CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau d.d. 26-10-2023 (1048542)

Commissie Mens en Maatschappij 18 april 2024, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Loverenbeemd ong. Baarle-Nassau19.339 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In casu is geen sprake van woningsplitsing of van de komst van een woning binnen een bestaand hoofdgebouw. Wel voldoet de nieuwe woning aan de minimale inhoudsmaat. c. de hoofdentree van de woning(en) dient gericht te zijn op de openbare ruimte; Hier wordt aan voldaan. De hoofdentree van de woning zal gericht zijn op de openbare ruimte. Een en ander wordt in een nadere planvorming voorzien van een nadere uitwerking. d. voor het oprichten van bijbehorende bouwwerken dienen de regels zoals vervat in deze bestemming in acht genomen te worden. De bestemmingsregels uit het bestemmingsplan “Dorpen” in combinatie met latere 1e herziening zullen één op één worden overgenomen voor wat betreft het oprichten van bijbehorende bouwwerken, waardoor hieraan wordt voldaan. e. parkeren dient te geschieden op eigen terrein. Indien dit niet mogelijk is mag parkeren geschieden in de openbare ruimte, mits de parkeerdruk in de openbare ruimte niet onevenredig toeneemt; Op eigen terrein zal worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen conform de gemeentelijke parkeernota. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar paragraaf 2.5 van de onderhavige toelichting. f.

er mogen geen milieuhygiënische belemmeringen zijn; Er is in casu geen sprake van miliueuhygiënische belemmeringen. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar hoofdstuk 4 in deze toelichting waar een uitvoerige toetsing aan relevante milieuaspecten heeft plaatsgevonden.

g. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en nabijgelegen bedrijven; Met de beoogde ontwikkeling vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en nabijgelegen bedrijven. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar hoofdstuk 4 in deze toelichting waar onder meer in kaart is gebracht in hoeverre de beoogde ontwikkeling een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven tot gevolg heeft. De conclusie luidt dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft voor omliggende (agrarische) bedrijvigheid, waardoor geen sprake is van een onevenredige aantasting van in het geding zijnde belangen. h. de woning dient passend te zijn binnen de gemeentelijke en provinciale woningbouwprogrammering. De beoogde woning is passend binnen de gemeentelijke en provinciale woningbouwprogrammering. Bovenstaande toetsing laat zien dat de beoogde ontwikkeling in voldoende mate objectiveerbaar is vanuit gemeentelijk beleid, meer specifiek een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om te kunnen voorzien in woningtoevoeging.

Echter, nu de beoogde ontwikkeling niet mogelijk gemaakt kan worden met voornoemde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid en de beoogde ontwikkeling niet passend is binnen het vigerende bestemmingsplan, dient een bestemmingsplanherzieningprocedure Pagina 28 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

doorlopen te worden. Met de onderhavige toelichting wordt onderbouwd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Pagina 29 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt ter plaatse van een bestaand woonperceel voorzien in de komst van één woning. Met de beoogde ontwikkeling wordt derhalve voorzien in de komst van een gevoelige functie. Gelet hierop dient inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en of geen sprake is van bodemverontreiniging. Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het complete onderzoek is als bijlage aan de onderhavige toelichting gevoegd. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven.

‘Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bouw van en woning. Pagina 30 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit’. Conclusie De bodemkwaliteit staat de beoogde bestemmingswijziging niet in de weg. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt.

Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027.

Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Pagina 31 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Beleid waterschap Brabantse Delta Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend.

De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. De keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. b. c. d.

het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x Gevoeligheidsfactor x 0,06.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

Pagina 32 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Beoordeling De ontwikkeling betreft de realisatie van één woning ter plaatse van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. Voor deze woning wordt circa 400 m² aan verhard oppervlak verwacht (100 m² woning, 200 m² erfverharding en 100 m² bijbehorende bouwwerken). Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een toename in verharding van circa 400 m2. Voor plannen kleiner dan 500 m2 geldt een vrijstelling voor de realisatie van compensatie. Watercompenserende maatregelen zijn dan vanuit het beleid van het waterschap ook niet aan de orde. Gemeentelijk beleid: Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente Baarle-Nassau heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 opgesteld. Het plan beschrijft hoe de gemeente in de komende jaren invulling zal geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater & grondwater en hoe deze invulling wordt gefinancierd. Uitgangspunten gemeente Baarle-Nassau: - Gescheiden afvoer hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw.

