3.2 - Bijlage 2 - Regels omgevingsplan Goorweg 1a
Tekst van het document
planstatus concept
ref erentie TAMGoor1a /
pagina 32 van 39
bouwmassa's bepaald beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n); stedenbouwkundige waarde/kwaliteit: de waarde die een gebied heeft in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals de stedenbouwkundige situatie en infrastructuur, alsmede de ligging en hoogte van bouwwerken in dat gebied; straatmeubilair: verkeersgeleiders, rampalen/amsterdammertjes, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, telefooncellen, abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen en daarmee vergelijkbare objecten; Teeltondersteunende voorziening: (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuin-bouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren; hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en
meststoffengebruik. 1. Permanentate teeltondersteunende voorziening: teeltondersteunende voorzieningen die voor een periode langer dan 6 maanden worden gebruikt. 2. Tijdelijke teeltondersteunende voorziening; teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een minimum van 1 maand en een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, stellingen met eventueel regenkappen; 3. overige (teelt)ondersteunende voorzieningen: permanente (teelt)ondersteunende voorzieningen in de vorm van een afscheiding, eventueel in de vorm van een hek , met een hoogte van niet meer dan 2,5 m, op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden.
voorgevel: een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw; voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de grenzen van het bouwperceel; openbare nutsvoorzieningen: op het openbare net aangesloten werken en/of bouwwerken ten behoeve van het openbaar nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen: al het oppervlakte water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.; werken en werkzaamheden: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies, geen bouwwerken zijnde, en inrichtingen en de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om deze te realiseren; woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, of voor de huisvesting buiten het verband van een huishouden tot en met maximaal vier personen.
planstatus concept
ref erentie TAMGoor1a /
pagina 33 van 39
Bijlage 2
planstatus concept
Landschappelijk inpassingsplan
ref erentie TAMGoor1a /
pagina 34 van 39
Memo onderwerp bestemd voor ter attentie van opgesteld door
Planologische procedure Goorweg 1a BaarleNassau Wouters Advies T. Wouters (Wouters Advies) Ivo Dieleman
datum 1 december 2025 referentie 251093_AdB_MEM_0001_v3.0_toelichting
LIP projectnummer 251093
Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Baarle-Nassau ten westen van en net buiten de kern van BaarleNassau zelf. Het plangebied bestaat kadastraal gezien uit twee percelen en heeft momenteel een agrarische functie. Het zuidoostelijk deel van het plangebied (rood omkaderd op onderstaande afbeelding) wordt verkocht aan een ontwikkelende partij. Op het noordelijk deel van het plangebied (geel omkaderd) staat een bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning en alle op dit deel van het perceel aanwezige opstallen worden verwijderd. De initiatiefnemer is voornemens twee woningen te bouwen binnen het geel omkaderde deel van het perceel. In het blauw omkaderde deel van het perceel wordt één woning gebouwd die refereert naar de cultuurhistorie van het gebied. Vanwege de ligging in het buitengebied is het noodzakelijk het initiatief landschappelijk in te passen. Hiermee wordt gewaarborgd dat er een robuuste en passende overgang naar de omgeving wordt gevormd.
Luchtfoto van het plangebied (bron: QGIS)
Luchtfoto obliek (bron: Cyclomedia Streetsmart)
P 1/4
Baarle-Nassau is onderdeel van het zandlandschap en gebouwd op een dekzandplateau. Dit is een landvorm die is ontstaan door de afzetting van materiaal door de wind. Een dekzandplateau is een hoger gelegen deel in het landschap. De aanwezigheid van stromend water in de nabijheid maakte deze locatie in het verleden geschikt voor wonen. Het plangebied is geomorfologisch gezien gelegen op een terrasafzettingswelving, deze landvormen vormen de overgang tussen het dekzandplateau en de dalvormige laagtes. Terrasafzettingswelvingen zijn ontstaan door erosie en afzetting van sedimenten op de flanken die van nature al hoger liggen. Deze processen resulteren in het ontstaan van terrassen of golfvormige patronen op de hellingen. Subtiele hoogte verschillen tot maximaal 1 meter zijn duidelijk zichtbaar op de hoogtekaart.
Hoogtekaart (bron: AHN viewer)
Het plangebied is gelegen op hoge zwarte enkeerdgronden. Deze bodemsoort duidt op de ligging van een Es op ontgonnen woeste gronden en zijn ontstaan door het potstalsysteem, een systeem waarbij mest vermengd met heideplaggen over de akkers werd verspreid.
