CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 - Bijlage 5 - Maaijkant 2, Ulicoten Bijlagen bij toelichting

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen19.606 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Maaijkant 2, Ulicoten

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

4

Bijlage 2

Berekening omgevingskwaliteit

12

Bijlage 3

AERIUS-berekenig bouw- en gebruiksfase

18

Bijlage 4

Invoergegevens AERIUS-berekening

30

Bijlage 5

Quickscan flora- en fauna

42

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek

96

Bijlage 7

Onderzoek woon- en leefklimaat

131

Bijlage 8

Archeologisch bureau- en inventariserend Veldonderzoek

180

Bijlage 9

Nader onderzoek Flora- en fauna

234

Bijlage 10

Programma van Eisen (PvE)

258

Bijlage 11

Brief omgevingsdialoog

297

2

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

3

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

4

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

Landschappelijk inpassingsplan Maaijkant 2 Ulicoten

Opgesteld door: Datum: Projectnummer: Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

TvH 01-12-2025 03150.004

Historie In het gebied rond Ulicoten ontspringen voor 1850 talrijke kleine natuurlijke waterloopjes die voor veel reliëf gezorgd hebben. Het landschap hier is daarom in cultuur gebracht in de vorm van ‘kampen’, kleine individuele ontginningen met verspreid liggende bebouwing. Na de middeleeuwen werd de ontginning minder dynamisch. Hier en daar, aan de rand van de middeleeuwse cultuurlanden ontstonden kleine individuele ontginningen. Verder trad er in deze periode een schaalverkleining op in de kampenlandschappen en raakte het bezit van de eerst gemeenschappelijke akkercomplexen versnipperd. Rond 1850 lag rond Ulicoten een groot gebied met kampontginningen en voor de rest de natte open heidegebieden. Op de kaart van 1930 is te zien dat naast het plangebied, ook de omgeving ontgonnen was. Het agrarisch grondgebruik dat volgt uit de ontginning wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid: Veeteelt, akkerbouw, boomteelt en tuinbouw. De rationele verkaveling van zowel bos als landbouwgebied is duidelijk zichtbaar in het landschap door de rechte lange ontginningsslagen. De kavelgrensbeplantingen zijn op de kaart van 1930 goed te zien. Langs gemeenschappelijke akkers werden bos- en houtsingels geplant voor gerief en stookhout. Ook dienden deze houtsingels (vaak stekelige of dichte struiken) als bescherming van vee en landbouwgrond.

In de tweede helft van de 20e eeuw is de verkavelingsstructuur in de omgeving grootschaliger geworden en is het bebouwingslint en Ulicoten verder verdicht. De kavelgrensbeplantingen zijn verwijderd (mede door de uitvinding van prikkel- en schrikdraad) waardoor er een meer open structuur is ontstaan. In laatste decennia domineren de agrarische bedrijfsgebouwen in de omgeving door schaalvergroting in de agrarische sector.

1850

1930

1970

2020

Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

Water en bodem Het plangebied is gelegen op Hoge zwarte enkeerdgronden. Dit zijn dikke eerdgronden met een esdek bestaande uit zand, een hoge ligging ten opzichte van het grondwater (grondwatertrap IV en hoger) en een zwarte minerale eerdlaag. De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand.

Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Laarpodzolgronden; lemig fijn zand Gooreerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Veldpodzolgronden; lemig fijn zand

De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) op locatie is ongeveer tussen de 40 en 55 cm onder maaiveld. Dit betekent dat het matig nat is. De grondwaterstand is niet extreem hoog, maar ook niet diep. Hoge zwarte enkeerdgronden met een GHG van 40–55 cm onder maaiveld zijn vruchtbare, humusrijke zandgronden met een matig nat tot matig droog bodemvochtregime.

Uitsnede kaart bodem cm -mv

Uitsnede kaart water/GHG Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

Bestaande situatie In de directe omgeving zijn veelal agrarische bedrijven. De erven in de omgeving zijn omzoomd met houtsingels en/of bomenrijen. Rondom de woning is meestal een meer gecultiveerde landschapselement te vinden in de vorm van een knip- of scheerheg. De erven zelf zijn kleinschalig door de omliggende beplanting. Landschappelijke kenmerken van deze locatie en de omgeving zijn het relatief open en verkavelde landschap met grote lineaire percelen en linten met laan- en singelbeplanting. Langs de doorgaande weg Maaijkant liggen verschillende houtsingels die het lint begeleiden. Binnen het plangebied staan enkele solitaire bomen. Langs de Maaijkant is het houtsingel gelegen. Ook langs de doodlopende weg in het noorden is beplanting in de vorm van boom- en struweelvormers te vinden.

Straatbeeld A. Bron: Google street view

Straatbeeld B. Bron: Google street view

B

C

A

Satellietfoto van de bestaande situatie

Straatbeeld C. Bron: Google street view Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

Omgevingsvisie en Structuurvisie Ulicoten en omgeving is een fors gebied met kleinschalige kampontginningen: Verspreide bebouwing met kleinere bouw- en graslanden, vaak omzoomd door beplantingen langs de perceelsgrenzen. De kleinschalige opbouw van het gebied en het besloten karakter er van. Ondanks de toename van bebouwing, het vergroten van percelen en verdwijnen van beplantingen op perceelsgrenzen is deze nog steeds goed herkenbaar. Het reliëf in de omgeving is ontstaan door de oost – west lopende stroompjes en het eeuwenlang ophogen van de akkers. De overgang naar de jonge ontginningen is zichtbaar door het verschil in schaalniveau tussen beide landschappen. De kampontginningen zijn veel kleinschaliger, terwijl de jonge heideontginningen veel grootschaliger zijn. De gemeente wenst voor nieuwe ontwikkelingen dat er een groene inpassing wordt gerealiseerd. Hierbij ziet te gemeente graag een gedifferentieerde aanplant die aansluit bij de omgeving. Het behoud van openheid rond de kern en buurtschappen is essentieel. Doorzichten tussen erven op achterliggende akkers moeten behouden blijven.

