij opgemerkt dat het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de gehele situatie. Artikel 29: Niet nakomen overige verplichtingen PW Artikel 55 PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te weten: » verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; » verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; » verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en * verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling. De overige verplichtingen komen terug in artikel 33. Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling is het zich onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke behandeling van medische aard, omdat de beperkingen arbeidsinschakeling in de weg staan. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen wordt door het college een verlaging van de uitkering van 5096 gedurende één maand opgelegd. Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 30: Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting In het eerste lid is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 10096 gedurende een maand bedraagt. Dit is volgens de PW de minimale verlaging (artikel 18 vijfde lid, PW). Volgens het tweede lid kan het college op basis van individuele omstandigheden besluiten de verlaging van 10096 gedurende een maand op te delen in twee maanden verlaging van 5096. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine kinderen die door de verlaging van 10096 in dusdanige problemen komen dat de huisvesting in het geding komt.

Hierbij zij opgemerkt dat het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de gehele situatie. Als er sprake is van recidive (het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting), bedraagt de verlaging 10096 gedurende twee maanden.

27

Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige verlaging, bedraagt de verlaging 10096 gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, PW). Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij kan hiervoor een verzoek doen en moet dan aantonen nu wel te voldoen aan de verplichtingen. Deze mogelijkheid is verder uitgewerkt in beleidsregels. Paragraaf 3.2.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 31: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken zoals: » een onverantwoorde besteding van vermogen; » geen ofte late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening; * het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering. Het benadelingsbedrag bepaalt de hoogte van de sanctie. Wanneer er geen benadelingsbedrag is vast te stellen (maar er is wel benadeling), dan volstaat het college met het opleggen van een schríftelijke waarschuwing. Wanneer een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden, en hij daardoor een beroep moet doen op een uitkering, verlaagt het college de uitkering.

De verlaging is gelijk aan het netto inkomen, wat de belanghebbende zou hebben verdiend, als hij de arbeid had behouden, met een maximum van 10096 van de voor hem geldende bijstandsnorm. Dit is een zware sanctie, maar dit sluit aan bij de bepalingen zoals genoemd in artikel 18, vierde lid, PW (schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen) en artikel 26, aanhef, onderdeel a, sub 6 van deze verordening. Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling geen vermogensbepaling kent. Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken van vermogen verlaagt het college de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk zijn met 10096. Als dit tot problemen leidt kan het college bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken, zoals bedoeld in artikel 48 PW. Het college berekent het versneld interen van vermogen naar de systematiek van VA maal de bijstandsnorm per maand. Wanneer een belanghebbende tekortschietend besef betoont bij het aanvragen van bijzondere bijstand, bijvoorbeeld door geen gebruik te maken van een voorliggende voorziening, stemt het college de bijzondere bijstand af met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien.

Deze afstemming toont gelijkenis met de afstemming, zoals opgenomen in het vijfde lid van dit artikel. De uiterste consequentie kan zijn dat de belanghebbende geen bijzondere bijstand krijgt voor bepaalde kosten, omdat een voorliggende voorziening de kosten volledig zou hebben vergoed. Artikel 32: Zeer ernstig misdragen Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, PW. Onder de term 'zeer ernstig misdragen' is in deze verordening in elk geval verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief (fysiek) contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm is als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Handelingen die

28

door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek- en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' is aangegeven dat het college de verlaging van de uitkering alleen kan opleggen bij misdragingen in het kader van de uitvoering van de PW. Als er sprake is van misdragingen jegens de met de uitvoering van de PW belaste personen en instanties zonder dat deze bezig zijn met de uitvoering van de PW (dus eventueel in hun privésituatie), zal het college altijd aangifte doen en kan het college een gebouwverbod opleggen. Bij zeer ernstige misdragingen treedt het agressieprotocol in werking. Dit protocol voorziet in onder meer een ordegesprek, het doen van justitiële aangifte (altijd bij fysiek geweld) en een gebouwverbod. Daarnaast legt het college een verlaging van de uitkering van 10096 gedurende een maand op.

Bij recidive verlaagt het college de uitkering gedurende drie maanden met 10096. Dit omdat de impact van zeer ernstig misdragen op de personen maar ook op de organisatie dermate groot zijn, dat we dit zoveel mogelijk moeten zien te voorkomen. De hoogte van de sanctie heeft naast een repressief ook een preventief aspect. Artikel 33: Niet nakomen overige verplichtingen Artikel 55 van de PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te weten: * verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (geregeld in artikel 30 van deze verordening); » verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; » verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en » verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. De sanctie is afgestemd op het soort verplichting dat de belanghebbende niet nakomt en de impact hiervan op de bijstandsverlening. Hoofdstuk 4: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik In dit hoofdstuk is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b PW: de gemeenteraad stelt, in het kader van goed financieel beheer, regels op voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Deze regels moeten waarborgen dat de uitvoering van de bijstand aan de eisen van rechtmatigheid voldoet. Gelet op de financiële verantwoordelijkheid van de gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van de bijstand ook het beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een effectieve handhaving vertaalt zich immers in een besparing op het BUIG-budget. Het beleid voor handhaving is sinds langere tijd ingericht naar het model van hoogwaardig handhaven. Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn: 1. goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen; 2. het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW);

29

3. 4.

het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik en het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.

Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering. Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van oneigenlijk gebruik en misbruik van de PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is gewaarborgd door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor programmatisch en hoogwaardig handhaven. Het college voert de vier visievelden van dat model in samenhang uit. De nadruk ligt op preventie en gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan genezen. Artikel 36: Aangifte bij het Openbaar Ministerie Het college legt geen bestuurlijke boete op als zij aangifte doet van fraude bij het Openbaar Ministerie (OM), vanwege het beginsel 'ne bis in idem' (niet 2x straffen voor hetzelfde feit). Als het OM echter besluit niet tot vervolging over te gaan, dan kan het college wel sanctioneren. Dit kan wel enige tijd later zijn, omdat het OM de aangifte zal moeten beoordelen en dat kost tijd. Artikel 37: Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen Het college vordert ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering door oneigenlijk gebruik of misbruik van de PW, IOAW, IOAZ of Bbz 2004, in beginsel altijd volledig terug volgens de door het college vastgestelde beleidsregels terugvordering en verhaal.

Deze beleidsregels voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van bijstand, de termijn waarover belanghebbende naar draagkracht moet terugbetalen en het matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van bijstand.

Hoofdstuk 5: Slotbepalingen De slotbepalingen behoeven geen toelichting.

30

Overzicht van de wijzigingen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz In de linker kolom staan de bepalingen uit de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015. In de middelste kolom staan dezelfde bepalingen, zoals deze zijn opgenomen in de (concept) Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017. In de rechter kolom staat een (korte) toelichting. In een aantal gevallen staat er een verwijzing naar het raadsvoorstel, of de bijlage bij het raadsvoorstel. In het raadsvoorstel, c.q. de bijlage bij het raadsvoorstel staat dan wat uitgebreider uitgelegd waarom een bepaling is gewijzigd. Verzamelverordening 2016 Artikel 1: Definities f. Bestuurlijke boete: een boete die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie of de rechter kan worden opgelegd. Deze boete heeft een straffend karakter g. Bezit: waarde van de bezittingen waarover de belanghebbende of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de bewoonde woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, PW; u. No risk polis: een verzekering die de financiële gevolgen van ziekte van de in dienst genomen uitkeringsgerechtigde voor een werkgever afdekt; aa.

Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de PW; Artikel 3: Aanspraak lid 1 De aanspraak op ondersteuning gericht op re­ ïntegratie wordt niet eerder dan vier weken na de (uitkering)aanvraag inhoudelijk beoordeeld, tenzij dit naar de mening van het college in de individuele situatie niet geoorloofd is. Dit betreft een extra wijziging voor ABG 6. De restricties zoals opgenomen in het vijfde lid kunnen buiten beschouwing worden gelaten, indien het een persoon betreft die is opgenomen in het

Verzamelverordening 2017 Artikel 1: Definities h. Doelgroepregister: het Doelgroepregister Wet banenafspraak; y. Screening een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager, dan wel een belanghebbende, dat wordt verwerkt in een plan van aanpak; dd. Verdiepende diagnose: een nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en eventuele beperkingen, uitgevoerd dooreen deskundige, wanneer de diagnose hier aanleiding toe geeft en waarvan de uitkomst wordt verwerkt in het plan van aanpak;

Toelichting De definities opgenomen in de linker kolom zijn geschrapt, omdat zij niet meer voorkomen in de verordening. De definities opgenomen in de middelste kolom zijn toegevoegd. Verder heeft, daar waar nodig, vernummering plaatsgevonden.

Artikel 3: Aanspraak 6. De restricties zoals opgenomen in het vijfde lid kunnen buiten beschouwing worden gelaten, indien het en persoon betreft die is ogenomen in het Doelgroepregister. Dit geldt enkel voor de voorzieningen die daartoe in de beleidsregels zijn aangewezen en zolang de belanghebbende in het Doelgroepregister is opgenomen. 7. Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening voortijdig is

Kleine tekstuele aanpassingen, zonder gevolgen.

Doelgroepregister Wet banenafspraak. Dit geldt enkel voor de voorzieningen die daartoe in de beleidsregels zijn aangewezen en zolang zij in het Doelgroepregister Wet banenafspraak zijn opgenomen 7. Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 5 sub a en e. Artikel 6: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar 3. Het college kan op basis van artikel 10a van de PW of artikel 38a van de IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Artikel 7: Participatievoorziening beschut werk (BN): 1. Het college biedt beschut werk zoals bedoeld in artikel 10b van de P-wet. 2. Het college zal met behulp van een screening en diagnose beoordelen welke personen uit de doelgroep re-integratie uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. 3. Het college kan de persoon, bij wie uit de beoordeling zoals bedoeld in lid 2 is gebleken dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden kan werken, ook een alternatieve passende voorziening aanbieden, anders dan beschut werk.

beëindigd vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 5 sub a en e van deze verordening.

