CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Integraal Huisvestingsplan Baarle-Nassau 2025-2041

Gemeenteraad (openbaar) 24 september 2025, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel tot het vaststellen van het integraal huisvestingsplan 2025-204112.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Integraal Huisvestingsplan primair en voortgezet onderwijs 2025-2041 IHP Baarle-Nassau

Opdrachtgever Gemeente Baarle-Nassau

Datum 23 mei 2025

Referentienummer 2220297/20250523/OD

Auteur(s) Onno Damen en Florine Meijering

│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV

Inhoudsopgave 1.

2.

Inleiding Aanleiding

4

Plan van Aanpak

4

Status IHP

5

Visie op onderwijs

6

Aanbod Baarle-Nassau

7

5.

6.

9

Kindcentrum

10

Doorlopende ontwikkellijn: primair en voortgezet onderwijs

10

Passend onderwijs en inclusiever onderwijs

11

Samenwerkingen en relaties

12

Visie op huisvesting

14

Toekomstbestendig onderwijshuisvesting

14

Flexibiliteit en ruimtegebruik

15

Veiligheid

16

Total Cost of Ownership

16

Handreiking Duurzaam Bouwen ABG gemeenten

17

Duurzaamheid

20

Type maatregelen binnen IHP

23

Nieuwbouw

23

Levensduurverlengende renovatie

24

Gebouw in stand houden

25

Afstoten

25

Investeren in huisvesting kinderopvang

4.

6

Taken en verantwoordelijkheden

Overzicht onderwijslocaties Baarle-Nassau

3.

4

26

Inzicht en beoordeling

27

Vraag en aanbod

27

Huisvestingsscenario per kern

29

Baarle-Nassau

30

Ulicoten

31

Financiën

33

De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.

www.icsadviseurs.nl

7.

Uitgangspunten

33

Totaal investering

33

Fasering

33

Slotsom en werkafspraken

34

Slotsom

34

Aanbevelingen

34

www.icsadviseurs.nl

1. Inleiding Aanleiding De gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen hebben aangegeven behoefte te hebben aan een integraal huisvestingsplan (IHP). Deze zelfstandige gemeenten voeren samen één ambtelijke organisatie met ieder een eigen gemeentebestuur. De reden van deze fusie is de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening, de vermindering van de kwetsbaarheid en de mogelijkheden tot het besparen van kosten. Het proces om te komen tot een IHP voor de drie gemeenten is gezamenlijk opgepakt, maar resulteert uiteindelijk in drie afzonderlijke IHP’s. De visie is voor de drie gemeenten vergelijkbaar. Dit IHP is opgesteld met een inkijk over de huisvesting en haar vraagstukken over een periode van zestien jaar met een verdieping op een periode van vier jaar. Binnen dit IHP wordt in het bijzonder gekeken naar de staat en capaciteit van de bestaande huisvesting en de toekomstbestendigheid van deze faciliteiten. Dit IHP biedt de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties een dynamisch beleidsperspectief, geborgd in een gedragen en transparant uit te voeren meerjaren huisvestingsplan. Dit plan geeft houvast hoe om te gaan met investeringen in gebouwen voor onderwijs en kinderopvang opdat er in de gemeente Baarle-Nassau een duurzame en gezonde onderwijs- en kinderopvangomgeving kan worden voortgezet.

Naast de ontwikkelingen van het leerlingenaantal, ontwikkelingen van de woningbouw en de technische staat van de gebouwen, zijn meer kwalitatieve vragen aan de orde geweest, zowel ten aanzien van de functionaliteit van de gebouwen als ontwikkelingen in het aanbod van onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen. Het IHP geeft daarmee inzicht in de grootste knelpunten en geeft helderheid over de gewenste oplossingsrichtingen. Hierbij dient ook aandacht te zijn voor zowel korte als lange termijn oplossingen. Het voorliggende IHP is opgesteld onder begeleiding van ICSadviseurs en in samenwerking met de schoolbesturen van het primair en voortgezet onderwijs en vertegenwoordigers van de gemeente.

Plan van Aanpak Een belangrijk uitgangspunt voor het IHP is dat het een gezamenlijk plan is van de schoolbesturen en de gemeente. Betrokkenheid van en draagvlak bij de schoolbesturen vormt de basis voor de aanpak. De schoolbesturen zijn betrokken bij het IHP-proces door het participeren in een aantal gezamenlijke bijeenkomsten. Hierin zijn informatie, inzichten en standpunten onderling gedeeld om zo tot een samenhangend en gedragen plan te komen. ▪

Inventarisatie basisinformatie Voor elke onderwijslocatie is op basis van zoveel mogelijk objectieve informatie een ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, exploitatielasten, technische en functionele kwaliteit en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de leerlingenprognoses. Ook is het medegebruik van de (onderwijs) capaciteit inzichtelijk gemaakt. De factsheets zijn als bijlage toegevoegd aan de rapportage.

▪

Visie op onderwijs en huisvesting Om uiteindelijk tot plannen te kunnen komen, wordt eerst de vraag beantwoord wat de gemeente, de kinderopvangorganisaties en de schoolbesturen met hun onderwijs- en kinderopvanghuisvesting beogen. Thema’s als aanbod, inclusie, samenwerking, gezondheid en duurzaamheid zijn behandeld in werksessies.

▪

Situatieschets per kern

www.icsadviseurs.nl

4/35

Aan de hand van de basisinformatie en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, is een situatieschets gemaakt van de gemeente in de vorm van een zogenaamde factsheets. Een factsheet geeft de knelpunten per kern in een visualisatie weer. Tijdens de werksessies is per school(gebouw) stilgestaan bij mogelijke ontwikkelrichtingen, samenwerking & clustering en karakteristieken van het onderwijs en/of huisvesting inclusief kinderopvang. Hieruit zijn verschillende scenario’s naar voren gekomen. ▪

Scenariovorming, prioritering en oplossingsrichting Op basis van de schouwen is een prioritering ontstaan met schoolgebouwen die binnen het IHP, in verschillende fasen, om een ingreep vragen. De basisinformatie uit de factsheets, de situatieschets per kern en de prioritering vormen de input voor huisvestingsscenario’s per locatie. Het huisvestingsscenario is erop gericht de geconstateerde knelpunten op te lossen en de geformuleerde ambities te realiseren.

▪

Financiële vertaling huisvestingsscenario’s Voor de huisvestingsscenario’s zijn de verwachte investeringskosten in beeld gebracht. Op basis hiervan kan vervolgens door de gemeente de consequentie voor de meerjarenbegroting worden gemaakt.

▪

Rapportage IHP De situatieschets per kern, de gezamenlijke ambities en afspraken, oplossingsrichtingen en de scenario’s, inclusief financiële vertaling, zijn vastgelegd in het voorliggende rapport. In deze rapportage is ook voor elke schoollocatie een voorstel opgenomen voor de toekomstige huisvesting.

Status IHP Dit IHP komt in overleg tussen gemeente en schoolbesturen tot stand. Het IHP vormt daarnaast een perspectief om alle besluiten rond investeringen in huisvesting de komende jaren langs te leggen en kan iedere vier jaar worden geactualiseerd. Het IHP is als het ware een koersdocument en geen blauwdruk. Op deze manier blijft flexibiliteit (beargumenteerd) gehouden. Het is aan alle partijen om te waarborgen dat projecten en daaraan gekoppelde investeringen mogelijk zijn. Het plan krijgt status met een vaststellingsbesluit vanuit de gemeenteraad. Hiermee staan de investeringen in de eerste vier jaar vast en weet de gemeenteraad welke investeringen vanaf jaar vijf en verder verwacht worden. Over investeringen na de eerste periode van vier jaar dient de gemeenteraad aparte besluiten te nemen.

www.icsadviseurs.nl

5/35

2. Visie op onderwijs In dit hoofdstuk is de visie op onderwijs- en kinderopvang(huisvesting) beschreven. De visie vormt het fundament voor het integraal huisvestingsplan. In een interactieve werksessie, met vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de gemeente, zijn de ontwikkelingen benoemd die van invloed zijn op onderwijs(huisvesting) in de gemeente. In dit hoofdstuk gaan we dieper in op enkele onderwerpen en verbreden we de scope naar het VO.