Uitsnede kaart omgevingsvisie (plangebied is de rode cirkel)

Uitsnede kaart Structuurvisie (plangebied is de rode cirkel) Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

Landschappelijke inpassing

Bestaande beplanting

Nr

.2

Te planten beplanting

Schaal: 1:1000 (A3)

Te bouwen woningen

Plantsortiment Aan te planten struweelsingel (afmetingen ± 152 x 2 m = 304 m²) Hoogte ca. 100-300 cm, 1,5 m driehoeksverband: m² st / m² 304 0,45 Struweel: Hazelaar, gelderse/kraag roos, veldesdoorn, rode/gele kornoelje, sleedoorn, gewone vlier, zwarte bes, lijsterbes en/of vergelijkbaar inheems

Aan te planten struweelsingel

Aan te leggen wandelpad Aan te leggen kruiden- en faunarijk grasland Aan te planten solitaire bomen

Aan te planten solitaire bomen Stamomtrek 10-12 cm Berk, wilg, zomereik, es, zwarte els en/of vergelijkbaar inheems Aan te leggen kruiden- en faunarijk grasland Echte koekoeksbloem, gewone brunel, gewone margriet, grote ratelaar, kamgras, karwijvarkenskervel, klavervreter, klein vogelpootje, knolvossenstaart, knoopkruid, moerasstruisgras, muizenoor, polei, spits havikskruid, waterkruiskruid, witte munt, zwarte zegge en/of vergelijkbaar inheems

Deze tekening bevat tevens informatie die geen betrekking heeft op de verplichte landschappelijke inpassing als gevolg van bijbehorende procedure, hieraan kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.

Landschappelijk inpassingsplan

Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

aantal 137

aantal 3 m²

Ca. 7385

Landschappelijke inpassing Door de sloop van de bedrijfsbebouwing en het diverse landschapselementen aangeplant welke zorgen realiseren van de woningen met daaraan gekoppeld voor een versterking van het landschapsbeeld en welke een hoogwaardige vorm van landschappelijke inpassing, zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het landschap wordt er landschappelijke meerwaarde gecreëerd. en een geleidelijke overgang naar het open landschap. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt In de beoogde situatie worden de perceelsgrenzen bovendien de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen groen omzoomd door middel van een struweelsingel verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht met inheemse beplanting. Deze groensingel wordt onttrokken. Het landschappelijk inpassingsplan sluit aan aangelegd ten gunste van foerageerfuncties voor vogels. op de landschappelijke kenmerken van de omgeving Ook bieden ze een habitat voor talrijke plantensoorten, en het sluit aan op de Omgevingsvisie van de gemeente insecten, vogels, kleine zoogdieren en amfibieën. Ook Baarle-Nassau. insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Dit alles zorgt voor een verhoging van de biodiversiteit in het landschap. De struweelsingel sluit aan op de vroegere kavelgrensbeplantingen en de erven in de omgeving.

Bovendien sluit het aan op de wens van de gemeente van groene inpassingen bij nieuwe ontwikkelingen. Ook is de openheid van belang voor de gemeente. Achter de percelen zal het landschap open blijven. Dit is te ervaren door een aan te leggen wandelpad rondom het plangebied. Dit wandelpad zal begeleid worden door bestaande en nieuwe bomen. Bomen bieden leefruimte en voedsel voor een groot aantal organismen, waaronder vogels, insecten, schimmels en epifyten (planten die op andere planten groeien). Ze creëren verticale lagen in ecosystemen, wat de diversiteit van habitats verhoogt. Dit alles zorgt voor een verhoging van de biodiversiteit in het landschap. Ook zal het wandelpad begeleid worden door een kruiden- en faunarijk grasland. Door de diversiteit aan plantensoorten in kruiden- en bloemrijke graslanden biedt het een breed scala aan habitats voor verschillende dieren, zoals insecten, vogels en kleine zoogdieren. Dit draagt bij aan een verhoogde biodiversiteit in het ecosysteem. Dit grasland sluit aan bij het achterliggende open landschap. Deze nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal van de locatie zelf. Kleinschalige elementen zoals deze hagen op erf- en perceelsgrenzen en bomen versterken deze kleinschaligheid, en zorgen voor het besloten karakter dat aansluit op het omliggende landschap.

Gezien voorgaand worden Landschappelijk inpassingsplan - Maaijkant 2 Ulicoten

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Bijlage 2 Berekening omgevingskwaliteit

12

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

Maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant Locatie Projectnummer

Maaijkant 2 te Ulicoten 03150

x -

Inbreng Sloop stallen

Oppervlakte bedrijfsbebouwing Minimale inzet herbestemming bedrijfswoning Inzet sloop stallen

Verwijdering verharding

Aantal Eenheid 2683 m2 250 m2 2433 m2

Bedrag per eenheid

€

45,00 €

109.485

684,5 m2

€

8,50 €

5.818

€

115.303

Totaal inbreng Subtotaal

Totaal

Aantal titels beschikbaar

0,92

Landschapsplan Inrichting - natuurtypen Aanplant bosplantsoen (struweelsingel) Aanleg kruiden en faunarijk grasland Aanplant solitaire bomen

opp (ha / m)eenheidsprijs 123 € 2,30 € 0,7385 € 1.533,07 € 3 € 90,22 € €

282,90 1.132,17 270,66 1.685,73

Extra investeringen omgevingskwaliteit € € €

€ 1.685,73 € 3.211,19 €

1.685,73 3.211,19

€ € € €

2,00 -

Totaal extra investeringen

€ € € € €

5.366,00 10.262,92

Subtotaal

€

10.263

€

125.566 1,00

125.000 € €

250.000 124.434

Landschapselementen aanleg Landschapselementen beheer

Saneren asbestdak

1 st 1 st

2683

Totaal Aantal titels beschikbaar Aankoop restant bouwtitel Aantal titels benodigd Aankoop restant titel (minimaal € 20.000,-)

