CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Dorpsstraat ong. achter nr. 29

Commissie Mens en Maatschappij 18 april 2024, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van het bestemmingsplan Dorpsstraat ong. achter nr. 2917.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting

Bestemmingsplan “Dorpsstraat ong. achter nr. 29” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

vaststelling 2024-03-07 NL.IMRO.0744.BPDorpsstraatong29-VG01

Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon

Titel:

Bestemmingsplan ‘Dorpsstraat ong. achter nr. 29’

Ontwerp: Molenzicht 2 4881BW Zundert Tel: 076-5990340 www.schoenmakersarchitectuur.nl Projectnummer:

230260

Rapportnummer

230260.001

Datum:

7 maart 2024

Status:

vaststelling

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 2 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 3 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4

AANLEIDING EN DOEL .................................................................................................................................... 5 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED. ............................................................................................................. 5 PLANVORM ................................................................................................................................................. 6 LEESWIJZER ................................................................................................................................................. 6

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4

MILIEU- EN OVERIGE ASPECTEN ..................................................................................... 26

INLEIDING ................................................................................................................................................. 26 ALGEMEEN ............................................................................................................................................... 26 BODEM .................................................................................................................................................... 26 WATER .................................................................................................................................................... 27 CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE .............................................................................................................. 29 NATUUR ................................................................................................................................................... 33 WEGVERKEERSLAWAAI ................................................................................................................................ 35 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .................................................................................................................... 36 GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ......................................................................................................................

37 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 39 KABELS EN LEIDINGEN ................................................................................................................................. 42 LUCHTKWALITEIT ........................................................................................................................................ 42 TOETSING BESLUIT MILIEUEFFECTEN RAPPORTAGE ............................................................................................. 43

HOOFDSTUK 6 6.1 6.2 6.3

RUIMTELIJK BELEIDSKADER ............................................................................................. 13

INLEIDING ................................................................................................................................................. 13 EUROPEES- EN RIJKSBELEID ........................................................................................................................... 13 PROVINCIAAL BELEID ................................................................................................................................... 15 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................................................. 23

HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13

PLANBESCHRIJVING ........................................................................................................ 10

INLEIDING ................................................................................................................................................. 10 RUIMTELIJKE OPZET .................................................................................................................................... 10 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10 STEDENBOUWKUNDIGE VERANTWOORDING EN BEELDKWALITEIT ......................................................................... 11

HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4

BESCHRIJVING PLANGEBIED .............................................................................................. 7

INLEIDING ................................................................................................................................................... 7 HUIDIGE SITUATIE......................................................................................................................................... 7 VERKEER EN PARKEREN .................................................................................................................................. 8 BESCHRIJVING PLANGEBIED ............................................................................................................................ 8

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4

INLEIDING ......................................................................................................................... 5

JURIDISCHE ASPECTEN .................................................................................................... 44

INLEIDING ................................................................................................................................................. 44 ALGEMENE TOELICHTING VERBEELDING........................................................................................................... 44 ALGEMENE TOELICHTING REGELS ................................................................................................................... 44

HOOFDSTUK 7

UITVOERBAARHEID ......................................................................................................... 46

Afzonderlijke bijlagen 1. 2. 3. 4.

Verkennend bodemonderzoek, Moerdijk Bodemsanering B.V., rapportnummer 2410.140.231.r1, 15 maart 2023 Berekening stikstofdepositie, Architecten Buro Schoenmakers, rapportnummer 230260, 01 november 2023 Ecologische QuickScan. Brabant Eco Omgevingsdialoog

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 4 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Aan de rand van de dorpskern van Ulicoten is de locatie Dorpsstraat 29 gelegen. Deze locatie heeft momenteel een diep perceel, welke grenst aan de Wilhelminastraat en het buitengebied. Binnen het kadastrale perceel, bekend onder sectie A met nummer 4026 is de woning en zijn de bijgebouwen en tuin van Dorpsstraat 29 gelegen. Het achtergelegen perceel, bekend onder nummer 4226 wordt anders dan voor een klein gedeelte dierenweide nauwelijks gebruikt. Het voornemen is om binnen dat perceel één nieuwe woning toe te voegen. Daarmee komt de beoogde woning achter de woning van Dorpsstraat 29 en in het verlengde van het bebouwingslint van de Wilhelminastraat. Het beoogde plan vormt een goede afronding van het stedelijk gebied aan de rand van de kern. Het initiatief draagt bij aan de gestelde doelstellingen omtrent het behoud van de leefbaarheid in de kleinere kernen. Dit is voor Ulicoten een belangrijk item. Voor dit initiatief is in februari 2022 een principeverzoek ingediend. In het schrijven van 17 november 2022 heeft de gemeente naar aanleiding van het ingediende principeverzoek in principe medewerking verleend aan het beoogde initiatief. Het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpen’ met ‘Dorpen, 1e herziening’ van de gemeente Baarle-Nassau staat de gewenste ruimtelijke ontwikkeling niet toe.

Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader. 1.2

Ligging en begrenzing plangebied.

Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern van Ulicoten. Ulicoten maakt deel uit van de gemeente Baarle-Nassau, gelegen in de provincie Noord-Brabant. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente Baarle-Nassau, sectie A met het nummer 4226. In figuur 1 en 2 wordt het plangebied en de locatie aangegeven.

Figuur 1: Luchtfoto met daarop het plangebied

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 5 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 2: Topografisch kaart met daarop de locatie aangemerkt

1.3

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Dorpsstraat ong. naast nr. 29’ is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. Verbeelding Op de -verbeelding, met het nummer NL.IMRO.0879.BPDorpsstraatong29-VG01, zijn onder meer de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven met bijbehorende verklaringen, het zogenaamde renvooi. De verbeelding legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart aanwezig zijn aangegeven en de regels. De kaart is getekend op schaal 1:200. Regels De regels bevatten de juridische regeling betreffende het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden die in het plan zijn inbegrepen. De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgang- en slotregels. De regels worden conform de landelijke richtlijnen SVBP2012 en IMRO2012 en het gemeentelijk handboek toegepast. Toelichting In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de onderzoeken die in het kader van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verricht opgenomen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uit maken van de toelichting. Daarnaast wordt er voor dit bestemmingsplan ook verwezen naar artikel 3.1 lid 1 van de Wro.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarbij o.a. de ruimtelijke en functionele structuur aan bod komen. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de uitgangspunten en randvoorwaarden, die van belang zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt het relevante vigerende beleid op Europees-, rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau beschreven. De relevante milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van water, natuur, luchtkwaliteit, archeologie en bodem beschreven. In hoofdstuk 6 wordt een toelichting op de bestemmingsplanregels gegeven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 6 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving plangebied

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Er wordt ingegaan op de bestaande situatie. De bestaande situatie wordt zowel ruimtelijk als functioneel geanalyseerd. Daarna wordt kort ingegaan op de bestaande verkeerstructuur en het parkeren. 2.2

Huidige situatie

2.2.1

Ruimtelijke analyse

Bebouwingsstructuur Het plangebied ligt aan de uiteinde van het bebouwingslint van de Wilhelminastraat. Het bebouwingsbeeld bestaat voornamelijk uit wat oudere twee-onder-een kap woningen met daartussen enkele vrijstaande woningen en voormalige boerderijen. De noklijn is voornamelijk parallel aan de straat gericht. Groenstructuur Rondom het plangebied is nauwelijks structureel groen aanwezig. Aan de zuidelijke rand van het plangebied is wat oude tuinbeplanting aanwezig inclusief greppel/sloot en in het midden een solitaire boom. Het plangebied wordt ten noorden begrenst door knip- en scheerhagen. Verder bestaat het plangebied momenteel uit een dierenweide. Een beeld van de groenstructuur ter hoogte van het plangebied is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3: Groenstructuur ter hoogte van het plangebied

2.2.2

Functionele analyse

Wonen In de directe omgeving van de planlocatie komt overwegend de functie wonen voor. Grotendeels bestaat de omgeving van de planlocatie uit eengezinswoningen. Op de functiekaart (figuur 4) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is. Gemengd In de ‘oude kern’ van Ulicoten komt overwegend de bestemming ‘gemengd’ voor. Op deze locaties is kleinschalige dienstverlening en detailhandel in combinatie met de woonfunctie toegestaan. De panden worden hedendaags met name gebruikt voor enkel de woonfunctie. Bedrijven Er zijn in de directe omgeving van het plangebied nauwelijks bedrijven gevestigd. Agrarisch bedrijf In de kern van Ulicoten komen geen agrarische bedrijven voor. Deze agrarische bedrijven zijn in het buitengebied gevestigd. Steeds meer van deze locaties zijn niet langer meer in agrarisch gebruik en zijn

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 7 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

daarmee als voormalige agrarische bedrijfslocatie te typeren. Ten zuiden van het plangebied ligt een dergelijke voormalige agrarische bedrijfslocatie.

