RU23.03.03B Toelichting inclusief bijlagen.pdf
Tekst van het document
Figuur 10: Beeld van beoogde toevoeging van woningbouw en ontsluiting binnen het plangebied
Sprake zal zijn van 20 nieuwe woningen met bijbehorende erfverharding. De bergingscapaciteit dient 60 mm te bedragen en de voorziening dient gerealiseerd te worden boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). De bergingsberekening en bergingsvoorzieningen zijn door Grasveld Civiele techniek nader uitgewerkt. Deze uitwerking is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de berekening en de wijze van bergen blijkt dat de waterbergingsopgave binnen het plangebied voldoet.
5.2.4
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Crijns Rentmeesters bv
26
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.2.5
Afvalwater
De woningen worden met een nieuwe aansluiting gekoppeld aan de bestaande infrastructuur in de omgeving. Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Asten.
5.3 Cultuurhistorie 5.3.1
Inleiding
Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een ruimtelijk plan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt.
5.3.2
Omgeving
Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de PeelRaamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. De Ommelseweg betreft volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie NoordBrabant een Lijn van redelijk hoge waarde. Het betreft een historisch lint welke de kernen Asten en Ommel met elkaar verbindt en reeds op historische geografische kaarten zichtbaar is.
5.3.3
Planlocatie
Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Geen bebouwing gaat verloren en ook de enkele bomen welke zullen worden gerooid, kennen geen cultuurhistorische waarden. Deze ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in de regio dan wel de cultuurhistorische geografische lijn. De beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied.
5.4 Archeologie 5.4.1
Inleiding
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden.
Crijns Rentmeesters bv
27
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.4.2
Archeologiebeleid Asten
Het archeologisch beleid van de gemeente Asten is vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 24 juli 2013 en omvat het gehele grondgebied van de gemeente Asten. Tevens heeft de gemeente Asten een archeologische verwachtingskaart opgesteld, welke als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de archeologische beleidskaart. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.
Figuur 11: Uitsnede archeologische beleidskaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Het plangebied is gelegen binnen categorie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2.500 m². Deze verplichting is verankerd in het vigerende bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’.
5.4.3
Archeologisch onderzoek
De genoemde drempelwaarden van het verstoringsoppervlak worden door deze ontwikkeling overschreden, waarmee een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is uitgevoerd door Synthegra. Dit onderzoek d.d. 27 mei 2009 met rapportnummer ERA/UIT/SAW/Synthegra Archeologie Rapport P0502330 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. “Op basis van het bureauonderzoek en het karterend inventariserend veldonderzoek wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht voor het grote deelgebied aan de Ommelseweg te Asten. Vervolgonderzoek voor het noordwestelijke deelgebied is niet nodig omwille van de verstoring. Er is gebleken dat er mogelijk een nederzetting uit de periode ijzertijd–Romeinse tijd binnen het grote deelplangebied aanwezig is. Deze bevindt zich direct onder het esdek.
Crijns Rentmeesters bv
28
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Indien de verstoring dieper reikt dan 80 cm (de minimale dikte van het esdek), zullen de aanwezige archeologische sporen vernield worden bij de bouwwerkzaamheden. Vooralsnog wordt uitgegaan van een verstoring tot ca. 1 m beneden maaiveld. In het geval de woningen onderkelderd worden, zal deze verstoringsdiepte verder toenemen. Er kan dan ook worden vastgesteld dat de geplande werkzaamheden de vermoedelijke vindplaats verstoren. Aangezien de terreinverstoring over het hele plangebied wordt voorgenomen, dient het hele plangebied te worden onderzocht met een aantal proefsleuven. Het is gebruikelijk dat een oppervlakte van 5 tot 10 % door middel van proefsleuven wordt onderzocht. De proefsleuven worden dan verspreid aangelegd over het grote deelgebied, met name op de plaats van het (braakliggend) weideland en de bestaande verharding. De opzet, strategie en onderzoeksvragen daarvoor moeten echter eerst exact worden verwoord in een Programma van Eisen (PvE), dat ter goedkeuring aan het bevoegd gezag dient voorgelegd te worden. Op basis van dit onderzoek is een Programma van Eisen opgesteld. Na accordering van dit Programma van Eisen wordt proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt wanneer gereed, bij deze toelichting gevoegd.
