3.1 - Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
Tekst van het document
Afbeelding 8: Uitsnede ‘Wateratlas’ provincie Noord-Brabant Daarnaast zal bij de bouw van de bebouwing gebruik worden gemaakt van niet-uitlogende materialen. In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met zowel oppervlakken als daken. Bij de bouw van de bebouwing zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Daarnaast is het verplicht om bij nieuwe ontwikkelingen niet-uitlogende bouwmaterialen toe te passen: dus geen zink, koper, zacht PVC en lood. Hiermee wordt verontreiniging van het afstromende hemelwater beperkt. In het kader van het beoogde plan wordt rekening gehouden met deze verplichting. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
27
De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: 1. Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; 2. Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; 3. Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; 4. Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; 5. Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 9. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
28
Afbeelding 9: Uitsnede Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 3.2.3) Interim Omgevingsverordening 4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning i.h.k.v. Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag welke is gelegen op een afstand van circa 10,8 kilometer.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
29
De uitbreiding van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren welke kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Met name de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Voor het bedrijf is op 30 december 2020 een vergunning Wet Natuurbescherming verleend voor een totale ammoniakemissie van 1.842,5 kg. Voor gewenste bedrijfssituatie is een aanvraag om een vergunning Wet Natuurbescherming ingediend bij de provincie Noord-Brabant. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Uit de Aerius berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 7, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.
Overige storingsfactoren De beoogde uitbreiding van de veehouderij leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Bescherming van soorten
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: ▪ Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). ▪ Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. ▪ Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
30
Gelet op de aard van het initiatief aan de Zondereigensebaan 6, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren vleeskalverenstal, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Tevens is de effectenindicator, welke beschikbaar is gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ingevuld. De ruimtelijke ingreep betreft het bouwen van een nieuwe vleeskalverenstal. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Flora- en Faunawet onwaarschijnlijk is, zie Afbeelding 10. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
31
Afbeelding 10: Ingevulde effectenindicator 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde woning moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie
De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijke toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
32
In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie afbeelding 12. De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW. Uit afbeelding 12 blijkt dat het plangebied is gelegen in de regio De Baronie. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen.
De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door het besloten zandontginningslandschap. Er zijn reeds hagen aanwezig welke aansluiten op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap. In het landschappelijk inpassingsplan is hierbij aangesloten door de aanleg van bomen en struweel rondom de (beoogde) bebouwing. Hierdoor wordt beslotenheid van het landschap teruggebracht. De beoogde bedrijfsontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie.
Afbeelding 12: Uitsnede CHW kaart provincie Noord-Brabant, projectlocatie rood omcirkeld
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
33
4.4.2
Aardkundig waardevolle gebieden
Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke gelden. De projectlocatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.
4.4.3
Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). ). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. Ten aanzien van het archeologiebeleid heeft de gemeente Baarle-Nassau de archeologieverordening opgesteld. Ter uitvoering van het archeologiebeleid is teven de archeologische beleidskaart opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is aangegeven in welke gebieden archeologische waarden zijn te verwachten of aanwezig zijn. In deze gebieden mogen diepere graafwerkzaamheden pas worden uitgevoerd als hiervoor een vergunning is verleend. ‘Conform de archeologische beleidskaart is het plangebied deels aangewezen als categorie 2, wat ‘archeologische vindplaats’ betreft. En categorie 6, wat een lage archeologische verwachtingswaarde betreft, zie afbeelding 13. Voor de met aangewezen categorie 2 met archeologische vindplaats gronden geldt op grond van de archeologieverordening een verbod om zonder vergunning van het college de gronden te verstoren, te beschadigen of te vernielen.
Een uitzondering op deze regeling is volgens artikel 4 lid 2b bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 40cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 100m² in categorie 2 op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente BaarleNassau. Voor de met aangewezen categorie 6 gronden geldt op grond van de archeologieverordening geen verbod om zonder vergunning van het college de gronden te verstoren, te beschadigen of te vernielen. De nieuw te bouwen stal wordt voor het grootste gedeelte gerealiseerd op gronden met categorie 6 en voor minder dan 100 m² op gronden met categorie 2. Derhalve mogen met de bouwwerkzaamheden binnen het plangebied de gronden verstoord worden.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
34
Op de projectlocatie is een bestaande mestbassin van circa 400 m2 aanwezig die via deze aanvraag omgevingsvergunning planologisch wordt geregeld. Het bassin is medio 2017 aangelegd, de gronden zijn toentertijd voor de bouwwerkzaamheden verstoord. Een nader archeologisch onderzoek naar de mogelijke archeologische waarde in de bodem is niet noodzakelijk.