In de plantoelichting moet een waterparagraaf worden opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de (eventuele) gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. De watertoets is een belangrijk instrument om te verzekeren dat de waterhuishouding vanaf het begin van de planvorming integraal onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Volgens tabel B3.1 uit het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 dient er voor nieuwbouw een infiltratie- of retentievoorziening van minimaal 60 mm gerealiseerd te worden. Bij een toename van het verhard oppervlak (daken en bestrating) van minder dan 500 m² geldt alleen het gemeentelijk beleid en wordt alleen voor het oppervlak van de bouwwerken een opgave meegegeven. Bij grotere plannen wordt voor het oppervlak van daken en bestrating een opgave meegegeven. Voor het realiseren van nieuwbouw is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 60 mm (60 liter/m²) voor het toekomstige nieuwe bebouwd oppervlak vastgesteld. Voor het aanpassen van bebouwd oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm voor het vervangende oppervlak en minimaal 78 mm voor een eventuele toename van bebouwd oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor.

Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning met aanhorigheden ter plaatse van een bestaand woonperceel. Een en ander gaat gepaard met een toename van het verhard Pagina 33 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

oppervlak van circa 400 m2. Echter, conform het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 dient in het geval de toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m2 bedraagt enkel gekeken te worden naar het oppervlak van de bouwwerken. De bouwwerken kennen een oppervlakte van circa 200 m2. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de gevoeligheidsfactor ter plaatse van de planlocatie is weergegeven.

Figuur 12: Gevoeligheidsfactor plangebied (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de gevoeligheidsfactor binnen de planlocatie 1 bedraagt. De benodigde infiltratie- of retentievoorziening kent derhalve een inhoud van: 200 m2 x 1 x 0,06 = 12 m3. Bij de realisatie van deze retentievoorziening dient rekening gehouden te worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand. In onderstaande afbeelding is de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de directe omgeving van de planlocatie weergegeven.

Pagina 34 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Figuur 13: Gemiddelde hoogste grondwaterstand in en rondom planlocatie (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand binnen de planlocatie tussen de 100 en 140 cm beneden maaiveld bedraagt. Afhankelijk van de situering van de infiltratievoorziening mag deze derhalve een diepte hebben van maximaal 80 cm (20 cm boven ghg) beneden maaiveld. De grondwaterstand staat de bergingscapaciteit dan ook niet in de weg. In het plan wordt een retentievoorziening gerealiseerd in de vorm van een poel/retentievijver met een minimale capaciteit van 12 m3 boven GHG. Het bestemmingsplan bevat een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de benodigde waterberging. Hiermee is verzekerd dat binnen de planlocatie conform het gemeentelijke waterbeleid een waterbergende voorziening wordt gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. Conclusie De ontwikkeling is passend binnen het vigerende beleid omtrent het aspect water. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden

Pagina 35 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.

Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode omlijning)

De planlocatie is niet gelegen binnen een cultuurhistorisch landschap, vlak of element. Wel bevindt de planlocatie zich binnen een regio van cultuurhistorisch belang, te weten de Baronie. De cultuurhistorische waarde ten aanzien van deze regio wordt als volgt omschreven: ‘Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Opmerkelijk zijn de oude bosgebieden Mastbosch, Liesbosch en Ulvenhoutsche Bosch, die tot de oudste van Nederland behoren. Ten noorden van Breda ligt een gaaf militair landschap (onderdeel van de Zuiderwaterlinie), bestaande uit schansen, twee linies en inundatiegebieden’. Pagina 36 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Ten aanzien van deze regio van cultuurhistorisch belang is de navolgende ontwikkelstrategie opgenomen: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.; 2. De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen.; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”. De beoogde realisatie van één vrijstaande woning op een bestaand woonperceel binnen bestaand stedelijk gebied doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de Baronie als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Verder is de Hoogbraak aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarde (historische geografie). Echter, nu de beoogde woning is gesitueerd aan de Loverenbeemd, kan met zekerheid geconcludeerd worden dat een en ander geen afbreuk doet aal de Hoogbraak als zijnde een lijn van redelijk hoge waarde. Conclusie De beoogde realisatie van één vrijstaande woning binnen de planlocatie heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beleid gemeente Baarle-Nassau Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische beleidskaart. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau opgenomen.