-

2 €

beheer - 6 jaar Beheer struweelsingel (cyclisch) Beheer solitaire bomen (3x in 6 jaar) Beheer wandelpad over boerenland

ha/stuks/m 0,0274 € € 3 € 130 €

31.012,42 1.903,34 37,05 2,60

€ € € € €

849,74 333,45 2.028,00 3.211,19

Bron; Bij12

| Van Dun Advies Van: Verzonden: Aan: Onderwerp: Bijlagen:

| Van Dun Advies woensdag 3 december 2025 09:05 | Van Dun Advies; FW: aanpassing maaykant 2 maakant2.jpg

Van: Verzonden: woensdag 26 november 2025 08:42 Aan: | Van Dun Advies < CC: Onderwerp: aanpassing maaykant 2

| Van Dun Advies

>

Hallo, Hierbij de aanpassingen van het aantal meters verharding op maaykant 2. A: 4,20x52,50 = 220,5 m2 B: 65x1,2 = 78 m2 C: 27x4 = 108 m2 D: 6x4 = 24 m2 E: 14x14 = 196 m2 F: 8x4,5 = 36 m2 G 22x1 =22 m2 _________ totaal:684.5 m2 Verder zijn er nog een 3 tal mestputten aanwezig: H: 18x4,5x2 I: 15x2,5x2 J: 16x2x2 totaal

= 162 m3 = 75 m3 =64 m3 __________ 301 m3

Mvg,

1

Rekenmodule maatwerk omgevingskwaliteit Deze rekenmodule maakt deel uit van paragraaf 7.1 Maatwerk omgevingskwaliteit van de Beleidsregel Omgevingsrecht NoordBrabant zoals bedoeld in artikel 7.1.7 Rekenmodules van deze beleidsregel. Met de rekenmodule kan de waarde van de fysieke tegenprestatie worden berekend voor de bouw van een woning bij de volledige beëindiging van een (niet-) agrarisch bedrijf en voor overige gevallen als sloop plaatsvindt en/of als sprake is van het intrekken van Nemissie. In artikel 7.1.5, eerste lid, zijn overige fysieke maatregelen benoemd die eveneens kunnen worden ingebracht. Als u zelf geen, of maar deels, fysieke tegenprestatie kan leveren, is het mogelijk een afdracht te doen in het gemeentelijk fonds. Hierover moet u met de gemeente in overleg treden. Met de rekenmodule moet inzicht worden gegeven over de afdracht in het gemeentelijk fonds en de gemeentelijke verantwoording dat deze afdracht wordt besteed aan een project of locatie of gebied of opgave met als doel versterking van de omgevingskwaliteit, zoals bedoeld in artikel 7.1.5 tweede lid van deze beleidsregel. Na het invullen van de rekenmodule ontvangt u een pdf-formulier met de door u ingevulde gegevens.

Deze pdf moet worden toegevoegd bij de onderbouwing van het plan, waarbij met een beroep op artikel 5.14 lid 3,onder a van de Omgevingsverordening Noord-Brabant een woning wordt toegevoegd in het landelijk gebied.

Mijn gegevens Voornaam

Simone

Achternaam

Smets

Organisatie

Verschel & Van Dun

E-mail

simonesmets@verschelvandun.nl

Plan gegevens Naam

Maaijkant 2

Postcode

5113 BC

Straat

maaijkant

Plaats

Ulicoten

Hoeveel woningen worden er toegevoegd:

Huisnr 2

Toevoeging

2

Het plan betreft

Zelfrealisatie al dan niet in combinatie met afdracht in gemeentelijk fonds (art. 7.1.3 , art. 7.1.5 lid 2)

Keuze zelfrealisatie:

Beëindiging van agrarisch bedrijf

Privacy De provincie Noord-Brabant hecht aan privacy. Zij zal zorgdragen voor een betrouwbare en zorgvuldige bescherming van de aan haar toevertrouwde persoonsgegevens. Zij geeft dit vorm door in haar handelen en uitingen zowel intern als extern uit te gaan van de kernwaarden betrouwbaar, transparant, zorgvuldig en veilig. De volledige privacyverklaring van de provincie Noord-Brabant kunt u raadplegen op de provinciale website.

Zelfrealisatie Volledige beëindiging van agrarisch bedrijf art. 7.1.3, lid a, lid b

Fysieke maatregelen door sloop en afwaardering Oppervlakte Te slopen bedrijfsgebouwen

2683 m2

Te slopen voorzieningen

685 m2

Voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning is een basisinspanning verplicht. Welke inspanning wordt hiervoor ingezet?

250 m2 bedrijfsgebouwen

Inzet sloop bedrijfsgebouwen + afwaardering (€ 45,- per m2)

109.485 euro

Inzet sloop voorzieningen + afwaardering (€ 8,50 per m2)

5.822,50 euro

Totaal sloop en afwaardering

115.307,50 euro

Waardering overige fysieke maatregelen art.7.1.5, lid 1 Naast sloop, verwijdering en afwaardering van bebouwing, voorzieningen en verharding kunnen ook andere maatregelen worden ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken. Hieronder staan de bekende vormen, waarbij de bedragen van deze maatregelen kunnen worden ingevuld. De onderbouwing van de ingevulde bedragen moet aan het ruimtelijk plan worden toegevoegd.

