Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Dorpsstraat ong. achter nr. 29
Tekst van het document
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 15 november 2022 is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een rapport uitgebracht met betrekking tot het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Onderstaand is de conclusie uit het rapport weergegeven met in het kort de belangrijkste onderzoeksresultaten beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 1).
Conclusie verkennend bodemonderzoek De onderzoek locatie beperkt zich tot de nieuwe woonbestemming. De locatie betreft momenteel een onbebouwd perceel met daarin een dierenweide. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatieinspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ ▪ ▪
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In bovengrondmengmonster M01 is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. In ondergrondmengmonster M02 is een licht verhoogde gehalte aan PCB aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 26 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
▪
In grondwatermonster GW01 zijn licht verhoogde concentraties aan zink, barium en xylenen aangetroffen. Aangenomen wordt dat de verhogingen aan zware metalen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden betreffen. De nader onderzoekswaarde voor xylenen wordt niet overschreden.
De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en het grondwater overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen functiewijziging naar ‘wonen’ en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een woning. 5.4
Water
Wettelijk toetsingskader De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor bestemmingsplannen van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het vooroverleg, op grond van artikel 3.1.1 Bro, met het waterschap geregeld. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente Baarle-Nassau heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 opgesteld. Het plan beschrijft hoe de gemeente in de komende jaren invulling zal geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater & grondwater en hoe deze invulling wordt gefinancierd. De gemeente hanteert de voorkeursvolgorde van infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied uit zich dit in het afkoppelen van regenwater, het benutten van kansen van infiltratie, de aanleg van groenvoorzieningen waarin overtollig hemelwater tijdelijk wordt geborgen en aanpassing van waterpartijen. De perceel eigenaar draagt een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor infiltratie, buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. Uitgangspunten gemeente Baarle-Nassau: ▪ Gescheiden afvoer hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw. Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie.
Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 78 mm. Beoordeling Bij ontwikkelingen groter of gelijk aan 500 m² is er (tijdelijk) geen opgave voor bestrating maar alleen voor bouwwerken. Gelet op de geldende bouwregels van de nieuwe woning, zal het nieuw verhard oppervlak van het bouwwerk circa 133 m2 betreffen. Er geldt een waterberging van 78 mm voor nieuw oppervlak en 7 mm voor vervangend oppervlak. Het plangebied betreft enkel nieuw oppervlak. Op basis van deze bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal (133 m2 x 0,078) = circa 10 m3. Ten aanzien van de benodigde retentieomvang van het hemelwater zijn meerdere mogelijkheden van toepassing, waaronder het regenwater bergen en laten infiltreren in de tuin door aanleg van een buffer/grindbed/vijver/zaksloot. De daadwerkelijke realisatie van voldoende waterberging kan door een voorschrift worden geborgd aan de omgevingsvergunning. Op die manier kan ook exact worden bepaald wat er wordt verhard en wat daarbij de opgave voor verwerking van hemelwater is. In de regels van dit bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Het bouwplan is in strijd zodra er niet voldoende verwerking van hemelwater plaatsvindt. De watervoorziening/sloot aan de zuidoostzijde van de planlocatie vangt het water van de aanliggende verharding op. Het eventuele aanpassen van deze voorziening mag geen beperking voor het functioneren opleveren.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 27 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen In de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en er zijn geen waterschap waterlopen en/of waterpartijen in de directe nabijheid aanwezig. De bestaande waterlopen in de omgeving blijven behouden en worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling op de locatie.
Figuur 11: Uitsnede keurkaart Waterschap Brabantse Delta
Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 28 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Er dient altijd een overstort voor overtollig hemelwater gerealiseerd te worden. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d.
de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden. De factor 0,06 vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³ / ha) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. De gevoeligheidsfactor is afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied, deze gevoeligheidsfactor is terug te vinden op de kaart behorende bij de Keur. De gevoeligheidsfactor op de planlocatie is 1. Het initiatief bestaat uit het realiseren van één woning binnen stedelijk gebied op de planlocatie. De totale toename van het verhard oppervlak van de woning en bijbehorende verhardingen zijn nog niet bekend.
Gelet op de bouwregels van de nieuwe woning en bijgebouwen wordt er vanuit gegaan dat circa 250 m2 aan verharding wordt aangelegd (bebouwing en verharding) en dat het overige zal bestaan uit onder andere tuin. Daarmee wordt de grenswaarde van 500 m2 niet overschreden en is er op basis van de regels uit de keur van Waterschap Brabantse Delta geen compensatie benodigd. 5.5
Cultuurhistorie en archeologie
5.5.1
Cultuurhistorie
Wettelijk Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 29 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie figuur 12.
