RU22.11.06B Toelichting ''t Hoekske nabij 3 Heusden' (ontwerp).pdf
Tekst van het document
Stikstofdepositie
Door NOX Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd met een Aerius-berekening. Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie in de gebruiksfase leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Een vergunningsplicht Wet natuurbescherming is derhalve niet aan orde en voor de bestemmingsplanprocedure gelden als gevolg van het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen. De rapportage (Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening ’t Hoekske te Heusden, NOX Advies, datum 20 juli 2022) behoort als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. 5.5.2.3
Soortenbescherming
Inleiding Door Lomans Ecoworks is een Quickscan Flora en fauna uitgevoerd. Deze quick scan met datum 21 oktober 2021 en projectnummer 2127 behoort als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusies uit dit onderzoek voor soortenbescherming zijn hierna opgenomen. Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels categorie 1-4 jaarrond beschermde nesten in bomen en gebouwen aanwezig door het ontbreken van bomen en bebouwing. Categorie 5 beschermde verblijfplaatsen zijn eveneens afwezig. Overtreding van art. 3.1 lid 2,4 en 5 van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Overige vogelrichtlijnsoorten In de huidige situatie vormt het plangebied beperkt foerageergebied en nestgelegenheid voor een aantal algemene vogelrichtlijnsoorten. Met de nieuwbouwplannen worden groenstructuren aangeplant, waardoor nest- en foerageergelegenheid zal toenemen voor een aantal algemene soorten met een éénmalig nest. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Vleermuizen: vliegroutes en foerageergebied Vaste vliegroutes voor vleermuizen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De locatie vormt foerageergebied van redelijke kwaliteit. Met de herontwikkeling zullen jachtmogelijkheden verminderen.
In de omgeving zijn voldoende alternatieven van goede kwaliteit en kwantiteit beschikbaar. Vleermuizen: verblijfplaatsen Door het ontbreken van bomen en bebouwing kunnen vleermuisverblijfplaatsen worden uitgesloten. Negatieve effecten op vleermuizen zijn niet aan de orde. Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Op basis van het veldbezoek kan het voorkomen van landzoogdieren met jaarrond beschermde verblijfplaatsen worden uitgesloten. Binnen het plangebied en directe omgeving worden verder geen
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
beschermde soorten verwacht die op de lijsten staan van de Habitatrichtlijn of de ‘Andere soorten’, (provinciaal beschermde soorten) door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor een aantal landzoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht. Negatieve effecten zijn niet aan de orde. Vrijgestelde soorten Er worden enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals konijn, egel, bruine kikker, gewone pad en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. Artikel 1.11 van de Wnb stelt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om zodoende die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. 5.5.2.4
Conclusie
De herontwikkeling leidt niet tot aantasting van flora en fauna waarden.
5.6
Geluid
5.6.1 Beleidskader 5.6.1.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 5.6.1.2 Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
5.6.2 Toets 5.6.2.1 Wegverkeerslawaai Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 22 oktober en projectnummer 2107/246/SH-01 behoort als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
“Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de weg ’t Hoekske met een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Aangelag en het gedeelte van de weg ‘t Hoekske met een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor het gedeelte van de weg ‘t Hoekske met een snelheidsregime van 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor het gedeelte van de weg ’t Hoekske met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de noordgevel van de meest noordelijk gelegen patiowoning de richtwaarde van 48 dB met maximaal 3 dB overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Aangelag geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op een gedeelte van de rechter zijgevels van de patiowoningen met maximaal 1 dB overschrijdt. Echter kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Ter plaatse van de noordgevel van de meest noordelijk gelegen woning is sprake van een overschrijding van de richtwaarde.