Taken en verantwoordelijkheden De taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbestuur voor onderwijshuisvesting zijn wettelijk bepaald. De afbeelding hieronder toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden.

Figuur 1 Overzicht wettelijke taken gemeente en schoolbestuur De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs (inclusief bewegingsonderwijs). Deze zorgplicht is vastgelegd in de Wet op het primair onderwijs (WPO) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks budget in het gemeentefonds vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarnaast geeft de verordening voorziening huisvesting onderwijs van de gemeente Baarle-Nassau1 meer inzicht in hoe de zorgplicht is geregeld. Na het opstellen van het IHP zal de verordening geactualiseerd worden. In de tussentijd wordt de modelverordening van de VNG (2020) als leidraad aangehouden voor de ontwikkeling van het IHP. Na het actualiseren van de verordening zal deze leidend zijn. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn belegd bij het schoolbestuur. Daarnaast geldt een investeringsverbod in huisvesting voor schoolbesturen.

1 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Baarle-Nassau 2015

www.icsadviseurs.nl

6/35

Dit is lastig omdat schoolbesturen sinds 2015 wel verantwoordelijk zijn voor het buitenonderhoud en de gebouwaanpassingen van hun schoolgebouwen. De schoolbesturen ontvangen een vergoeding (vanaf 1 januari 2023 met een overgangsperiode voor de eerste drie jaar) voor zowel personele (zoals het aannemen en scholen van personeelsleden) als materiële kosten (zoals het onderhouden en schoonmaken van het schoolgebouw). De bekostiging wordt per kalenderjaar vastgesteld. De hoogte van het bedrag dat scholen ontvangen wordt bepaald door het aantal leerlingen dat de school heeft op de teldatum van 1 februari van het voorgaande kalenderjaar (voorbeeld: het bedrag voor kalenderjaar 2023 wordt vastgesteld met de teldatum 1 februari 2022). Echter, voor de onderwijshuisvesting blijft de teldatum van 1 oktober van kracht. Er ligt op dit moment een wetsvoorstel voor onderwijshuisvesting2 bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel bestaat uit verschillende onderdelen: •

• • •

IHP wordt wettelijk verankerd als verantwoordelijkheid van de gemeente. Het moet een overzicht geven van de staat van álle schoolgebouwen en de geraamde investeringsbedragen voor een periode van vier jaar, plus een doorkijk van de 12 jaar erna. Schoolbesturen delen hun MJOP met de gemeente ten behoeve van het IHP3. Renovatie wordt een voorziening waar de gemeente primair verantwoordelijk voor is en wordt gedefinieerd als volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Het investeringsverbod primair onderwijs komt te vervallen. Primair onderwijs mag voortaan investeren vanuit een overschot in de exploitatie, conform hoe dit in het voortgezet onderwijs geregeld is.

Het IHP is een aanvulling op de wettelijke taken en is een belangrijk sturingsinstrument in het realiseren van diverse onderwijskundige, beleidsmatige en maatschappelijke ambities. Het biedt perspectief aan betrokken partijen om met hun maatschappelijke middelen investeringen te doen rondom huisvesting.

Aanbod Baarle-Nassau Het streven is in iedere wijk(/kern) één of meerdere onderwijs- en kinderopvangvoorziening(en) te behouden4, mits de kwaliteit van het onderwijs en de betaalbaarheid zijn gewaarborgd. Dit vanuit het belang van thuisnabij onderwijs. Scholen vormen een laagdrempelige manier voor bewoners om met elkaar en ander maatschappelijke instanties in contact te komen. Voor iedere gemeente is de huidige spreiding van locaties in beeld gebracht. Schoolbesturen zijn primair aan zet om te bepalen in hoeverre een locatie (nog) voldoet aan de gestelde normen voor kwaliteit en betaalbaarheid en daarmee de instandhouding daarvan. Daar waar het aanbod in het geding komt, wordt de gemeente actief betrokken door het schoolbestuur. Enerzijds vanuit haar wettelijke verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting, anderzijds vanuit de beleidsinhoudelijke betrokkenheid bij het sociale domein (zoals integraal jeugdbeleid, maatschappelijke ondersteuning en leefbaarheid). Dit geldt ook voor de gemeente Baarle-Nassau. Het streven is dat schoollocaties zijn gesitueerd op goed bereikbare locaties (zowel bestaande als nieuwe locaties). Hierbij wordt rekening gehouden met de ligging in het voedingsgebied, fysieke barrières en de nabijheid van andere voorzieningen. Primair onderwijs De gemeente Baarle-Nassau bestaat uit de kernen Baarle-Nassau en Ulicoten.

De schoolbesturen bieden op twee locaties primair onderwijs verdeeld over deze kernen.

2 Het wetsvoorstel d.d. 29 januari 2025 is te vinden via: Voorstel van wet Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting | Regeling |

Rijksoverheid.nl. 3 Deze verplichting geldt voor schoolbesturen die eigenaar zijn van een schoolgebouw 4 waarbij de huidige voorzieningen als vertrekpunt genomen wordt. Ook als in een kern nu geen voorziening aanwezig is.

www.icsadviseurs.nl

7/35

Speciaal onderwijs Binnen de gemeente worden vanuit beide samenwerkingsverbanden tijdelijke arrangementen toegekend. Deze tijdelijke arrangementen vinden plaats binnen een (specialistische) klas binnen het reguliere onderwijs. Voor de tijdelijke arrangementen worden geen structurele vierkante meters gerealiseerd, maar wordt vanuit de gedachte van doorgaande lijn en samenwerking gekeken naar creatief inzetten van bestaande vierkante meters. Bij basisscholen met een beperkte omvang kunnen wel extra meters worden gerealiseerd. Er wordt gestreefd naar inclusief en passend onderwijs in de brede zin. Een voorbeeld hiervan is in de gemeente Baarle-Nassau: De Deltaklas. De Deltaklas is een onderdeel van scholenstichting Het Groene Lint en is ondergebracht bij de Uilenpoort. Er wordt gestreefd naar passend onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen. Voortgezet onderwijs In de gemeente Baarle-Nassau is één middelbare school gevestigd; De La Salle. Daarmee is dit de enige aanwezige voortgezet onderwijslocatie binnen de gemeente Baarle-Nassau. De school biedt een breed aanbod om leerlingen met verschillende opleidingsniveaus te kunnen voorzien van onderwijs. De wens en ambitie is om dit brede aanbod te blijven faciliteren. Een hedendaagse en toekomstgerichte huisvesting is daarbij noodzakelijk om aantrekkelijk te blijven en het aanbod te kunnen blijven bieden.

Dit vraagt om weloverwogen keuzes binnen dit IHP van zowel schoolbestuur als gemeente.

www.icsadviseurs.nl

8/35

Overzicht onderwijslocaties Baarle-Nassau

www.icsadviseurs.nl

9/35

Kindcentrum Een kindcentrum is een voorziening waar verschillende vormen van onderwijs, kinderopvang en andere ondersteuning worden gecombineerd op één locatie. Het concept van een kindcentrum streeft naar een integrale aanpak van de ontwikkeling en het welzijn van kinderen, waarbij onderwijs, kinderopvang en buitenschoolse activiteiten samenkomen. De gedachte achter deze samenwerking is dat de samenkomst van verschillende disciplines leidt tot meer begeleiding en aandacht voor het individuele kind om zo de ontwikkeling te stimuleren. De schoolbesturen en de gemeente hebben het streven om een bereikbaar aanbod van kindvoorzieningen te realiseren in kindcentrum (KC). In een kindcentrum werken onderwijs en kinderopvang samen, in één gebouw, aan een stabiele, cognitieve, persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen van 0 – 13 jaar. Op basis van lokale behoeften en aanbod kan dit worden verbreed met zorg en/of ondersteuning voor kinderen en ouders (zoals logopedie). Het samenbrengen van meerdere voorzieningen op één locatie geeft de mogelijkheid om effectief en slim met de ruimte en elkaars expertise om te gaan. In een kindcentrum werken onderwijs en kinderopvang samen aan een ontwikkellijn vanuit een gedeeld pedagogisch en didactisch concept.