Afbeelding 11: Uitsnede archeologische beleidskaart Baarle-Nassau, plangebied aangeduid met blauw gestipte lijn
4.5
4.5.1
Geur
Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning (onderdeel milieu). Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een burgerwoning). Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter lucht. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van de veehouderij binnen of buiten concentratiegebieden en de ligging van de veehouderij binnen of buiten de bebouwde kom. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-stacks. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.
Voor de beoogde ontwikkeling op de locatie aan Zondereigensebaan 6 in Baarle-Nassau is een geuronderzoek uitgevoerd voor de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. Het onderzoek is
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
35
vervat in het rapport ‘Onderzoek geurbelasting’ welke is bijgevoegd in Bijlage 4. In dit rapport is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan alle gestelde geurnormen. In dit onderzoek is tevens aangetoond dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de gebiedsnormen van 12% en 20% geurgehinderden uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten aanzien van het aspect geur zijn bij de beoogde bedrijfsopzet geen belemmeringen voor de doorgang van het plan. 4.6 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.6.1
Kwetsbare gebieden
De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die zijn gelegen in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.
Afbeelding 12: Uitsnede Wav-kaart Noord-Brabant , plangebied aangeduid met zwarte cirkel Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied is gelegen, zie Afbeelding 12. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.
4.6.2
Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen, welke opgenomen is in het Besluit emissiearme huisvesting. Dit besluit is op 1 augustus 2015 in werking getreden. Het Besluit emissiearme huisvesting bepaalt dat dierenverblijven emissiearm moeten zijn, als er emissiearme huisvestingssystemen beschikbaar zijn. Alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde, zijn toegestaan. De maximale emissiewaarden (ammoniak/fijnstof) gelden voor melkvee, vleeskalveren, varkens, kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden. Voor de diercategorie vleeskalveren tot de leeftijd van circa 8 maanden is de maximale emissiefactor voor ammoniak van toepassing op dierverblijven die na 1 januari 2020 worden opgericht.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
36
Initiatiefnemer is voornemens om de nieuwe vleeskalverenstal te realiseren voor 1 januari 2020. Derhalve is de maximale emissiewaarde voor ammoniak niet van toepassing op de nieuw te realiseren stal. Derhalve is het Besluit emissiearme huisvesting niet van toepassing op de veehouderij aan Zondereiegensebaan 6 in Baarle-Nassau. Doordat er een biologische luchtwasser 70% reductie wordt gerealiseerd op de stal voldoet de stal al wel aan de maximale emissiewaarde die geldt voor stallen na 2020. 4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een vleeskalverenhouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, ventilatie en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In voorliggende situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de bouw van een nieuwe stal.
In de inrichting vinden wel activiteiten plaats welke een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten dermate groot dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning activiteit milieu is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij de aanvraag bijgevoegd. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen.
Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd.
PM10
Met behulp van het rekenprogramma ISL3a, zie bijlage 5, is een berekening gemaakt van de belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving. Door middel van het invullen van de invoergegevens (brongegevens en gegevens beschermde objecten) wordt berekend wat de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (microgram/m³) en het aantal overschrijdingsdagen ter plaatse van de rekenpunten is. Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat de jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 18,3 µg/m3 bedraagt. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 6,5 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit).
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
37
PM2,5
Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan moet worden voldaan. Deze grenswaarde is opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer en bedraagt 25 µg/m 3 voor de jaargemiddelde concentratie. In tegenstelling tot PM10 zijn voor PM2,5 geen normen opgenomen met betrekking tot overschrijdingsdagen. Uit de uitgevoerde ISL3a berekening voor PM2,5, zie bijlage 5, volgt dat de jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 11,73 µg/m3 bedraagt. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie (25 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Met de beoogde bedrijfsopzet aan de Zondereigensebaan 6 wordt ruimschoots aan de grenswaarde voor PM2,5 voldaan. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.9 Volksgezondheid Wat betreft volksgezondheid geldt dat gezondheidsrisico’s een optelsom zijn van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.
Een kanttekening bij (de perceptie van) risicogevolgen voor de volksgezondheid moet geplaatst worden bij het gedrag van de burger. Hoe onbekender het onderwerp, des te emotioneler wordt er vaak gereageerd. Veel burgers kennen de strengere eisen uit de veehouderijsector niet en zijn daarom bang van de eventuele gevolgen. De risicoperceptie van de burger speelt daarom in belangrijke mate mee in het imago van de sector met betrekking tot volksgezondheid. Wanneer invloed uitgeoefend kan worden op een risico wordt dit minder dreigend ervaren dan factoren waar geen invloed op kan worden uitgeoefend. Eerder zijn de gevolgen voor het milieu en de omgeving uitgebreid uiteengezet. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen ook de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Daarnaast is er op het bedrijf sprake van een strengere hygiënebarrière om de gezondheid van de dieren op het bedrijf te beschermen. Hieronder wordt verstaan: 1. Beperkt toelaten van bezoekers, alleen indien nodig (bijv. veearts); 2. Bezoekers mogen alleen het bedrijf betreden, nadat een hygiënesluis is gepasseerd waar men bedrijfskleding, laarzen, e.d. aantrekt; 3. Uitsluitend aankopen van voer van bedrijven met een GMP-erkenning en dit voer opslaan in afgesloten silo’s/ruimtes; 4. Afvoer van mest volgens de wettelijke eisen; 5.
