3.1 - Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
Titel - straat+plaats
5
Colofon
Plannaam
Zondereigensebaan 6, 5011EG Baarle-Nassau
Datum
20-03-2020/12-08-2020/ 09-11-2022 / 19-10-2023
Opgesteld door
Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Auteur
H.M.J.M. Deenen
Projectleider
F. van de Heijning
Projectnummer
07001.A014
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
6
Inhoudsopgave 1.
INLEIDING..................................................................................................................... 8 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................... 8 1.2 Ligging plangebied ........................................................................................................ 9 1.3 Doel................................................................................................................................10 1.4 Vigerend bestemmingsplan .........................................................................................10 1.5 Leeswijzer .....................................................................................................................11 2. PROJECTBESCHRIJVING ............................................................................................. 12 2.1 Bestaande situatie ........................................................................................................12 2.2 Beoogde situatie ...........................................................................................................12 3. BELEIDSKADER ............................................................................................................
14 3.1 Provinciaal beleid .........................................................................................................14 3.1.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant ...................................................................................14 3.1.2 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) .............................................14 3.1.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................................16 3.2 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................21 3.2.1 Omgevingsvisie .........................................................................................................21 3.2.2 Geurgebiedsvisie Baarle-Nassau .................................................................................22 3.2.3 Bestemmingsplan ......................................................................................................22 4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN..............................................
23 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ..........................................23 4.2 Waterhuishouding ........................................................................................................23 4.2.1 Waterrelevant beleid ..................................................................................................24 4.2.2 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ...................................................................25 4.2.3 Beoogde waterhuishoudkundige situatie .....................................................................25 4.3 Natuur ...........................................................................................................................27 4.3.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ................................................................................27 4.3.2 Wet natuurbescherming .............................................................................................29 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ................................................................32 4.4.1 Cultuurhistorie ...........................................................................................................32 4.4.2 Aardkundig waardevolle gebieden ..............................................................................34 4.4.3 Archeologie
...............................................................................................................34 4.5 Geur ...............................................................................................................................35 4.5.1 Individuele hinder ......................................................................................................35 4.6 Ammoniak .....................................................................................................................36 4.6.1 Kwetsbare gebieden ..................................................................................................36 4.6.2 Besluit emissiearme huisvesting .................................................................................36 4.7 Geluid ............................................................................................................................37 4.8 Luchtkwaliteit ...............................................................................................................37 4.9 Volksgezondheid ...........................................................................................................38 4.10 Landschappelijke inpassing .........................................................................................39 4.11 Bodemkwaliteit
.............................................................................................................40 4.12 Externe veiligheid .........................................................................................................40 4.13 Verkeer en parkeren .....................................................................................................41 4.14 Technische infrastructuur ............................................................................................42 5. UITVOERBAARHEID ..................................................................................................... 43 5.1 Financiële uitvoerbaarheid...........................................................................................43 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..............................................................................43 6. PLANOLOGISCHE AFWEGING ...................................................................................... 44 7. BIJLAGEN..................................................................................................................... 45
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
7
1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt een inleiding gegeven omtrent beoogd initiatief. Hierbij komen de aanleiding, de ligging van het plangebied, het doel en het vigerend bestemmingsplan aan bod. 1.1 Aanleiding en doel De heer Verberk, hierna initiatiefnemer, exploiteert op de locatie aan de Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau een vleeskalverenhouderij. Het bedrijf beschikt over een milieuvergunning d.d. 22-072007 voor het houden van 980 vleeskalveren tot 8 maanden. Tijdens een controle op 28 september 2010 is geconstateerd dat het oostelijk deel van stal 2 voor het huisvesten van 210 vleeskalveren tot 8 maanden niet is gerealiseerd waardoor dit gedeelte van de vergunning van rechtswege is komen te vervallen. De vergunde rechten betreft dus het houden van 770 vleeskalveren tot 8 maanden. Op het huidige bedrijf worden 770 vleeskalveren gehouden in twee stallen. Daarnaast is er een bedrijfswoning aanwezig. Zoals het een goede ondernemer betaamd heeft de initiatiefnemer nieuwe plannen voor de toekomst van het bedrijf. Initiatiefnemer is voornemens om zijn bedrijf uit te breiden naar in totaal 1.675 vleeskalveren tot 8 maanden. De initiatiefnemer is voornemens het bedrijf uit te breiden door in de bestaande stal 2 de bezetting te verhogen en aan de noordzijde van de stallen een nieuwe vleeskalverenstal te realiseren voor de huisvesting van 680 vleeskalveren.