Nauwe samenwerking, gelijkwaardigheid als kindpartner (binnen de gestelde kaders) en vertrouwen tussen de betrokken partners is essentieel om de continuïteit in de samenwerking te waarborgen. De schoolbesturen bepalen zelf met wie ze deze samenwerking aan willen gaan. Een gezamenlijke koers kan niet slagen wanneer draagvlak bij een van de partners ontbreekt. Dit vindt plaats in één gebouw, het kindcentrum. Bij nieuwbouw en bij bestaande bouw is het streven van een kindcentrum vanzelfsprekend5. Dit brengt bij bestaande bouw vaker moeilijkheden met zich mee. Het vroegtijdig maken van (inclusieve) plannen stelt in staat om het gebouw zodanig in te zetten, dat het samenwerking tussen onderwijs en partners faciliteert.

Doorlopende ontwikkellijn: primair en voortgezet onderwijs De doorlopende ontwikkellijn van kinderopvang en primair onderwijs, kan ook worden doorgetrokken naar het voortgezet onderwijs en verder om een ontwikkellijn van 0-18 jaar te creëren. Idealiter een opstap naar een leven lang leren en ontwikkelen. Binnen de gemeente Baarle-Nassau is het kindcentrum Bremerpoort gericht op onderwijs voor 0 – 14 jaar. Dit wordt georganiseerd door de Bremerpoort (St. Bernardus en Kober) en De La Salle (gastlessen). Daarnaast wordt er binnen de Uilenpoort ook gestreefd naar doorlopende leerlijnen. De eerste stap in dit proces ligt bij voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en de aansluiting van kinderopvang bij het primair onderwijs. Inzetten op het realiseren van een kindcentrum helpt dit te bevorderen. De focus bij de transitie van primair naar het voortgezet onderwijs en voortgezet onderwijs naar het vervolgonderwijs ligt op een goede overgang. Daarnaast ligt bij het voortgezet onderwijs de aandacht op het leren van vaardigheden en competenties die nodig zijn in het vervolgonderwijs en in de samenleving. Rijke schooldag Rijke schooldag is een term die binnen de overheid bekend staat als de cluster van activiteiten binnen en buiten het onderwijs, wat gefaciliteerd wordt binnen een schoolgebouw, om de kansenongelijkheid tegen te gaan.

In april 2022 maakte de overheid met een vooraankondiging bekend te willen investeren in een voorloperstraject om dit te bewerkstelligen om gelijke kansen binnen het onderwijs te stimuleren.

5 In kleine kernen wordt specifiek gekeken hoe dit bereikt kan worden.

www.icsadviseurs.nl

10/35

Deze rijke schooldag moet ervoor zorgen dat alle leerlingen in Nederland zichzelf ten volle kunnen ontplooien door het bieden van aanvullende activiteiten op het gebied van sport, cultuur, cognitieve begeleiding en sociaal-emotionele ontwikkelingen. Deze activiteiten staan in het kader van een brede aanpak van bestrijding van armoede en kansenongelijkheid. Binnen de gemeente Baarle-Nassau bestaat het streven dat er een rijke schooldag ontstaat waarbij vooral centraal staat dat de verwachting is dat het gebouw de hele dag gebruikt wordt door het onderwijs, de kinderopvang, sport en culturele verrijkingen.

Passend onderwijs en inclusiever onderwijs Het VN-verdrag over de Rechten van personen met een handicap is in juli 2016 in werking getreden. Landen moeten zorgdragen voor een inclusievere samenleving, waartoe ook inclusief onderwijs behoort. Schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en gemeente onderschrijven het belang van het aanbieden van passende en inclusieve kinderopvang en onderwijs. Kansengelijkheid en het recht op kwalitatief goed onderwijs en goede kinderopvang voor alle kinderen is belangrijk. Daarnaast is er ook aandacht voor toegankelijkheid van de gebouwen. Daarnaast hebben scholen sinds 1 augustus 2014 de zorgplicht om een passende onderwijsplek voor ieder kind te realiseren. Kinderen gaan in principe naar het reguliere onderwijs, waar ze worden uitgedaagd op basis van de mogelijkheden en de onderwijsbehoefte. Wanneer de zorgbehoefte toeneemt en/of scholen niet tegemoet kunnen komen aan de zorgbehoefte, is de school verantwoordelijk om in overleg met ouders en schoolbesturen binnen de regio een passend onderwijsaanbod te realiseren.

Deze samenwerking tussen scholen vindt plaats in de Samenwerkingsverbanden RSV Breda/PO 30-03 (Breda, Oosterhout, Zundert, Etten-Leur, Dongen, Geertruidenberg, Gilze en Rijen, Baarle-Nassau, Alphen-Chaam6 en Drimmelen7) en in VO 30-03 Breda, Oosterhout, Zundert, Rucphen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze en Rijen, Baarle-Nassau en Alphen-Chaam8. Eén van de doelstellingen van de invoering van passend onderwijs was en is dat meer leerlingen in het regulier onderwijs blijven. Daarnaast is er aandacht voor inclusiever onderwijs. Inclusiever onderwijs is een proces en gaat ervan uit dat het onderwijs voor alle leerlingen toegankelijk is en niemand wordt uitgesloten op basis van beperkingen. In aanvulling op de minimale toegankelijkheidseisen van het Bouwbesluit gelden er voor schoolgebouwen aanvullende eisen op basis van de wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Dit verplicht scholen om toegankelijke voorzieningen te bieden voor leerlingen met beperkingen. Daarnaast bestaan ook richtlijnen zoals de NPR 1813, die verder gaan op het gebied van toegankelijkheid, en dient het ontwerp te worden afgestemd op de specifieke behoeften van de leerlingen. Kinderen leren, spelen en werken samen en ieder kind kan zich optimaal ontwikkelen met ondersteuning die daarvoor nodig is. Kinderen hebben hiermee gelijke kansen op school, maar ook in de maatschappij.

Passend en inclusiever onderwijs vraagt om een ander (flexibel) ruimtegebruik, bijvoorbeeld ruimtes waar onder begeleiding, zelfstandig of in kleine groepen gewerkt kan worden door leerlingen, maar ook door externe zorgaanbieders of begeleiders. Een voorstel om hier meer vierkante meters voor te verkrijgen, staat beschreven in het rode tekstkader op de volgende pagina.

6 Met uitzondering van. postcode 5131 7 Met uitzondering van

postcodes 4926 en 4927

8 Met uitzondering van postcode 5131

www.icsadviseurs.nl

11/35

Extra vierkante meters voor inclusiever en passend onderwijs In het onderwijs zijn er twee ontwikkelingen die op gespannen voet staan met de normatieve vierkante meters: 1. 2.

Passend onderwijs en het streven om te komen tot meer inclusief onderwijs. Het onderwijs ontwikkelt zich naar onderwijsconcepten met een meer gepersonaliseerde werkwijze.