Figuur 4: Functiekaart

2.3

Verkeer en parkeren

2.3.1 Verkeersstructuur Het plangebied ligt op de hoek van de Wilhelminastraat en een zijstraat van de Dorpsstraat. De Dorpsstraat betreft de centrale weg van het dorp Ulicoten. De Wilhelminastraat takt af van de Dorpsstraat en loopt over naar het buitengebied. Het zijstraatje van de Dorpsstraat ter hoogte van het plangebied betreft een langzaamverkeersroute en wordt met name gebruikt door bestemmingsverkeer. In de huidige situatie geldt een maximum toegelaten snelheid van 30 km/u. 2.3.2 Parkeren In de huidige situatie is er geen parkeerbehoefte aanwezig binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied vindt parkeren plaats op eigen terrein of parallel in parkeerhavens aan de Wilhelminastraat. 2.4

Beschrijving plangebied

Het plangebied is aan de achterzijde van de Dorpsstraat 29 en naast Wilhelminastraat 13 gelegen. Het perceel, bekend onder nummer 4226 heeft een oppervlakte van 652 m 2. Het plangebied wordt momenteel gedeeltelijk gebruikt als dierenweide en is deels braakliggend. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. In figuur 5 wordt het plangebied in de bestaande situatie in beeld gebracht.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 8 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 5: Bestaande situatie

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 9 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Inleiding

In onderstaand hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde planontwikkeling. Initiatiefnemer is voornemens om binnen het perceel één vrijstaande woning te creëren. Er wordt ingegaan op de ruimtelijke opzet van het plan, verkeer en parkeren, groenstructuur en de beeldkwaliteit van de architectuur. 3.2

Ruimtelijke opzet

Het plangebied ligt aan de rand van het dorp Ulicoten en zorgt voor een gepaste afronding van de dorpskern en het bebouwingslint ter plaatse. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het oprichten één vrijstaande woning met bijgebouw en carport, binnen het bestaand stedelijk gebied. De nieuw te bouwen woning maakt onderdeel uit van het bebouwingslint van de Wilhelminastraat. Het gehele perceel heeft de bestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming wordt één los bouwvlak toegevoegd voor de bouw van één nieuwe woning. Dit bouwvlak is gelegen op een afstand van 3 meter van de zijdelingse perceelsgrenzen en ligt met de voorzijde in lijn met het bouwvlak langs de Wilhelminastraat. In figuur 6 is de nieuwe situatie weergegeven.

Figuur 6: Nieuwe situatie

3.3

Verkeer en Parkeren

De beoogde ontwikkeling dient te voldoen aan de nota Parkeernormen 2011 gemeente Baarle-Nassau, deze normen zijn gebaseerd op de normen van de CROW. Ulicoten is aangemerkt als ‘weinig stedelijk gebied’. De planlocatie is gelegen in ‘overig gemeente Baarle-Nassau’. Het is op dit moment nog niet volledig bekend hoe groot de woning zal worden, waardoor er wordt uitgegaan van de categorie woning met de grootste parkeerbehoefte (groter dan 100 m2). In de onderstaande tabel is het benodigde aantal parkeerplaatsen berekend.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 10 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Tabel 1: Nota Parkeernormen 2011 Baarle-Nassau Functie Woning, oppervlakte > 100 m²

Overig gemeente BN 2

Aantal

Totaal

1

2

Het parkeren vindt geheel op eigen terrein plaats. Er is voldoende ruimte om te voldoen aan de nota Parkeernomen 2011 Baarle-Nassau. Bij de woning zullen ten minste twee parkeerplaatsen gerealiseerd worden, zie figuur 6. Bij de woning wordt tevens een garage met carport ingericht. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal worden getoetst of de aanvraag voldoet aan de parkeerbehoefte. Ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe woning zal één nieuwe oprit worden gerealiseerd, aansluitend aan de Wilhelminastraat. Aangezien het hier een rustige 30 km/u weg betreft, heeft het geen veiligheidskundige bezwaren. 3.4