5.5 Flora en fauna 5.5.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt de wetten: Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.5.2
Gebiedsbescherming
De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.
5.5.3
Stikstofdepositie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Voor stikstofdepositie zijn de Wet stikstofreductie en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. Deze wet en dit besluit zijn van kracht sinds 1 juli 2021. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in
Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. In dit besluit is een vrijstelling voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg, de bouwfase. De stikstof dient slechts te worden bepaald voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, zoals voor bewoning of verkeer dat over een weg rijdt, ofwel de gebruiksfase. Met Aerius Calculator kan de stikstofdepositie bij een ontwikkeling worden bepaald.
5.5.4
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van twee beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen.
5.5.5
Onderzoek
5.5.5.1
Flora en fauna
Door Lomans Ecoworks is een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit de uitgevoerde quickscan Flora en fauna: “BESCHERMDE SOORTEN Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels cat. 1-4 jaarrond beschermde nesten in bomen en gebouwen aanwezig door het ontbreken van geschikte bomen en bebouwing. Uit de cat. 5 beschermde verblijfplaatsen zijn geen nesten in bomen aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overtreding van art. 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten Het plangebied vormt geschikt foerageergebied en nestgelegenheid voor een aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Met de beoogde ontwikkeling zullen groenstructuren worden verwijderd, waardoor nest- en foerageergelegenheid zullen verminderen. In de omgeving blijven voldoende mogelijkheden aanwezig voor vogels met een éénmalig nest.
Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied Vaste vliegroutes voor vleermuizen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Het plangebied vormt foerageergebied van goede kwaliteit. Met de herontwikkeling zullen jachtmogelijkheden verminderen. In de omgeving zijn voldoende alternatieven van goede kwaliteit en kwantiteit beschikbaar. Vleermuizen: verblijfplaatsen Door het ontbreken van geschikte bomen en geschikte bebouwing kunnen vleermuisverblijfplaatsen worden uitgesloten. Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet aan de orde. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Op basis van het veldbezoek kan het voorkomen van landzoogdieren met jaarrond beschermdeof periodiek beschermde verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied en directe omgeving worden verder geen beschermde soorten verwacht die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de ‘Andere soorten’, (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht. Negatieve effecten zijn niet aan de orde.
Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals konijn, egel, bruine kikker, gewone pad en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. BESCHERMDE GEBIEDEN Natura 2000-gebied Gezien de beperkte schaal van de herontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden worden geen negatieve effecten verwacht op de instandhoudingsdoelstellingen voor (stikstofgevoelige) habitattypen en leefgebieden van soorten. Natura 2000- overige effecten (licht, geluid, trillingen) Gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand tot het Natura 2000- gebied zijn negatieve overige effecten uit te sluiten. Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in of in de directe omgeving van een NNB-gebied. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van aantasting van ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van een NNBgebied. Houtopstanden De te rooien bomen vallen niet onder art. 4.2 Wnb of onder de bescherming van de gemeentelijke regels vastgelegd in de APV.
Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
EINDCONCLUSIE Met de beoogde woningbouwplannen wordt geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming verwacht. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet aan de orde. De aanbevelingen voor ‘Vogels algemeen’ en ‘Toepassing algemene zorgplicht’ blz. 21 en 22 dienen te worden opgevolgd.” De rapportage (Quickscan Flora en fauna plan ‘Ommelshof’ te Asten, Lomans Ecoworks, projectnummer 2115, d.d. 1 juni 2021) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Volledigheidshalve zijn hierna de aanbevelingen voor ‘Vogels algemeen’ en de ‘Toepassing algemene zorgplicht’ opgenomen. “Vogels algemeen Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het is verboden om nesten van broedende vogels te beschadigen of te vernietigen. Als werkzaamheden niet buiten het broedseizoen gepland kunnen worden, dan geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt te maken. Ook bestaat de mogelijkheid om voorafgaande aan de werkzaamheden door een ter zake deskundige te laten controleren op broedende vogels.
Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld moeten worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Als aanbeveling geldt om met zekerheid schade aan broedgevallen uit te sluiten, de werkzaamheden geheel buiten de broedtijd van vogels uit te voeren. Toepassing Algemene zorgplicht voor vrijgestelde soorten Het plangebied vormt leefgebied voor een aantal landzoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht is onderstaande maatregel van belang;
Voordat het terrein bouwrijp wordt gemaakt, dient de vegetatie kort gemaaid te worden. Dit is vooral van belang in het noordelijke deel. Als het gras hoog staat, dan eerst maaien in één richting van binnen naar buiten in een laag tempo zodat kleine zoogdieren of amfibieën de kans krijgen om te kunnen vluchten naar de aangrenzende achtertuinen.
Ook dient (vooral in het noordelijke deel) rekening te worden gehouden met winterslaap en verblijf van amfibieën en kleine zoogdieren. Het opruimen van zandhoopjes, puinhoopjes, houtstapeltjes en de houtopslag aangrenzend aan de achtertuinen dient zorgvuldig te gebeuren. Kleine zoogdieren als konijn en egel en amfibieën als bruine kikker/gewone pad die aangetroffen worden dienen veilige vluchtwegen te worden geboden of te worden gevangen om op een geschikte en veilige plek uitgezet te worden.”
Daarnaast is in het flora en faunaonderzoek als aanbeveling opgenomen om natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen. Hiermee is het mogelijk gezonde en aantrekkelijke steden en dorpen te creeren, die voor alle gebruikers een prettige leefomgeving zijn. Het investeren in groene kwaliteit levert immers veel meer op dan alleen maar een mooi plaatje. Goed stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-dorps en stadsbewoners, zoals huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis. Juist dankzij deze bevolkingsgroepen komen steden en dorpen pas écht tot leven.
Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.5.5.2
Stikstofdepositie-onderzoek
Door NOX Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd met Aerius-berekening. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “De berekende emissie NOx in de gebruiksfase bedraagt circa 24,8 kg NOx/jaar. In de gebruiksfase komt als gevolg van het verkeer ook een kleine hoeveelheid aan ammoniak (NH3) vrij. Het gaat om hoeveelheden van ongeveer 1,6 kg/jaar. Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie in de gebruiksfase leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op basis van worst-case uitgangspunten. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een vergunningsplicht Wet natuurbescherming is derhalve niet aan orde en voor de bestemmingsplanprocedure gelden als gevolg van het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen.” De rapportage (Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Ommelshof te Asten, NOX Advies, d.d. 26 februari 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
5.6 Geluid De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wet geluidhinder van toepassing. De wet niet geldt voor 30km wegen en voor woonerven. De nieuw te realiseren ontsluitingsweg zal een 30 kilometerregime kennen. Niettemin dient te allen tijde sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de wegen Industrielaan, Keskesweg, Lienderweg, Ommelseweg en ’t Hoogveldt. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Prins Bernhardstraat, Mercuriusstraat en Neptunesstraat. Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek d.d. 8 augustus 2022 met kenmerk 2105/088/CK-01, versie A behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek
zijn hierna opgenomen. “Voor de in dit onderzoek beschouwde 30 km/uur wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de in dit onderzoek beschouwde gezoneerde wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Aangezien voor onderhavige woningen geen sprake is van een procedure hogere waarde wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.”
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Voor te realiseren woningen binnen het plangebied geldt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten behoeve van geluid van wegverkeer.
5.7 Agrarische bedrijvigheid 5.7.1
Inleiding
Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken. De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:
-
Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.
Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. Het plangebied is gelegen binnen de woonkern van Asten.