Beide ontwikkelingen hebben invloed op de ruimtebehoefte en -vraag vanuit het onderwijs. Het gaat dan om meer diversiteit aan werkplekken, meer spreekruimten en aanvullende ondersteuningsruimten (mindervalidentoilet, douche et cetera). Dit om zo meer ruimte te geven aan begeleiding/ondersteuning (bijvoorbeeld vanuit school en/of jeugdhulp) maar ook dat kinderen kunnen leren op de plek die bij de leerling/activiteit past (bijvoorbeeld in stilte of in groepsverband samenwerken aan een project). In een bestaand gebouw met overmaat kan de leegstand ingezet worden, maar bij nieuwbouw ‘die aan de maat’ gemaakt wordt, bestaat die mogelijkheid niet. Hiervoor is een beleidsregel van ‘meer meters’ een mogelijkheid om het onderwijs tegemoet te komen. Dit betekent concreet dat scholen beargumenteerd de keuze kunnen maken om bij nieuwbouw 50 tot 100 bruto vierkante meter extra te realiseren. Dit geeft de mogelijkheid om meer individuele werkplekken, overlegplekken en spreekkamers te realiseren. De wens is om zo ruim en slim mogelijk te bouwen, dit kan ook zijn grenzend aan een park om buitenonderwijs mogelijk te maken. Als de ruimtebehoefte van de school toeneemt door groei in leerlingenaantallen, dan wordt de toegenomen ruimtebehoefte niet verrekend met de 50 - 100 bruto vierkante meter.

Voor inclusiever onderwijs is een logische denkrichting van extra vierkante meters minder makkelijk te formuleren, maar kan ook daar aan de orde zijn. Te overwegen is om daar tussen 50 - 100 vierkante meter extra te rekenen die ingezet kan worden voor specifieke werkplekken, extra spreekruimten of lokalen voor onderwijszorgarrangement groepen (OZA). De investering van deze ‘meer meters’ wordt gepleegd vanuit de gemeente. De exploitatielasten komen voor rekening van het schoolbestuur. De investering wordt gepleegd bij nieuwbouw (of uitbreiding) en levensduurverlengende renovatie. NB: Bovenstaande biedt de ruimte om ‘boven-normatief’ te denken en ook ruimtelijk maatwerk te leveren. In elk project wordt de afweging gemaakt of onderwijsinstellingen de extra meters kunnen exploiteren en welke kansen multifunctioneel ruimtegebruik biedt zonder investering in extra meters maar wel het bereiken van de gewenste functionaliteit.

Samenwerkingen en relaties Het combineren van functies in één gebouw draagt bij aan een efficiënte samenwerking zoals al eerder beschreven. De doelstelling is om tussen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties tot passende huisvesting, afgestemd op de specifieke behoefte, te komen. Dit kan bijvoorbeeld door samenwerking met jeugdzorg en jeugd - en jongerenwerk. Het onderwijs en de kinderopvang hebben in dit proces de leiding. Het streven is één gebouw waarin deze verschillende soorten (maatschappelijke) functies samen komen. De kinderopvang speelt bij het aangaan van deze samenwerkingen een belangrijke rol. Bij ieder project dient de behoefte aan kinderopvang te worden geïnventariseerd en meegenomen te worden in het project in het kader van het te realiseren kindcentrum. Er wordt gestreefd om kinderopvang binnen in het kindcentrum, waar ook de school gevestigd zit, te situeren. De kinderopvangorganisaties zijn daarbij een volwaardige en gelijkwaardige partner in het proces om te komen tot nieuwe of aangepaste huisvesting.

www.icsadviseurs.nl

12/35

Naast samenwerking tussen schoolbesturen en kindpartners ziet de gemeente Baarle Nassau kansen in samenwerking met bedrijven en verenigingen. Scholen beschikken niet altijd over de middelen om een goede ruimte voor ieder onderwijskundig doeleinde te faciliteren. Voorbeelden hiervan zijn techniek- of handarbeidlokaken. Deze faciliteiten kunnen buiten schooltijden gebruikt worden door derden waardoor de kosten voor investering en gebruik kunnen worden verdeeld.

www.icsadviseurs.nl

13/35

3. Visie op huisvesting De visie op (onderwijs)huisvesting gaat in op gerelateerde thema’s zoals duurzaamheid, flexibiliteit, gezondheid, circulariteit, bewegend leren, financiën en brede investeringen. Voor elk thema is de gezamenlijke visie en ambitie beschreven. Daarnaast is deze ambitie vertaald in concrete en haalbare spelregels voor de uitvoering. Hierin worden onder andere de financiële kaders en verantwoordelijkheden beschreven. In het uit te werken IHP worden de spelregels en financiële kaders omgezet naar een meerjarige investeringsagenda die ter besluitvorming aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Het zorgen voor adequate huisvesting is belangrijk omdat de huisvesting actief bijdraagt aan de ontwikkelmogelijkheden van kinderen. Goede huisvesting zorgt voor een omgeving waarin door leerkrachten en personeel een klimaat gerealiseerd kan worden waarin ontplooiingsmogelijkheden optimaal zijn. Door te zorgen voor goede huisvesting levert dit actief een bijdrage aan de ontwikkeling van de jongste inwoners van Baarle-Nassau en daarmee het potentieel van alle toekomstige inwoners. Dit vormt een belangrijke drijfveer voor dit IHP.

Toekomstbestendig onderwijshuisvesting Schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en gemeente streven naar gebouwen die toekomstbestendig zijn voor volgende generaties. In lijn met het Nederlandse Klimaatakkoord vraagt het om verantwoord gebruik te maken van beschikbare energiebronnen en materialen om de invloed op klimaatveranderingen te beperken. Gemeente en schoolbesturen zijn samen vanuit hun zorgplicht voor onderwijshuisvesting verantwoordelijk voor de verduurzamingsopgave. Concrete afspraken tussen de gemeente en schoolbesturen zijn nodig om de verduurzaming van schoolgebouwen een impuls te geven en te zoeken naar haalbare en betaalbare oplossingen. Ook kinderopvangorganisaties zijn actief bezig met duurzaamheid en verduurzaming van hun huisvesting. Duurzaamheid heeft betrekking op verschillende thema’s die onderstaand worden toegelicht. Toekomstige huisvesting gaat echter verder dan alleen duurzaamheid en energie. Flexibel ruimtegebruik, Total Cost of Ownership (TCO) zijn hierbij ook belangrijke thema’s. Installaties In moderne gebouwen worden steeds meer installaties gevraagd vanuit het voldoen aan de wet- en regelgeving. In de normering van de onderwijshuisvestingsverordening is rekening gehouden met een installatieconcept zoals in het verleden gangbaar was, zoals verwarming met een cv-installatie.

In de moderne gebouwen wordt steeds vaker gewerkt met andere installatieconcepten, zoals met warmtepompen, die een andere dimensionering hebben. Deze vragen geregeld om meer meters waarbij een omvang van ongeveer vijftig vierkante meter geen uitzondering vormt. Er wordt rekening gehouden met deze extra benodigde vierkante meters boven op de normering van de onderwijshuisvesting. Watersystemen Een opkomende ontwikkeling is het gebruik van regenwateropvangsystemen om toiletten op scholen door te spoelen. Deze systemen vangen regenwater op van daken en andere oppervlakken en slaan dit op in ondergrondse tanks. Het opgeslagen water kan vervolgens worden gebruikt voor sanitaire voorzieningen, zoals het doorspoelen van toiletten. Door regenwater in te zetten voor deze toepassingen, wordt het drinkwaterverbruik aanzienlijk verminderd, wat niet alleen leidt tot duurzamer waterbeheer maar ook tot lagere exploitatiekosten voor de scholen. Bovendien helpt het gebruik van regenwater de druk op het lokale watersysteem te verlichten, vooral tijdens droge periodes. Deze ontwikkeling draagt bij aan de bredere inzet van milieuvriendelijke en kostenefficiënte oplossingen binnen de onderwijssector.

www.icsadviseurs.nl

14/35

Daarnaast wordt er steeds meer aandacht besteed aan de implementatie van grijswatersystemen, waarbij licht vervuild water, zoals afkomstig van wastafels, wordt hergebruikt voor niet-drinkbare toepassingen. Deze technologieën dragen bij aan het verminderen van de ecologische voetafdruk van schoolgebouwen en passen binnen een bredere trend naar milieubewuste en duurzame oplossingen in de gebouwde omgeving. Om hierop in te spelen is het streven om bij elke levensduurverlengende renovatie en elk (vervangende) nieuwbouw project het systeem voor de aanvoer van de spoelbakken apart in te regelen. Zodat het gebouw voorbereid is om dit later aan te passen.