Topografisch kaart 1900 (bron: Topotijdreis)
Topografisch kaart 2024 (bron: Topotijdreis)
Karakteristieke landschapselementen voor deze omgeving zijn perceelrandbegroeiingen en bosjes. Deze landschapselementen diende er onder andere voor om vee op het perceel te houden. Na de opkomst van prikkeldraad zijn veel van deze perceelrandbegroeiingen verdwenen. In het huidige landschap, in de directe nabijheid van het plangebied zijn er echter nog een aantal van deze landschapselementen aanwezig wat bijdraagt aan het karakter van het gebied. De potentieel natuurlijke vegetatie (PNV) van het gebied is een ‘Droog berken-zomereikenbos’ met kernsoorten als zomereik, ruwe berk, wilde lijsterbes en grove den.
datum referentie
1 december 2025 251093_AdB_MEM_0001_v3.0_toelichting LIP
P 2/4
Landschappelijke inpassing De basisgedachte voor de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling is om aan te sluiten op de nog aanwezige landschapselementen van kleine bosjes en bossingels ter behoud en versterking van het huidige landschap. Op deze manier wordt de beoogde ontwikkeling op een vanzelfsprekende en natuurlijke wijze ingepast.
Landschappelijke inpassing
Bossingel Rondom het meest noordelijke nieuwe perceel wordt een bossingel geplant met een breedte van circa 10 meter. De nieuw aan te planten bossingel sluit aan op het bestaande bosje aan de zuidwestzijde van het plangebied. Door de aansluiting op het bestaande bosje en het robuuste uiterlijk ervan sluit het perceel visueel naadloos aan. De bossingel bestaat uit een boomlaag en een struiklaag. Met de selectie van plantsoorten wordt aangesloten op de potentieel natuurlijke vegetatie van het gebied. Tevens is de ‘Soortenlijst landschapspakketten’ van de provincie Noord-Brabant gebruikt om de volgende soorten te selecteren; • De boomlaag wordt gevormd door Quercus robur, Pinus sylvestris, Betula pendula, Acer campestre en Quercus petraea • De struiklaag bestaat uit 20% Rhamnus frangula, 20% Cytisus scoparius, 20% Prunus spinosa, 20% Ilex aquifolium, 10% Rosa canina, 10% Corylus avellana De toegepaste gebiedseigen soorten resulteren in een versterking van de biodiversiteit waarbij ze enerzijds schuil- als broedplaatsen biedt voor diverse vogels en kleine zoogdieren alsmede een bron van voedsel vormen voor vogels, kleine zoogdieren en insecten.
datum referentie
1 december 2025 251093_AdB_MEM_0001_v3.0_toelichting LIP
P 3/4
De watergang grenzen aan de noordzijde van het plangebied heeft een beschermingszone waar geen bomen en struiken geplant mogen worden. Deze zone wordt ingezaaid met bloem- en kruidenrijk grasland. Bloem- en kruidenrijk grasland Het grasland wordt ingezaaid met het mengsel G1 van Cruydt-Hoeck. Het mengsel bevat inheemse soorten bestaande uit eenjarige, meerjarige en vaste planten wat is afgestemd op de grondsoort. Dit mengsel is zeer geschikt voor zandgrond en lemige zandgrond (van voedselarm tot matig voedselrijk) en heeft een ingetogen karakter. Door goed beheer kan zich een duurzame natuurlijke middelhoge vegetatie ontwikkelen. Een bloemrijk resultaat is te verwachten vanaf het tweede of derde jaar. Met dit mengsel wordt een positieve bijdrage geleverd aan de biodiversiteit omdat het mengsel 100% inheems is en daarmee waardevol voor bestuivers zoals wilde bijen, vlinders en hommels is. Bij de selectie van een gelijkwaardig alternatief is het van belang een mengsel te selecteren wat voor 100% uit inheemse zaden bestaat en bij voorkeur biologisch is geteeld.