5.7.2
Woon- en leefklimaat
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), omdat het een grote veehouderij betreft, dan wel omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 550 meter ten westen van het plangebied. Gesteld kan dan ook worden dat de voorgrondbelasting afkomstig van deze veehouderij verwaarloosbaar is binnen het plangebied.
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
De achtergrondbelasting wordt jaarlijks door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant inzichtelijk gemaakt. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de kaart van de achtergrondbelasting, d.d. februari 2021, binnen het plangebied en de omgeving hiervan. Het plangebied is weergegeven met de zwarte cirkel.
Figuur 12: Achtergrondbelasting geur februari 2021 (bron: atlas.odzob.nl) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Binnen het plangebied is conform de berekeningen in februari 2021 sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³, waarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit woon- en leefklimaat is acceptabel.
5.7.3
Belangenafweging
Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 550 meter. Tussen het plangebied en de veehouderijen in de omgeving zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. Het plangebied is daarmee niet de belemmerende factor voor veehouderijen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.7.4
Conclusie
Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van het plangebied dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:
-
Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen onevenredig in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.8 Gezondheid 5.8.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Asten hebben op 12 september 2017 besloten om dit toetsingskader toe te passen bij de beoordeling van milieuvergunningen. Het uitgangspunt hierbij is het voorkomen van nieuwe overschrijdingen en voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden. De gemeente Asten oordeelt dat van de endotoxinen-norm ook een omgekeerde werking uitgaat. Dit betekent dat voor de ontwikkeling op het plangebied bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxinen worden meegewogen. De Omgevingsdienst Brabant Noord heeft een kaart voor de gemeente Asten opgesteld waarop de indicatieve endotoxinecontouren indicatief zijn opgenomen. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een endotoxinecontour van een veehouderij. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 550 meter. Het aspect endotoxinen is dan ook voor de beoogde herontwikkeling geen bezwaar.
5.8.2
Geitenhouderijen
Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied is geen sprake van een geitenbedrijf. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde woningbouw.
Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.8.3
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Het plangebied is gelegen binnen een bestaande woonwijk. In de omgeving zijn geen gronden gelegen waar gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde woningbouw.
5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.9.1
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en wordt door de gemeente gezien als ‘rustige woonwijk’.
5.9.2
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
5.9.2.1
Bedrijventerrein ‘Molenakkers’
In de omgeving van het plangebied is sprake van bedrijvigheid, veelal gelegen op het bedrijventerrein ‘Molenakkers’ op circa 100 meter ten westen van het plangebied. Binnen de bedrijfsbestemming ter plaatse van de meest oostelijk gelegen bedrijven is de functieaanduiding ‘bedrijf van categorie 2’ gevestigd, waarmee verankerd is dat ter plaatse enkel bedrijven gevestigd mogen zijn binnen de milieucategorie 1 of 2. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 2 dient in het gemengd gebied een afstand van ten minste 30 meter aangehouden te worden tot een gevoelige functie. Met een afstand van circa 100 meter tot dit terrein wordt hieraan ruim voldaan.
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Andersom zijn er ook meerdere gevoelige functies gelegen tussen omliggende bedrijven en het plangebied, waarmee kan worden gesteld dat bedrijven als gevolg van de beoogde herontwikkeling ook niet verder worden belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. 5.9.2.2
Kapper Ommelseweg 17d
Op een afstand van circa 20 meter ten zuidoosten van het plangebied is een kapper gevestigd. Dit bedrijf kan worden gezien als categorie 1-bedrijf, waarvoor een afstand van 10 meter ten opzichte van gevoelige objecten geldt. Dit bedrijf vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouw. 5.9.2.3
Handelsonderneming/taxibedrijf/autorijschool Ommelseweg 21
Op een afstand van circa 50 meter ten noordwesten van de woonbestemming binnen het plangebied is een taxibedrijf met autorijschool en tevens handelsonderneming gevestigd. Ter plaatse is voornamelijk sprake van opslagruimte. Dit bedrijf kan worden gezien als categorie 2-bedrijf, waarvoor een afstand van 30 meter geldt tot gevoelige functies. Aan deze afstand wordt vanuit het plangebied voldaan. Dit bedrijf vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouw.
