B4 Bestemmingsplan Baarleseweg 2 en 4 te Ulicoten Bijlagen toelichting-gecomprimeerd
Tekst van het document
Afbeelding 6: Naaiattelier vanaf het noorden
Afbeelding 7: woning met loods vanaf het westen
Afbeelding 8: Rundvee stallen vanaf het zuidwesten
Afbeelding 9: Stal vanaf het zuidwesten
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Afbeelding 10: Rundveestallen vanaf het zuidoosten
Afbeelding 11: Rundveestal van binnen
Afbeelding 12: Pinkenstal vanaf het zuidwesten
Afbeelding 13: Stal vanaf het zuiden
Afbeelding 14: Sleufsilo vanaf het zuidwesten
Afbeelding 15: Loods vanaf het noordoosten
Afbeelding 16: Woning met stal vanaf het zuidwesten
Afbeelding 17: Binnenzijde dak van het woonhuis
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Afbeelding 18: Aangebouwde stal vanaf het noordwesten
Afbeelding 19: Bedrijfswoning vanaf het zuiden
Afbeelding 20: Bomenrij langs bedrijfswoning
Afbeelding 21: Vorkenstal vanaf het zuidwesten
Afbeelding 22: Varkensstal vanaf het zuiden
Afbeelding 23: Varkensstal vanaf het noordwesten
Afbeelding 24: Binnenzijde dak van de varkensstal
Afbeelding 25: Binnenzijde varkensstal
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Afbeelding 26: Binnenzijde varkensstal
Afbeelding 27: Varkensstal (nummer 3), vanaf het zuidoosten
Afbeelding 28: Varkenstal (nummer 3) vanaf het noordwesten Afbeelding 29: Beide varkensstallen vanaf het zuidwesten
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van verspreidingsgegevens van NDFF opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 3 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Aangezien de transitie van Wet natuurbescherming naar Omgevingswet beleidsneutraal is verlopen, zijn deze lijsten, welke oorspronkelijk zijn ontwikkeld onder de Wet natuurbescherming reeds correct. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 5,2 kilometer afstand van zuidelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied Vennen, Heiden en Moerassen rond Turnhout. Op ongeveer 5,3 kilometer afstand naar het zuidwesten ligt Natura 2000-gebied Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven en zuidoostelijk op 5,7 kilometer Natura 2000-gebied Arendonk, Merksplas, Oud Turnhout, Ravels en Turnhout. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in rood en blauw aangegeven.
Minimaal 5,2 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Afbeelding 30: Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Omdat het plangebied zich buiten het Natura 2000-gebied bevindt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe invloeden. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden is het noodzakelijk zekerheid te bieden over het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000gebieden en het effectbereik, kunnen externe effecten op voorhand worden uitgesloten. Een Aeriusberekening kan deze uitsluiting onderbouwen.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 30 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Deze gronden zijn schuin tegenover aan de overzijde van de Baarleseweg gelegen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in diverse kleuren.
Minimaal 30 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 31: Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant.
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied valt buiten zowel het Natuurnetwerk Nederland als het Natura 2000-gebied. Hierdoor zijn er geen directe wettelijke consequenties voor de voorgenomen activiteiten als gevolg van deze gebieden. Om vast te stellen of de werkzaamheden invloed hebben op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofuitstoot, zal een Aerius-berekening worden uitgevoerd. Dit is bedoeld om externe effecten op voorhand uit te sluiten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
5.2 Soortenbescherming Bijlage 1, project Baarleseweg met nummer BE-0356 d.d. 13 februari 2024 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. De soorten worden per alinea beschreven.