Landschapselementen niet zijnde een reguliere goede landschappelijke inpassing Ten aanzien van sloop: Verwijderen van asbesthoudende daken

4.896,92 euro 5.366 euro

Rest afdracht in gemeentelijk fonds

124.431 euro

Totaal overige fysieke maatregelen

134.693,92 euro

Totaal inzet versterken omgevingskwaliteit

250.001,42 euro

Afdracht in gemeentelijk fonds art. 7.1.5, lid 2 Gericht op realisatie omgevingskwaliteit. In te vullen door de gemeente.

Afdracht in gemeentelijk fonds (naam fonds) Is ontvangstbevestiging van gemeentelijke afdracht bijgevoegd Nee De fysieke tegenprestatie bestaat uit :

Verklaring Ik verklaar dit formulier naar volledige waarheid te hebben ingevuld (s.v.p. aanvinken)

124.431 euro

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Bijlage 3 AERIUS-berekenig bouw- en gebruiksfase

18

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

₃

ₓ

₃

ₓ

ₓ ₂ ₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ

₃

ₓ

₃

ₓ

₃

ₓ

₃

ₓ ₃

ₓ

₃

ₓ

₃

ₓ

₃

ₓ ₃

ₓ

₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₃

ₓ

ₓ ₂ ₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₂ ₃

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Bijlage 4 Invoergegevens AERIUS-berekening

30

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

Notitie:

Invoergegevens AERIUS-berekeningen aanleg- en gebruiksfase

Locatie:

Maaijkant 2, 5113 BC te Ulicoten

Gilze,

24-04-2025, 11-11-2025, 29-11-2025

Kenmerk:

TvW/03150.005

Om te bepalen of de ontwikkeling aan de Maaijkant 2, 5113 BC te Ulicoten (negatieve) gevolgen heeft op Natura 2000-gebieden, dient er bepaald te worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op deze gebieden. Als de uitkomst is dat er geen sprake is van stikstofdepositie, dus kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar, dan is er geen vergunning voor Natura 2000-activiteiten noodzakelijk. In deze notitie wordt een toelichting gegeven op de invoergegevens. De ontwikkeling voorziet in de herbestemming van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonbestemming waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Tevens worden twee nieuwe woningen gerealiseerd binnen het perceel. Onderstaand de huidige en beoogde situatie.

Afbeelding 1: Huidige situatie

Pagina 1 van 11

Afbeelding 2: Beoogde situatie Toelichting invoergegevens verkeersbewegingen De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel per woonkavel gemodelleerd door middel van een lijnbron. De ontsluitingsroutes zijn ingevoerd tot het moment dat deze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’. De wegen in de directe omgeving van de locatie worden gebruikt door landbouwverkeer, agrarisch vrachtverkeer en bewoners en bezoekers van de woningen. Voor het herontwikkelen van de bedrijfswoning aan de Maaijkant 2 te Ulicoten in een woonfunctie en het realiseren van twee woningen op het nabij gelegen perceel landbouwgrond is het aantal voertuigen berekend. De verdeling van rijrichting bedraagt naar verwachting 30% in noordelijke richting en 70% in zuidelijke richting. In de berekening van de vervoersbewegingen van de bouwfase zijn alle vrachtwagens als zware motorvoertuigen geclassificeerd. Het is immers op voorhand niet bekend of een ‘kleine’ of ‘grote’ vrachtwagen de locatie bezoekt. Om een worst-case-situatie te hanteren zijn al deze vervoersbewegingen als zware motorvoertuigen in de berekening opgenomen. Aanleg- en bouwfase Beperking emissie stikstofverbindingen Conform artikel 7.19a van het Bbl moeten bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden adequate maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken.

Dit is enkel van toepassing voor het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, Bbl nodig is. Adequate maatregelen moeten ook worden getroffen voor het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10m3 bedraagt. Voor de beoogde ontwikkeling is een omgevingsvergunning bouwen noodzakelijk. Om deze reden dient beschreven te worden welke maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstof te beperken op grond van artikel 7.19a van het Bbl. 11

2

van

Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en dus proportioneel zijn. Daaronder vallen dus geen maatregelen die onevenredig zwaar zijn (voor degene die bouwt of laat bouwen) ten opzichte van het te verwachten effect. Aan de andere kant is het ook niet goed als degene die bouwt of laat bouwen alleen maar enkele zeer beperkte maatregelen neemt terwijl andere proportionele en effectieve maatregelen blijven liggen. Adequate maatregelen zijn bijvoorbeeld: -

het beperken van voertuigbewegingen op de bouwplaats; het gebruik van emissiearm materieel; het gebruik van prefabricage als daardoor de bouwtijd korter is; het gebruik van lichtere materialen zodat werktuigen met een kleiner vermogen nodig zijn en minder zware fundering nodig is;

Onderstaande wordt beschreven welke adequate maatregelen getroffen worden en op welke manier invulling is gegeven aan de maatregelen. - Het beperken van voertuigbewegingen op de bouwplaats Bij de bouwfase wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het beperken van de voertuigbewegingen die plaatsvinden. Personeel komt gezamenlijk in één of twee busjes naar de projectlocatie waardoor een groot gedeelte van de vervoersbewegingen wegvalt. Vrachtwagens die afval komen ophalen worden (indien mogelijk) volledig vol geladen voordat deze de projectlocatie verlaten. Ook vindt afstemming plaats met leveranciers voor het zo efficiënt mogelijk afleveren van de benodigde bouwmaterialen. Verder heeft de prefabricage van onder andere de wanden een positief effect op het aantal vervoersbewegingen van en naar de projectlocatie omdat losse elementen niet apart vervoerd worden naar de projectlocatie en omdat personeel niet naar de projectlocatie hoeft om de lossen onderdelen samen te stellen. - het gebruik van emissiearm materieel Tijdens de bouwfase wordt gebruik gemaakt van moderne machines. Er worden geen mobiele werktuigen gebruikt met een bouwjaar ouder dan 2018. Het bouwjaar van het machinepark heeft veel invloed op de emissie dat het materieel emitteert. Daarbij wordt voor met betrekking tot de handgereedschappen waar mogelijk gebruik gemaakt van elektrische gereedschappen.