De omvang is bepaald uit het feit dat de initiatiefnemer het bedrijf op een professionele wijze wil voortzetten. Aangezien de winstmarges steeds kleiner worden is schaalvergroting noodzakelijk om ook in de toekomst een goed renderende veehouderij te exploiteren. Door middel van schaalvergroting kunnen de vaste kosten immers verdeeld worden over meer productie-eenheden. Door de beoogde bedrijfsopzet ontstaat een zeer modern bedrijf dat milieutechnisch, gezondheid technisch, bedrijfseconomisch en qua dierenwelzijn kan wedijveren met het verwachte toekomstperspectief. In de beoogde bedrijfsopzet wordt een nieuwe vleeskalverenstal gerealiseerd. De beoogde nieuwe stal heeft een omvang van circa 2.200 m². Deze stal wordt voorzien van een biologische luchtwasser met een geur- en ammoniakreductie van 70%. Daarnaast wordt in de bestaande stal nr. 2 de bezetting verhoogd van 210 naar 435 vleeskalveren. Tevens worden de bestaande stallen 1 en 2 voorzien van een biologische luchtwasser met een geur- en ammoniakreductie van 70% en wordt er een nieuwe loods gerealiseerd van circa 100 m2 voor het stallen van werktuigen. De plattegrondtekening van de beoogde bedrijfsopzet is in de bijlage van deze onderbouwing toegevoegd.
De realisatie van deze stal is niet mogelijk binnen het vigerende bouwvlak zoals ingetekend in het bestemmingsplan “‘Buitengebied 1990’ (partieel herzien in 1994) van de gemeente Baarle-Nassau, er is gekozen om middels een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan de stal te realiseren. Hiermee blijft het bestaande bouwvlak ongewijzigd, maar krijgt initiatiefnemer een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan buiten het bouwvlak te bouwen. Het bestaande bouwvlak heeft een omvang van 1,1 hectare. In de beoogde situatie wordt de nieuw te bouwen stal voor een gedeelte buiten het vigerende bouwvlak gerealiseerd. Het bouwvlak zal na het realiseren van de nieuwe stal binnen een omvang van 1,5 hectare blijven. Op de situatietekening, zie Afbeelding 1, is de huidige en beoogde bedrijfsopzet weergegeven.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
8
Afbeelding 1: Situatietekening beoogde bedrijfsopzet 1.2 Ligging plangebied De planlocatie ligt in het buitengebied ten zuidwesten van de kern Baarle-Nassau in de gemeente Baarle-Nassau, zie Afbeelding 2. De bebouwde kom van Baarle-Nassau ligt op circa 2.400 m van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is de landgrens van België gelegen. De gronden waar de nieuwe stal komt te staan, zijn momenteel in gebruik als landbouwgrond. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie Q, nummer 704. De locatie is gelegen aan de Zondereigensbaan 6, deze weg is via de Zevenhuizenbaan te bereiken vanaf de N260. De N260 is de verbinding tussen Baarle-Nassau en Turnhout. Vanaf de locatie is de kern van Baarle-Nassau en de doorgaande weg dan ook goed bereikbaar. Hierdoor is het bedrijf goed te bereiken voor het vervoer ten behoeve van het bedrijf. In de omgeving van het plangebied zijn agrarische bedrijven en enkele burgerwoningen gelegen.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
9
Afbeelding 2: Ligging van het plangebied (bron: BingMaps) 1.3 Doel Het doel van deze ruimtelijke onderbouwing is om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor realisatie van een vleeskalverenstal aan de Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau. Het bestaande blijft bouwvlak ongewijzigd, maar krijgt initiatiefnemer een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan buiten het bouwvlak te bouwen. Het bestaande bouwvlak heeft een omvang van 1,1 hectare. In de beoogde situatie wordt de nieuw te bouwen stal voor een gedeelte buiten het vigerende bouwvlak gerealiseerd. Het bouwvlak zal na het realiseren van de nieuwe stal binnen een omvang van 1,5 hectare blijven (1,486 hectare). Wanneer er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld zal het vigerende bouwvlak worden zoals weergegeven op de separaat bijgevoegde situatietekening. 1.4 Vigerend bestemmingsplan Op dit moment is de beheersverordening ‘‘Buitengebied Baarle-Nassau’, aldus vastgesteld op 11 december 2013 vigerend. Deze beheersverordening ziet op enkele intensieve veehouderijen, paardenhouderijen en overige locaties waarvoor de bestemmingsplannen zijn vernietigd bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) op 19 oktober 2011.