5.2.1 Flora Volgens de NDFF is er de laatste vijf jaar 1 beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze plant staat op de Rode Lijst en is sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoort is te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Afstand plangebied
Habitat
Kartuizer anjer
0-2 km
Grasland, in bermen en op rotsachtige plaatsen
Kartuizer anjer De Kartuizer anjer, een plant afkomstig uit Zuid- en Midden-Europa, gedijt op zonnige, warme en droge plekken, bij voorkeur op matig voedselarme en stikstofarme, basenrijke grond, vaak kalkhoudend. Haar natuurlijke habitat omvat schrale- en kalkgraslanden, bosranden langs bermen en dijken, en leisteenhellingen. Ooit inheems aan de oostrand van het IJsseldal en Zuid-Limburg, is haar voorkomen sinds 1972 achteruitgegaan. Bemesting wordt vermoedelijk als oorzaak genoemd. Tijdens het veldbezoek is de vegetatie beoordeeld. Er zijn algemeen voorkomende kruidensoorten zoals brandnetels, winterpostelein en paardenbloemrozetten. Aangezien het plangebied zich bevindt in een agrarische omgeving en het bedrijf zelf een intensieve veehouderij betreft, is de bodem sterk bemest. De graslanden worden in de zomer begraasd door rundvee. De groei van brandnetels duidt op een hoog stikstofgehalte in de bodem. Zodoende is het plangebied ongeschikt als habitat voor de kartuizer anjer en andere beschermde vaatplanten.
Afbeelding 32: Brandnestels
Conclusie Er zijn geen geschikte locaties aanwezig waar beschermde planten kunnen gedijen. Alleen algemeen voorkomende kruiden soorten die gedijen in verstoorde en bemeste bodems, zoals de brandnetel en de paardenbloem, zijn aangetroffen. Gezien de aanwezige biotopen kan de aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten worden uitgesloten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 17 zoogdiersoorten binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen van vleermuissoorten. Er zijn 2 marterachtigen en 15 overige soorten waargenomen. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? Volgens de NDFF zijn de laatste vijf jaar geen vleermuissoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Tijdens het veldonderzoek is het plangebied geëvalueerd op zijn geschiktheid als habitat voor vleermuizen, zowel in bomen als in bebouwing.
Boom bewonende vleermuizen zoeken doorgaans naar verblijfplaatsen in bomen met loshangende schors, gaten en kieren. De acacia’s in het plangebied met name in het oosten langs de varkensstallen beschikken over een juiste stamdiameter en hebben diepe groeven in de barst. Deze bomen kunnen fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen. De bomen zullen wel behouden blijven tijdens de voorgenomen werkzaamheden. Vleermuizen die in bebouwing verblijven, geven vaak de voorkeur aan tussenruimtes in spouwmuren, onder het dakbeschot en maken gebruik van openingen zoals stootvoegen en dilatatievoegen. Zowel het woonhuis als het bijgebouw zijn ongeschikt als verblijfplaatsen voor vleermuizen. De bedrijfswoning is goed gesloten, de steense muren beschikken niet over gaten en kieren en de zijgevels van de pannen zijn gesloten met een windveer. De varkensstallen daarentegen zijn in vervallen staat. Pannen liggen los op het dak, scheuren in de muren en openingen in de wanden. De westelijke stal beschikt ook over een luchtdoorlaat aan de kopgevels. De varkenstallen zijn geschikt als verblijfplaats van vleermuizen. Vleermuizen foerageren doorgaans op plaatsen met een overvloed aan insecten, zoals graslanden, waterrijke gebieden en bossen.
Hoewel het mogelijk is dat vleermuizen in het plangebied foerageren, is er in de nabije omgeving veel open ruimte, waaronder graslanden en akkers, met een aanzienlijke hoeveelheid opgaand groen. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes die uit lineaire lijnen bestaan om zich te oriënteren naar foerageergebieden. In het plangebied zijn meerdere bomenrijen, waaronder een bomenrij in het oosten van de te slopen bedrijfswoning, een bomenrij in het zuidoosten van de varkensstallen en een bomenlaan langs de Baarleseweg. Of deze dienen als vliegroute is niet op voorhand uit te sluiten. Zie de afbeeldingen hieronder voor verduidelijking.
Afbeelding 33: Scheur in de muur
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Afbeelding 34: Luchtdoorlaat
21
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Afbeelding 35: Ruimte langs de zijgevel
Afbeelding 36: Ruimte tussen de wanden e n de dakpannen
Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Steenmarter Wezel
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Het plangebied beschikt over stallen en schuren met openingen en gaten. Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. In het plangebied zijn meerdere houtwallen, ook is er voldoende ruigte en rommel waarin in wezel kan schuilen. In de varkenstallen zijn er sporen gevonden van marterachtige, waaronder ontlasting en de typische martergeur. Het plangebied beschikt over bomenrijen, houtwallen en ruigte waarin marters kunnen schuilen en de graslanden rondom bieden foerageergelegenheid. Zodoende is het plangebied beschikt voor marterachtige en wordt naderonderzoek naar marterachtige geadviseerd.