- het gebruik van prefabricage als daardoor de bouwtijd korter is Doordat het fabricageproces in een gespecialiseerde en gecontroleerde omgeving gebeurt, heeft dit een positieve invloed op het gebruik van machines en de bouwtijd op de projectlocatie. Een bijkomend voordeel is dat de elementen van hogere en constantere kwaliteit zijn dan wanneer deze op de bouwplaats worden gemaakt. - het gebruik van lichtere materialen zodat werktuigen met een kleiner vermogen nodig zijn Het machinepark dat wordt gebruikt voor de beoogde ontwikkeling heeft een vermogen dat passend is voor de bouw van de beoogde uitbreiding. Er worden geen machines met een onevenredig hoog vermogen gebruikt. De aanschaf van nieuwe mobiele werktuigen voor onderhavige sloop- en bouwwerkzaamheden zijn onevenredig zwaar ten opzichte van het te verwachten effect. Verder wordt in de toelichting van artikel 7.19a van het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving voor het begrip ‘adequate maatregelen’ verwezen naar de Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen. Het minimumniveau uit deze routekaart kan het bevoegd gezag gebruiken als kader om te beoordelen of aan de emissiereductieplicht wordt voldaan. Dit minimumniveau bevat eisen aan de maximale emissieuitstoot van mobiele werktuigen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat onnodig zware machines worden ingezet voor relatief kleine bouwprojecten.

In de onderstaande tabel is het minimumniveau uit de Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen weergegeven.

11

3

van

Tabel 1: Verplicht minimumniveau mobiele werktuigen (Bron: Pagina 26 (Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen’)

Op dit moment gelden de eisen conform ‘periode 2’ welke loopt van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027. In de onderstaande tabel zijn de mobiele werktuigen uiteengezet welke worden gebruikt tijdens de bouwfase. Deze gegevens zijn afkomstig van de aannemer welke de bouw zal verzorgen. Tabel 2: Aanwezige mobiele werktuigen t.b.v. sloop- en bouwfase Soort machine Vermogen (kW) Bouwjaar Stageklasse Graafmachine 100 2020 Stage-V Betonpomp 200 2020 Stage-V Mobiele bouwkraan 120 2020 Stage-V Verreiker 74 2020 Stage-V Trilplaat 2-takt 2-takt Loader 120 2020 Stage-V Heistelling 250 2020 Stage-V Rupskraan 40-50T 250 2020 Stage-V Rupskraan 25-30T 150 2020 Stage-V Shovel 140 2020 Stage-V Trilwals 90 2020 Stage-V Mini-graver 55 2020 Stage-V

Voldoet aan minimumeis? Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Conclusie

Bovenstaand is beschreven welke adequate maatregelen worden getroffen bij de bouwfase van de beoogde ontwikkeling aan de Maaijkant 2, 5113 BC te Ulicoten. De genoemde maatregelen zijn doeltreffend, doelmatig en proportioneel. Er wordt daarom invulling gegeven aan het begrip ‘adequate maatregelen’ zoals benoemd in artikel 7.19a van het Bbl. Stikstofberekening sloop- en bouwfase Om te bepalen of de te slopen bebouwing, de te herontwikkelen woning en de nieuw te realiseren woningen mogelijke negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden is middels een 11

4

van

AERIUS berekening bepaald of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden. De realisatie van de woning en de sloop van de overtollige bebouwing genereert een toename in verkeersbewegingen, onder andere door bouwbedrijven en de aanvoer van bouwmaterialen. De in te zetten mobiele werktuigen zijn in het rekenprogramma ingevoerd als een vlakbron die de bouwlocatie omvat. De totale emissie van de aanleg- en bouwfase is opgebouwd uit twee te onderscheiden onderdelen: 1. Verkeersbewegingen van al het personeel en bouwbenodigdheden; 2. Inzet mobiele werktuigen/materieel met een relevante bijdrage. Bron 1: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:

Wegverkeer zuidelijke richting Lijnbron wegverkeer (zuidelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 1.533 lichte en 511 zware voertuigbewegingen per jaar

Bron 2: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:

Wegverkeer noordelijke richting Lijnbron wegverkeer (noordelijke richting) Lichte en zware motorvoertuigen 657 lichte en 219 zware voertuigbewegingen per jaar

Bij de verkeersbewegingen zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: − Lichtverkeer: 3 voertuigen per etmaal − Middelzwaar verkeer: N.v.t. − Zwaar verkeer: 1 voertuig per etmaal In realiteit zal het aandeel zwaar vrachtverkeer veel lager uitvallen (er zal niet dagelijks zwaar verkeer van en naar de locatie komen ten behoeve van de bouw van de woning). De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel gemodelleerd door middel van lijnbronnen op de verschillende wegvakken. Het betreft buitenwegen. De stikstofdepositie van bovengenoemde bronnen wordt berekend op jaarbasis. In het rekenmodel worden de bronnen die per etmaal worden ingevoerd vermenigvuldigd met 365 om deze depositie te berekenen. Dit betekent dat het mogelijk is dat er dagen meerdere vervoersbewegingen zijn en andere dagen weer minder. Bovenstaande aantallen zijn dan ook gemiddelden tijdens de aanleg- en bouwfase.