Conform de in bijlage 1 opgenomen situatietekening wordt de begane grond van de noordgevel blind uitgevoerd. Indien op de 1e verdieping eveneens sprake is van een blinde gevel wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van deze gevel niet noodzakelijk geacht. Indien deze gevel niet geheel blind uitgevoerd wordt, wordt wel een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van deze gevel geadviseerd. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij voornoemde eis waarbij voor de hogere waarde de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden. Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een goed woon- en leefklimaat aanwezig is in het kader van de Wet geluidhinder. 5.6.2.2 Industrielawaai Er is geen sprake van aanwezigheid of vestiging van een (grote) lawaaimaker in de omgeving van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing
5.7
Geur
5.7.1 Beleidskader 5.7.1.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: -
is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
-
wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
5.7.1.2 Activiteitenbesluit Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 5.7.1.3 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening voor geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woon- en leefklimaat op een locatie. In de wet is in artikel 3 lid 2 opgenomen dat indien er sprake is van herbestemming van een voormalige veehouderij, de bedrijfswoning in het kader van geur dient te worden beoordeeld als ware het nog een bedrijfswoning van deze veehouderij.
5.7.1.4 Gemeentelijk beleidskader Inleiding De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd dan de normen in de wet. Dieren met emissiefactor Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:
-
Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.
Dieren met vaste afstand Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. Het plangebied is gelegen binnen de woonkern van Heusden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
5.7.1.5 Woon- en leefklimaat Inleiding De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder overwogen in haar uitspraak van 7 oktober 2019 dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het moment dat wordt voldaan aan de in de artikel 2.73 lid 2 van de Interim omgevingsverordening van de Provincie NoordBrabant bedoelde cumulatieve achtergrondgeurbelasting van 12% geurgehinderden binnen de bebouwde kom in een concentratiegebied. Dit komt overeen met een achtergrondgeurbelasting van 10 ouE/m³ en een voorgrondgeurbelasting van 5,0 ouE/m³ (opgenomen in tabel B in bijlage 6 bij de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij). Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat als deze voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat.
Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. 5.7.1.7 Belangen veehouderij en derden Als gevolg van een ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze plannen.
5.7.2 Toets 5.7.2.1 Voorgrondbelasting De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 300 meter ten westen van het plangebied. Navolgende figuur geeft een beeld van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied die het dichtstbij gelegen zijn (Antoniusstraat 45 en Bosweg 3), dan wel het grootst zijn (Waardjesweg 88). Hierna is de toets van de voorgrondbelasting van deze bedrijven opgenomen. De berekeningen zijn gemaakt met V-Stacks Vergunning 2020. Voor deze berekeningen is worst case uitgegaan van projectie van de emissie van de hoek van het bouwvlak van de veehouderijen tot de hoeken van de bouwvlakken van de beoogde woningen.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
Tabel 1: Voorgrondbelasting berekening worst-case Bosweg 3 ten opzichte van het plangebied
Tabel 2: Voorgrondbelasting berekening worst-case Antoniusstraat 45 ten opzichte van het plangebied
Tabel 3: Voorgrondbelasting berekening worst-case Waardjesweg 88 ten opzichte van het plangebied
5.7.2.2 Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt jaarlijks door de Omgevingsdienst inzichtelijk gemaakt op digitaal kaartmateriaal. Hierna is een uitsnede weergegeven van de kaart met de indicatieve achtergrondbelasting voor het plangebied en de omgeving hiervan.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
Plangebied
Figuur 12: Indicatieve achtergrondbelasting geur waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Binnen het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 7-13 oue/m³, waarmee sprake is van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Dit woon- en leefklimaat is acceptabel. Toets dieren met vaste afstand In artikel 4 van de gemeentelijke verordening geurhinder en veehouderij 2021 van de Gemeente Asten is opgenomen welke vaste gehanteerd dienen te worden bij het houden van dieren met een vaste afstand in relatie tot de omvang van het bedrijf. Uit navolgende tabel blijkt dat de melkveehouderijen in de omgeving niet leiden tot een belemmering voor woningbouw binnen het plangebied.