5.9.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
5.10.2
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsge-
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
bied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.
5.10.3
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt.
Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.
5.10.4
Beoordeling van het plangebied
5.10.4.1 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van ruim 600 meter ten zuiden van het plangebied. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. 5.10.4.2 Transport Spoor Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is niet van toepassing. Weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277 en de N279 en de Rijksweg A67. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van circa 900 meter tussen plangebied en A67, is het plangebied formeel gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Er dient dan ook een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden.
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Water Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Buisleidingen De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van ruim 2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Hoogspanningslijnen Op een afstand van eveneens ruim 2 kilometer meter ten zuidwesten van het plangebied is een hoogspanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben. 5.10.4.3 Groepsrisico Inleiding Gezien het feit dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A67 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen, ligt de Rijksweg op een afstand van circa 900 meter en is de toename van personen in het gebied door dit plan minder dan 50 personen. Derhalve kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio overgenomen worden.
Het standaardadvies van de Veiligheidsrisico luidt als volgt: Communicatie Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Zelfredzaamheid Tevens kan worden gesteld dat de bouw van de woningen de zelfredzaamheid van de aanwezige personen niet verkleint. De nieuw te realiseren woningen beperken geen ontvluchtingsmogelijkheden en de personen in de woning kunnen als zelfredzaam worden beschouwd.
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1
Inleiding
De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag in principe niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). De beoogde herontwikkeling valt hiermee binnen het begrip NIBM. Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.
5.11.2
Blootstelling aan verontreiniging
5.11.2.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. 5.11.2.2 Fijn stof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer. Het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Figuur 13: Fijn stof PM10 (Bron: RIVM)
Figuur 14: Fijn stof PM2,5 (Bron: RIVM)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is. 5.11.2.3 Stikstof De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Figuur 15: Stikstofdioxide (Bron: RIVM)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 18-25 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.12 Besluit m.e.r. 5.12.1
Aanleiding
5.12.1.1 Inleiding De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1.
In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven.
2.
In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
5.12.1.2 Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor de beoogde herontwikkeling is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is: “D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.)” De toelichting behelst de realisatie van 20 grondgebonden woningen. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings) plichtig. Deze selectiecriteria zijn opgenomen in bijlage III bij de EU-richtlijn 2011/92/EU in art. 4, lid 3. Dit betreffende volgende selectiecriteria: 1.
Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project (en duur), de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: -
het bestaande grondgebruik,
-
de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,
-
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. wetlands b. kustgebieden c. berg- en bosgebieden d. reservaten en natuurparken e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) f. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: -
het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),
-
het grensoverschrijdende karakter van het effect
-
de waarschijnlijkheid van het effect,
-
de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
5.12.1.3 Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling Zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000gebied. In de ecologische quickscan en de het stikstofdepositie-onderzoek wordt geconcludeerd dat de beoogde herontwikkeling geen nadelige invloed heeft op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Het opstellen van een m.e.r. is niet noodzakelijk.
5.12.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.12.2.1 Inleiding Het doel van een aanmeldnotitie ten behoeve van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is om op objectieve wijze informatie over mogelijke relevante milieugevolgen van de voorgenomen activiteit te verzamelen. Met deze informatie kan het bevoegd gezag een oordeel geven over de noodzaak van het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: ‘Nee, tenzij…’. De belangrijke nadelige gevolgen moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema’s: 1. De kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen). 2. De plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu). 3. De kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van effect). Deze thema’s worden navolgend nader toegelicht 5.12.2.2 Kenmerken van het project Inleiding Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen:
-
De omvang van het project Cumulatie met andere projecten Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën
Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
De omvang van het project: Het plan heeft betrekking op realisatie van 20 nieuwe grondgebonden woningen binnen de bebouwde kom van Asten. Het plangebied kent een oppervlakte van circa 7.475 m². Het plangebied bevindt zich te midden van bestaande woningbouw. Cumulatie met andere projecten In de omgeving van het plangebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Er zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De woningen worden gerealiseerd met steenachtige materialen, staal en hout. Grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. Wat betreft energie stimuleert de gemeente het gebruik van duurzame (energie)systemen. De woningen worden gasloos gerealiseerd. De productie van afvalstoffen Bij de beoogde herontwikkeling worden geen stoffen, methoden of technologieën gebruikt waardoor afvalstoffen of emissies vrijkomen.