Koude start van koud vertrekkende motoren Bron 3: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:

Koude start Vlakbron koude start Lichte en zware motorvoertuigen 1.095 licht verkeer en 0 zwaar verkeer per jaar, zie onderstaande toelichting

Er komt relatief veel stikstof vrij als voertuigen met een koude motor starten (koude start). Omdat auto’s steeds schoner worden, wordt het aandeel van de koude start in de totale uitstoot van stikstof door verkeer steeds groter. Koude start en rijdend verkeer moeten daarom los worden ingevoerd, zodat de uitstoot van verkeer nauwkeuriger kan worden berekend. Op het bedrijf is er sprake van een koude start van de lichte motorvoertuigen (auto) als deze vertrekken vanaf de inrichting. Tevens is er bij de mobiele bronnen sprake van een koude start wanneer deze koud starten op het bedrijf. Voor de vrachtwagens die naar het bedrijf komen is geen sprake van een koude start. Deze arriveren met een warme motor op het bedrijf. Het laden het lossen duurt korter dan 2 uur waardoor deze ook weer met een warme motor vertrekken. Voor het licht verkeer wordt vanuit gegaan dat dit vervoersbewegingen zijn van bijvoorbeeld de bouwvakkers. Deze zijn heel de dag op de bouwplaats aanwezig waardoor de motor koud is bij het vertrekken. Er wordt voor de koude start daarom uitgegaan van de helft van het aantal lichte voertuigbewegingen.

11

5

van

Inzet mobiele werktuigen/materieel met een relevante bijdrage Bron 4: Emissiepunt:

Mobiele bronnen Mobiele bronnen binnen de inrichting

Bij de sloop van de overtollige bebouwing, het bouwrijp maken en de realisatie van de woningen worden mobiele werktuigen ingezet ter ondersteuning van de werkzaamheden. In AERIUS zijn hiervoor meerdere bronclusters opgenomen, gemodelleerd als vlakbron op de bouwplaats (de locaties van de nieuwe woningen met het omliggende werkterrein). De werktuigen zijn geselecteerd binnen de subcategorie ‘Bouw en industrie’ en via ‘eigen specificatie’ is per werktuig het aantal draaiuren ingevuld; de emissies zijn op basis hiervan automatisch berekend. Uitgangspunt is dat alle werktuigen diesel, bouwjaar ≥ 2020, Stage V zijn en zijn uitgerust met SCR/AdBlue. Voor de sloop- en bouwrijpfase betreft het representatief de inzet van een rupskraan 40–50 t (hoofdsloop), een rupskraan 25–30 t (funderingen/nawerk), een shovel/wiellader (intern transport), een trilwals 8–12 t (verdichten) en een minigraver 5–8 t (detailgrondwerk). Voor de bouwfase is gerekend met een graafmachine (grondwerk/riolen/funderingen), betonpomp, mobiele bouwkraan, verreiker, loader en trilplaat; als worstcase is tevens een heistelling opgenomen voor het geval paalfunderingen nodig blijken. De bijbehorende draaiuren per werktuig zijn bepaald op basis van vergelijkbare projecten en de raming voor dit erf en zijn in de tabellen bij deze paragraaf opgenomen. Sloop- en bouwrijpwerkzaamheden 1.

Rupskraan (40-50 ton) Voor de hoofdsloop van hallen en stallen, gecontroleerd neerhalen van opstanden, knippen van staal/hout, loshalen van dak- en gevelelementen en grof uit sorteren aan de bron. Rupskraan Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 250 kW 2020 120 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 2.788 ltr/jaar (23,23 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 167 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

2. Rupskraan (25-30 ton) Voor nabewerking en zwaardere detailtaken, uithakken van funderingen/keerwanden, breken van beton, losmaken van verhardingen en fijnmaziger scheiden van materiaalstromen. Rupskraan Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 150 kW 2020 120 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 1.698 ltr/jaar (14,15 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 102 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

3. Shovel Voor intern transport en logistiek, op- en overslag van sloopmateriaal, beladen van containers/kippers, profileren van puin- en zandlichamen en opruimen/egaleren van het werkterrein. Shovel Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren:

STAGE V, vermogen 140 kW 2020 80 uur 11

6

van

Gemiddelde belasting: 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) Brandstofverbruik: 1.059 ltr/jaar (13,24 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) AdBlue-verbruik: 64 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V) 4. Trilwals Voor verdichting van aangevulde grond en funderingslagen (zand/puingranulaat) bij bouwwegen, terrassen, parkeerplaatsen en cunetten, zodat zettingen en spoorvorming worden voorkomen. Shovel Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 90 kW 2020 60 uur 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 522 ltr/jaar (8,70 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 31 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

5. Mini-graver Voor detailgrondwerk en bouwrijp taken, graven en dichten van sleuven, zetten van kolken/putten, kantafwerking langs erfgrenzen en fijn profileren waar de grote kraan niet kan komen. Shovel Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 55 kW 2020 60 uur 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 331 ltr/jaar (5,52 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 0 ltr/jaar (Niet van toepassing bij vermogen lager dan 56 kW)

Bouwfase 1. Graafmachine Er is aangegeven dat er één graafmachine circa 120 draaiuren bezig is ter ondersteuning van de bouwwerkzaamheden. Graafmachine: Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 100 kW 2020 120 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 1.153 ltr/jaar (9,61 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 69 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