Pagina 37 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Figuur 15: Uitsnede Archeologische beleidskaart Baarle-Nassau (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode omlijning)

Beoordeling De planlocatie is op grond van de archeologische beleidskaart Baarle-Nassau aangeduid als ‘archeologische vindplaats’. Dit wil zeggen dat een diepte-ondergrens van 40 cm geldt en een omvangondergrens van 100 m2. Het gemeentelijke archeologiebeleid is vervolgens verankerd in het vigerende bestemmingsplan. Ter plaatse van de planlocatie rust op grond van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”. Deze dubbelbestemming schrijft ten aanzien van een omgevingsvergunning voor bouwen het onderstaande voor: ‘Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Dit geldt voor het bouwen van bouwwerken, gelegen in gebieden/categorieën zoals weergegeven op de 'Archeologische beleidskaart' (bijlage 2 bij deze regels), die een diepte hebben, die meer is dan de op de kaart aangegeven 'diepte - ondergrens' en een omvang hebben die meer is dan de op kaart aangegeven 'omvang - ondergrens'.

Een uitzondering op deze regel geldt voor bouwwerken gelegen binnen het AMK-terrein 16863 (de oude dorpskern van Baarle-Nassau) welke is gelegen in 'Archeologisch monument (niet beschermd), categorie 1'. Hier geldt in tegenstelling tot wat op de kaart staat een 'omvang - ondergrens' van 100 m². Voor AMK-terrein 9480/2119 (de St. Salvatorkapel) en AMK-terrein 2118 (de resten van kasteel Bruheze) geldt de ondergrens van 50 m² zoals op de kaart bij 'Archeologisch monument (niet beschermd), categorie 1' staat aangegeven’. Pagina 38 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

In casu wordt de ondergrens voor wat betreft diepte van 40 cm en omvang van 100 m2 met de beoogde realisatie van één vrijstaande woning overschreden. Dit betekent dat op het moment van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen een rapport overlegd dient te worden waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Aangezien de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” in de beoogde planologische situatie onverminderd van toepassing blijft voor het plangebied is verzekerd dat op het moment van een omgevingsvergunning voor bouwen een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden waarbij archeologische waarden dienen te worden vastgesteld en bepaald dient te worden of de aldaar eventueel voorkomende archeologische waarden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen worden verstoord. Dit betekent dat het aspect archeologie niet in de weg staat aan het planvoornemen. Conclusie Het aspect archeologie staat het planvoornemen niet in de weg. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur.

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.

Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout op circa 4,2 kilometer in overwegend zuidoostelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Pagina 39 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Circa 7,5 kilometer

Circa 4,2 kilometer

Figuur 16: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor was de realisatiefase (bouwfase) in principe vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Echter, met de uitspraak van de AbRvS van 2 november 2022, 202107079/1/R4, heeft de Raad van State bepaald dat deze bouwvrijstelling geen stand kan houden. Dit betekent dat, in tegenstelling tot de Wet stikstof, de bouwfase wel meegenomen dient te worden bij de beoordeling ten aanzien van de stikstofdepositie. Ook dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Dit dient te gebeuren in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand van de planlocatie tot beschermde Natura2000gebieden kan met zekerheid gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000gebieden. Volledigheidshalve en om bovenstaande aanname te staven is een tweetal AERIUSberekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositie in de bouw- en gebruiksfase inzichtelijk te maken. Bouwfase Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Voor wat betreft deze verkeersbewegingen is uitgegaan van 224 lichte

Pagina 40 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

verkeersbewegingen per jaar, 224 middelzware verkeersbewegingen per jaar en 56 zware verkeersbewegingen per jaar. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen.

Figuur 17: Ingevoerde parameters mobiele bronnen

Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als ten aanzien de inzet van mobiele bronnen in de aanlegfase is uitgegaan van een absoluut ‘worst-case’ scenario. Een en ander zal in werkelijkheid beduidend minder bedragen. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Gebruiksfase Het planvoornemen is eveneens doorgerekend middels AERIUS voor zover het de gebruiksfase betreft. Hierbij zijn ten aanzien van de gebruiksfase de volgende aannames gedaan: - 9 verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van een worst-case scenario in beide richtingen). De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat eveneens de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige toelichting opgenomen. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten.

Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000Pagina 41 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. Een en ander is bovendien aangetoond met een tweetal AERIUS-berekeningen. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Het planvoornemen betreft de realisatie van één vrijstaande woning ter plaatse van een bestaand woonperceel binnen de bestaande woonkern van Baarle-Nassau. De planlocatie wordt aan min of meer alle zijden omgeven door woonbebouwing en intensief gebruikte gronden met een woonbestemming. De gronden behorende tot het plangebied zijn in de huidige situatie in gebruik als paardenbak. De paardenbak betreft een omheinde en onbegroeide ‘bak’ met daarin specifiek zand met een korrelgrootte geschikt voor het berijden van paarden. In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de huidige situatie en de aanwezige paardenbak binnen de planlocatie is weergegeven.

Pagina 42 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Figuur 18: Bestaande situatie en aanwezigheid paardenbak binnen planlocatie: luchtfoto (gronden behorende tot planlocatie zijn indicatief voorzien van een rode omlijning)

Gezien het intensieve gebruik van de planlocatie en de aangrenzende gronden, de ligging van de planlocatie midden in een woongebied binnen de bebouwde kom en de aanwezigheid van een paardenbak binnen de planlocatie, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daarnaast ontbreekt het vanwege de situering van een paardenbak binnen de planlocatie aan geschikt habitat. Verder gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de sloop van bebouwing of met het verwijderen van bomen of andere noemenswaardige beplanting of groenstructuren, waardoor zeker is gesteld dat geen habitat of verblijfsgebieden verloren gaan als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de omstandigheid dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met sloop van bebouwing, het verwijderen van bomen of andere vormen van beplanting en het huidige intensieve gebruik van de planlocatie, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten uitgesloten. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg en er is geen sprake van een mogelijk negatief effect op soorten. Mochten er desondanks op de planlocatie beschermde soorten worden aangetroffen, dan geldt bovendien onverkort de algemene wettelijke zorgplicht. Conclusie Het aspect flora en fauna en de Wet Natuurbescherming staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader

Pagina 43 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning ter plaatse van een bestaand woonperceel binnen de bestaande woonkern van Baarle-Nassau. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van één gevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder.

Echter, hierbij dient opgemerkt te worden dat de planlocatie is gesitueerd aan de Loverenbeemd. De Loverenbeemd betreft een lokale doodlopende weg met nauwelijks verkeersbewegingen. Verder bevindt de planlocatie zich op korte afstand van de Hoogbraak. De Hoogbraak betreft een lokale doorgaande weg die ontsluiting biedt aan verkeer dat zich vanuit het centrum van Baarle-Nassau in overwegend noordwestelijke richting begeeft. Zowel de Loverenbeemd als de Hoogbraak ter hoogte van het plangebied betreffen wegen binnen de bebouwde kom waar een snelheidsregime van 30 km/u geldt. Aangezien de Wet geluidhinder niet van toepassing is voor 30 km/u wegen, omdat hier geen zones gelden, is een nadere beoordeling van de akoestische situatie niet noodzakelijk. Dit omdat dergelijke 30 km/u wegen geen geluidsbelastingen tot gevolg hebben boven de voorkeusgrenswaarde. Gelet hierop kan worden aangenomen dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid. Volledigheidshalve is in het onderstaande een afbeelding weergegeven waarop de geluidsbelasting binnen de planlocatie afkomstig vanuit wegverkeer is weergegeven. Deze afbeelding laat zien dat de geluidsbelasting binnen de planlocatie circa 46 dB bedraagt, waardoor de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Ook op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid afkomstig vanuit wegverkeer. Bovendien zal de geluidsbelasting feitelijk nog minder bedragen dan 46 dB. Dit vanwege diverse woningen die zich tussen de Hoogbraak en de planlocatie bevinden en die een afschermende werking hebben ten aanzien van dit geluid.

Figuur 19: Geluidsbelasting wegverkeer (planlocatie is indicatief aangeduid met blauwe cursor)

Pagina 44 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Beoordeling Het planinitiatief betreft de realisatie van één vrijstaande woning ter plaatse van een bestaand woonperceel binnen de bestaande woonkern van Baarle-Nassau.

Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van één gevoelige functie. Een en ander gaat niet gepaard met de komst van een milieubelastende functie. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres

Type bedrijvigheid

Categorie

Grootste richtafstand

C.A. Bodestraat 2

Aanwezig: Brandweer (cat. 3.1) Toegestaan: ook sociaalmedische, onderwijsvoorzieningen religieuze voorzieningen toegestaan Toegestaan: Niet-agrarische bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 Toegestaan: detailhandel, dienstverlening, kantoren, horeca categorie 1, bedrijven in categorieën 1 en 2, religieuze en maatschappelijke voorzieningen Aanwezig bouwmarkt: ook toegestaan: detailhandel, dienstverlening, kantoren,

3.1

50 meter

Feitelijke afstand bouwvlak tot bouwvlak 52 meter

2

30 meter

77 meter

2

30 meter

72 meter

2

30 meter

93 meter

C.A. Bodestraat 1

Hoogbraak 13

Hoogbraak 15

Pagina 45 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Hoogbraak 17

Nonnenkuil 18

horeca categorie 1, bedrijven in categorieën 1 en 2, religieuze en maatschappelijke voorzieningen Aanwezig detailhandel: ook toegestaan dienstverlening, kantoren, horeca categorie 1, bedrijven in categorieën 1 en 2, religieuze en maatschappelijke voorzieningen Aanwezig landbouwmechanisatiebedrijf: ook toegestaan bedrijven in cat. 1 en 2

2

30 meter

111 meter

3.1

50 meter

145 meter

Tabel 1: Omliggende bedrijvigheid met milieucategorie, richtafstanden en daadwerkelijke afstanden

In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van het bestemmingsplan “Dorpen” waarop de omliggende bedrijvigheid is aangeduid.

Reeds herbestemd naar wonen

Gemengde bestemming met aanwezigheid bouwmarkt en detailhandel

Bedrijvigheid cat. 1 en 2

Brandweerkazerne

Landbouwmechanisatiebedri jf Figuur 20: Ligging planlocatie ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een

rode omlijning)

Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden worden afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van alle omliggende Pagina 46 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Ook kan geconcludeerd worden dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat niet in de weg aan het planvoornemen. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening.

De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.

Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25

Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 2: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv

Pagina 47 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

De gemeente Baarle-Nassau heeft een geurverordening vastgesteld met geurnormen die afwijken van de landelijke normen. Deze geurnormen zijn echter enkel van toepassing voor het verlenen van milieuvergunningen voor veehouderijbedrijven en zeggen volgens vaste jurisprudentie niet iets over het woon- en leefklimaat ten aanzien van een ruimtelijke procedure. Aan de geurnorm van de gemeente Baarle-Nassau hoeft derhalve niet worden getoetst in onderhavig plan. 4.10.1 Geurgevoelige objecten Met de beoogde ontwikkeling wordt ter plaatse van een bestaand woonperceel binnen de bestaande woonkern van Baarle-Nassau voorzien in de realisatie van één vrijstaande woning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv. Dit maakt dat inzichtelijk gemaakt dient te worden of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven worden beperkt in ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant kan de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is ter plaatse sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 3-7 ouE/m3.

Gelet hierop is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 21: Kaart achtergrondbelasting planlocatie (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

4.10.3 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Er bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De meest dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bevindt zich op een kortste afstand van circa 300 meter tot het beoogde bouwvlak binnen de planlocatie. Dit maakt dat een

Pagina 48 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

toetsing aan de voorgrondbelasting voor onderhavig planvoornemen niet aan de orde is. Immers, er wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden ten aanzien van het aspect geur. 4.10.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven Het planvoornemen gaat, zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, gepaard met de toevoeging van één geurgevoelig object in de zin van de Wgv, waardoor de beoogde ontwikkeling in beginsel een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen tot gevolg kan hebben. Veehouderijen in de directe omgeving van de planlocatie betreffen in hoofdzaak: -

Goorweg 1a: vleesvee (met geuremissiefactor): afstand circa 300 meter; Loveren 21a: melkvee (zonder geuremissiefactor): afstand circa 310 meter; Hoogstratensebaan 4: vleesvee (met geuremissiefactor): afstand circa 620 meter; Loveren 48: melkvee (zonder geuremissiefactor): afstand circa 570 meter.

In het onderstaande is een afbeelding opgenomen waarop de omliggende veehouderijen zijn aangeduid. Hierbij dient opgemerkt te worden dat actieve veehouderijen zijn aangeduid met een groene stip. De rode stippen betreffen veehouderijen die reeds zijn beëindigd.