In de beheersverordening wordt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1990’ (partieel herzien in 1994) van overeenkomstige toepassing verklaard behoudens de wijzigingsbevoegdheden in de regels van dat bestemmingsplan. In de huidige situatie is het vigerende bouwblok gelegen in een primair agrarisch gebied, zie Afbeelding 3.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
10
Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied 1990’ (partieel herzien in 1994)” plangebied aangeduid met rode cirkel 1.5 Leeswijzer In voorliggende toelichting is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het vigerend planologische regime en de te doorlopen procedure is beschreven. Hierna is in het tweede hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de bestaande en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 van voorliggende toelichting wordt het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid uiteengezet. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 5. De planologische afweging is vervat in het daarop volgende hoofdstuk.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
11
2. Projectbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen het plangebied. 2.1 Bestaande situatie De planlocatie ligt aan de Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau. Binnen het plangebied is een vleeskalverenhouderij gelegen welke bestaat uit een woonhuis en twee vleeskalverenstallen. De vleeskalverenstallen zijn kort achter de bedrijfswoning gesitueerd. Doordat de vleeskalverenstallen kort achter de bedrijfswoning gesitueerd worden is de bebouwing compact gesitueerd. De vleeskalverenstallen liggen op ruime afstand tot burgerwoningen. Zoals eerder is beschreven heeft het huidige bouwvlak een omvang van 1,1 hectare. Dit bouwvlak sluit min of meer aan bij de bestaande bebouwing. De bestaande bebouwing is compact gesitueerd. Echter is er een gedeelte van het bouwblok nog niet bebouwd. Aan de westzijde en noordzijde van de vleeskalverenstallen ligt nog beperkte resterende ruimte in het bouwvlak. De onbebouwde ruimte op het bouwvlak is te gering voor het realiseren van de gewenste bedrijfsopzet. De omgeving van het plangebied wordt onder andere gekenmerkt door het halfopen landschap in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau. Kenmerken van dit landschap zijn de sporadische bebossing, met boomsingels/lanen en de erfbeplanting rondom de agrarische gebouwen.
In de bestaande situatie is ruime beplanting nabij de bedrijfsbebouwing aanwezig.
Tabel 1: Overzicht dierbezetting vergunde situatie Huisvestingssysteem Stal nr. Code
Houderij/hoktype
1 A 4.100
overige huisvestingsystemen
2 A 4.100
overige huisvestingsystemen
Dier- categorie vleeskalveren tot 8 maanden vleeskalveren tot 8 maanden
Am m oniak Aantal dierKg NH3 Totaal kg Aantal NH3 dieren plaatsen per dier
Geur (OUE /s) OUE /s Totaal /dier OUE /s
Fijnstof PM10 (g/jaar) g/dier Totaal /jaar gram
Fijnstof PM2,5 (g/jaar) g/dier Totaal /jaar gram
560
560
3,500
1.960,000
35,60
19.936,00
33
18480
9,1
5096
210
210
3,500
735,000
35,60
7.476,00
33
6930
9,1
1911
totaal NH3
totaal 2.695,000 OUE /s
totaal 27.412,000 gram
totaal 25.410,0 gram
2.2 Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt de bouw van een nieuwe stal, biologische luchtwassers met een geuren ammoniakreductie van 70% op de bestaande stallen en nieuwe stal en het realiseren van een loods voor werktuigen berging gewenst. Op de projectlocatie is een bestaande mestbassin van circa 400 m2 aanwezig die via deze aanvraag omgevingsvergunning planologisch wordt geregeld. Het bassin is medio 2017 aangelegd. De beoogde stal wordt ten noorden van de bestaande stallen op het perceel gewenst. Het mestbassin bevindt zich aan de westzijde van de bestaande stallen de beoogde loods wordt ten zuiden van het mestbassin gerealiseerd in het vigerende bouwblok. De omvang van de beoogde nieuwe stal bedraagt circa 2.200 m². De situering van de nieuwe stal aan de noordzijde van de bestaande stallen is gekozen vanwege bedrijfsefficiënte- en milieutechnische redenen. Vanwege bedrijfsefficiënte reden is het gewenst de nieuwe stal nabij de bestaande stallen te situeren. Door de stal aan de noordzijde van de bestaande stallen te plaatsen kan gebruik gemaakt korte looplijnen. Vanwege milieutechnische redenen is de stal aan de achterzijde tevens gunstig gelegen. Hierdoor wordt ruimte gehouden van de emissiepunten tot omliggende burgerwoningen. Dit heeft een positief effect op de omgeving.