Locaties melkveehouderijen
Vergunde aantal melkkoeien +
Afstand op basis
Daadwerkelijke
aantal jongvee
van verordening
afstand
Toets afstand
afgerond
op tientallen Heesakkerweg 1
90 melkkoeien
100 meter
1.630 meter
Voldoet
Waardjesweg 54
40 melkkoeien
100 meter
1.540 meter
Voldoet
Waardjesweg 84
65 melkkoeien + 42 jongvee
100 meter
710 meter
voldoet
Voortje Heusden 6
289 melkkoeien + 55 jongvee
649 meter
790 meter
Voldoet
Voorste Heuden 8
136 jongvee
100 meter
890 meter
Voldoet
Bluijssens Broekdijk 13
308 melkkoeien + 241 jongvee
776 meter
1.820 meter
Voldoet
Bluijssens Broekdijk 14
180 melkkoeien
100 meter
1.690 meter
Voldoet
Meijelseweg 33
10 melkkoeien
100 meter
1.510 meter
Voldoet
Slobeendweg 5
368 melkkoeien
649 meter
950 meter
Voldoet
Sengersbroekweg 2
43 melkoeien + 37 meter
100 meter
1.360 meter
Voldoet
Figuur 13: Toets dieraantallen en vaste afstanden ten opzichte van het plangebied
5.7.2.3 Belangenafweging Als gevolg van deze herontwikkeling mogen veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 450 meter. Tussen het plangebied en de veehouderijen in de omgeving zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. Het plangebied is daarmee niet de belemmerende factor voor veehoude-
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
rijen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.8
Gezondheid
5.8.1 Beleidskader 5.8.1.2 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de handreiking zijn de zeven te doorlopen te toetsen stappen opgenomen. Burgemeester en wethouders van de gemeente Asten hebben op 12 september 2017 besloten om dit toetsingskader toe te passen bij de beoordeling van milieuvergunningen. Het uitgangspunt hierbij is het voorkomen van nieuwe overschrijdingen en voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden.
De gemeente Asten oordeelt dat van de endotoxinen-norm ook een omgekeerde werking uitgaat. 5.8.1.3 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.4 Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.
Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
5.8.2 Toets 5.8.2.1 Endotoxinen De Omgevingsdienst heeft een kaart voor de gemeente Asten opgesteld waarop de indicatieve endotoxine-contouren indicatief zijn opgenomen. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een endotoxinecontour van een veehouderij. De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 450 meter. Het aspect endotoxinen is dan ook voor deze herontwikkeling geen bezwaar. 5.8.2.2 Geitenhouderijen Op een afstand van circa 1,1 kilometer ten noorden van het plangebied is een geitenhouderij gelegen. Het betreft het bedrijf aan Polderweg 53 met navolgende vergunning:
Tabel 4: Vergunde dieraantallen Polderweg 53 (BVB-Brabant)
Windrichting en windsterkte spelen een voorname rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof vanaf de veehouderij zich doorgaans verplaatsen uit de richting van het plangebied. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Het plangebied is op een afstand van 1,1 km van het bedrijf gelegen. Op de tussengelegen gronden zijn in een stedelijke setting bebouwing en vegetatie aanwezig. Dit betekent dat er sprake is van een bepaalde terreinruwheid waarmee het direct inwaaien van fijnstof of endotoxinen wordt voorkomen. De beoogde nieuwe woningen worden niet dichter tot de geitenhouderij georiënteerd dan bestaande woningen. Daarnaast worden de nieuwe woningen niet gebruikt door ‘meer kwetsbare personen’ op het vlak van gezondheidsredenen. Vanwege de huidige regelgeving omtrent geitenhouderijen zal het woon- en leefklimaat in de toekomstige situatie niet verslechteren en in de toekomst enkel verbeteren.
Gelet op voornoemde aspecten is het toevoegen van een beperkt volume woningbouw aanvaardbaar in het kader van gezondheid en veehouderijen. 5.8.2.3 Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen Het plangebied is gelegen binnen een bestaande woonwijk. In de omgeving zijn geen gronden gelegen waar gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde woningbouw.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en de omgeving valt aan te merken al ‘rustige woonwijk’.