Stedenbouwkundige verantwoording en beeldkwaliteit

Het doel van het stedenbouwkundig ontwerp is het inpassen op bestaande gebouwde omgeving. Om dit te bewerkstelligen dient een aantal ruimtelijke uitgangspunten gehanteerd te worden: ▪ er dient te worden aangesloten bij de bouwregels van de bestemming ‘Wonen’ binnen het bestemmingsplan ‘Dorpen’ van de gemeente Baarle-Nassau; ▪ de vrijstaande woning bestaat (minimaal en maximaal) uit twee bouwlagen met een kap, aangrenzend een garage en een carport; ▪ het hoofdgebouw dient te worden gebouwd binnen het bouwvlak; ▪ het bouwvlak moet op minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelsgrenzen liggen; ▪ de nieuwe woning sluit stedenbouwkundig aan op de omgeving; ▪ bij de nieuwe woning wordt er rekening gehouden met levensloopbestendig en duurzaamheid. Voor de architectuur van de nieuwe woning dient aansluiting gezocht te worden bij de omgeving. De kleuren en materialen dienen te bestaan uit traditionele materialen. Hieronder zijn een aantal materialen getoond, die passend zijn in het gebied. In de omgeving zijn de woningen voorzien van een kap, veelal een zadeldak. In het plan dient de woning aan te sluiten bij het bestaande dakenlandschap in de omgeving. Dit kan zowel evenwijdig als loodrecht op de straat georiënteerd worden. In de omgeving zijn met daken met dakpannen van diverse kleuren aanwezig.

De planlocatie is gelegen in een gebied waar getoetst dient te worden aan de welstandsnota. Het gebied maakt uit van het reguliere welstandsniveau (2). Toetsing aan de welstandsnota zal tijdens de omgevingsvergunningsfase plaatsvinden.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 11 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 6: Referentie kleur en materialen architectuur

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 12 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

De gemeente Baarle-Nassau heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid. 4.2

Europees- en rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Wettelijk toetsingskader Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De 13 nationale belangen betreffen: 1.

een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen 4. efficiënt gebruik van de ondergrond 5. een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem 7. het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s 9. ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en faunasoorten

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 13 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten 13. zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van één woning binnen het perceel van de Dorpsstraat 29. Deze ontwikkeling valt niet onder een van de 13 nationale belangen. De planlocatie is dan ook niet gelegen in een gebied aangewezen in de SVIR. Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Geconcludeerd kan worden dat het onderhavig plangebied niet gelegen is in een gebied, wat is aangewezen in de SVIR. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Wettelijk toetsingskader Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn zes projecten beschreven: ▪ Mainport ontwikkeling Rotterdam. ▪ Kustfundament. ▪ Grote rivieren. ▪ Waddenzee en Waddengebied. ▪ Defensie. ▪ Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Inmiddels is het aantal projecten uitgebreid met: ▪ Rijksvaarwegen. ▪ Hoofdwegen en landelijke spoorwegen. ▪ Elektriciteitsvoorziening. ▪ Ecologische hoofdstructuur. ▪ Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. ▪ IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). ▪ Veiligheid rond Rijksvaarwegen. ▪ Verstedelijking in het IJsselmeer. ▪ Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Beoordeling De beoogde ontwikkeling op de locatie Dorpsstraat 29 betreft het toevoegen van één woning. Deze ontwikkeling valt niet onder een van de zes projecten die in het Barro zijn beschreven of de uitbreiding van het aantal projecten. Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6. lid 2 Bro)

De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 14 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Binnen de planlocatie wordt één nieuwe woning toegevoegd. De Ladder is van toepassing op winkels/kantoren en woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is er sprake van stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Voorziet kantoren/winkels in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m². De beoogde ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied betreft de ontwikkeling van maximaal één extra wooneenheid binnen het bestaand stedelijk gebied. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, uit het Bro en is de ontwikkeling niet ladderplichtig. 4.2.4

Archeologie

Wettelijk toetsingskader De belangrijkste archeologische vindplaatsen zijn beschermd als rijksmonument. Dit zijn er bijna 1.500. Deze rijksmonumenten bevinden zich zowel in de bodem als onder water. Bijvoorbeeld grafheuvels, scheepswrakken en resten van Romeinse nederzettingen. Beoordeling De planlocatie is niet aangewezen als archeologisch rijksmonument. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie niet is aangewezen als archeologisch rijksmonument. Wel heeft de gemeente Baarle-Nassau een eigen gemeentelijke archeologiebeleid opgesteld, waaraan het plan getoetst moet worden. In paragraaf 5.5 wordt verder ingegaan op het aspect archeologie. 4.2.5

Water

Wettelijk toetsingskader Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Deze watertoets vormt een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Sinds 2001 wordt de watertoets toegepast op plannen die gevolgen voor de waterhuishouding kunnen hebben. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingsherziening. Beoordeling Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerders, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf is afgestemd met de waterbeheerder en vervolgens verwerkt in de plantoelichting. Conclusie In paragraaf 5.4 wordt het aspect water behandeld. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014

Wettelijk toetsingskader

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 15 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vier rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 3.

Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 4. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van NoordBrabant. Uit figuur 7 blijkt dat het plangebied gelegen is in het ‘landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’.