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Beoordeling CHW kaart Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is te zien dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van de aanduiding ‘historische stedenbouw’, regio ‘de Baronie’. Overigens is de Wilhelminastraat aangeduid als een lijn van redelijk hoge waarde. De woning en bijgebouwen ter plaatse van de aangrenzende woning (Dorpsstraat 29) zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Van oudsher maakte de planlocatie deel uit van de tuin van het monument. In de loop der jaren is de stedenbouwkundige situatie dusdanig gewijzigd, waarbij er momenteel zowel aan de Dorpsstraat als aan de Wilhelminastraat lintbebouwing aanwezig is. Het initiatief tast de aanwezige waarden verder niet aan.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 30 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart
Cultuurhistorische landschappen Het plangebied valt binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Baronie’. Het gebied bevat tal van sporen van vroegere turfwinning, onder meer in de vorm van tal van turfvaarten. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Het plangebied betreft geen landgoed en er zijn ook geen beken of turfvaarten in de directe omgeving aanwezig. Binnen het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen. Historische geografie De Wilhelminastraat is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige lijn structuren. Historische stedenbouw Het plangebied is gelegen binnen een gebied van historische stedenbouw, betreffende de ‘Oude dorpskern Ulicoten’.
De cultuurhistorische waarden van de ‘Oude dorpskern Ulicoten’ worden met name toegekend aan de lintbebouwde straat ‘Dorpsstraat’ met bebouwingsbeeld uit overwegend 1900-1930. Onderhavig initiatief doet geen afbreuk aan de ter plaatse toegekende cultuurhistorische waarden, de lintbebouwing aan de Wilhelminastraat wordt doorgezet. Met de beoogde ontwikkeling op de planlocatie worden de cultuurhistorische waarden en historische geografie niet aangetast. 5.5.2
Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 31 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpen’ van de gemeente Baarle-Nassau is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. De uitwerking van het archeologisch beleid is uitgewerkt in de ‘Nota Archeologie’, aldus vastgesteld in december 2011. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. In figuur 14 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien ter plaatse van de planlocatie. Beoordeling Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat de planlocatie is gelegen ter plaatse van de archeologische kaarteenheid ‘historische kern, randzone’.
In dit gebied dient bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Hieruit volgt dat op gronden met een archeologische verwachtingswaarde die behoort tot categorie 3, waarbij tot een grenswaarde van maximaal 500 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden zonder archeologisch onderzoek.
Figuur 13: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau.
Conclusie Het initiatief bestaat uit het realiseren van één woning met bijgebouw en carport. De totale toename van het verhard oppervlak en daarmee de te ontgraven gronden zijn nog niet exact bekend. Wel is de verwachting dat dit niet boven de grenswaarde van 500 m2 zal komen. Gelet op de bouwregels behorende bij de bouw van de nieuwe woning met bijgebouwen is het namelijk niet mogelijk om de grenswaarde aan oppervlakte bebouwing en daarmee grondwerkzaamheden te overschrijden. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ zal overgenomen worden op de verbeelding, zodat tijdens de aanvraag omgevingsvergunning nogmaals gecheckt kan worden aan welke oppervlakte aan grondroerende activiteiten zullen plaatsvinden.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 32 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
5.6
Natuur
5.6.1
Algemeen
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming zie paragraaf 4.2.6. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.6.2
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland/ EHS. De planlocatie ligt op circa 10,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Belgisch grondgebied ligt op circa 4 kilometer, het betreft het gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleiregio’. Op de planlocatie wordt binnen de huidige bestemming ‘Wonen’ een bouwvlak toegevoegd voor de bouw van één nieuwe vrijstaande woning. Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand waardoor geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting.