Artikel 6: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar 3. Het college kan op basis van artikel 10a PW of artikel 38a IOAW/IOAZ aan een uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.

Kleine tekstuele aanpassingen zonder gevolgen.

Artikel 7: Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep; of b. een persoon is aan wie het UWV een uitkering verstrekt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde beschutte werkplekken in één

Dit artikel is aangepast omdat het aanbieden van de participatievoorziening beschut werk met ingang van 1 januari 2017 een verplichting is voor het college (en niet langer een bevoegdheid). Het artikel heeft een uitgebreide toelichting en ook in het raadsvoorstel is hierover een passage opgenomen.

Artikel 8: No-risk polis Artikel 8 No-risk polis 1. Een werkgever kan in aanmerking komen voor een no-riskpolis als: a. de werkgever een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer, dan wel de arbeidsovereenkomst

(kalender)jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, PW bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken, biedt het college de volgende voorzieningen, gericht op arbeidsinschakeling aan: a. De voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in hoofdstuk 2, paragraaf 2 van de ze verordening; b. De voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in het Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz. 4. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. De voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in hoofdstuk 2, paragraaf 2 van deze verordening; b. De voorzieningen en instrumenten zoals genoemd in het Verzamelbesluit beleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz; 5. Bovenop het aantal geraamde beschutte werkplekken kan het college besluiten extra dienstbetrekkingen beschut werk te realiseren. Artikel verwijderd.

De bepalingen rondom de no risk polis waren vervallen. In de toelichting bij de Verzamelverordening 2016 is hierop ingegaan. Het artikel is nu weggehaald, de overige artikelen zijn vernummerd.

verlengt en; b. de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep re-integratie en; c. de werknemer een structurele functionele of andere belemmering heeft richting werk of de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel lOd van de P-wet ontvangt en; d. artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is. 2. Om de werkgever een noriskpolis te kunnen verstrekken, sluit de gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever. 3. De vergoeding, de looptijd van de verzekering en overige voorwaarden zijn gespecificeerd in de polisvoorwaarden van de norisk polis, zoals overeengekomen met de verzekeraar. 4. Het college stelt nadere regels ten aanzien van de no-risk polis. Artikel 22: Afzien van het opleggen van en verlaging 1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan 2 jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden en

Artikel 21: Afzien van het opleggen van een verlaging 1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging heeft plaatsgevonden meer dan twee jaar voordat het college deze geconstateerd heeft, en het niet één van de gedragingen betreft zoals

De bepaling onder het eerste lid, onderdeel b is anders geformuleerd, maar voor de cliënt houdt dit geen wijziging in.

het is niet de gedraging zoals bedoeld in de geüniformeerde maatregelen, zoals opgenomen in artikel 18, vierde lid, PW Artikel 27: Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het door een persoon niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak; 2. het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar; 3. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW; 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re­ ïntegratie. b. tweede categorie: 1. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging

opgenomen in artikel 18, vierde lid, PW.

Artikel 26: Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren of waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet of voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak; 2. het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar; 3. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW; 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naarde mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of reintegratie; 5. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, PW. b. tweede categorie:

De bepaling zoals opgenomen onder artikel 27, aanhef, onderdeel b, sub le (oud) is verplaatst naar onderdeel a, sub 5e (nieuw). Dit houdt in dat, wanneer de belanghebbende zich schuldig maakt aan deze gedraging, het college hem een verlaging van 10096 gedurende één maand kan opleggen (dit was 5096 gedurende één maand). De verzwaring van de sanctie sluit beter aan bij het bepaalde in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, PW. Daarin is bepaald dat het college een afstemming van 10096 kan opleggen wanneer een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid niet behoudt of aanvaardt. De overige bepalingen, zoals opgenomen in artikel 27, aanhef en onderdeel a (oud) zijn vernummerd (was sub 2e tot en met 5e (oud) en is nu sub letot en met 4e (nieuw).

als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW; 2. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht; 3. het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; 4. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW; 5. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid, PW, waarvoor belanghebbende een schríftelijke uitnodiging heeft ontvangen.

Artikel 29: Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3. het weigeren van een

1.

2.

3.

4.

het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekking van de ontheffing van de arbeidsplicht; het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut we rkn e me rsve rze ke ri nge n of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW en in deze verordening; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid, PW, waarvoor belanghebbende een schríftelijke uitnodiging heeft ontvangen.

Artikel 27: Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3. het weigeren van een passend re-integratie aanbod;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11541701/1