Figuur 7: Uitsnede Structurenkaart

Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 16 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie twee perspectieven: 1. Gemengd landelijk gebied. 2. Accent agrarisch ontwikkeling. Binnen het gemengd agrarisch gebied is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, bijvoorbeeld op vrijkomende locaties. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de Groenblauwe mantel is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Binnen gemengd agrarisch gebied zijn sterke agrarische clusters aanwezig zoals voor de intensieve veehouderij, glasconcentratiegebieden, boomteelt en vollegrondsgroente. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden worden in beginsel gerespecteerd. In deze clusters wil de provincie de aanwezige agrarische functie behoeden voor verstoring. Daarom wil de provincie dat de menging van functies in deze agrarische clusters beperkt blijft.

Wonen binnen het landelijk gebied draagt bij aan de menging van functies en past binnen het beleid van de Structuurvisie Ruimtelijke Ontwikkeling Noord-Brabant. De planlocatie ligt op de rand van de dorpskern van Ulicoten en daarmee feitelijk in het stedelijk gebied. In de Interim omgevingsverordening is de planlocatie gelegen in de landelijke kern. De bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties worden door de bestemmingswijziging niet aangetast. Ook de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische sector wordt gewaarborgd. Het initiatief past binnen het beleid van de Structuurvisie Ruimtelijke Ontwikkeling NoordBrabant. 4.3.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2022 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 17 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

4.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingswet treedt in 2024 in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: ▪ Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; ▪ Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; ▪ Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; ▪ Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; ▪ Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; ▪ Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om: ▪ een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; ▪ aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; ▪ aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. De Interim omgevingsverordening geldt tot dat de Omgevingswet in werking treedt, vanaf dat moment geldt de Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant. Vanwege het uitstel van de Omgevingswet naar begin 2024, kan ook de Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant nog niet in werking treden. In de Interim omgevingsverordening zijn al veel wijzigingen vanuit de Omgevingsvisie doorgevoerd.

Nu de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld, stellen Gedeputeerde Staten voor om een aantal urgente onderwerpen die in de Omgevingsverordening zijn opgenomen, alvast via een wijziging van de Interim omgevingsverordening in werking te laten treden. Hiervoor hebben zij op 22 februari een concept Wijziging Interim omgevingsverordening – actualisatie april 2022 vastgesteld en die aangeboden aan Provinciale Staten ter besluitvorming op 11 maart 2022. Deze wijzigingsverordening is halverwege april 2022 in werking getreden. De omgevingsverordening treedt gelijk met de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking. Voor onderhavig bestemmingsplan wordt nu uitgegaan van de Interim omgevingsverordening regels geconsolideerd 21-03-2023. In figuur 8 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie. Uit de figuur blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’, daarnaast ligt de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ over de planlocatie.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 18 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 8: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In het plangebied wordt maximaal één nieuwe woning gerealiseerd. De woning wordt opgericht binnen het bestaand stedelijk gebied, en wordt opgericht op een braak liggend perceel. In de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen waaraan gehouden moet worden bij de ontwikkeling van bovenstaand initiatief. De ontwikkeling binnen het plangebied kan binnen de Interim omgevingsverordening onderverdeeld worden in twee onderdelen. Dit zijn de onderdelen ‘oprichten nieuwe woning’ en ‘algemene regels’. Hieronder wordt elk onderdeel getoetst aan de regels van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Oprichten woning Het initiatief is om in het plangebied één nieuwe vrijstaande woning toe te voegen aan het bestaande bebouwingslint van de Wilhelminalaan. In artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van woningen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’.

Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 19 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

e. f.

ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; Draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied Dorpsstraat achter nummer 29 is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied aan de rand van de dorpskern Ulicoten. Het braakliggend perceel aan de rand van de kern wordt ingevuld met passende woningbouw welke wordt aangesloten op het bestaande bebouwingslint van de Wilhelminalaan. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Lid 1 Regionale afspraken Het onderzoek naar de behoefte van woningen wordt door de provincie Noord-Brabant strak geregisseerd. Dit is verankerd in Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ van de Interim omgevingsverordening. In Afdeling 5.4 is bepaald dat er ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg plaats vindt tussen Gedeputeerde Staten, gemeenten, regio’s en waterschappen. De gemeente Baarle-Nassau is ingedeeld bij de regio West-Brabant.