Daarnaast wordt met de bouw van de beoogde stal de ruimtelijke kwaliteit verbeterd door de aanleg van landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen. Ook nemen de emissies op de projectlocatie af door de realisatie van de luchtwassers. De stallen worden hiermee grotendeels aan het zicht onttrokken. Initiatiefnemer is voornemens om zijn bedrijf uit te breiden naar in totaal 1.675 vleeskalveren tot 8 maanden. De volgende dieraantallen en diercategorieën zullen in de beoogde situatie worden gehouden:
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
12
7.007,0
Tabel 2: Overzicht dierbezetting beoogde situatie Stal nr.
Huisvestingssysteem Code
1 A 4.2
2 A 4.2
3 A 4.2
Diercategorie
Aantal dieren
Houderij/hoktype mechanisch geventileerde stal met een biologisch luchtwassysteem met 70% emissiereductie (BWL2007.03.V8) mechanisch geventileerde stal met een biologisch luchtwassysteem met 70% emissiereductie (BWL2007.03.V8) mechanisch geventileerde stal met een biologisch luchtwassysteem met 70% emissiereductie (BWL2007.03.V8)
Aantal dierplaatsen
Ammoniak
Fijnstof PM10 (g/jaar)
Fijnstof PM2,5 (g/jaar)
Totaal kg NH3 616
OUE/s /dier 19,6
Totaal OUE/s 10976
g/dier /jaar
Totaal gram
g/dier /jaar
Totaal gram
8
4480
2,3
1288
vleeskalveren tot 8 maanden
560
560
Kg NH3 per dier 1,1
vleeskalveren tot 8 maanden
435
435
1,1
478,5
19,6
8526
8
3480
2,3
1000,5
vleeskalveren tot 8 maanden
680
680
1,1
748
19,6
13328
8
5440
2,3
1564
totaal NH3
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
Geur (OUE/s)
1842,5 totaal OUE/s
32830 totaal gram
13400 totaal gram
13
3852,5
3. Beleidskader De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid op provinciaal en gemeentelijk niveau. Beleid op rijksniveau is buiten beschouwing gelaten gezien het beoogde initiatief van dusdanige kleine aard is, dat rijksbeleid hier geen invloed op heeft. In onderstaande paragrafen wordt het relevante ruimtelijke beleid uiteengezet, inclusief de toetsing van het initiatief aan dit beleid. 3.1 Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2
Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014)
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
14
voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is door vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 4, is de projectlocatie gelegen in de groenblauwe mantel. De beoogde ontwikkeling vindt echter plaats ten noorden op de locatie, dus gelegen in de structuur ‘groenblauwe mantel’. Derhalve wordt getoetst aan het beleid van de groenblauwe structuur in de Sv 2014. De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. Hierbij is de agrarische sector één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel.
Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodemen waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. De ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven in deze gebieden zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd. In de beoogde situatie wordt er een retentievijver voor de berging van circa 151 m3 water gerealiseerd binnen de projectlocatie (paragraaf 4.2). Deze retentievijver zorgt ervoor dat de waterfuncties worden gerespecteerd. Ook zal de bestaande houtsingel op de projectlocatie worden gerevitaliseerd. Hierbij wordt er op kale plekken nieuwe beplantingselementen toegevoegd: Bomen of struweel. Dit zodat er een volwaardige en robuuste houtsingel ontstaat. Aan de westzijde van de projectlocatie is reeds een volwaardige houtsingel gelegen. Om deze houtsingel te versterken zal deze verbreed worden. Deze nieuwe groenstructuren en waterretentie respecteren het landschap en versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal.
Derhalve sluit het beoogde initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.
Afbeelding 4: Uitsnede ‘Structurenkaart’ Sv 2014, plangebied aangeduid met rode cirkel
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
15
3.1.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten vastgesteld en is op 5 november 2019 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.
Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Stiltegebied’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 5.
Afbeelding 5: Uitsnede kaart ‘Instructieregels aan gemeenten’ Iov De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen: ▪ 2.47 zorgplicht stiltegebied ▪ 3.26 attentiezone waterhuishouding ▪ 3.49 veehouderij in landelijk gebied ▪ 3.50 aanvullende regels nieuw dierenverblijf ▪ 3.51 aanvullende regels stalderen Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
16
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Indien er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Iov is toegestaan kan er worden uitgebreid in het bestaand ruimtebeslag. In onderstaande toetsing is getoetst aan de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen, waardoor afgeweken kan worden van het bestaand ruimtebeslag voor het realiseren van de nieuwe stal met luchtwasser en een nieuwe werktuigenberging loods. Deze voorzieningen en bebouwing zijn noodzakelijk ook in de toekomst een goed renderende veehouderij te kunnen exploiteren. Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Iov voldaan te worden:
b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder i van het Bro, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft worden toegepast.
c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken geconcentreerd binnen een bouwperceel.
en
andere
permanente
voorzieningen
worden
De beoogde bebouwing en bijbehorende voorzieningen zullen worden geconcentreerd binnen het beoogde agrarische bouwvlak, zie Afbeelding 1.