Redelijkerwijs en op basis van alle raadpleegbare natuurwetenschappelijk literatuur kan met volle zekerheid gesteld worden dat de geluids- en lichtbelasting die de planontwikkeling in zowel de uitvoerende als gebruiksfase genereert, niet van een dusdanige reikwijdte is die tot 4 km ver, de afstand tot de meest nabije Natura 2000-gebieden, reiken en daar tot een verslechtering leiden. Bodemtrillingen zijn in dit geval alleen relevant indien sprake zou zijn van heiwerkzaamheden. Zover bekend is dit niet het geval. Zover bekend is eveneens geen sprake van grondwateronttrekking, diepe graafwerkzaamheden, lozen van afvalstoffen of van andere zaken die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding binnen Natura 2000-gebied gedurende en na de uitvoerende fase. Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die een externe werking op grotere afstand kan genereren. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de bouw van de nieuwe woning gebruikt worden. Om aan te tonen dat de uitvoerende en gebruiksfase van het woningbouwproject geen negatieve gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden voor wat betreft het aspect stikstof, is een berekening uitgevoerd middels de AERIUS-calculator.
De berekening inclusief invoergegevens is aan bijlage 2 toegevoegd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen depositie heeft op omliggende Natura 2000gebieden. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering voor het toevoegen van één woning binnen het plangebied. Overige gebieden Het plangebied ligt op afdoende afstand om effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNBgebied aantasten of van negatieve invloed op de waterhuishouding binnen NNB-gebied kunnen zijn, geheel uit te sluiten. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Ditzelfde geldt voor de provinciale beschermingszone van de Groenblauwe mantel. Op basis van de aard van de voorgenomen
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 33 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
ontwikkelingen kunnen negatieve effecten op de landschappelijke provinciale beschermingszone van Groenblauwe mantel en overtredingen van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten worden. 5.6.3
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantensoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdiersoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. Door Brabant Eco is een ecologische QuickScan naar beschermde soorten uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/ uitsluiten van de aanwezigheid van beschermde soorten en houtopstanden die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten en houtopstanden. Hieronder zijn de conclusies uit het rapport van de ecologische quickscan weergegeven. In de bijlage bij deze toelichting is de volledige rapportage opgenomen. Flora Het ontbreekt volledig aan geschikte plaatsen waar beschermde planten kunnen groeien. Enkel algemene soorten van verstoorde en bemeste bodem werden aangetroffen zoals de brandnetel en de paardenbloem. De aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten wordt gezien de aanwezige biotopen uitgesloten. Er worden geen bomen gekapt die vallen onder houtopstanden. Een nadere toetsing houtopstanden is niet nodig.
Zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen geen marterachtigen voor. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Vogels Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. Als het verwijderen van de boom en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten Algemeen Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op beschermde soorten en er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De planlocatie heeft een erg lage ecologische waarde. Door het aanleggen van een tuin rondom en natuur inclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 34 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. 5.7
Wegverkeerslawaai
Wettelijk toetsingskader Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen.
Beoordeling Het plangebied grenst aan de Wilhelminastraat en een zijtak van de Dorpsstraat. Ter plaatse van het plangebied geldt een maximum snelheidsregime van 30 km/h. Daarnaast betreft het een straat met relatief weinig verkeer. Op basis van de Wet geluidhinder hoeft derhalve geen onderzoek naar de geluidbelasting op de toekomstige woning te worden uitgevoerd. Wel dient een goed woon- en leefklimaat te worden aangetoond. Om vanuit de afweging van een goed woon- en leefklimaat toch een eerste inschatting te kunnen geven van het geluid afkomstig van de omliggende wegen in kaart te brengen, wordt gebruik gemaakt van de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer (Lden)’ van Atlas van de Leefomgeving. Deze kaart geeft een ruwe inschatting van de geluidkwaliteit rondom alle rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen in Nederland. Op basis van deze kaart, zie de volgende figuur, blijkt dat het geluid afkomstig van wegverkeer met name leidt tot een geluidbelasting van 46-50 dB ter plaatse van het plangebied. De geluidkwaliteit is hiermee te typeren als ‘goed’. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ kan worden geconcludeerd dat hiermee het geluidsniveau aanvaardbaar is. Gelet op voorgaande is een akoestisch onderzoek niet benodigd.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 35 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Uitsnede kaart Atlas van de Leefomgeving – geluid wegverkeer
5.8
Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk toetsingskader Bij de ontwikkeling van woningen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied.