Volgens de Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ plegen de deelnemers aan het RRO regionale afstemming en maken afspraken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen, informeren elkaar over de voortgang van hiervoor bedoelde voornemens en afspraken, en hebben een monitoringssysteem waarin de voortgang van de woningbouw wordt bijgehouden. Baarle-Nassau maakt deel uit van het RRO-gebied West-Brabant (18 gemeenten) en de subregio Breda e.o. (landelijk gebied). RRO-gebied West-Brabant valt samen met het COROP-gebied West-Noord-Brabant. Dit is conform het advies uit de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van infrastructuur en Milieu. Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente', kortweg de matrix genoemd. Sinds 1 december 2016 is de Regionale Agenda Wonen 2017 van toepassing, waarin de meest actuele regionale woningbouwafspraken zijn opgenomen. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2016 t/m 2025 laat een behoorlijke regionale woningbouwopgave zien van circa 33.000 woningen (39.000 inclusief sloop) tot 2030. De groei van de woningvoorraad is de afgelopen jaren echter achter blijven lopen ten opzichte van de geprognosticeerde woningbehoefte.

De regio West-Brabant heeft op basis van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de bevolkings- en woningbehoefteprognose en de gemeentelijke woningbouwontwikkelingen de regionale woningvoorraad en woningbouwopgave per gemeente voor de periode 2016 t/m 2025 bepaalt. In de Regionale Agenda Wonen is de woningbouwcapaciteit en - opgaven per gemeente opgenomen.

Figuur 9: Woningbouwopgaven en plancapaciteiten gemeenten 2016 t/m 2025

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 20 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Voor de gemeente Baarle-Nassau wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 100 woningen t/m 2025. Echter, de totale plancapaciteit is op het moment van opstellen van de Regionale Agenda Wonen al hoger ingestoken. Dit wil niet zeggen dat er geen ruimte is voor de beoogde woningbouw binnen het plangebied. De laatste provinciale woningbouwprognoses dateren van 2020. In 2020 telde Noord-Brabant ruim 1.104.635 woningen. De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognose (2050) groeien, al is de groei in landelijke gebieden minder sterk. Uitgangspunt van de Brabantse Agenda Wonen (2017) is ruim baan te geven aan ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen. De meeste recente verslaglegging van regionale afspraken is gedaan in de ‘Voortgangsrapportage 2019/2020” van de Brabantse Agenda Wonen (3 maart 2020). In deze verslaglegging wordt nogmaals onderstreept dat de provincie ontwikkeling van nieuwe woningen in binnenstedelijke locaties verkiest boven landelijke uitbreiding. In de voortgangsrapportage staat dat enkel woningbouwplannen op uitbreidingslocaties om regionale afstemming vragen. Het gemeentelijke woningbouwprogramma gaat uit van een reële woningbehoefte en zetten in op flexibiliteit om in te kunnen spelen op veranderingen en nieuwe kansen.

Lokaal onderzoek en afspraken tussen gemeente, marktpartijen en/of corporaties vormen de inhoudelijke basis voor te realiseren programma’s. Er is nog steeds sprake van een overprogrammering, maar door een hogere bevolkingsgroei dan in 2017 verwacht, is het verschil kleiner geworden. Een groot deel van die capaciteit zit nog niet in harde plancapaciteit. De gemeente verwacht in de praktijk in de buurt van de prognose te blijven. Wanneer het gaat om een inbreidingslocatie hoeven deze niet regionaal afgestemd te worden. Het onderhavige plan betreft een inbreidingslocatie waardoor regionale afstemming niet nodig is. Lid 2 De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied op een bestaand perceel. Het initiatief houdt rekening met zorgvuldig ruimtegebruik aangezien de ontwikkeling een inbreidingslocatie betreft. Bij deze ontwikkeling wordt er rekening gehouden met klimaatadaptatie, zie voor verdere onderbouwing paragraaf 5.4. Hieruit blijkt dat het initiatief een duurzame stedelijke ontwikkeling betreft. De kleinschalige ontwikkeling van één nieuwe woning binnen de planlocatie is te typeren als een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’. De ontwikkeling is mogelijk vanuit ruimtegebruik door gebruikmaking van een locatie in het bestaand stedelijk gebied.

Algemene regels: Bevordering ruimtelijke kwaliteit Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 21 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het initiatief betreft het toevoegen van één woning binnen een bestaand perceel. De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied, op een inbreidingslocatie. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, hier na te noemen Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (Ladder) geeft aan dat de toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling.

Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Zoals eerder in deze toelichting is beschreven betreft de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling. Voor wonen geldt namelijk dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is voor één woning, derhalve dusdanig kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, uit het Bro en is de ontwikkeling niet ladder plichtig. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. De beoogde ruimtelijke planontwikkeling voldoet aan de regels zoals opgesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. In hoofdstuk 5 ‘Relevante (milieu)aspecten’ worden effecten op bovenstaande waarden beschreven. Hieruit blijkt dat de relevante waarden binnen het plangebied en omgeving niet worden aangetast. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De ontwikkeling betreft het toevoegen van één woning binnen een bestaand perceel aan de rand van de dorpskern. Daarnaast levert de beoogde ontwikkeling een bijdrage aan het woningtekort. Het initiatief geeft invulling aan meerwaardecreatie door de functionele en ruimtelijke inpassing van de nieuwe woning in de lintbebouwing aan de Wilhelminastraat.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 22 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Bestemmingsplan ‘Dorpen’ en ‘Dorpen, 1e herziening’

Zoals in de inleiding van deze toelichting is vermeld maakt het plangebied onderdeel uit van de bestemmingsplannen ‘Dorpen’ en ‘Dorpen, 1e herziening’. Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan ‘Dorpen’ de bestemming ‘Wonen’ en dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, zie de volgende figuur. Tevens geldt vanuit de herziening de aanduiding ‘overige zone – herziening planregels’. Het beoogde initiatief omvat de bouw van één nieuwe vrijstaande woningen. Woningen zijn enkel binnen het bouwvlak toegestaan. Binnen de planlocatie is geen bouwvlak aanwezig, waardoor er geen nieuwe woning kan worden opgericht. Om de bouw van één nieuwe woning mogelijk te maken zal er een nieuw bouwvlak moeten worden ingericht binnen het plangebied. Binnen de vigerende bestemmingen is het niet rechtstreeks mogelijk om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken op de planlocatie. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien middels een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan wordt herzien.

Figuur 9: Uitsnede bestemmingsplankaart 'Dorpen', plangebied met rood aangeduid

4.4.2

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

In 2020 is de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau vastgesteld. De planlocatie is gelegen binnen de aanduiding ‘Kernen’, zie onderstaande figuur. Met de kernen worden de woongebieden van Baarle-Nassau en Ulicoten bedoeld.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 23 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 10: Uitsnede kaart omgevingsvisie

Ulicoten is met de kernen Baarle-Nassau en Castelré een aantrekkelijke woongemeente met voldoende voorzieningen, maar deze kwaliteiten - en daarmee de leefbaarheid - staan onder druk. Ulicoten heeft een beperkt voorzieningenniveau en de bereikbaarheid per openbaar vervoer is minimaal. De bevolking zal de komende jaren nauwelijks toenemen, de woonomgeving veroudert en de zorg verandert. Mensen willen - en moeten - zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Alleen als het echt niet meer kan, kom je in aanmerking voor een verzorgingstehuis. Binnen de dorpskern van Ulicoten zijn hiervoor nauwelijks voorzieningen. De gemeente kent op dit moment al grotere woningbouwlocaties die op korte termijn gerealiseerd worden (en zijn) en die al grotendeels vast liggen in plannen. Gelet op de bevolkingsontwikkeling lijken nieuwe grote woningbouwplannen niet meer nodig. Dit betekent niet dat er geen nieuwbouw meer nodig is, maar de focus wordt meer gelegd op de bestaande woningvoorraad en de mogelijkheden binnen bestaand stedelijk gebied. Eerst wordt er gekeken naar mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied: waar liggen mogelijkheden voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het aanpassen van de woningvoorraad op de toekomstige woonbehoefte? Uitbreidingslocaties worden pas daarna overwogen.

De woonwensen veranderen onder andere door de vergrijzing en omdat duurzaamheid en energiezuinigheid steeds belangrijker worden. De huizen zullen of moeten mee veranderen of uiteindelijk moeten worden vervangen. De nadruk komt te liggen op duurzame en levensloopbestendige woningen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling is gericht op aantrekkelijk wonen in de kern, in levensloopbestendige woningen. Het plangebied ligt binnen stedelijk gebied op een braakliggend terrein. Hierbinnen wordt één nieuwe vrijstaande woning opgericht waarbij rekening wordt gehouden met duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Dit blijkt uit het feit dat de vrijstaande woning nieuw wordt gebouwd en dus duurzaam gerealiseerd moet worden. Zo wordt de woning gasloos gerealiseerd en zorgt een goede isolatie voor minder warmte verlies. Daarnaast heeft initiatiefnemer het voornemen om de woning levensloopbestendig te realiseren. Er wordt dan ook ingespeeld op de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau. Conclusie De beoogde ontwikkeling op de planlocatie sluit aan bij Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 24 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.3