Flexibiliteit en ruimtegebruik Voor gemeente en schoolbesturen is het wenselijk om bestaande voorzieningen zo optimaal mogelijk vorm te geven, rekening houdend met inhoudelijke samenwerking, passend onderwijs en leerlingenaantallen. De leerlingenprognose voor het primair onderwijs in Baarle-Nassau laat in de komende jaren een lichte daling zien. Er zijn wel verschillen zichtbaar per school en per kern. Bij zowel groei als krimp is het van belang om hierop te anticiperen met behoud van het onderwijs- en opvangconcept. Bij (vervangende) nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie is het van belang om aandacht te hebben voor toekomstige aanpasbaarheid. Dit betekent: ▪ ▪

▪

Uitbreidingsmogelijkheden: bij planvorming rekening houden met (toekomstige) uitbreiding zonder dat de uitbreiding het onderwijskundige of kinderopvangconcept tenietdoet. Aanpasbaarheid: bij planvorming rekening houden met toekomstige aanpasbaarheid om groei, krimp en/of onderwijsontwikkeling (flexibel) op te vangen. Het gebouw faciliteert daarmee de gebruikers en niet andersom. Daarnaast is er aandacht voor het installatieconcept om grote investeringen bij aanpassing (en veranderingen in het binnenklimaat) zo veel mogelijk te voorkomen. Transformeren van functie: bij scholen in kleine kernen (constructief) rekening houden met het transformeren van schoolgebouwen naar een andere functie voor het schoolgebouw. Dit betekent dat bij de planvorming rekening wordt gehouden met het veranderen van functie naar bijvoorbeeld woningen. Belangrijk aandachtspunt is dat de transformeerbaarheid niet ten koste mag gaan van de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs.

Als een situatie ontstaat waarbij een onderwijsvoorziening te maken heeft met leegstand, dan bepaalt de onderwijsorganisatie zelf in hoeverre leegstand een (financieel) probleem is. Als de leegstand structureel is, dient in afstemming met de gemeente een plan opgesteld te worden om de leegstand terug te dringen en daarmee de capaciteit af te stemmen op de behoefte. Deze plannen dienen afgestemd te zijn op de toekomstige normatieve ruimtebehoeften (aantal leerlingen) en (maatschappelijke) ontwikkelingen binnen een gebied (bijvoorbeeld dorpsontwikkelingen). Het uitgangspunt is niet te bouwen voor leegstand. Dit vanuit de filosofie dat de voorzieningen bekostigd zijn of worden met maatschappelijke middelen. Investeringen worden daarom beargumenteerd en maatschappelijk verantwoord gepleegd. Bij het maken van integrale en toekomstbestendige plannen wordt vanzelfsprekend ook gekeken naar het huisvesten van kinderopvangfuncties en/of overige partners voor de realisatie van een kindcentrum. Vanuit de gedachte van kindcentrum zijn onderwijs en kinderopvang op basis van gelijkwaardigheid gehuisvest in het gebouw. Dit betekent dat bij vraagstukken rond krimp of groei kinderopvang niet wijkt voor het onderwijs, maar in overleg tussen gemeente, onderwijs en kinderopvang wordt gekeken naar oplossingen.

Deze werkwijze geeft onderwijs- en kinderopvangorganisaties de mogelijkheid om per situatie maatwerk te leveren, waarbij het uitgangspunt is om de continuïteit te borgen die noodzakelijk is om te kunnen bouwen aan en participeren in langdurige inhoudelijke samenwerking. Concreet: de groei van de school mag niet leiden tot het wijken van de kinderopvang. Dit vraagt wel om afspraken hoe een eventuele uitbreiding wordt

www.icsadviseurs.nl

15/35

bekostigd en welke dekking (lees: kostprijsdekkende huur) daar tegenover staat. De afspraken waarin dit geregeld wordt zijn te vinden in de huurnota9, opgesteld door de schoolbesturen en gemeente. Een ander belangrijk element is dat de schoolorganisatie een geheel vormt en als zodanig kan functioneren. Daarom is het van belang om onderwijs waar mogelijk vanuit één locatie aan te bieden zodat groepsdoorbrekend onderwijs en onderwijs op maat in groepen goed georganiseerd kan worden. De school vormt samen met de kinderopvang een geheel en wordt op een locatie gehuisvest (of kinderopvang in directe nabijheid). In voorkomende gevallen treden gemeente en schoolbesturen in overleg bij een capaciteitsvraagstuk over medegebruik. Daarbij wordt uitgegaan van de school op één locatie, waar mogelijk verwijzen voorkomen wordt. Mocht er toch verwijzing nodig zijn, dan kan er gebruik gemaakt worden van tijdelijke noodlokalen of van leegstand elders in de dorpskern, mits de afstand beneden de 2 kilometer blijft tussen school en het gebouw met leegstand. De school zal dan ten minste met twee groepen naar een andere locatie gaan. Verwijzen is altijd voor een tijdelijke periode en in afstemming met betrokken schoolbesturen, opvangorganisaties en gemeente wordt gezocht naar een structurele oplossing die passend en inclusiever onderwijs bevorderen.

Veiligheid Het is belangrijk om aandacht te hebben voor de veiligheid in en rondom het gebouw, ook voor de voorzieningen van kinderopvang. Dan gaat het over openbaar gebied zoals bijvoorbeeld nadenken over het scheiden van verkeersstromen waardoor leerlingen zelfstandig naar school kunnen gaan. Daarnaast is het belangrijk om goede haal- en brengvoorzieningen te realiseren voor taxivervoer, maar ook voor ouders die met de fiets komen. Middelen voor het openbaar gebied zijn geen onderdeel van de onderwijshuisvestingsmiddelen.

Total Cost of Ownership Traditioneel gezien wordt de overweging tot investering gebaseerd op de eenmalige stichtingskosten en de levensduur van het gebouw. Hier wordt niet gekeken naar de benodigde investeringen om het object gedurende deze levensduur operationeel te houden. De benadering van Total Cost of Ownership (TCO) gaat dieper in op de benadering van een investering. TCO omvat niet alleen de initiële investering, maar ook doorlopende kosten zoals onderhoud en reparatie. De TCO is een totaalbedrag van de aanschafkosten en de kosten voor gebruik gedurende de levenscyclus van het object. Voor aanschaf is niet langer de goedkoopste standaard de beste investering. Het helpt een nauwkeuriger beeld te geven van de daadwerkelijke uitgaven die gepaard gaan met het bezitten en gebruiken van een bepaald object. Door de TCO-benadering kunnen organisaties verschillende varianten effectiever vergelijken en weloverwogen beslissingen nemen op basis van lange termijn financiële overwegingen, in plaats van alleen te focussen op de initiële kosten. Een TCO-benadering is waardevol bij het nemen van beslissingen met langdurige gevolgen. TCO is vaak een goede manier om investeringen tot verduurzaming te plegen. Duurzaamheidsinvesteringen behoeven doorgaans een grotere initiële investering.

Echter bestaat met TCO de mogelijkheid om een duurzaamheidsinvestering te rechtvaardigen door het toepassen van energiezuinige technologieën en materalen met reductie van exploitatielasten tot gevolg. Bij TCO kan ook meegerekend worden wat de restwaarde van producten is. Aan het einde van de levensduur kan het weer grondstof worden. Belangrijk is dat het product dan makkelijk verwerkbaar is. Dat wil zeggen dat het van 1 type materiaal is of in geval van verschillende materialen dat het makkelijk uit elkaar gehaald kan worden (losmaakbaarheid).