Afbeelding 37: Ontlasting van een marterachtige
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Afbeelding 38: Kapot ei, nabij de stal
22
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Eekhoorn Ondergrondse woelmuis Wolf
Afstand plangebied 0-2 km
Bescherming
0-2 km
Beschermd
0-2 km
Beschermd
Beschermd
Eekhoorn De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In en rond het plangebied is wel te foerageren voor de eekhoorn door het aanwezig zijn van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Alle bomen blijven behouden en in de bomen in het plangebied zijn geen nesten van eekhoorns waargenomen tijdens het veldbezoek. Ondergrondse woelmuis De ondergrondse woelmuis komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap. Hij houdt van een dichte gras- of kruidlaag en zoomvegetaties zoals bermen en bomenrijen maar ook van (hooggelegen) weide- en akkerbouwland, licht (vochtig) loofbos, boomgaarden en tuinen. Het achteruitgaan van het kleinschalig cultuurlandschap en versnippering van leefgebied is voor de ondergrondse woelmuis een bedreiging. Hij is dus gebaat bij het in stand houden en uitbreiden van kleinschalige en lintvormige landschapselementen. Wolf Wolven bewonen diverse leefgebieden, variërend van toendra's en steppen tot bossen en cultuurlandschappen. Hoewel ze bij voorkeur in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden leven, staan wolven bekend als 'cultuurvolgers' en passen ze zich aan in gebieden waar mensen wonen. Deze gebieden bieden vaak voldoende dekking en huisvesten een overvloed aan reeën, wat aantrekkelijk is voor wolven.
Drinkwater is essentieel voor wolven, gezien hun dagelijkse behoefte om lange afstanden af te leggen. Hierdoor zijn wolven minder frequent aanwezig in drogere landschappen. Hoewel wolven zich kunnen aanpassen aan verschillende omgevingen, is het plangebied vanwege zijn kenmerken en gebrek aan geschikte elementen zoals uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden, geen geschikt biotoop voor wolven.
Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied wolf, vos en ree. In en nabij en het plangebied zijn geschikte bomen aanwezig voor eekhoorns, echter zijn eekhoorns of eekhoorn nesten niet waargenomen. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 Conclusie Met de beoogde sloop van de varkenstallen kunnen beschermde soorten waaronder vleermuizen en marterachtige worden verstoord. Met de sloop kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden beschadigd of vernield en kan het leefgebied van de marterachtige verloren gaan. Naderonderzoek naar deze beschermde soorten wordt geadviseerd. Het plangebied is verder geen essentieel leefgebied voor de wolf, ree of vos en er zijn geen eekhoornnesten in of nabij het plangebied waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht.
5.2.3 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Net als de oude Wet natuurbescherming hanteert de Omgevingswet geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Beschermingscategorie* en habitat
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief
0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
4, boombewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, boombewonend 4, boombewonend 1, gebouwbewonend 4, boombewonend
4, boombewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, gebouwbewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk va n bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. De bedrijfswoning in het plangebied is goed gesloten en beschikt niet over holte waarin een gierzwaluw kan broeden. Daarnaast broeden gierzwaluwen vaak in een dicht bebouwde omgeving zoals woonwijken. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. De varkenstallen beschikken over meerdere openingen en gaten. In de oostelijke stal zijn meerdere braakballen en krijtsporen waargenomen. Nader onderzoek naar uilen wordt geadviseerd.
Afbeelding 39: Krijtsporen en braakballen
Afbeelding 40: Braakballen
Afbeelding 41: Braakballen
Afbeelding 42: Gat boven de deur in de wanden van de stal
Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Tijdens het veldbezoek zijn er huismussen waargenomen in de loods ten westen gelegen van de bedrijfswoning. Deze loods beschikt over meerdere nesten. Gezien de bedrijfswoning beschikt over een pannendak is het voorkomen van huismussen in de bebouwing niet uit te sluiten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Afbeelding 43: Nest in loods
Afbeelding 44: Nest in loods
Afbeelding 45: Nest in loods
Afbeelding 46: Nest in loods
Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt echter voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze drie uitgesloten kan worden.
Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. In het plangebied is geen bos of open vlakte aanwezig. Daarnaast zijn er geen nesten van roofvogelsoorten aangetroffen in de bomen. Het is dus uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van de habitat van een boombewonende roofvogelsoort. De slechtvalk broedt bij voorkeur in hoge gebouwen (>4 verdiepingen). Er is voor de slechtvalk geen geschikte habitat aanwezig in het plangebied. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige Vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel weiland aanwezig waarin weidevogels broedgelegenheid vinden. In de directe en wijdere omgeving blijven voldoende alternatieve broedgelegenheden bestaan. Zodoende zal de ingreep geen negatief effect hebben op weidevogels. In het opgaande groen in de gecultiveerde tuinen kunnen algemene Vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen.
Conclusie In het plangebied zijn waarnemingen gedaan van huismussen, en er zijn sporen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van uilen. Om deze beschermde soorten in de te slopen bebouwing nauwkeuriger te onderzoeken, is aanvullend veldonderzoek vereist. Dit vervolgonderzoek is essentieel om te beoordelen of de beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn en of er mitigatiemaatregelen moeten worden genomen. Afhankelijk van de uitkomsten zal duidelijk worden of een ontheffing noodzakelijk is. Het is belangrijk op te merken dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluwen of roofvogels verloren zullen gaan.
5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Soortgroep en bescherming
Alpenwatersalamander Bastaardkikker Boomkikker
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Bruine kikker
0-2 km
Amfibieën, beschermd
Gewone pad Groene kikker Kamsalamander
0-2 km 0-2 km 0-2 km
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
Kleine watersalamander
0-2 km
Amfibieën, beschermd
Knoflookpad
0-2 km
Amfibieën, beschermd
Levendbarende hagedis Poelkikker
0-2 km
Reptielen, beschermd
0-2 km
Amfibieën, beschermd
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
27
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 Vinpootsalamander
0-2 km
Amfibieën, beschermd
Het plangebied is gelegen in een agrarisch gebied met sterk bemesten gronden. In het plangebied is geen water aanwezig. De sloten in het zuiden buiten het plangebied kunnen in theorie geschikt zijn voor beschermde soorten, echter gezien de sterk bemeste omgeving met gebrek aan waterplaten zijn de sloten ongeschikt. In theorie kunnen enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase, voorkomen in het plangebied. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd en staan ze als vrijgestelde soorten vermeld in de provincie Noord-Brabant. Vrijstelling wordt verleend voor handelingen zoals doden, vangen, beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen als deze verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Er moet echter altijd voldoende zorg worden gedragen om het doden van individuen te voorkomen, en de ingreep leidt niet tot een overtreding van de Omgevingswet voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar geen waarnemingen van libellensoorten en nachtvlindersoorten. Er zijn 2 dagvlindersoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Grote vos
Afstand plangebied 0-2 km
Kleine ijsvogelvlinder
0-2 km
Soortgroep en habitat Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: iep, kers en wilgen Dagvlinder, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: wilde kamperfoelie
Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. De genoemde biotopen en geschikte bomen ontbreken in het plangebied. Kleine ijsvogelvlinder De Kleine ijsvogelvlinder komt voor in diverse leefgebieden, waaronder bossen, heidevelden, parken en tuinen. Het zijn vooral bosranden en open plekken met bloemenrijke vegetatie waar ze vaak te vinden zijn. De rupsen van de Kleine ijsvogelvlinder voeden zich met verschillende waardplanten, zoals wilg, vlier en iep. De vliegperiode van de Kleine ijsvogelvlinder is van mei tot augustus, afhankelijk van de locatie en de weersomstandigheden. In het zuidwesten van het plangebied is bebossing aanwezig, echter groeien hier geen wilgen, vlieren en iepen. Ook zijn er geen waardplanten in de nabije omgeving. Libellen komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven.
Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen. Vlinders hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort. Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden. Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. De genoemde biotopen van de libellen, dagvlinders en nachtvlinders komen niet voor in het plangebied en de nabije omgeving, zodoende is het voorkomen op voorhand uit te sluiten. Overige ongewervelden
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
28
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 Er zijn de laatste vijf jaar in een straal van twee kilometer rond het plangebied geen waarnemingen van gedaan van overige ongewervelden. Overige ongewervelden zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie Er komen geen Amfibieën, reptielen en vissen voor in het plangebied. In het plangebied ontbreekt het aan oppervlaktewater, waardoor biotopen van beschermde soorten zoals amfibieën, reptielen, vissen, libellen en vlinders afwezig zijn. Daarnaast is er weinig vegetatie in het plangebied en een gebrek aan waardplanten, waardoor overige geschikte biotopen voor libellen, vlinder en nachtvlinders ontbreken. Andere soorten ongewervelden, zoals beschermde kevers, kreeften of slakken, zijn niet aanwezig. Het plangebied dient slechts als leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten, evenals andere algemene soorten ongewervelden.
5.3 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien het totale oppervlakte of aantal bomen klein is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwingscontour voor houtkap, waardoor de bepalingen van de Omgevingswet met betrekking tot houtopstanden van toepassing zijn. Er zijn binnen het plangebied geen houtopstanden die door het plan zullen verdwijnen. Hierdoor zijn er geen verdere verplichtingen met betrekking tot houtopstanden binnen de kaders van de Omgevingswet. Er worden geen bomen gekapt, en een nadere toetsing van houtopstanden is niet nodig. Om overtreding van de gemeentelijke uitzonderingsregels te voorkomen, is het raadzaam om voorafgaand aan het kappen altijd bij het gemeenteloket een nacheck uit te voeren.
Dit om te verifiëren of voor de specifieke boom of houtopstand een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden vereist is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
29
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
6. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Tijdens het quickscan bezoek zijn er huismussen waargenomen en sporen van uilen en marterachtige. De te slopen stallen beschikken over kieren, gaten en ruimte die toegang bieden aan beschermde soorten waaronder vleermuizen, marterachtige en uilen. Zodoende is het voorkomen van deze beschermde soorten in de te slopen bebouwing niet uit te sluiten. Naderonderzoek naar de genoemde beschermde soorten wordt geadviseerd. Vanwege het ontbreken aan oppervlaktewater, de sterk bemeste gronden in en rondom het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten, vlinders, libellen, amfibieën, reptielen en vissen op voorhand uit te sluiten.
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van vleermuizen, huismussen, uilen en marterachtige niet worden uitgesloten. Hierdoor wordt aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.
o
o
o
o o
Omgevingswet De beoogde sloop kan leiden tot verlies van nesten, verblijfplaatsen en leefgebied van vleermuizen, huismussen, uilen en materachtige. Naderonderzoek is nodig om aan te tonen of een mitigatie dient te worden uitgevoerd en een ontheffing noodzakelijk is. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Omgevingswet een verbod op handelingen die nesten, vaste rust- of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000-gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius-berekening te worden uitgevoerd. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen.
Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten:
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
30
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). o Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. o Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd. o Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. o
Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen. Voor de ontwikkeling van het plangebied Baarleseweg 2-4 raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: o Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied wordt bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar.
Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindes trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters.
6.3 Toelichting op nader onderzoek
Vleermuizen Het is niet uit te sluiten dat er vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn in buitengevels of dakconstructie van de te slopen stallen. Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd. Tijdens de sloopwerkzaamheden kunnen aanwezige vleermuizen verstoord worden, gewond raken of mogelijk gedood
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
31
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 worden. Tussen half mei en eind september worden met een vijftal veldbezoeken de eventueel voorkomende soorten en verblijfsfuncties van de woningen vastgesteld, dan wel uitgesloten. Als de functies van het plangebied voor vleermuizen in beeld gebracht zijn en er negatieve effecten door de werkzaamheden te verwachten zijn, kunnen passende mitigerende/compenserende maatregelen voorgesteld worden. Door te nemen maatregelen kunnen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden vermeden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De ecologische functie die het plangebied mogelijk voor de betreffende populatie vervult moet onverminderd blijven bestaan. Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen o.a. de volgende maatregelen nodig zijn: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare perioden. • Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden, ruim voordat de sloop/renovatie gaat plaatsvinden. • Bij het verdwijnen van een verblijfplaats kunnen inpandige voorzieningen worden gerealiseerd in de nieuwbouw, zodat deze geschikt is voor vleermuizen om in te verblijven.