Woonvisie Baarle-Nassau 2018-2023

Op 19 september 2018 is door de gemeenteraad van Baarle-Nassau de Woonvisie ‘Baarle BRUIST, in Baarle kom je thuis’ 2018-2023 vastgesteld. In deze Woonvisie wordt de balans gezocht tussen demografische ontwikkelingen in combinatie met de ontwikkelingen in de woningvoorraad. Een woonvisie die de aantrekkelijkheid van gemeente Baarle-Nassau weergeeft en recht doet aan trends en ontwikkelingen in de samenleving. Een toekomstperspectief dat nadrukkelijk vraagt om samenwerking. Samen met de woningcorporaties, huurdersorganisaties, dorpsraden, markt, zorg- en welzijnsinstellingen en andere partners, zorgt de gemeente ervoor dat het goed wonen is in de gemeente. Pijler 1: Identiteit van het wonen in Baarle-Nassau Voor het behoud van de woonaantrekkelijkheid zet de gemeente in op een woningaanbod dat past bij de identiteit van de gemeente en de kernen. Dit wordt bereikt door bij woningbouwinitiatieven, ook op inbreidingslocaties, aan te sluiten op het unieke woonkarakter van de kernen. Dat wil zeggen dat in de kernen ingezet wordt op een evenwichtig bouwprogramma voor verschillende doelgroepen, mede om bij te dragen aan het in stand houden van de voorzieningen. Pijler 2: Demografie en woningbehoefte Woningen die gebouwd worden, zijn passend bij het karakter van de dorpen en hebben toegevoegde (ruimtelijke) waarde.

De nadruk van het bouwprogramma ligt op de kernen Baarle-Nassau en Ulicoten. De gemeente zet in op een divers woningaanbod dat aansluit op de woonwensen van verschillende doelgroepen in Baarle-Nassau. Pijler 3. Betaalbaar wonen Kleinschalige initiatieven en experimentele betaalbare woonvormen wil de gemeente de komende jaren onder voorwaarden faciliteren, vooral wanneer het gaat om het hergebruiken van leegstaand of leegkomend vastgoed. Er blijft ruimte voor zelfbouwkavels. Deze kleinschalige initiatieven worden waar mogelijk gefaciliteerd, op voorwaarde dat het initiatief ligt bij de bewoners zelf. Pijler 4. Kwaliteit van de woningvoorraad Alle nieuwbouwwoningen dienen gasloos te worden gebouwd. De gemeente daagt ontwikkelaars uit deze stap te zetten door kopers keuzemogelijkheden te bieden in het verder verduurzamen van hun nieuwbouwwoning. Pijler 5. Wonen met zorg en welzijn Nieuwbouwlocaties die aantrekkelijk zijn voor ouderen, vooral in en rond het centrum van Baarle-Nassau wil de gemeente waar mogelijk benutten voor de realisatie van levensloopgeschikte woningen in verschillende prijsklassen en voor meerdere doelgroepen. Conclusie Het plan is gericht op aantrekkelijk wonen in de kern, waarbij het initiatief komt vanuit een lokale bewoner. Er is sprake van een zelfbouwkavel waarbinnen één nieuwe duurzame en levensloopbestendige woning wordt opgericht.

De beoogde ontwikkeling op het plangebied sluit aan bij de Woonvisie Baarle-Nassau 2018-2023.

Toelichting bestemmingsplan 230260 I 07-03-2024

Pagina 25 van 47

Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en overige aspecten

Inleiding

Ruimtelijke ordening en milieu zijn twee beleidsvelden die met elkaar te maken hebben, rekening met elkaar moeten houden en elkaar kunnen versterken. Het gemeenschappelijke doel dat aan beide beleidsvelden ten grondslag ligt, is het creëren van een goede kwaliteit van het leefmilieu (de omgevingskwaliteit). Om dit te bereiken geldt voor bestemmingsplannen dat toetsing plaats dient te vinden aan specifieke ruimtelijke milieunormen zoals afstandsnormen en normen ten aanzien van geluid, bodem en luchtkwaliteit. 5.2

Algemeen

In de onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieuhygiënische aspecten verder uiteengezet. De aspecten die worden behandeld zijn: ▪ Bodem ▪ Water ▪ Cultuurhistorie en Archeologie ▪ Natuur ▪ Wegverkeerslawaai ▪ Bedrijven en milieuzonering ▪ Externe veiligheid ▪ Kabels en leidingen ▪ Luchtkwaliteit ▪ Toetsing besluit milieueffecten rapportage 5.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13999912/1