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Omgevingstype De planlocatie ligt in het, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘rustige woonwijk’. 5.8.1
Richtafstanden bedrijven
De planlocatie ligt aan de rand van de dorpskern. In de omgeving zijn een weinig bedrijven gevestigd. Alle bedrijven in een straal van 100 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie. Daarnaast dient te worden opmerkt dat binnen de kern van Ulicoten veel woningen de bestemming ‘Gemengd – 2’ kennen. Binnen dit gebied zijn voorzieningen zoals detailhandel en dienstverlening toegestaan, inclusief woningen. Detailhandel en dienstverlening behoren
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 36 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
doorgaans tot milieucategorie 1. De locaties binnen deze bestemming bestaan momenteel enkel uit de woonfunctie, echter wordt er vanuit een worst-case benadering toch gekeken naar de 10 meter richtafstand behorende bij milieucategorie 1. Gelet op het huidige gebruik van deze locaties is het niet de verwachting dat hier nieuwe voorzieningen worden gevestigd of dat er een zwaardere milieucategorie dient te worden aangehouden. In onderstaande tabel is voor de afstandsbepalingen uitgegaan van het nieuw in te richten bouwvlak. Immers, binnen dit nieuwe bouwvlak is enkel de nieuwe woning (gevoelig object) toegestaan. De woonbestemming is feitelijk al aanwezig, dus de beschermstatus van de woonbestemming ten opzichte van omliggende bedrijven veranderd niet. Tabel 2: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘rustige woonwijk’ Adres
Omschrijving
Dorpsstraat nr 26, 28, 31, 31a, 33,35. 37, 37a, 39, 39a Wilhelminastraat 18
Milieucat.
Afstand in meters geur stof geluid
gevaar
Bestemming gemengd
Max 1
10m
10m
10m
10m
Agrarisch bedrijf
2*
10m
10m
30m
10m
Afstand van bouwvlak woning tot bestemmingsvlak Minimaal 14 meter tot 91 meter 34 meter
* Aan de Wilhelminastraat 18 is een agrarisch bouwvlak gelegen. Op deze locatie wordt echter al circa 10 jaar geen agrarisch bedrijf meer geëxploiteerd. De locatie is feitelijk in gebruik voor woondoeleinden. Binnen de bestemmingsplanregels is echter een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan (geen intensieve veehouderijen). Planologisch is het mogelijk om een grondgebonden veehouderij te vestigen aan de Wilhelminastraat 18. Echter is het, gelet op de landelijke en provinciale regels, niet meer aannemelijk dat hier een grondgebonden veehouderij zal hervestigen. Vanuit de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant geldt in het gebied namelijk de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’. Binnen de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ geldt dat uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij is uitgesloten. Daarnaast is een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen tevens uitgesloten. Er kan enkel een grondgebonden veehouderij worden gevestigd als deze voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij. Een zorgvuldige veehouderij is een veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.
Door al deze voorwaarden en maatregelen van een zorgvuldige veehouderij is het in de huidige tijd en gelet op de ligging nabij het drop lastig om een nieuwe grondgebonden veehouderij te vestigen aan de Wilhelminastraat 18. Vanuit de Interim omgevingsverordening ligt er dus al een vergaande beperking op de agrarische bestemming aan Wilhelminastraat 18 voor het vestigen van een grondgebonden veehouderij. Hierdoor is het niet aannemelijk dat er aan de Wilhelminastraat 18 een grondgebonden veehouderij nieuw wordt gevestigd. Hierdoor zal er derhalve uitgegaan worden van een richtafstand behorende bij een teeltbedrijf, aangezien die wel ten alle tijden kan worden hervestigd. Een teeltbedrijf behoort conform de VNG-publicatie tot milieucategorie 2. Uit tabel 2 blijkt dat er geen milieuzonering over de planlocatie is gelegen. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling belemmert de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsontwikkeling en er is sprake van een acceptabel woonen leefklimaat op basis van het aspect bedrijven en milieuzonering. 5.9
Geurhinder en veehouderij
Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 37 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De nieuwe woning kan gezien worden als een geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van het plangebied acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De ABG organisatie heeft een geurgebiedsvisie opgesteld met daarin een beleidsregel voor het beoordelen van de geurbelasting op geurgevoelige objecten. Bij ruimtelijke initiatieven en plannen waar sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelig object dient te worden getoetst aan deze beleidsregel. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder is een vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder vertaalt naar geurwaarden. Hierbij wordt tevens een onderverdeling in deelgebieden en soorten ontwikkelingen opgenomen. Het plangebied is gelegen in deelgebied A (dorpskern Ulicoten). Er is sprake van het type ‘wonen’. Voor een dergelijk geurgevoelig object geldt dat een achtergrondbelasting van minder dan 10,00 odour units wordt gezien als voldoende. Bij de beoordeling als voldoende zijn er vanuit het deelaspect cumulatieve geurhinder geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief.