De voorgestelde maatregelen worden opgenomen in een ‘mitigatieplan’. In het mitigatieplan worden maatregelen voorgesteld ter voorkoming van overtreding van de Omgevingswet en behoud van de functionele leefomgeving. Indien aantoonbaar wordt gewerkt conform Vleermuisprotocol 2021 is een ontheffingsaanvraag/verklaring van geen bedenkingen, niet noodzakelijk. Het Vleermuisprotocol 2021 is een door de Gegevensautoriteit Natuur (GaN) en het Netwerk Groene Bureaus goedgekeurde methodiek. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van gebieden voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen voor de Omgevingswet. Het is een hulpmiddel voor deskundige vleermuisonderzoekers en de beoordelaars van vleermuisonderzoek om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is voor een specifieke locatie. Het protocol is opgesteld om het onderzoek voor de Omgevingswet optimaal te laten verlopen. Wanneer het protocol in essentie is gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn.
Huismussen Het is niet uit te sluiten dat er nesten van huismussen aanwezig zijn onder het pannendak van de bedrijfswoning. Nesten van huismussen, inclusief hun functionele leefgebied, zijn jaarrond beschermd. Tijdens de sloopwerkzaamheden zullen mogelijk jaarrond beschermde nesten verloren gaan en worden mogelijk verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden. Om erachter te komen of er nesten van huismussen aanwezig zijn zal er een nader onderzoek moeten worden uitgevoerd. Een deskundige op het gebied van huismussen moet tussen 10 maart en 20 juni de locaties van de broedplaatsen vaststellen. Er mag worden aangenomen dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als tijdens twee bezoeken tussen 1 april en 15 mei of tijdens drie bezoeken tussen 10 maart en 20 juni geen tekenen van aanwezigheid zijn waargenomen. Ook andere functies van het leefgebied, zoals winterslaapplaats en voedselgebied moeten onderzocht worden. Bij aanwezigheid van huismussen dient er een mitigatieplan te worden opgesteld conform de richtlijnen van het Kennisdocument Huismus (Passer domesticus), BIJ12, versie februari 2023. In het bij aanwezigheid op te maken mitigatieplan worden maatregelen voorgesteld ter voorkoming van overtreding van de Omgevingswet en behoud van de functionele leefomgeving. Indien aantoonbaar wordt
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
32
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 gewerkt conform Kennisdocument van BIJ12 is een ontheffingsaanvraag/verklaring van geen bedenkingen, niet noodzakelijk. De volgende maatregelen kunnen o.a. nodig zijn: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare perioden. • Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden, ruim voordat de sloop/renovatie gaat plaatsvinden. • Bij het verdwijnen van een verblijfplaats kunnen inpandige voorzieningen worden gerealiseerd in de nieuwbouw, zodat deze geschikt is voor huismussen.
Marterachtigen Om te onderzoeken of het plangebied als verblijfplaats wordt gebruikt door kleine marterachtigen en steenmarters zullen er cameravallen in en rond de bebouwing worden opgesteld. Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen, zoals de wezel en bunzing kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Zie onderstaande tabel.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
33
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 Tabel 2: Inventarisatiemethoden en geschikte periode voor de verschillende soorten kleine marterachtigen. Bron: Kennisdocument Kleine marterachtigen 2024, BIJ12
Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen zal gebeuren met het plaatsen van sporenbuizen en een cameraval. Met behulp van marterboxen en cameravallen kan de aanwezigheid of afwezigheid van steenmarters en wezel worden vastgesteld.
Opsomming van de vereisten voor het uitvoeren van verdiepend onderzoek naar kleine marterachtigen Bron: Kennisdocument Kleine marterachtigen 2024, BIJ12
Het onderzoek dient te worden uitgevoerd in zomer of nazomer, te weten van juni tot en met half november, wanneer de waarnemingskans het hoogst is en de dispersie (verspreiding naar nieuwe territoria) plaatsvindt, worden de onderzoeksmaterialen minimaal 8 weken in het gebied geplaatst. Gedurende die periode worden de onderzoeksmaterialen enkele keren gecontroleerd en na deze periode volgt er een eindrapport met de resultaten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
34
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
Kerkuil en steenuil Kerkuilen (Tyto alba) zijn standvogels, als ze eenmaal zijn gevestigd, blijven kerkuilen meestal hun hele leven in hetzelfde gebied. Slechte weersomstandigheden en voedselschaarste in de winter kunnen leiden tot zwerfgedrag. Kerkuilen broeden vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens. Die moeten dan wel voor de kerkuil toegankelijk zijn. De kerkuil broedt tegenwoordig in ongeveer 90 procent van de gevallen in nestkasten die in deze gebouwen zijn geplaatst. Bij uitzondering broedt de kerkuil ook nog wel eens in een holle boom.
