CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 - Bijlage 2 - Regels omgevingsplan Goorweg 1a

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen10.905 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Goorweg 1a Baarle Nassau

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een woonfunctie ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf in het landelijk gebied. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) in het omgevingsplan Baarle-Nassau. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Dus: hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22g, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22g, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22g, paragraaf 3; hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22g, paragraaf 4; hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22g, paragraaf 5. bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22g.1

Inhoudsopgave

Regels Goorweg 1a Baarle-Nassau

3

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen Artikel 3 Toepassingsbereik

4 4 5 6

Hoofdstuk 2 Functies Artikel 4 Wonen - Landelijke gebieden Artikel 5 Groen - Landschappelijke inpassing

7 7 11

Hoofdstuk 3 Thema's Artikel 6 Waarde- Archeologie 1 Artikel 7 Waarde- Archeologie 2 Artikel 8 Gebruik Artikel 9 Bouwen

13 13 18 23 24

Hoofdstuk 4 Artikel 10

Procesregels Algemene bepalingen

26 26

Hoofdstuk 5 Artikel 11

Overgangsrecht en slotbepalingen Overgangsrecht

27 27

Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Begripsbepalingen Bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

29 30 34

pagina 2 van 39

Regels Goorweg 1a Baarle-Nassau

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 3 van 39

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 1. 2.

Begripsbepalingen

Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 4 van 39

Artikel 2

Meet- en rekenbepalingen

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 1.

de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg. 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren. 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 9.

de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen. 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 12. peil: a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 5 van 39

Artikel 3 1. 2. 3.

Toepassingsbereik

De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Goorweg 1a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1723.TAMGoorweg1a-ON01 zoals vastgelegd op Regels-op-de-kaart.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 6 van 39

Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 4 4.1

Wonen - Landelijke gebieden

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Wonen Landelijke gebieden'. 4.2

Toegestane gebruiksactiviteiten

4.2.1

aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

1.

2.

Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. wonen in een woning; b. het exploiteren van een bed and breakfast. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. tuinen en erven; b. in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen d. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, e. groen- en speelvoorzieningen.

4.2.2 1.

2.

3.

Voorwaardelijke verplichting

Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in lid 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in Artikel 5 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden; Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in lid 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien het oppervlak aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op de Goorweg 1a volledig wordt gesloopt, maximaal na 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in lid 4.2.1. is uitsluitend toegestaan indien er een nader ecologisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar huis- en ringmussen, uiterlijk voor het uitvoeren van de bouwactiviteit.

4.3

Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

4.3.1

Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van lid 4.4 te verrichten of te laten verrichten. 4.3.2 1.

Aanvraagvereisten en b eoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis

Onverminderd het bepaalde in 11.2, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 7 van 39

2.

omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden: a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als: a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is; b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend; c. geen buitenopslag en buitenactiviteiten; d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en, e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.

4.4

Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 en 4.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte; het wonen en verblijven in kampeermiddelen; activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf, met uitzondering van het exploiteren van een bed and breakfast; het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf; het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie; het parkeren voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van in- /uitritten behorende bij een woning, tenzij op de kaart anders geregeld; en, het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud.

4.5

Toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan de volgende bouwactiviteiten ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel te verrichten of te laten verrichten: a.

het bouwen van pergola's in het achtererfgebied van het hoofdgebouw met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

4.6

Vergunningplichtige bouwactiviteiten

4.6.1

Algemene b eoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: a.

gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd;

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 8 van 39

b.

indien de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak ligt of een grotere maatvoering heeft dan in 4.6.2 of 4.6.3 is aangegeven: geen verdere uitbreiding plaatsvindt. Gebruik ten behoeve van het wonen en algehele herbouw van een woning op bestaande fundamenten is toegestaan;

4.6.2

Beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als: a. b. c. d. e. f.

per bouwvlak geldt het maximum aantal woningen dat op de kaart is aangegeven met de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden'; ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' een twee-onder-een-kapwoning wordt gebouwd; de toegestane goot- en bouwhoogte maximaal de op de verbeelding aangeduide maatvoering, 'maximum goothoogte (m) - maximum bouwhoogte (m)', bedraagt; de inhoud van de woningen maximaal de op de verbeelding aangeduide maatvoering, 'maximum volume (m3)', bedraagt; de helling minimaal 12 en maximaal 60 graden bedraagt indien het hoofdgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak; de minimale afstand tot de perceelsgrens 8 meter bedraagt.