Figuur 15: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in bovenstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 38 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van het jaar 2022 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit voorgaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is sprake van een achtergrondbelasting geur van circa 3 tot 7 ouE. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Tevens kan worden opgemerkt dat voldaan wordt aan de beleidsregel uit de geurgebiedsvisie van de gemeente, waardoor er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect cumulatieve geurhinder. Binnen het plangebied is de achtergrondbelasting zo laag dat niet te verwachten is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden.
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. Voor de planlocatie is gekeken naar de vaste afstanden welke gelden voor binnen de bebouwde kom. De minimale afstand binnen de bebouwde kom betreft 100 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter (binnen de bebouwde kom) van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het veehouderijbedrijf aan de Heikantsestraat 2 te Ulicoten. Het betreft een melkveehouderij waar rundvee gehouden wordt. De melkveehouderij ligt op een afstand van circa 350 meter ten zuiden van het plangebied. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen binnen het plangebied vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven.
De hiervoor genoemde afstanden, worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 5.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.
Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 39 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.
Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: ▪ de kans op een ongeval; ▪ het effect van het ongeval; ▪ het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; ▪ de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 40 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 16: Uitsnede risicokaart Atlas van de Leefomgeving
Inrichtingen De verantwoordingsplicht groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle inrichtingen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Uit de risicokaart, zie figuur 16, blijkt dat er binnen een straal van 300 meter van de planlocatie één risicovolle inrichtingen is gelegen. Het gaat om de inrichting waarbinnen propaan wordt opgeslagen. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze locatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. Een verantwoording van het groepsrisico is hierop niet van toepassing. Transport Naast de invloed van de risicovolle inrichtingen speelt de verantwoordingsplicht groepsrisico een rol bij transportassen waarop Beluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), van toepassing is. Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een transportas waarover gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
Op basis van het Bevt, welke vanaf 1 april 2015 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen welke zijn gelegen binnen 200 meter van een transportas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, rekening te worden gehouden met de ruimtelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt buiten het invloedsgebied van omliggende transportassen. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving (in een straal van > 3 kilometer) van de planlocatie zijn geen buisleidingen
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 41 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde. Conclusie Uit de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet ligt binnen een invloedsgebied van een Bevi bedrijf, risicovolle transportroute of buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het toevoegen van één nieuwe woning binnen het plangebied. 5.11
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van het plangebied, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen of straalpaden gelegen welke van invloed kunnen zijn op het initiatief en/of een regeling in het bestemmingsplan noodzakelijk maken. 5.12
Luchtkwaliteit
Wettelijk toetsingskader Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Beoordeling Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende:
Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het plan maakt de toevoeging van één nieuwe woning binnen stedelijk gebied mogelijk. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat het project op de planlocatie een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de woning binnen het plangebied zijn bij benadering: ▪ x = 118 459 ▪ y = 385 298 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2022: PM10: 17.34 µg/m3, PM2,5: 9.162 en NO2: 10.78 µg/m3 2025: PM10: 15.68 µg/m3, PM2,5: 8.402 en NO2: 10.56 µg/m3 2030: PM10: 14.69 µg/m3, PM2,5: 7.366 en NO2: 8.822 µg/m3
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 42 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de planontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.13
Toetsing besluit milieueffecten rapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie valt niet binnen de C- of Dlijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing. Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten.
Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; ▪ Plannen die kader stellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Ten aanzien van het eerste criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden, hier wordt verder op in gegaan in paragraaf 5.5 van deze toelichting. Een plan is kader stellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig in initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2000 of meer woningen omvat. Daar het hier het toevoegen van één woning betreft binnen stedelijk gebied is er geen overschrijding van de grenswaarden uit categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.
De beoogde ontwikkeling blijft ruimschoots onder de grenswaarde. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling behoeft daarom voor onderhavige ontwikkeling niet te worden uitgevoerd.
Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024
Pagina 43 van 47
Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Inleiding
Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpen’ en ‘Dorpen, 1e herziening’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze zijn gehanteerd in het bestemmingsplan ‘Dorpen’ en ‘Dorpen, 1e herziening’. In paragraaf 6.2 zal een algemene toelichting van de verbeelding worden gegeven. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader omschreven. 6.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. Bestemmingsvlak en bouwvlak Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie. Aanduidingen De letteraanduiding van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. Als deze specificaties op het hele bestemmingsvlak van toepassing zijn, staan de aanduidingen achter de bestemmingsaanduiding in het bestemmingsvlak. 6.3