Ook steenuilen (Athene noctua) zijn standvogels en verblijven het hele jaar in hun, relatief kleine, territorium. Het zijn holenbroeders die vaak gebruikmaken van schuurtjes, nestkasten en holle bomen. Hun activiteitsgebied rond de nestplaats is slechts enkele honderden meters in omvang. Tijdens het broedseizoen blijven ze vaak nog dichter bij hun nest in de buurt. Steenuilen gebruiken hun nestplaats ook buiten de voortplantingsperiode en hebben ook andere rust- en verblijfplaatsen in de buurt. Hierdoor worden parasietinfecties tegengegaan. Al deze plekken zijn onderdeel van de functionele leefomgeving die hoort bij de voortplantingsplaats. Zowel kerk- als steenuilen zijn beschermde inheemse diersoorten als bedoeld 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In de omgevingswet op basis van het feit dat de soorten onder artikel 1 van de Vogelrichtlijn vallen. Bovendien zijn het soorten als bedoeld in artikel 3.5 van de Omgevingswet omdat ze vermeld staan in bijlage II van de Conventie van Bern. De kerk- en steenuil staan vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009). Op deze lijst vallen hun nesten onder categorie 3 van vogelnesten: ‘nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing’.
De kerk- en steenuil staan beiden als kwetsbaar vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Op grond van artikel 11.27 van het Bal is het verboden kerkuilen en steenuilen opzettelijk te verstoren.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
35
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356 Het nader onderzoek naar het voorkomen en de leefomgeving van de kerkuil en steenuil zal worden uitgevoerd volgens de voorschriften in het Kennisdocument Kerkuil en het Kennisdocument Steenuil van BIJ12, versie 1.0 juli 2017. Er dienen drie gerichte inventarisaties uitgevoerd te worden in de optimale periode. Voor kerkuilen is dit vanaf begin februari tot en met half oktober. Voor steenuilen is dit van half februari tot half april. De beste momenten om kerkuilen te inventariseren zijn ’s avonds en ’s nachts en voor steenuilen in de avondschemer, vanaf een half uur na zonsondergang, tot middernacht. Voor steenuilen is de ochtendschemer ook geschikt, van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. Deze inventarisaties kunnen alleen plaatsvinden bij goede weersomstandigheden. De kerkuil reageert niet op het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. Voor steenuilen is deze methode wel geschikt. Daarnaast moet bij voorkeur ook overdag gezocht zijn naar sporen die de aanwezigheid van een nest- of rustplek aannemelijk maken, zoals braakballen of krijtstrepen. Ook kan navraag worden gedaan bij bewoners en uilenwerkgroepen.
Als er tijdig opdracht gegeven wordt voor het uitvoeren van het nader onderzoek kan de eindrapportage van het onderzoek naar vleermuizen, huismussen, marterachtige en uilen per medio oktober 2024 worden opgeleverd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
36
Ecologische quickscan Baarleseweg 2-4-ong. Ulicoten, BE-0356
7. BRONNEN
Websites www.kaartbankbrabant.nl www.brabant.nl www.floron.nl www.iplo.nl www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/ www.natura2000.eea.europa.eu www.natuurmonumenten.nl www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.wikipedia.nl
Andere bronnen Checklist Vleermuisprotocol 2021 Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk Groene Bureaus Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, ministerie van Economische Zaken
Bijlagen Bijlage 1: De verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: Lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn Bijlage 3: Soorten van nationaal belang
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
37
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355
1309 records Middelpunt < 1km²
Middelpunt > 5km²
Middelpunt 1km² - 5km²
Vlak
schaal 1 : 5000
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
1
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Zoekvraag Soort
Soortgroep
Wet en Beleid
Periode
Alle
Alle
Wnb - andere soorten 13 februari 2019 tot Wnb - andere soorten 13 februari 2024 (NB) Jaarrond beschermde nesten Wnb - Vogelrichtlijn Wnb - Habitatrichtlijn
Samenvatting
Bronhouder
Zoekgebied
Alle