Conclusie:
Er wordt voldaan aan de bepaling om te kunnen afwijken van het bestaand ruimtebeslag.
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
17
De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In de beoogde situatie wordt meerwaarde gecreëerd door de uitbreiding van het bedrijf te combineren met een goede landschappelijke inpassing. De groenstructuren van de landschappelijke inpassing in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal. Er worden diverse landschapselementen aangeplant welke zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en welke zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Daarnaast is er sprake van een afname van de emissies waardoor ook het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd.
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)
Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Baarle-Nassau is het afsprakenkader van de regio West-Brabant van toepassing. Hierin is het vergroten van een agrarische bouwvlak tot 1,5 hectare opgenomen als een categorie 2-ontwikkeling. Bij categorie 2-ontwikkelingen dient de kwaliteitsverbetering plaats te vinden in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd doordat het agrarische bedrijf de landschappelijke inpassing tevens dient te realiseren om aan de BZV te kunnen voldoen. In de bijlage van deze onderbouwing is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen.
De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Zorgplicht stiltegebied (artikel 2.47) In artikel 2.47 van de Interim omgevingsverordening is opgenomen dat binnen de aanduiding ‘Stiltegebied’ bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met de grenswaarden die in artikel 2.40 en 2.41 van de Interim omgevingsverordening zijn opgenomen. Dat de beoogde ontwikkeling de stilte en rust in het stiltegebied niet zal verstoren wordt toegelicht in paragraaf 4.7 van deze ruimtelijke onderbouwing. In de bijlage van deze onderbouwing is het akoestisch onderzoek van de geluidsbelasting op stiltegebieden toegevoegd met het kenmerk 2022-3088-b4070/382. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op 50 meter van de inrichting lager is dan 45 dB(A). Derhalve wordt geconcludeerd dat aan de geldende grenswaarde wordt voldaan. Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) Ter plaatse van de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ dient voldaan te worden aan de bescherming van de waterhuishouding en dienen functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen uitgesloten te worden. In paragraaf 4.2.3 van deze onderbouwing is toegelicht dat negatieve effecten op de hydrologische instandhoudingsdoelen
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
18
worden uitgesloten en de waterhuishouding ter plaatse wordt beschermd. Derhalve wordt voldaan aan artikel 3.26 van de Interim omgevingsverordening. Veehouderij in Landelijk gebied (artikel 3.49) Een plan binnen het werkingsgebied landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 3.49:
1.
is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
De regels voor een zorgvuldige veehouderij zijn van toepassing bij uitbreiden van een veehouderij. Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan artikel 4 van de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij. Bij deze aanvraag om omgevingsvergunning is een toelichting (incl. rekenmodel) op de BZV bijgevoegd. Hieruit blijkt dat de beoogde veehouderij voldoet aan de BZV. Derhalve wordt voldaan aan deze voorwaarde.
2.
het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
3.
de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;
In de beoogde situatie heeft het bouwvlak een oppervlakte van 1,486 hectare. In Bijlage 1 van deze toelichting is de vorm en indeling van dit bouwvlak beschreven en weergegeven.
Het plan draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de aspecten die effect hebben op de omgeving.
4.
mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is;
5.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
In de huidige en toekomstige situatie vindt er binnen het plangebied geen mestbewerking plaats.
Bij deze aanvraag om omgevingsvergunning is het ‘Onderzoek geurbelasting’ bijgevoegd, zie Bijlage 4. In dit onderzoek is onder andere de achtergrond geursituatie onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat de beoogde bedrijfsopzet voldoet aan deze voorwaarde.
6.
de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
7.
de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
De omvang van het bouwperceel bedraagt 14.860 m², 10% hiervan bedraagt 1.486 m². In paragraaf 4.10 wordt een nadere toelichting gegeven op de landschappelijke inpassing. Bij de totstandkoming van deze inpassing is rekening gehouden met deze voorwaarde en er wordt ca 3.102 m2 landschappelijk ingepast. De locatie is voorzien van een landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen.
Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Het verslag hiervan is bijgevoegd in Bijlage 6. Uit bovenstaande toetsing omgevingsverordening.
blijkt
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
dat
wordt
voldaan
aan
artikel
3.49
van
de
Interim
19
Aanvullende regels nieuw dierverblijf (artikel 3.50) Omdat de beoogde ontwikkeling bebouwing voor een dierenverblijf betreft, dient bepaald te worden dat wordt voldaan aan artikel 3.50 van de Iov. Hieronder is per voorwaarde een toelichting gegeven op deze voorwaarde voor een toename van de oppervlakte dierenverblijf: •
een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: o maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
Dat maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij is reeds toegelicht bij de toetsing in artikel 3.49. Bij deze aanvraag om omgevingsvergunning is een toelichting (incl. rekenmodel) op de BZV bijgevoegd. Hieruit blijkt dat de beoogde veehouderij voldoet aan de BZV.
o
de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;
Zoals reeds toegelicht draagt het plan bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de aspecten die effect hebben op de omgeving. o
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; Zoals eerder is beschreven blijkt uit het geuronderzoek dat wordt voldaan aan deze voorwaarde, zie Bijlage 4.
o
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
Aanvrager heeft voorafgaand aan deze aanvraag een dialoog gevoerd met zijn directe omgeving. Het verslag van de omgevingsdialoog en de reacties van de omwonende zijn in de bijlage van deze onderbouwing toegevoegd. •
binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; In de beoogde situatie worden er dierverblijven gerealiseerd ten behoeve van de varkenshouderij, de varkens worden alleen op de eerste bouwlaag gehouden. Om uit te sluiten dat er twee bouwlagen voor het houden van dieren plaatsvindt wordt deze voorwaarde in de regels opgenomen.
•
bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Het verslag hiervan is bijgevoegd in Bijlage 6.
Uit bovenstaande toetsing omgevingsverordening.
blijkt
dat
wordt
voldaan
aan
artikel
3.50
van
de
Interim
Aanvullende regels stalderen (artikel 3.52) In de Iov zijn in dit artikel regels opgenomen voor stalderen. Stalderen betekent dat er pas mag worden uitgebreid in m2 dierenverblijf (bij bouw of gebruikswijziging) als elders 120% of 200% van de oppervlakte aan dierenverblijf wordt gesaneerd. Voor het verkrijgen van stalderingsmeters is de initiatiefnemer op zoek gegaan naar voldoende partijen die hun hokdierhouderij willen beëindigen en
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
20
saneren of herbestemmen. Op 4 november 2021 heeft de initiatiefnemer een voorlopig stalderingsbewijs overlegd met de gemeente. Na het verkrijgen van de stalderingsmeters wordt voldaan aan artikel 3.52 van de Interim omgevingsverordening.
Conclusie
Bovenstaand is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een ruimtelijke ontwikkeling en wordt een zorgvuldige veehouderij verzekerd. 3.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1
Omgevingsvisie
De omgevingsvisie van gemeente Baarle-Nassau d.d. 26 juni 2019 heeft onder andere binnen de gemeente als doel om een prettig en gezond woon- en leefklimaat voor jong en oud te creëren en zich in te zetten op ruimtelijke kwaliteit (behoud en versterken bestaande groen- en waterstructuur, klimaatveranderingen en woningbouwprojecten). De gemeente Baarle-Nassau beoogd meer ruimte voor maatwerk te creëren en het omgevingsplan moet ruimte bieden voor duurzame ontwikkeling. Daarmee wordt er een goede balans gecreëerd tussen de belangen van de agrarische sector, bewoners, natuur, milieu en recreatie en draagt dit bij aan een economisch vitaal buitengebied. Voor de agrariër is schaalvergroting vaak een logische vervolgstap om zijn bedrijf toekomstbestendig te houden. De gemeente Baarle-Nassau beoogt het productiemilieu voor de landbouw perspectief bieden, voor zover dat past binnen de landschappelijke karakteristiek en onze ambities voor natuur, duurzaamheid en gezondheid. Daarmee wordt een goede balans gecreëerd tussen de belangen van de agrarische sector, bewoners, natuur, milieu en recreatie en dragen we bij aan een economisch vitaal buitengebied. Op de projectlocatie worden luchtwassers gerealiseerd waardoor de emissies op het bedrijf afnemen en dit dus een positieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit.
Ook wordt de projectlocatie landschappelijk ingepast (paragraaf 4.10) waarbij rekening is gehouden met de landschapskenmerken van het gebied. De projectlocatie is volgens de omgevingsvisie van Baarle-Nassau gelegen op oude landschappen (afbeelding 6). Het is van belang de karakteristiek van de oude ontginningslandschappen in stand houden en versterken. De projectlocatie wordt landschappelijk ingepast waarbij de oude landschappen in stand gehouden en versterkt worden.