2. Betonpomp Er is een betonpomp noodzakelijk voor het storten van beton voor de nieuwe woningen en de bijgebouwen. Er wordt vanuit gegaan dat er circa 24 uur een betonpomp operationeel is. Met gebruik van de betonstorter wordt de fundering en dergelijke aangebracht. Betonpomp: Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik:

STAGE V, vermogen 200 kW 2020 24 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 449 ltr/jaar (18,69 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 11

7

van

AdBlue-verbruik:

27 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

3. Mobiele bouwkraan De hijskraan is ondersteunend bij het plaatsen van zware materialen zoals sandwichpanelen, ramen, deuren, etc. Er is van uitgegaan dat deze bouwkraan circa 72 draaiuren in gebruik zal zijn. Mobiele bouwkraan Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 120 kW 2020 72 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 822 ltr/jaar (11,42 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 49 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

4. Verreiker De verreiker is ondersteunend bij het verplaatsen van zware materialen. Tevens kan een verreiker met een manbak dienen als hoogwerker. Er is van uitgegaan dat deze verreiker circa 60 uur in gebruik zal zijn. Er is een verreiker aanwezig ter ondersteuning van de bouwfase. Hiermee zal grond worden verzet, groot materiaal worden verplaatst en overig zwaar werk verricht. Op basis van de gegevens van de aannemer zal de verreiker 80 uur actief zijn. Verreiker: Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 74 kW 2020 80 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 580 ltr/jaar (7,25 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 35 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

5.Trilplaat De trilplaat is ondersteunend bij het verdichten van de bouwput. Er is vanuit gegaan dat deze trilplaat circa 16 uur in gebruik zal zijn. Stageklasse: Draaiuren: Brandstofverbruik:

Alle werktuigen op benzine, 2takt 32 uur 160 ltr/jaar (5 ltr/u)

6. Loader Er zal een loader worden ingezet voor het logistiek aan- en afvoer op het erf. Worst-case wordt uitgegaan van 60 uur. Loader Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 120 kW 2020 60 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 359 ltr/jaar (5,98 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 21 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

7. Heistelling 11

8

van

Onduidelijk is of een heistelling noodzakelijk zal zijn. Ter plaatse zijn nog geen sonderingen uitgevoerd om te bepalen of de bodem draagkrachtig genoeg is. Worst-case is derhalve uitgegaan dat een heistelling benodigd is. Hierbij is uitgegaan van 48 uur. Heistelling Stageklasse: Bouwjaar: Draaiuren: Gemiddelde belasting: Brandstofverbruik: AdBlue-verbruik:

STAGE V, vermogen 250 kW 2020 48 uur (zie bovenstaande) 35 % (conform TNO-rapport TNO 2021 R12305) 1.858 ltr/jaar (23,23 ltr/u, tabel TNO-onderzoek TNO 2021 R12305 AUB) 111 ltr/jaar (In invoerinstructie is opgenomen dat AdBlue-verbruik 6% van het brandstofverbruik bedraagt voor Stage IV en V)

11

9

van

Gebruiksfase In de gebruiksfase is het van belang om te kijken welke stikstofemissie afkomstig is van de bestaande woning en de beoogde woningen met bijbehorende activiteiten. Bron 5: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:

Wegverkeer woning noordelijke richting Lijnbron wegverkeer (noordelijke richting) Lichte motorvoertuigen 2.825 lichte voertuigbewegingen per jaar

Bron 6: Emissiepunt: Materiaal: Aantal bewegingen:

Wegverkeer woning zuidelijke richting Lijnbron wegverkeer (zuidelijke richting) Lichte motorvoertuigen 6.592 lichte voertuigbewegingen per jaar

De verkeersgeneratie voor dit plan is bepaald aan de hand van de kentallen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. In deel A van deze publicatie zijn kentallen opgenomen met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking voor onder andere verschillende type woningen in verschillende woonmilieutypes. Het plangebied aan de Maaijkant 2 is gelegen in het ‘buitengebied’. Voor deze omgeving geldt voor een vrijstaande woning een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning. Als worstcase scenario is voor de AERIUS-berekening uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie. In de beoogde situatie wordt één bestaande bedrijfswoning herbestemd naar een woonbestemming en worden twee nieuwe woning gerealiseerd. De stikstofdepositie als gevolg van de verkeersbewegingen wordt berekend op jaarbasis. In het rekenmodel worden de bronnen die per etmaal worden ingevoerd vermenigvuldigd met 365 om de jaarlijkse depositie te berekenen. Dit betekent dat het ook mogelijk is dat er op dagen meerdere vervoersbewegingen zijn en op andere dagen minder. De genoemde aantallen zijn dan ook gemiddelden. In totaliteit zullen er 9.417 lichte voertuigbewegingen plaatsvinden per jaar van en naar de woningen. Bron 7: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:

Koude start Vlakbron koude start Lichte en zware motorvoertuigen 4.709 licht verkeer per jaar, zie onderstaande toelichting

Er komt relatief veel stikstof vrij als voertuigen met een koude motor starten (koude start). Omdat auto’s steeds schoner worden, wordt het aandeel van de koude start in de totale uitstoot van stikstof door verkeer steeds groter. Koude start en rijdend verkeer moeten daarom los worden ingevoerd, zodat de uitstoot van verkeer nauwkeuriger kan worden berekend. Op de locatie is er sprake van een koude start van de lichte motorvoertuigen (auto) als deze vertrekken vanaf de inrichting. Voor de invoer van koude start is dan ook uitgegaan van de helft van 9.417 lichte voertuigbewegingen (auto).