Loveren 48 melkvee

Goorweg 1a vleesvee Reeds herbestemd naar wonen

Loveren 21a melkvee Hoogstratensebaan 4 vleesvee

Figuur 22: Veehouderijen in nabijheid van plangebied (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Voor wat betreft veehouderijen in de omgeving waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, is alleen een vaste afstandsmaat van toepassing is. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom geldt een vaste afstandsmaat van 100 meter. Verder dient op grond Pagina 49 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

van artikel 3 van de Wgv de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal 50 meter te bedragen aangezien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Hier wordt in casu ruimschoots aan voldaan. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen tot gevolg heeft waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Te meer nu er reeds woningen op kortere afstand van nabijgelegen veehouderijen zijn gelegen die maatgevend zijn voor diens ontwikkelingsmogelijkheden. Ten aanzien van omliggende veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden, dient opgemerkt te worden dat ruimschoots wordt voldaan aan de geldende richtafstanden ten aanzien van geur. Hierdoor kan worden aangenomen dat deze veehouderijen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Te meer nu er reeds een groot aantal geurgevoelige objecten op kortere afstand van deze veehouderijen zijn gesitueerd. Deze geurgevoelige objecten zijn reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderijen, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg heeft.

4.10.5 Conclusie Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat omliggende veehouderijen als gevolg van het planvoornemen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.11 Gezondheid Met de beoogde ontwikkeling wordt ter plaatse van een bestaand woonperceel binnen de bestaande woonkern van Baarle-Nassau voorzien in de realisatie van één vrijstaande woning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Hierdoor dient inzicht gegeven te worden in het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie in het kader van volksgezondheid. Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, pluimveebedrijven (endotoxinen) en geitenhouderijen. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.

Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de

Pagina 50 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie bevindt zich geen pluimveehouderij. Binnen een afstand van circa 200 meter van de planlocatie tot nabijgelegen emissiepunten van een varkenshouderij bevindt zich eveneens geen varkenshouderij. Conclusie Het aspect ‘endotoxine’ staat de planvorming niet in de weg.

4.11.3 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Binnen de gemeente Baarle-Nassau zijn de volgende geitenhouderijen (van noemenswaardige omvang) aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: -

Eikelenbosch 13: circa 2,6 kilometer; Oordeel-Heikant 1: circa 2,6 kilometer; Voske 14: circa 4,1 kilometer; Klein Bedaf 3A: circa 4,6 kilometer.

Bovenstaande opsomming laat zien dat geen enkele geitenveehouderij zich binnen een straal van 1,5 kilometer tot 2 kilometer van de planlocatie bevindt. Daar komt bij dat tussen de geitenhouderijen en de beoogde woning reeds meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient opgemerkt te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden Pagina 51 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat, sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij kan verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling, waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4), op grond waarvan naar voren komt dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming. Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert, dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden. Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden. Dit betekent dat het voorzorgprincipe niet in de weg staat aan de onderhavige ontwikkeling. Te meer nu in casu ruimschoots wordt voldaan aan de minimale afstandsmaat van 2 kilometer. Conclusie Het aspect ‘geitenhouderijen’ staat de planvorming niet in de weg. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Met de beoogde ontwikkeling wordt ter plaatse van een bestaand woonperceel binnen de bestaande woonkern van Baarle-Nassau voorzien in de realisatie van één vrijstaande woning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met de toevoeging van een gevoelige functie. Hierdoor dient inzicht gegeven te worden in het aspect externe veiligheid.

De planlocatie is, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding, niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen transportroutes en van leidingen. De meest dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft de inrichting aan de Sportlaan 22. Dit betreft een sporthotel waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Deze inrichting bevindt zich op een kortste afstand van circa 275 meter van de planlocatie.

Pagina 52 van 62 Loverenbeemd ongenummerd, Baarle-Nassau

Figuur 23 Uitsnede risicokaart.nl (planlocatie is indicatief aangegeven met een blauwe stip)

Groepsrisico In het Bevt is aangegeven dat de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico doorlopen moet worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Beperking, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid In artikel 7 van het Bevt is bepaald dat een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen moet worden verantwoord indien een plangebied binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de risicokaart volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt de planlocatie, evenals in de bestaande situatie, in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13999883/1