Er is sprake van een IKB-geregistreerde aan- en afvoer van dieren; 6. Kadaveropslag en –afvoer volgens de wettelijke eisen; 7. Het bestrijden van ongedierte door een professioneel bedrijf; 8. Voorkomen van antibioticaresistentie door een optimaal stalklimaat, minimaal gebruik van antibiotica, goed voer, en rekening houden met dierenwelzijn; 9. Regelmatig reinigen van het bedrijf, zoals de dierenverblijven, voer- en drinkbakken, erf, etc. Conform de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (endotoxine toetsingskader 1.0) ligt de focus bij varkenshouderijen en pluimveebedrijven. Het soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
38
infectiedruk en het risico van vermenging van bacteriën en virussen. Indien sprake is van het bedrijfsmatig houden van melkgeiten, dan wel het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, dan is advisering vanuit de GGD noodzakelijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid niet verantwoord is. Nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee zijn vanuit volksgezondheid niet gewenst. Voor andere veehouderijsectoren wordt in de notitie vermeld dat deze in beginsel in veedichte gebieden ook bijdragen aan de cumulatieve overschrijding van de advieswaarde, echter de emissies van fijnstof van deze sectoren zijn verhoudingsgewijs laag en de bijdrage aan de cumulatie beperkt (pag. 11 van de betreffende notitie). De rekentool voor veehouderijen berekend enkel afstanden vanuit varkens en pluimvee. De rekentool is niet geschikt voor het berekenen van endotoxinen van uit overige veehouderijensectoren, en dus ook niet voor rundveehouderijen. Endotoxinen zijn gebonden aan stofdeeltjes. Dit betreft met name fijnstof. In het kader van de merbeoordeling is een uitgebreide fijnstofberekening uitgevoerd met ISL3a. Uit deze berekening blijkt dat onderhavig bedrijf op de omliggende rekenpunten een bronbelasting veroorzaakt. Er is dus geen relevante emissie van fijnstof. In dit kader kan dus ook geen relevante emissie van endotoxine te verwachten.
Bij het initiatief wordt de milieuwetgeving nageleefd en technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière benut. Er kan worden geconcludeerd dat de volksgezondheid daarmee afdoende wordt beschermd. 4.10 Landschappelijke inpassing Ter uitvoering van provinciaal- en gemeentelijk beleid dienen de beoogde ontwikkelingen samen te gaan met een landschappelijke inpassing. Voor de locatie aan Zondereigensebaan 6 in Baarle-Nassau is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De locatie is voorzien van een landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen. Op het bedrijf is het onderstaande groen aanwezig. Het totale oppervlakte groen op het erf bedraagt zoals op het landschappelijk inpassingsplan aangegeven 3.102 m². Het bouwvlak heeft een omvang van maximaal 1,486 hectare. In totaal bedraagt deze landschappelijk inpassing 20,87 % van de omvang van het bouwvlak (3.102/14.860*100). Daar dit meer als 10% van de omvang van het bouwvlak. Hiermee wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de vleeskalverenhouderij op de locatie aan Zondereigensebaan 6 in Baarle-Nassau.
Afbeelding 15: Landschappelijke inpassing projectlocatie
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
39
De locatie is gelegen ter plaatse van oude landschappen. Een landschappelijke kenmerk van deze locatie en de omgeving is het relatief kleinschalige landschap. Het betreffende perceel is reeds omkaderd door aanwezige boom- en struweelvormers. De bestaande inheemse bomen en struweel zullen in de toekomst gehandhaafd blijven. Ten noorden van het plangebied zal de bestaande houtsingel worden gerevitaliseerd. Hierbij wordt er op kale plekken nieuwe beplantingselementen toegevoegd: Bomen of struweel. Dit zodat er een volwaardige en robuuste houtsingel ontstaat. Aan de westzijde is reeds een volwaardige houtsingel gelegen. Om deze houtsingel te versterken en nog meer aan kwaliteitsverbetering te kunnen doen, zal deze verbreed worden. Deze nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal. Kleinschalige elementen zoals deze struweel- en boomvormers op erf- en perceelsgrenzen versterken deze kleinschaligheid. Gezien voorgaand worden diverse landschapselementen aangeplant welke zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en welke zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken.