Gasloos bouwen

Voor nieuwbouw geldt sinds 1 juli 2018 een aardgasverbod. Dat betekent dat géén nieuwbouwhuis dat na die datum een vergunning heeft gekregen, op het aardgas mag worden aangesloten. Uit de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’, van 12 d.d. oktober 2020, volgt dan ook dat de emissiefactor van een nieuwbouwwoning nul is. In de bestaande woning aan de Maaijkant 2 is een cv-installatie aanwezig. Het gasverbruik van de bestaande woning is meegenomen in de AERIUS-berekening. Op grond van de emissiewaarden van AERIUS, d.d. 5 juli 2018, dient voor een oudere vrijstaande woning uit te worden gegaan van 3,59 NOx kg per jaar. Bron 8: Emissiepunt:

Stookinstallatie bestaande woning Stookinstallatie woning 11

10 van

Emissie:

Zie bovenstaande toelichting

Buitenlandse gebieden Vanwege de ligging van het bedrijf kan de emissie van stikstof ook effect hebben op de buitenlandse Natura 2000-gebieden. In deze paragraaf is de stikstofdepositie getoetst aan het buitenlandse beleid. Binnen een straal van 25 km van het bedrijf zijn de volgende buitenlandse gebieden meegenomen in de berekening. Omdat het rekenmodel niet automatisch de depositie berekend op de buitenlandse gebieden zijn handmatig enkele rekenpunten geplaatst in het rekenmodel: - Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop (4 km); - Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout (7 km); - Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout (8 km); - Het Blak, Kievitsheide, Ekstergoor en nabijgelegen Kamsalamanderhabitats (13 km); - De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld (17 km); - Klein en Groot Schietveld (18 km); - Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen (18 km); - Ronde Put (24 km). Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op bovengenoemde gebieden. Er kan dus worden geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op de buitenlandse Natura 2000-gebieden. Conclusie Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. op Natura 2000-gebieden zijn.

Derhalve is voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit noodzakelijk.

11

11 van

bestemmingsplan Maaijkant 2, Ulicoten

Bijlage 5 Quickscan flora- en fauna

42

bestemmingsplan "Maaijkant 2, Ulicoten" (concept)

Natuur

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Locatie: Maaijkant 2 Ulicoten Rapportnummer: 2024-BE-0871 In opdracht van: Van Dun Advies Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2024-BE-0871 Opdrachtgever Van Dun Advies Contactpersoon Mevrouw B. Kuppens Locatie Maaijkant 2 Ulicoten Auteur Emma Heeren Collegiale controle Freek Rovers Opleverdatum 4 april 2024

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.

INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4 1.5 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 5

2.

BELEIDSKADER .............................................................................................................. 6 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 6 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 6 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 8 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 8

3.

PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 9 3.1 Huidige situatie ..................................................................................................................... 9

4.

PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 12 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 12 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 13 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 13

5.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 18 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 18 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 19 5.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 29

6.

RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 30 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 30 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 30 6.3 Toelichting op nader onderzoek ........................................................................................ 32

7.

BRONNEN ................................................................................................................... 33

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871

SAMENVATTING

Initiatiefnemer is voornemens om de planlocatie Maaijkant 2 te Ulicoten te herbestemmen in een woonbestemming. De bestaande voormalig agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waarna vier Ruimte-voor-Ruimte woningen gerealiseerd worden. Tevens zal de bestemming van de voormalig agrarische bedrijfswoning gewijzigd worden in de bestemming wonen. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. De beoogde sloop- en herontwikkelingsactiviteiten in het plangebied kunnen leiden tot verlies van leefgebied en verstoring van verblijfplaatsen van vleermuizen. Nader onderzoek naar deze soortengroep wordt geadviseerd, conform Vleermuisprotocol 2021 van NGB.

Dit verdiepend veldonderzoek naar het voorkomen van vleermuizen zal uitwijzen of er een mitigatieplan en een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Er zullen geen verstoringen van natuurgebieden plaatsvinden, en eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient te worden aangetoond of uitgesloten middels een Aerius-berekening. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Emma Heeren Brabant Eco April 2024

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871

1. INLEIDING EN ONDERZOEK

1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies is het voornemen om de planlocatie Maaijkant 2 te Ulicoten de bestaande voormalig agrarische bedrijfsgebouwen te slopen. Daarna worden vier Ruimte-voor-Ruimte woningen gerealiseerd. Tevens zal de bestemming van de voormalig agrarische bedrijfswoning gewijzigd worden in de bestemming wonen. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving.

Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.

1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?

1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871

1.5 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871

2. BELEIDSKADER

De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Omgevingswet is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-Vogelrichtlijn en de EU-Habitatrichtlijn. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden.

2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale Parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000-gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.

2.2 Soortenbescherming De Omgevingswet beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een omgevingsvergunning in het kader van ecologie van de provincie.

2.2.1 Beschermde planten en dieren De Omgevingswet behoudt de drie algemene beschermingsregimes uit de Wet natuurbescherming waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en soorten van nationaal belang zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of omgevingsvergunning. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een omgevingsvergunning of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871 Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. o Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn. o

2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Omgevingswet bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels; o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten; o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels; o Het opzettelijk storen van vogels; o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan. Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca.

700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing.

2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing. De EU-Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.

2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Deze bijlage is overgenomen in de nieuwe Omgevingswet. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen omgevingsvergunning nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Omgevingswet worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 11.27 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

7

Ecologische quickscan Maaijkant 2 Ulicoten, BE-0871 gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderstaand is een tabel van de beginselen van het beschermingregime van de oude Wet natuurbescherming. Deze beginselen zijn overgenomen in de nieuwe Omgevingswet.

Tabel 1: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming

2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Omgevingswet. De gemeente kan voor de Omgevingswet een andere ‘bebouwde kom Omgevingswet’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.

2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Omgevingswet, net als de oude Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496321/1