Afbeelding 6: Uitsnede omgevingsvisie kaart Baarle-Nassau, projectlocatie rood omcirkeld
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
21
3.2.2
Geurgebiedsvisie Baarle-Nassau
Het beoogde initiatief hoeft niet te worden getoetst aan de normen van een nieuwe geurverordening mits wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten: 1. de aanvraag is ingediend voor het vaststellen van de verordening; De aanvraag is op 21-08-2020 ingediend en is dus ingediend voor het vaststellen van de nieuwe geurverordening. 2. de aanvraag is niet in strijd met de voorheen geldende geurverordening; De aanvraag is niet in strijd met de voorheen geldende geurverordening. 3. er heeft geen voorbereidingsbescherming plaatsgevonden bij het opstellen van de verordening (er is geen aanhoudingsbesluit genomen). Er heeft geen voorbereidingsbescherming plaatsgevonden bij het opstellen van de verordening. Voor de volledigheid is een voorgrondgeurberekening gemaakt met de nieuwe geurnormen van de gemeente Baarle-Nassau. De beoogde situatie blijft onder de vastgestelde geurnormen, zie bijlage bij deze onderbouwing.
3.2.3
Bestemmingsplan
Het gemeentelijk ruimtelijke ordeningsbeleid is vervat in de beheersverordening ‘Buitengebied BaarleNassau’, aldus vastgesteld op 11 december 2013. Deze beheersverordening ziet op enkele intensieve veehouderijen, paardenhouderijen en overige locaties waarvoor de bestemmingsplannen zijn vernietigd bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) op 19 oktober 2011. In de beheersverordening wordt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1990’ (partieel herzien in 1994) van overeenkomstige toepassing verklaard behoudens de wijzigingsbevoegdheden in de regels van dat bestemmingsplan. Afbeelding 3 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan weer. De locatie aan Zondereigensebaan 6 in Baarle-Nassau is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met enkelbestemming ‘primair agrarisch gebied’ en heeft een bouwvlak. De beheersverordening is conserverend van aard, er worden geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarom wordt de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt middels het verlenen van een omgevingsvergunning voor de locatie aan Zondereigensebaan 6 in Baarle-Nassau. Middels voorliggende toelichting wordt de planologische aanvaardbaarheid aangetoond.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
22
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde bedrijfsopzet dient een omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit projectafwijkingsbesluit, te worden verleend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. Voor verschillende diercategorieën worden hier aantallen weergegeven wanneer dergelijke plichten van toepassing zijn bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (categorie C 14 en D 14 Besluit m.e.r.).
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. Voor het houden van vleeskalveren is alleen in D14 een grenswaarde opgenomen van 1.200 vleeskalveren tot 8 maanden (diercategorie A 4). In de beoogde bedrijfsopzet worden in totaal 1.675 vleeskalveren tot 8 maanden gehouden. In de huidige situatie worden conform de vergunning van 22 juni 2007 in totaal 770 vleeskalveren tot 8 maanden gehouden. Derhalve is in de beoogde bedrijfsopzet sprake van een uitbreiding met 905 vleeskalveren tot 8 maanden. Deze uitbreiding is onder de D14 grenswaarde voor vleeskalveren tot 8 maanden. Er is derhalve geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.
Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke onder andere de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van deze onderbouwing, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Burgemeester en Wethouders van de gemeente Baarle-Nassau hebben op 6 augustus 2020 het besluit genomen dat er geen MER nodig is. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het besluit is in de bijlage bijgevoegd. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.
De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
23
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 22 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant.
Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). De focus ligt dus niet meer op wateroverlast voorkomen en water zo snel mogelijk af voeren (probleemgericht). Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta heeft haar doelstellingen en ambities voor de periode 2022-2027 uiteengezet in het waterbeheerprogramma. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap Brabantse Delta samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer, die bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Water is namelijk een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het waterbeheer is belangrijk voor de bescherming tegen overstromingen, het vasthouden van water, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur.
Om de doelstellingen en ambities in het Waterbeheerprogramma van het Brabantse Delta te bereiken, werkt het waterschap samen met onder andere medeoverheden, belangenorganisaties, bedrijven en burgers. Een duurzame en flexibele werkwijze vormt daarbij het uitgangspunt. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap Brabantse Delta de kerntaken als uitgangspunt. Deze taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven: • Klimaat adaptatie • Waterveiligheid • Gezond water • Voldoende water • Vaarwegen • Waterketen
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
24
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten.