Cultuurhistorisch landschapselement Met het cultuurhistorisch landschapselement wordt aangesloten op de groenstructuur uit het plan Leuveren fase 2. Door deze aansluiting wordt een stedenbouwkundige eenheid ontworpen, een robuust landschapselement met cultuurhistorische waarde gecreëerd en is het voornemen voor de Goorweg 1a landschappelijk ingepast. Laan van landschapsbomen Het cultuurhistorisch landschapselement bestaat uit een laan van landschapsbomen. Vanuit de cultuurhistorie worden de bomen in rijen geplant waarbij deze steeds exact dezelfde onderlinge afstand hebben. Ook het type boom speelt een rol in het creëren van een cultuurhistorische laan, deze werden altijd aangeplant in één en dezelfde boomtype. De laan binnen de zone cultuurhistorisch landschapselement zal aangeplant worden met Quercus petraea (wintereik). Deze inheemse soort is onderdeel van de potentieel natuurlijke vegetatie die past bij het ‘Droog berken-zomereikenbos’. De Laan van landschapsbomen wordt aangeplant in bloem- en kruidenrijk grasland, zie toelichting ‘bloem- en kruidenrijk grasland’.
Inrichting Op de afbeelding van de landschappelijke inpassing is aan de hand van een rode stippellijn een ‘zone landschappelijke inpassing’ aangeduid. Aanvullend luidt het advies om ook de erfgrenzen van de percelen vorm te geven als een natuurlijk element passend in het landschap. Knip- en scheerheg De percelen aan de voor- en onderlinge zijdelingse erfgrens worden vóór de voorgevellijn voorzien van een nieuw te planten gemengde knip- en scheerheg met een hoogte van 1,0 meter. De onderlinge zijdelingse erfgrens achter de voorgevellijn worden voorzien van een nieuw te planten gemengde knip- en scheerheg met een hoogte van 2,0 meter. De knip- en scheerheg bestaat voor 33% uit Liguster vulgare, 33% Acer campestre en 33% Prunus spinosa. De toegepaste gebiedseigen soorten resulteren in een gedeeltelijk groenblijvende heg, welke zowel schuil- als broedplaatsen biedt voor diverse vogels en kleine zoogdieren alsmede een bron van voedsel voor insecten. Door het toepassen van bovenstaande landschapselementen is er sprake van een robuuste inpassing van het initiatief en worden de al aanwezige landschappelijke kwaliteiten verder versterkt.
datum referentie
1 december 2025 251093_AdB_MEM_0001_v3.0_toelichting LIP
P 4/4
N 19
Legenda
N8
Nieuwe woning (indicatief) N7
Bestaande woning
r de On
Ac
ne zo ds u ho
Bp
Bestaande bomen in de omgeving
Qp
Qr Bp
Ac Bp
Ps
ri
bk
Qp
Qp Ps
Qp
Qp Qp
Qp
Qp
Bloemrijk grasland nieuw in te zaaien Mengsel G1 van Cruydthoeck o.g. alternatief. Eenjarig, tweejarig en vaste plant. Beheer: Jaarlijks 1 tot 2 keer maaien en bij voorkeur gefaseerd, zodat er steeds delen kunnen bloeien. Het maaisel afvoeren.
3 ri
klk
klk
Qr
Qp Qp Qp
Bp
1a
Qp Qp
N 25
Qp
Qp
Qp
Laan van landschapsbomen aan te planten in bloemrijk kruidengrasland. Boomsoort: Quercus petraea
klk
eg
Qp
N 27
orw
Ps
Qp
Qp
Qp Qp Qp Qp Qp Qp
Go
Qp
Qr
N 933
5
Qp Qp
Nieuw aan te planten bossingel Soorten gemixt planten in een driehoeksverband met een plantafstand van 1,5 x 1,5 meter. Soorten: Boomlaag: Qr - Quercus robur, Ps - Pinus sylvestris, Bp - Betula pendula, Ac - Acer campestre, Qp - Quercus petraea Struiklaag: 20% Rhamnus frangula, 20% Cytisus scoparius, 20% Prunus spinosa, 20% Ilex aquifolium, 10% Rosa canina, 10% Corylus avellana Beheer: Snoeiwerkzaamheden vinden plaats tussen 1 november en 15 maart. Bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode 15 juli tot 15 maart plaats vinden. Zone landschappelijke inpassing
N 29
Zone cultuurhistorisch landschapselement bk
tru ns oe 2 gr ase ge n f sti ere om ov ek L To
N 26
35
44
c tu N 909
ur
Lo
ve
re
n
N 28
Landschappelijke inpassing N 92
Goorweg 1a, Baarle-Nassau
Aveco de Bondt bv
versie
: 251093_AdB_TEK_0001_v3.1_LIP
Postbus 64
opdrachtgever
: Wouters Advies
7450 AB Holten
gemeente
: Baarle Nassau
tel.
: +31 548 8533 33
getekend
: 1-12-2025
: info@avecodebondt.nl
website : www.avecodebondt.nl
1:1000 0m
10m
20m
30m
40m
A3 50m