Het landschappelijk inpassingsplan sluit aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving en het sluit aan op de Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau. De landschappelijke inpassing is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting, hierin is het beheerplan voor de komende 10 jaar, de plantsoorten en de oppervlakte van de landschappelijke inpassing weergegeven. 4.11 Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging.
Moerdijk Bodemsanering B.V. heeft d.d. 01-06-2017 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau. Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) werd het volgende geconcludeerd: 1. Tijdens de locatie-inspectie zijn geen bijzonderheden aangetroffen. 2. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. 3. In de bovengrond ter plaatse van de mengmonsters 1 en 2 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. 4. In de ondergrond ter plaatse van mengmonster 3 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. 5. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, nikkel, zink en naftaleen aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte bodemonderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de nieuwbouw van een stal. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
40
veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het besluit heeft betrekking op het gebruik, de opslag en de productieve gevaarlijke stoffen van inrichtingen. Verder heeft het besluit betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen en het gebruik van luchthavens. Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een vleeskalverenhouderij) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Door de bouw van de nieuwe stal worden wel nieuwe beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd. Aangezien de projectlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico’s aanwezig voor de nieuwe stal, zie afbeelding 16. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid.
Afbeelding 6: Uitsnede risicokaart Noord-Brabant, plangebied aangeduid met zwarte cirkel 4.13 Verkeer en parkeren De locatie is gelegen aan de Zondereigensbaan 6, deze weg is via de zevenhuizenbaan te bereiken vanaf de N260. De N260 is de verbinding tussen Baarle-Nassau en Turnhout. Vanaf de locatie is de kern van Baarle-Nassau en de doorgaande weg dan ook goed bereikbaar. Hierdoor is het bedrijf goed te bereiken voor het vervoer ten behoeve van het bedrijf. De locatie wordt ontsloten via de Zondereigensebaan. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om personen- en goederenvervoer adequaat af te wikkelen. Op de locatie is een oprit aanwezig welke aansluit op de Zondereigensebaan. Dit zorgt voor een goede aansluiting op de aanwezige weg. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc.
Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren binnen de projectlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer en parkeren.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
41
4.14 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding ). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
42
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van de ontwerpvergunning volgens artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo). In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden en wordt er een omgevingsdialoog georganiseerd waarin de belangen van de omwonenden worden betrokken.
Inspraak
Allereerst wordt een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning verleend. Deze wordt vervolgens voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning. Na afloop van deze termijn worden de eventuele zienswijzen en adviezen verwerkt, waarna een definitief besluit wordt genomen. Na definitieve verlening van de omgevingsvergunning wordt de beschikking nog 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan er beroep worden ingesteld door degene die zienswijzen hebben ingediend en vinden dat deze niet correct zijn verwerkt of door degene die niet verweten kan worden geen zienswijzen te hebben ingediend tegen het ontwerp. Daags na afloop van de beroepstermijn treedt de omgevingsvergunning in werking. Indien er geen beroep wordt ingesteld is de omgevingsvergunning op dat moment tevens onherroepelijk.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
43
6. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de bouw van een nieuwe vleeskalverenstal op de locatie aan de Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau. De beoogde nieuwe vleeskalverenstal is gedeeltelijk buiten het huidig bouwvlak gelegen en daarom strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om de bouw van een nieuwe vleeskalverenstal mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o Wabo). Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt verantwoord dat de bouw van nieuwe vleeskalverenstal buiten het bouwvlak geen nadelige gevolgen heeft voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op provinciaal niveau vormt geen belemmering voor het initiatief. Het initiatief past binnen de beleidskaders van de Omgevingsvisie Noord-Brabant, de Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en voldoet aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het beoogde initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving.
De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, luchtkwaliteit en volksgezondheid tonen aan dat het beoogde initiatief milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken met betrekking tot de aspecten natuur, archeologie, externe veiligheid en waterhuishoudkunde wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door de locatie landschappelijk in te passen. Resumerend kan worden geconcludeerd dat het beoogde initiatief een verantwoord initiatief betreft. Derhalve kan de bouw van de vleeskalverenstal aan de Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau doorgang vinden.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
44
7. Bijlagen Bijlage 1: Plattegrondtekening beoogde bedrijfsopzet Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bijlage 4: Onderzoek geurbelasting Bijlage 5: Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 6: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 7: Aerius berekening Bijlage 8: Akoestisch onderzoek Bijlage 9: Aanvullend akoestisch onderzoek stiltegebied 2022-3088-b4070/382 Bijlage 10: Verkennend bodemonderzoek d.d. 01-06-2017 Bijlage 11: Voorgrondgeur berekening met nieuw geurnorm gemeente Baarle-Nassau
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
45
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
46