9 NB: Deze huurnota moet nog opgesteld én vastgesteld worden

www.icsadviseurs.nl

16/35

Een andere vorm van restwaarde is dat materialen die nog niet aan het einde van de levensduur zijn, maar niet meer nodig zijn in hun functie, ergens anders opnieuw gebruikt kunnen worden. Hier is ook weer een hoge mate van demonteerbaarheid/losmaakbaarheid relevant. Je kunt hierbij denken aan meubilair maar ook aan tussenmuren en plafonds. TCO wordt gehanteerd als uitgangspunt voor elk project. In de businesscases die per project worden uitgewerkt, zal de benadering vanuit TCO worden meegenomen. Het type maatregelen staan beschreven in hoofdstuk 3.7.

Handreiking Duurzaam Bouwen ABG gemeenten10 In lijn met het Klimaatakkoord heeft Nederland zich verbonden aan ambitieuze klimaatdoelstellingen11, waaronder een CO₂-reductie van 49% in 2030 en zelfs 95% in 2050, ten opzichte van 1990. Door in te zetten op duurzame oplossingen zoals energieneutrale gebouwen, circulair gebruik van bouwmaterialen en een gezond binnenklimaat, draagt het onderwijs bij aan deze doelstellingen. Binnen het IHP worden, in lijn met de Strategie Duurzaamheid (2024) van Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen en de Handreiking Duurzaam Bouwen ABG (2024) en de geldende wet- en regelgeving ambities geformuleerd voor duurzame onderwijshuisvesting. De vier duurzaamheidsthema's zijn: (1) Circulariteit, (2) Klimaatadaptatie, (3) CO 2neutraal energiegebruik en (4) Biodiversiteit. Onderwijshuisvesting, gefinancierd met maatschappelijke middelen vanuit overheidswege, wordt aangemerkt als maatschappelijk vastgoed 12. Voor de vier duurzaamheidsthema’s heeft de ABG-organisatie verschillende doelen vastgesteld. Hieronder zijn de doelen per thema toegelicht. Circulariteit Binnen het thema circulariteit zetten wij in op (1) verlaging van milieu-impact, (2) bevordering van circulariteit en (3) registratie van materialen. Bijlage II - Toelichting BCI en MPG geeft achtergrond informatie over circulair bouwen. De gestelde doelen betekenen concreet: 1.

Verlaging van milieu-impact: Een van onze voornaamste doelen is het significant verminderen van de milieu-impact van onze bouwprojecten. Dit wordt gerealiseerd door een grondige beoordeling van de algehele milieuprestatie van onze constructies. We kijken hierbij specifiek naar de milieu-impact (MPG) en de materiaalgebonden CO2-uitstoot (MPG-2) gedurende zowel de productie- als de bouwfase. 2.

3.

Bevordering van circulariteit: Onze inspanningen zijn gericht op het bevorderen van circulariteit in alle aspecten van ons ontwerp- en bouwproces. We beoordelen zorgvuldig ons materiaalgebruik om circulaire praktijken te stimuleren. Hierbij kijken we naar de losmaakbaarheid van producten en evalueren we de algehele circulariteit van het gebouw. Ook onderzoeken we grondig de mogelijkheden voor recycling en hergebruik van vrijkomende materialen om een gesloten kringloopsysteem te bevorderen. Registratie van materialen: Om een transparante en verantwoorde aanpak te waarborgen, streven we naar een gedegen registratie van alle gebruikte materialen. Dit realiseren we door middel van een materialenpaspoort. Hierin vragen we een gedetailleerd overzicht van alle gebruikte bouwmaterialen met inzicht in hun specifieke impact op het milieu. Deze uitgebreide registratie stelt ons in staat een holistisch beeld te krijgen van onze materialen, wat ons helpt doordachte beslissingen te nemen op het gebied van duurzaamheid en circulariteit in al onze bouwactiviteiten.

Klimaatadaptatie Binnen het thema klimaatadaptatie zetten wij in op (1) tegengaan van wateroverlast, (2) tegengaan van

10 Bron: Handreiking duurzaam bouwen ABG Gemeenten, 13 december 2023 11 Klimaatakkoord 2019 – Rijksoverheid 12 Op dit moment is het wettelijk kader dat schoolbesturen alleen mogen investeren in verduurzamingsmaatregelen als dit een positieve

businesscase oplevert in hun exploitatie, ze een positief exploitatie resultaat hebben en de investering een redelijke terugverdientijd heeft. De wetgeving in ontwikkeling waarin dit nader gespecificeerd wordt, geeft nog geen aanvullende helderheid die dit vereenvoudigt. Op dit moment zijn in de praktijk veranderende en nadelige omstandigheden aan de orde die een positieve businesscase voor verduurzamingsmaatregelen steeds moeilijker maken. Bij de beschrijving van de maatregelen in de onderwijshuisvesting is daar rekening mee gehouden en per project om die reden een afweging/onderbouwing aan de orde.

www.icsadviseurs.nl

17/35

droogte13 en (3) tegengaan van temperatuuroverschrijding14. Dit betekent concreet: 1. Tegengaan van wateroverlast: Een van onze primaire doelen is het voorkomen van schade aan gebouwen door wateroverlast. We sturen actief op maatregelen die deze schade minimaliseren. Hierbij richten we ons specifiek op het bevorderen van duurzaam waterbeheer door regenwaterinfiltratie te stimuleren. Op deze manier dragen we bij aan het verminderen van mogelijke schade aan gebouwen. 2. Tegengaan van droogte: Onze focus ligt ook op het voorkomen van schade aan gebouwen als gevolg van droogte en watertekorten. We nemen specifieke ontwerpmaatregelen om oververhitting van gebouwen in de zomer te minimaliseren, waardoor we bijdragen aan het tegengaan van droogte gerelateerde problemen en mogelijke schade aan de gebouwen. 3. Tegengaan van temperatuuroverschrijding: We richten ons ook op het verminderen van temperatuuroverschrijdingen in gebouwen. Dit doen we door het gebruik van materialen en technieken te verhogen die de warmte verminderen en verkoeling bevorderen. We passen zonwering en optimaliseren het gebouwontwerp om overmatige opwarming van woningen in de zomer te voorkomen, waardoor we bijdragen aan een comfortabel binnenklimaat en temperatuurbeheersing. Groen (schaduw van bomen, verdamping van planten, gevelvegetatie) werkt ook verkoelend. CO2 Neutraal energiegebruik 1.

Binnen het thema CO2 Neutraal energiegebruik zetten wij in op (1) energieprestatie aantonen en (2) maximaliseren van energieopwekking. Dit betekent concreet: Energieprestatie aantonen: Ons eerste doel richt zich op het aantonen en verbeteren van de energieprestaties van gebouwen. Dit bereiken we door actief te sturen op het verminderen van de energiebehoefte van gebouwen. Dit omvat maatregelen zoals goede isolatie, gunstige gebouworiëntatie en efficiënte verwarmings- en koelsystemen. Ook streven we naar het verminderen van het primaire fossiele energieverbruik en bevorderen we het gebruik van hernieuwbare energiebronnen om zo de totale CO2-uitstoot te verminderen. 2. Maximaliseren van energieopwekking: Ons tweede doel draait om het maximaliseren van energieopwekking via duurzame bronnen. Hierbij meten we de effectiviteit van PV-panelen op bestaande daken om zonne-energie op te wekken. We streven ernaar om vanaf 2025 de installatie van PV-panelen op geschikte daken van nieuwe gebouwen en bij ingrijpende renovaties verplicht te stellen. Op deze manier willen we de opwekking van hernieuwbare energie bevorderen en zo bijdragen aan een duurzamere energievoorziening.