Verontreiniging en hinder Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene wet- en regelgeving en de geldende milieuwetgeving. Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Woningen zijn geen risicobron. Er zijn geen belemmeringen vanuit het plaatsgebonden risico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen. 5.12.2.3 Plaats van de activiteit Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
-
Het bestaande grondgebruik De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
-
Het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Het bestaande grondgebruik Binnen het plangebied is enkel sprake van grasland wat weinig wordt gebruikt. Natuurlijke hulpbronnen Binnen het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel effect hebben op het project.
Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
Opname vermogen / gevoeligheid van het milieu Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert. 5.12.2.4 Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar:
-
het bereik van het effect het grensoverschrijdende karakter van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het project
Het bereik van het effect betreft de zeer nabije directe omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling. Uit onderhavige toelichting en de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. (Milieu)effecten
Beschrijving van de mogelijke effecten
Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk
Bodem
Verwezen wordt naar paragraaf 5.1 van deze toelichting en het
Nee
bodemonderzoek welke als bijlage is bijgevoegd. Archeologie en
Verwezen wordt naar paragraaf 5.4 en 5.5 van deze toelichting.
cultuurhistorie
Geen archeologische dan wel cultuurhistorische waarden gaan
Nee
verloren of worden aangetast. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen effect op het aardkundig waardevolle gebied. Water
Verwezen wordt naar paragraaf 5.2 van deze toelichting. De be-
Nee
oogde herontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse of in de omgeving. Natuur/Ecologie
Verwezen wordt naar paragraaf 5.5 van deze toelichting. Als ge-
Nee
volg van de beoogde herontwikkeling gaan geen flora- en faunawaarden verloren. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatief effect op waterwingebieden of Natura 2000-gebieden in de omgeving. Geluid
Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 van deze toelichting. Met deze
Nee
herbestemming is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit
Verwezen wordt naar paragraaf 5.11 van de toelichting. Uit de
Nee
conclusies blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
5.12.3
Conclusie
In voldoende mate is inzicht verkregen in de milieugevolgen van de beoogde herontwikkeling van het plan ‘Ommelshof’. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken
Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. De effecten blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.procedure.
Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. De bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Verkeer’ zijn opgenomen. Op de verbeelding is een plangrens en zijn bouwvlakken opgenomen. Binnen de bouwvlakken is het maximaal aantal wooneenheden per bouwvlak aangeduid.
6.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden in deze volgorde worden opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
-
Omgevingsvergunning voor het aanleggen.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. Met betrekking tot de regels is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan voor woongebieden in Asten.
Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
6.4 Toelichting op de bestemmingen 6.4.1
Groen
De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor aanleg, onderhoud en in stand houding van openbaar groen binnen het plangebied.
6.4.2
Verkeer
De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeer en parkeren en bijbehorende voorzieningen.
6.4.3
Wonen
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, tuinen en erven, groenvoorzieningen, water- en waterhuiskundige voorzieningen. In de regels zijn bouwregels opgenomen voor de beoogde gebouwen binnen het plangebied. Binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken zijn de maximaal aantal te realiseren wooneenheden per bouwvlak opgenomen.
6.4.4
Waarde – Archeologie 3
De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor instandhouding van eventueel binnen het plangebied aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Asten Archeologie 2012’.
Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Asten Ommelshof 2022’ - toelichting
7. UITVOERBAARHEID 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.