Alles rakend aan of binnen zoekgebied
(unieke soorten) / totaal aantal waarnemingen
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
2
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid Jaarrond beschermde nesten Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Boomvalk Bosuil Buizerd Ekster Gekraagde roodstaart Gierzwaluw Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw IJsvogel Kerkuil Kleine bonte specht Koolmees Oehoe Ooievaar Pimpelmees Ransuil Roek Sperwer Spreeuw Steenuil Tapuit Torenvalk Wespendief Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
(37) 481 11 22 19 27 30 5 19 40 17 14 2 1 18 41 2 4 26 26 1 9 4 12 1 3 13 5 2 4 9 4 6 17 4 44 6 7 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
3
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid Jaarrond beschermde nesten (DR) Blauwe reiger Boomvalk Bosuil Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe Ransuil Ringmus Roek Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte specht
(17) 131 11 5 19 2 2 4 26 26 9 1 5 1 2 4 4 4 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
4
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid Jaarrond beschermde nesten (FL) Blauwe reiger Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Buizerd Gierzwaluw Groene specht Grote bonte specht Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw IJsvogel Kerkuil Kleine bonte specht Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Spreeuw Steenuil Tapuit Torenvalk Wespendief Zwarte specht
(26) 291 11 22 5 19 40 2 18 41 2 4 26 26 1 9 4 1 3 5 2 4 9 4 6 17 4 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
5
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid Jaarrond beschermde nesten (FR) Blauwe reiger Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw IJsvogel Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Ringmus Roek Scholekster Sperwer Steenuil Torenvalk Wespendief Zwarte specht
(23) 224 11 22 5 19 40 2 2 4 26 26 1 9 1 3 5 1 2 10 4 4 17 4 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
6
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid Jaarrond beschermde nesten (LI) Blauwe reiger Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw IJsvogel Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Ringmus Roek Sperwer Spotvogel Steenuil Torenvalk Wespendief Wulp Zwarte specht
(24) 227 11 22 5 19 40 2 2 4 26 26 1 9 1 3 5 1 2 4 4 4 17 4 9 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
7
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid Jaarrond beschermde nesten (OV) Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Boomvalk Bosuil Buizerd Gekraagde roodstaart Gierzwaluw Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw IJsvogel Kerkuil Kleine bonte specht Oehoe Ooievaar Ransuil Ringmus Roek Sperwer Spreeuw Steenuil Tapuit Torenvalk Veldleeuwerik Wespendief Wulp Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
(36) 411 11 22 19 27 30 5 19 40 14 2 1 18 41 2 4 26 26 1 9 4 1 3 5 1 2 4 9 4 6 17 6 4 9 6 7 6
RL: Bedreigd Boomkikker Kartuizer anjer Knoflookpad Tapuit
(4) 101 58 4 33 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
8
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid RL: Gevoelig Boerenzwaluw Gele kwikstaart Grauwe vliegenvanger Haas Huismus Huiszwaluw Kneu Konijn Levendbarende hagedis Matkop Oehoe Ringmus Spotvogel Veldleeuwerik Wezel Zwarte mees
(16) 120 22 4 1 11 26 26 3 2 3 3 1 1 4 6 1 6
RL: Kwetsbaar Boomvalk Grote lijster Grote vos Kamsalamander Kleine ijsvogelvlinder Koekoek Patrijs Ransuil Steenuil Torenvalk Vinpootsalamander Wielewaal Wulp
(13) 156 5 3 1 8 1 2 5 5 4 17 95 1 9
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
13 februari 2024 12:08:31
9
Auteur: Jeannette Welten
Uitvoerportaal Baarleseweg
BE-0355 Beleid SNL soorten Appelvink Blauwborst Boomklever Boomkruiper Boomleeuwerik Boompieper Dodaars Geelgors Gekraagde roodstaart Gele kwikstaart Grasmus Grauwe vliegenvanger Groene specht Groenling Grote bonte specht Havik Kleine bonte specht Kneu Kwartel Matkop Patrijs Putter Roodborsttapuit Scholekster Spotvogel Tapuit Veldleeuwerik Vuurgoudhaan Wespendief Wielewaal Wulp Zanglijster Zwarte specht
(33) 309 5 6 27 30 5 24 3 26 14 4 5 1 18 4 41 4 4 3 1 3 5 5 18 10 4 6 6 1 4 1 9 6 6
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.