4.6.3

Beoordelingsregels b ijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt verleend als: a. b.

c. d.

de afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw niet minder bedraagt dan 2 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 1 meter; de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,5 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze goot- en/of bouwhoogte; de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en, de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoen aan de eisen van het hoofdgebouw als bedoeld in 4.6.1, bedraagt maximaal 100 m², uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximaal oppervlakte bijbehorende bouwwerken' waarbij de op de kaart aangegeven maat het maximum bedraagt.

4.6.4

Beoordelingsregels b ouwwerken, geen geb ouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als: a. b. c.

voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter; achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter;

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 9 van 39

d.

4.7 1.

2.

de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter.

Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.5 en 4.6 ten behoeve van het wonen als bedoeld in dit artikel. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: a. kassen groter dan 20 m 2

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 10 van 39

Artikel 5 5.1

Groen - Landschappelijke inpassing

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen 'Groen - Landschappelijke inpassing'. 5.2 1.

2.

5.3 1.

2.

5.4

Toegestane gebruiksactiviteiten Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 2, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap; b. zich verplaatsen; en, c. extensief recreatief verblijven. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. groen- en speelvoorzieningen; b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 5.2 onder a. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als: a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; b. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden.

Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. 2. 3.

5.5

het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen; activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en, het gebruik voor parkeren.

Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 11 van 39

1. 2. 3. 4.

5.6 1.

2.

sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter; de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn; erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht.

Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: a. paardenbakken; en, b. kassen.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 12 van 39

Hoofdstuk 3

Thema's

Artikel 6

Waarde- Archeologie 1

6.1

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 1’. 6.2

Toegestane gebruiksactiviteiten

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de bestemming 'Waarde Archeologie 1' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie. 6.3

Verboden bouwactiviteiten

6.3.1

Verb od

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 1' bestemde gronden. 6.3.2

Uitzonderingen

Het in lid 6.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a.

b.

c.

d.

bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 50 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies, of; bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s); of; de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.4

Vergunningsplichte bouwactiviteiten

6.4.1

Afwijken van het verbod

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 6.3.1 , ten dienste van de andere geldende functie(s), indien: a.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 13 van 39

b.

c.

goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

6.4.2

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 6.4.3

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 6.3.1 laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.5

Vergunningsplichte werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)

6.5.1

Verb od

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 1': a.

b. c. d. e. f.

het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 14 van 39

g.

worden verwijderd; het ophogen van gronden.

6.5.2

Uitzonderingen op het verbod

Het in artikel 6.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. b.

c.

d. e. f.

g.

h.

het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m², of; het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone bosgebied', of; de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag.

Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.5.1 onder g betreft, waarbij: 1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.5.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.3.1 wordt verleend als: a.

b.

c.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 15 van 39

2. 3.

6.5.4

bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 6.5.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 , laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologischdeskundige.

6.6

Vergunningsplichte sloopactiviteiten

6.6.1

Verb od

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

6.6.2 a. b.

c. d. e.

Uitzonderingen op het verbod

het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m², of; het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of; de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.6.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.3.1 wordt slechts verleend als: a.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 16 van 39

b.

c.

goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

6.6.4

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

6.6.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 , laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.7

Nadere eisen

6.7.1

Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 17 van 39

Artikel 7 7.1

Waarde- Archeologie 2

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’. 7.2

Toegestane gebruiksactiviteiten

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de bestemming 'Waarde Archeologie 2' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie. 7.3

Verboden bouwactiviteiten

7.3.1

Verb od

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 2' bestemde gronden. 7.3.2

Uitzonderingen

Het in lid 7.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a.

b.

c.

d.

bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies, of; bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s); of; de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.4

Vergunningsplichte bouwactiviteiten

7.4.1

Afwijken van het verbod

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 7.3.1 , ten dienste van de andere geldende functie(s), indien: a.

b.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 18 van 39

c.

goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

7.4.2

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 7.4.3

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 7.3.1 laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.5

Vergunningsplichte werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)

7.5.1

Verb od

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 2': a.

b. c. d. e. f. g.

het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; het ophogen van gronden.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 19 van 39

7.5.2

Uitzonderingen op het verbod

Het in artikel 7.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. b.

c.

d. e. f.

g.

h.

het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone bosgebied', of; de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag.

Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.5.1 onder g betreft, waarbij: 1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.5.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 7.3.1 wordt verleend als: a.

b.

c.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 20 van 39

3.

7.5.4

conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 7.5.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 , laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologischdeskundige.

7.6

Vergunningsplichte sloopactiviteiten

7.6.1

Verb od

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

7.6.2 a. b.

c. d. e.

Uitzonderingen op het verbod

het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of; de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.6.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 7.3.1 wordt slechts verleend als: a.

b.

op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 21 van 39

c.

goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

7.6.4

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

7.6.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 , laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.7

Nadere eisen

7.7.1

Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 22 van 39

Artikel 8

Gebruik

8.1

Verbod

8.1.1

Verb oden geb ruiksactiviteiten

1.

2.

Het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het is ter plaatse van de gronden met aan aanduiding 'overige zone - spuitvrije zone' verboden om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, voor zover er sprake is van teelt in de open lucht.

8.1.2

Uitzonderingen

Het in lid 8.1.1 genoemde verbod in lid 4 geldt niet voor: a. b.

het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dat plaatsvindt in overeenstemming met een driftreductieplan dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen die zijn vrijgesteld van het verbod overeenkomstig de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

8.1.3

Toelichting en werkingssfeer

De overige regels van de onderliggende bestemmingen blijven onverminderd van toepassing. Er worden geen bestaande bestemmingen, dubbelbestemmingen of aanduidingen uit het bestemmingsplan Buitengebied 2008 herzien of gewijzigd.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 23 van 39

Artikel 9

Bouwen

9.1

Algemene bepalingen

9.1.1

Anti-dub b eltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

9.1.2 1.

2.

3. 4.

Bestaande maatvoering toegestaan

Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. Het bepaalde 9.1.2. onder 1 en 2 is niet van toepassing op oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de functie 'Wonen', waarop meer dan 200 m² bijbehorende bouwwerken aanwezig is, voor zover in overeenstemming met verleende vergunning(en) tot stand gekomen.

9.2

Vergunningplichtige bouwactiviteiten

9.2.1

Algemene b eoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten

1.

2.

3.

In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als: a. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies; b. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 24 van 39

beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.

9.2.2

Inwinning advies welstand

Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.

9.3

Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 en 3.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 25 van 39

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 10

Algemene bepalingen

10.1

Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning

1.

De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en, de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.

2. 3. 4.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 26 van 39

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 11 11.1 1.

2. 3.

11.2 1.

2.

3.

4.

11.3 1.

2.

3.

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2, mag worden voortgezet. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Eerbiedigende werking overige activiteiten Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 11.1 en 11.2 die op het moment van de

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 27 van 39

inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 28 van 39

Bijlagen bij de regels

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 29 van 39

Bijlage 1

Begripsbepalingen

In dit 'TAM-IMRO omgevingsplan Hoofdstuk 22g, Goorweg 1a Baarle-Nassau woningbouw' wordt verstaan onder: achtererfgebied: gebouwerf zoals bedoeld in bijlage 1 bij artikel 1.1 van het Bbl, uitgaande van de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 3 m achter de voorkant; afhankelijke woonruimte: een bijgebouw/bedrijfsgebouw dat een ruimtelijke en planologische eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg is gehuisvest; agrarisch bedrijf: een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: 1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, waaronder bollenteelt, daaronder niet begrepen sier- en fruitteelt, boomkwekerij en bosbouw; 2. boomkwekerij: een bedrijf gericht op het telen van bomen al dan niet gecombineerd met de verhandeling daarvan; 3. bosbouw: de teelt van bomen ten behoeve van de houtproductie; 4. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder tevens wordt verstaan een paardenfokkerij; 5.