13 Zoals regenwateropslag bij punt 4 op volgende pagina. 14 Zie ook de eerdere passage op bladzijde 18 over regenwateropvang.

www.icsadviseurs.nl

18/35

Het streven is om bij nieuwbouw uit te gaan van een ENG-gebouw (zie tekstkader hieronder).

Definities BENG: Bijna Energieneutraal Gebouw BENG is van toepassing op de gebouwgebonden energie. De gebruiksgebonden energie zoals energie voor smartboards, laden van ICT-apparatuur en keukenfaciliteiten wordt buiten beschouwing gelaten. De energieprestaties voor BENG-gebouwen worden vastgelegd aan de hand van drie eisen: ▪ ▪ ▪

De maximale energiebehoefte per kWh/m2/jaar; Het maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh/m2/jaar; Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.

Het is per project maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan. Meer informatie is te vinden op de website van RVO. ENG: Energieneutraal gebouw Ook hier draait het om gebouwgebonden energie. De gebruiksgebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden energie, nul is. Nul op de meter Bij een nul-op-de-meter gebouw wordt zowel het gebouwgebonden als het gebruiksgebonden energieverbruik gecompenseerd. Het verschil met ENG is dat het saldo energiegebruik en -opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden en gebruiksgebonden energie, nul is.

Biodiversiteit Binnen het thema biodiversiteit zetten wij in op (1) ecologisch plan en (2) versterken van habitats, (3) natuurinclusief bouwen, (4) gezond water waarborgen en (5) gezonde bodem waarborgen. Dit betekent nul concreet: 1. Ecologisch plan: Voorafgaand aan de bouwactiviteiten wordt een natuurrapportage opgesteld door een erkend ecoloog. Dit rapport bevat ook een ecologisch werkprotocol dat specifiek gericht is op het minimaliseren van schade aan flora en fauna tijdens de bouwfase. Zo waarborgen we een zorgvuldige omgang met de natuurlijke omgeving. 2. Versterken van habitats: Ons streven richt zich op het waarborgen en versterken van habitats. Door gerichte maatregelen te nemen willen we ecosystemen beschermen en hun vitaliteit vergroten, zodat flora en fauna optimaal functioneren in hun natuurlijke omgeving. 3. Natuurinclusief bouwen: We richten ons op het implementeren van natuurinclusieve ontwerpen. Dit omvat het vergroten van groene oppervlakten, het toegankelijk maken van groene ruimtes en het stimuleren van groenvoorzieningen voor bewoners. Hiermee willen we de relatie tussen mens en natuur versterken. 4. Gezond water waarborgen: We streven ernaar regenwater vast te houden in groene buitenruimten om wateroverlast te voorkomen en de waterkwaliteit te waarborgen. Deze aanpak draagt bij aan een duurzaam waterbeheer en een gezonde omgeving voor mens en natuur. 5.

Gezonde bodem waarborgen: Een gezonde bodemgesteldheid is van vitaal belang voor een goed functionerend ecosysteem. We streven naar optimale omstandigheden voor plantengroei en ecologische processen door zorg te dragen voor een gezonde bodem die deze groei ondersteunt en bevordert. Dit draagt bij aan het behoud van biodiversiteit en een gezonde leefomgeving.

www.icsadviseurs.nl

19/35

Duurzaamheid Verduurzamen als maatregel in dit IHP – op natuurlijke momenten De focus in dit IHP ligt primair op het realiseren en het behouden van kwalitatief goede onderwijshuisvesting in de kernen van Baarle-Nassau. Hiermee is voor goede onderwijshuisvesting als randvoorwaarde voor onderwijskwaliteit de grootste 'winst' te behalen en wordt tegelijkertijd verduurzaming optimaal toegepast. Dit betekent dat investeringen in het verduurzamen van gebouwen plaatsvinden bij natuurlijke momenten zoals (vervangende) nieuwbouw en levensduurverlengende renovatie. Bij situaties die voortkomen uit de Wet Milieubeheer is een spanning tussen de verplichtingen en de bekostiging. Een schoolbestuur ontvangt geen aanvullende bekostiging om maatregelen die voortkomen uit de Wet Milieubeheer (erkende maatregelenlijst energiebesparing) te financieren. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het realiseren van deze maatregelen. Wel heeft de gemeente een toezichthoudende taak in deze. Netcongestie Op verschillende plekken in Nederland is er onvoldoende netcapaciteit beschikbaar. Netbeheerders werken hard om het elektriciteitsnet te verbeteren en te verzwaren. Toch krijgen veel initiatiefnemers van zonne-energieprojecten (en daarmee ook diverse bouwprojecten) ook de komende jaren nog geen (volledige) netaansluiting. Zij moeten daar nog langere tijd op wachten.

Enexis heeft aangegeven dat dit nog 5 tot 10 jaar kan gaan duren (wachttijd wordt nog geactualiseerd). Deze netcongestie vraagt om na te denken over oplossingen in de uitvoering van projecten, bijvoorbeeld door een tijdelijke duurzame energievoorziening te realiseren die voldoet aan de geldende regelgeving en waarbij de aansluiting op het bestaande netwerk voldoende is of omzeild kan worden.

Gezondheid Een goed binnenklimaat is belangrijk voor goede leerprestaties. De ontwikkelingen rondom de Covid-19 pandemie benadrukken het belang van een goed binnenklimaat. Een gezonde school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Daarbij is een goede temperatuurbeheersing van groot belang. Gezonde scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO 2-uitstoot beperken. In de praktijk zijn vooral de CO2-concentratie en de binnentemperatuur vaak te hoog als gevolg van slechte ventilatie. Daarnaast draagt een gezond klimaat in het gebouw bij aan de leerprestaties en vermindert het gezondheidsklachten. Bij nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie van schoolgebouwen geldt als uitgangspunt het kwaliteitsniveau Frisse Scholen Klasse B en de vereisten die gelden voor kinderopvangvoorzieningen. Voor bestaande gebouwen (niet zijnde levensduurverlengende renovatie) is de ambitie om ook een goed binnenklimaat te realiseren. De investeringen die een goed binnenklimaat realiseren, worden gewogen en in relatie gebracht met het perspectief (nog te verwachten gebruiksduur) van het gebouw.

Gemeente, schoolbesturen en kinderopvang hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ambitie van een goed binnenklimaat in bestaande gebouwen te realiseren. Vanuit het schoolbestuur kan de bestaande situatie in beeld worden gebracht inclusief inzicht in de benodigde maatregelen. Vervolgens wordt de koppeling gelegd met geplande investeringen vanuit het onderhoudsplan. In de praktijk blijkt dat het realiseren van een goed binnenklimaat vraagt om meer installaties aan te brengen. Dit heeft qua financiën enerzijds een investeringskant en anderzijds een exploitatiekant. Het aanbrengen van installaties betekent in de praktijk vaak een verhoging van het energieverbruik en de onderhoudscomponent voor schoolbesturen.

www.icsadviseurs.nl

20/35

Als in een bestaand gebouw een investering in het binnenklimaat aan de orde is, dan is het in eerste instantie aan het schoolbestuur (al dan niet samen met de kinderopvang) om samen met de gemeente te verkennen of ze de investering kan plegen. De kinderopvangorganisatie investeert zelf of voldoet de bekostiging van de gepleegde investeringen (voor het deel dat ze gebruiken) via een huurvergoeding. Alle betrokken partijen maken samen een beargumenteerde keuze. Investeringen in binnenklimaat Voor investeringen in het binnenklimaat is ook een spanning aanwezig vanuit investeringen. Zowel gemeente als schoolbesturen ontvangen hiervoor geen aanvullende bekostiging. Bij bestaande schoolgebouwen is het binnenklimaat een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Beide zien echter wel de noodzaak tot investeringen. Binnen het IHP wordt bij bestaande gebouwen ervoor gekozen investeringen in binnenklimaat mee te nemen op natuurlijke momenten, zoals renovatie of grote onderhoudsinvesteringen, tenzij vanuit de Rijksoverheid aanvullende bekostiging volgt. Dit betekent dat oudere gebouwen, gebouwd onder de regels van een ouder Bouwbesluit, blijven voldoen aan Bouwbesluit bestaande bouw. Daarmee voldoen ze niet aan de huidige eisen maar wel aan de wet. Bewegend leren Een ander aspect van gezondheid is het bevorderen van bewegen in en rond het schoolgebouw.