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie vinden geen wijzigen plaats ten aanzien van het lozen van huishoudelijk bedrijfsafvalwater. Dit wordt geloosd op het gemeentelijk riool. In de nieuwe situatie wordt op het bedrijf spuiwater geloosd op het gemeentelijk riool. Met de beoogde ontwikkeling op de locatie aan Zondereigensebaan 6 in Baarle-Nassau vindt tevens een toename van het dakoppervlak plaats. Middels de Keur van Waterschap Brabantse Delta, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets schrijft voor dat bij bestemmingsplanwijzigingen mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak. Verder zijn deze mitigerende maatregelen van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. De planlocatie is gelegen in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied, zie Afbeelding 6. Bij bovengenoemde geldt steeds dat het om een toename van het verhard oppervlak gaat na de datum van de inwerkingtreding van de Keur 2009 (22-12-2005).
Afbeelding 6: Uitsnede Keurkaart Brabantse Delta, plangebied aanduiding met rode cirkel In de beoogde situatie wordt een nieuwe vleeskalverenstal gebouwd en een nieuwe loods gerealiseerd. Daarnaast wordt er extra erfverharding aangelegd. Tabel 3 geeft de berekening van de toename van de verharde oppervlakte weer. Hieruit blijkt dat in de beoogde situatie een toename van het dakoppervlak van gebouwen plaatsvindt met 2.293,7 m 2. Met de beoogde ontwikkelingen neemt het oppervlak van de erfverharding toe met 211,5 m2. Daar sprake is van een toename van 2.505,2 m2 oppervlakte verharding dient een compensatie plaats te vinden. In de berekening in Tabel 3 is de erfverharding niet meegenomen omdat het hemelwater dat hierop neerkomt via afschot direct afvloeit naar omliggende gronden waar het kan infiltreren in de bodem. Het hemelwater dat neerkomt op erfverharding betreft derhalve geen versneld afvoeren.
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
25
Tabel 3: Berekening toename verhard oppervlak Verharding: Bestaand (m2): Beoogd (m2): Dakoppervlak gebouwen Erfverharding nieuwe loods) Totaal:
(incl.
Toename/afname (m2):
Toename versneld afvoeren (m2):
3.082,5
5.376,2
+2.293,7
2.293,7
2.138,7
2.350,2
+211,5
211,5 2.505,2
Omdat er een toename verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Er is gekozen om het hemelwater op te vangen en te laten infiltreren in een retentievijver. De retentievijver is losgekoppeld van het watersysteem waardoor het opgevangen water binnen het plangebied kan infiltreren. De infiltratiesloot wordt voorzien van een leegloopvoorziening om in tijden van ernstige langdurige regenval overtollig hemelwater in de infiltratiesloot af te voeren naar omliggende perceelsloten. Hierdoor kan geen wateroverlast ontstaan van de omliggende percelen. De grootte van de infiltratiesloot wordt berekend conform de rekenregel welke in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt:
Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De toename verhard oppervlak betreft 2.505,2 m2. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de Keurkaart, zie Afbeelding 7. Hierbij is het grondgebied van waterschap Brabantse Delta verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Uit de Keurkaart, zie Afbeelding 7, blijkt dat de gevoeligheidsfactor binnen het plangebied 1 (Hoog) bedraagt.
Afbeelding 7: Uitsnede Keurkaart Brabantse Delta, plangebied aanduiding met rode cirkel De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) welke de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden.
Benodigde compensatie = 2.505,2 m2 x 1 x 0,06 = 150,3 m3
Zondereigensebaan 6 te Baarle-Nassau
26
Uit de berekening hierboven komt voort dat de infiltratiesloot minimaal 151 m3 hemelwater moet kunnen opvangen. Voor de dimensionering van de infiltratiesloot is de grondwaterstand van belang. Om het opgevangen hemelwater goed te kunnen laten infiltreren die de bodem van de sloot boven het gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen. Afbeelding 8 geeft de GHG weer uit de wateratlas van de provincie Noord-Brabant. De beoogde retentievijver wordt ten westen van de bestaande vleeskalverenstal 1 aangelegd. Ter plaatse hiervan ligt de GHG tussen 20 – 60 cm onder het maaiveld. Voor de diepte van de retentie vijver wordt het gemiddelde genomen welke 40 cm onder het maaiveld betreft. Derhalve wordt de diepte van de infiltratiesloot op 40 cm onder het maaiveld bepaald. De ligging van de locatie is weergegeven op afbeelding 1 van deze onderbouwing.