intensieve veehouderij: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen; 6. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; 7. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen; 8. fruitteelt: de teelt van fruit; 9. bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen; 10. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht; 11. paardenfokkerij: het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de handel in paarden in ondergeschikte mate plaatsvindt; onder paardenfokkerij wordt niet verstaan paardenstalling en manege.

bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; bebouwingspercentage: een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwperceel/bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; bed and breakfast: recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf, binnen de bestaande (bedrijfs)woning of bijgebouw dat door de beperkte omvang in een woning, met behoud van de woonfunctie, door de bewoner van de woning wordt uitgeoefend; bedrijfsactiviteiten aan huis: het door een bewoner van een woning: 1. het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten; 2. bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk; waarbij de woning in een overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een internethandel. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel en sexinrichtingen; begane grond: bouwlaag waarvan bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer ter

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 30 van 39

hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een onderbouw; bestaand: 1. het gebruik op een locatie dat op het tijdstip van vaststelling van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning; 2. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met de voorheen geldende gebruiks- en/of bouwregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder mede begrepen de overgangsbepalingen, of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; bouwlaag: een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop

ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; dakopbouw: een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst; detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van het bieden van gelegenheid om gekochte etenswaren ter plaatse te nuttigen; dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een belwinkel en internetcafé; eerste bouwlaag: de eerste volledige bouwlaag boven het peil; eenmanszaak: onderneming die door één persoon wordt

geëxploiteerd, maar wel personeel in dienst kan hebben; druiplijn: de lijn die van onderen het dak begrenst; erker: een aan nader bepaalde maatvoeringeisen verbonden ondergeschikt aangebouwd gedeelte (aanbouw) van een woning aan een gevel in één bouwlaag, eventueel met een schuin kapje; extensief recreatief verblijven: een extensieve recreatieve niet-bedrijfsmatige gebruiksvorm, welke zich beperkt tot bijvoorbeeld wandelen, paardrijden, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie en de daarbij behorende extensieve recreatieve voorzieningen zoals banken, bewegwijzering en picknicktafels, ondergeschikt aan de overige ingevolge de functie toegestane gebruiksactiviteiten, en dientengevolge niet

planstatus concept

ref erentie TAMGoor1a /

pagina 31 van 39

het primaire c.q. hoofdgebruik betreffende; gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; gevellijn: de als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd; bewoner: iemand die officieel als bewoner van een woning of ander gebouw geregistreerd is en daarmee onder andere verantwoordelijk is voor het betalen van bepaalde lasten; hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken huishouden: persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.

Kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen; internethandel: verkoop via internet aan particulieren, zonder showroom en waarvan de bestelling en betaling voornamelijk via internet verloopt en bezorging per post, alsmede opslag zonder dat producten ter plaatse worden afgehaald, bekeken of betaald; kap: een constructie van één of meer dakvlakken; kamerverhuur: gebouw en/of gedeelte van een gebouw waarin onzelfstandige woonruimte wordt verleend aan personen die geen huishouden vormen; kampeermiddelen: niet als een bouwwerk aan te merken vouwwagens, campers, tenten, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief dagen/of nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussenpersonen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring (zorgindicatie) van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeenteaangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; ondergeschikt bouwdeel: 1.

een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak en/of; 2. ondergeschikte delen van een ondergronds bouwwerk die zichtbaar zijn boven peil; ondergronds bouwwerk: een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil; ondergrondse werken: werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden; Open constructie erf- en terreinafscheiding: constructie met een doorkijk, voor minimaal 80 % voorzien van open delen, zoals een constructie als een hekwerk. overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van maximaal één gesloten wand; peil: 1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2.

voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; pré-mantelzorg: mantelzorg waarbij de behoefte met een verklaring (zorgindicatie) van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeenteaangewezen sociaal-medisch adviseur nog niet kan worden aangetoond maar deze gezien de gevorderde leeftijd, een progressieve ziekte en/of een psychische beperking mogelijk wel op termijn te verwachten is; stedenbouwkundige samenhang: het door de omvang, de vorm en de situering van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496327/1