Net als bij een gezond binnenklimaat draagt bewegen bij aan goede leerprestaties en de ontwikkeling van een kind. Om kinderen op school uit te dagen tot meer bewegen, moet de schoolomgeving als zodanig ingericht worden. Denk hierbij aan hoogteverschillen, klimmuren en meubilair dat bewegen stimuleert, maar ook activiteiten die de school organiseert: beweegactiviteiten in de pauze en naschoolse sportactiviteiten. Bij de bestaande locaties wordt de buitenruimte gehandhaafd en kan gekeken worden naar het ‘vergroenen’ van de pleinen. Voor (vervangende) nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie wordt de omvang van de buitenruimte van belang geacht. Voor de kinderopvang wordt voldaan aan de geldende regelgeving (ook bij bestaande bouw). Voor het onderwijs wordt voorgesteld ten minste de laatste actualisatie van de verordening aan te houden en te formaliseren15, waardoor voldoende speelterrein ontstaat en dit dus bijdraagt aan het bevorderen van beweegmogelijkheden. De minimale afmeting per speelterrein wordt 600 m² per school. Schoolpleinen Het is vanuit de gemeente wenselijk om zowel de omgevingsvisie als de visie op openbaar spelen en bewegen mee te nemen bij het aanleggen en onderhouden van schoolpleinen. Daarmee zouden verantwoordelijkheden gedeeld kunnen worden en gelden worden ingezet wat er is voor preventief bewegen en speeltuinen in de gemeente.

Het is de ambitie om spelen in de wijk en schoolpleinen beter op elkaar af te stemmen. Zo wordt ervoor gezorgd dat er meer duurzame en groene schoolpleinen gestimuleerd worden en er gezamenlijk zorg wordt gedragen voor de speelgelegenheden. Waar mogelijk geldt het uitgangspunt om schoolpleinen en openbaar groen en speelgebieden met elkaar te combineren. Het is aan het schoolbestuur en de kinderopvangorganisaties om de buitenruimte en binnenruimte op een interessante wijze vanuit de gezamenlijke pedagogische visie vorm te geven en in te richten. Daarnaast kan ook gedacht worden aan het realiseren van onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen nabij of samen met sportvoorzieningen. In het voortgezet onderwijs is sprake van voldoende buitenruimte (sportvelden) voor het bewegingsonderwijs.

15 Dit betekent dat vijf vierkante meter per leerling wordt aangehouden waarvan ten minste twee vierkante meter onverhard is.

www.icsadviseurs.nl

21/35

Duurzaam bouwen Het ontwerp en de daarbij horende materialen zijn bepalend voor de duurzaamheidsbeoordeling van een gebouw. Bij de ontwerpfase wordt er naast de impact van het heden ook gekeken naar de mogelijkheden van het materiaal aan de eindtijd van de economische en technische levensduur. Een demontabel ontwerp maakt het mogelijk om het gebouw eenvoudig te demonteren met als gevolg dat de materialen waar mogelijk hergebruikt kunnen worden in andere projecten. Met een beperkte handeling is het mogelijk om waarde toe te voegen aan materialen om zo een vernieuwende levensduur te creëren. Eenvoudig hernieuwbare materialen zijn bijvoorbeeld biobased materialen als hout, stro en bamboe. Deze materialen vereisen minder energie tijdens (her)productie dan traditionele bouwmaterialen. Circulair bouwen draagt bij aan het verminderen van de impact van de bouwsector op het milieu, het bevorderen van duurzaamheid en het verminderen van de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Het is een belangrijk onderdeel van de overgang naar een meer milieuvriendelijke en toekomstbestendige bouwindustrie. De gemeente Baarle-Nassau is geen vooroploper wat circulair bouwen betreft. Er wordt wel zo veel mogelijk circulair gesloopt waar dat kan.

Gelijkheid verduurzaming In de praktijk zijn er schoolgebouwen die vallen onder het normale juridische eigenaarschap (schoolbestuur juridisch eigendom met economisch claimrecht bij gemeente) en schoolgebouwen die onderdeel zijn van een (multifunctioneel) gebouw dat eigendom is van de gemeente en juridisch in gebruik gegeven wordt aan de schoolbesturen. Voor de laatste categorie verricht de gemeente investeringen in het kader van duurzaamheid als gebouweigenaar. Voor de eerste categorie wordt dit overgelaten aan de schoolbesturen vanuit de eigenaarsverantwoordelijkheid. Het resultaat is een ‘tweedeling’ in duurzaamheidsinvesteringen in schoolgebouwen. Er zullen altijd verschillen zijn tussen de gebouwen. Dit is niet te voorkomen. De schoolgebouwen worden zo veel mogelijk verduurzaamd tijdens natuurlijke momenten. De gemeente en schoolbesturen gaan hierover samen in gesprek.

www.icsadviseurs.nl

22/35

Type maatregelen binnen IHP Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het IHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente en schoolbesturen gepleegd worden. Voor de start van een project wordt er weer onderzocht of de gekozen maatregel nog steeds passend is. In het IHP wordt onderscheid gemaakt tussen schoolgebouwen die de komende periode in stand worden gehouden en gebouwen waar de noodzaak tot vervanging of een maatregel aanwezig is. In het IHP hanteren we daarom de volgende huisvestingsscenario’s: 1. 2. 3. 4.

(Vervangende) nieuwbouw; Levensduurverlengende renovatie; Gebouw in stand houden; Afstoten.

NB: binnen het IHP gaan we vooral uit van het toepassen van de maatregelen 1, 2 en 3. De andere maatregelen zijn op dit moment niet aan de orde maar staan er in als theoretisch denkkader voor de lange termijn. Hieronder wordt de definitie en het afwegingskader van de huisvestingsscenario’s verder uitgewerkt. Per scenario wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren. In beginsel is het schoolbestuur bouwheer tenzij gemeente en schoolbestuur anders overeenkomen.

Nieuwbouw Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan waarvoor in het IHP een vervanging wordt aangetoond. Deze gebouwen krijgen binnen afzienbare tijd een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw met een levensduur van minimaal veertig jaar. Bij nieuwe schoolgebouwen wordt gestreefd naar een maximale bijdrage aan de verduurzamingsopgave. Boven op de bestaande wetgeving om BENG te realiseren, is het streven om bij nieuwbouw van scholen te voldoen aan ENG16. Het streven op het gebied van gezondheid is om gemiddeld Frisse Scholen klasse B te behalen, en waar mogelijk of op onderdelen Frisse Scholen klasse A. Spelregels IHP – (vervangende) nieuwbouw Voor de oplossingsrichting (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ Een businesscase dient aan te tonen of nieuwbouw een beter alternatief is dan levensduurverlengende renovatie (als daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context). ▪ De businesscase dient in gezamenlijke opdracht van gemeente en schoolbestuur te worden gemaakt om eenzijdige sturing te voorkomen. De kosten van de businesscase worden 50-50 verdeeld. ▪ De gemeente streeft naar een ENG-gebouw, mits het financieel haalbaar is.

▪ De gemeente financiert het wettelijke deel met betrekking tot Frisse Scholen klasse B, waarbij per project wordt bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen klasse A kan worden behaald binnen het budget. ▪ Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn. ▪ De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget. De opgestelde ambities zijn leidend, binnen de beschikbare middelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15887151/1