5.9.2 Toets 5.9.2.1 Bedrijven in de omgeving van het plangebied Antoniusstraat 34 Aan Antoniusstraat 34 is een grondverzetbedrijf gevestigd. Dit bedrijf valt maximaal binnen de milieucategorie 3.2. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 3.2 dient een afstand aangehouden te worden van ten minste 100 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van ruim 200 meter van het bedrijf tot het plangebied wordt hieraan ruim voldaan. Heikamperweg 20 Op een afstand van circa 170 meter ten oosten van het plangebied is een installatiebedrijf voor de glastuinbouw gevestigd. Dit bedrijf valt binnen de milieucategorie 3.2, waarvoor een richtafstand geldt van 100 meter tot een gevoelig object. Aan deze afstand wordt ruim voldaan. 5.9.2.2 Bedrijven binnen het plangebied Er is geen sprake van de vestiging van bedrijven binnen het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Beleidskader 5.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
Structuurvisie buisleidingen;
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 5.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een orienterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
5.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 5.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) kan onder andere worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’.
5.10.2 Toets 5.10.2.1 Risicovolle inrichtingen Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van ruim 700 meter ten zuiden van het plangebied. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
5.10.2.2 Transport Spoor Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is niet van toepassing. Weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N266, N277 en de N279 en de Rijksweg A67. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N266, N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van circa 3.800 meter tussen plangebied en A67, is het plangebied formeel gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Er dient dan ook een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden. Water Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Buisleidingen De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van ruim 1,5 kilometer ten westen van het plangebied. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.
Hoogspanningslijnen Op een afstand van eveneens ruim 1,2 kilometer meter ten westen van het plangebied is een hoogspanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben. 5.10.2.3 Verantwoording groepsrisico Inleiding Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A67 ligt, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen, ligt de Rijksweg op een afstand van circa 3.800 meter tot het plangebied en is de toename van personen in het gebied door dit plan minder dan 50 personen. Derhalve kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio overgenomen worden. Dit advies is hierna opgenomen. Communicatie Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risico-
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
bron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Zelfredzaamheid Tevens kan worden gesteld dat de bouw van de woningen de zelfredzaamheid van de aanwezige personen niet verkleint. De nieuw te realiseren woningen beperken geen ontvluchtingsmogelijkheden en de personen in de woning kunnen als zelfredzaam worden beschouwd.
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Beleidskader 5.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 5.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 5.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.
De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
5.11.2 Toets 5.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Deze herontwikkeling valt binnen het begrip NIBM. Er worden negen woningen gerealiseerd binnen het plangebied. 5.11.2.2 Blootstelling aan verontreiniging Fijn stof Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 binnen het plangebied en de directe omgeving weer.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
Plangebied Figuur 14: Fijn stof PM10 (Bron: RIVM)
Plangebied
Figuur 15: Fijn stof PM2,5 (Bron: RIVM)
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-21 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. De luchtkwaliteit is hiermee acceptabel is. De beoogde herontwikkeling is in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar. Stikstof Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.
Plangebied
Figuur 16: Stikstofdioxide (Bron: RIVM)
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16-18 µg/m³. De beoogde ontwikkeling is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar.
5.12 Verkeer en parkeren 5.12.1 Verkeer 5.12.1.1 Beleidskader Voor wat betreft verkeersaspecten is het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan (GVVP) en de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2012) van toepassing. Wegen moeten toegankelijk zijn voor de vuilniswagen en brandweerwagen. Hiervoor geldt een doorruimbreedte van 3,5 meter. Doodlopende wegen moeten voorzien zijn van draaicirkels. Deze eisen vloeien voort uit het beleidsstuk ‘Blusvoorziening en bereikbaarheid’ van Brandweer Nederland. 5.12.1.2 Toets Met de invulling van het plangebied wordt een ontsluiting gerealiseerd die voldoet aan de regels uit het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan. Het plangebied wordt ontsloten aan Aangelag. Deze weg heeft een breedte van vier meter en wordt een eenrichtingsweg. Met deze herbestemming worden negen woningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling leidt tot een toename in autoverkeersbewegingen. De woningen worden gerealiseerd in een woonwijk. Deze toename is niet significant. De extra autobewegingen gaan op in het heersende verkeersbeeld.
5.12.3 Parkeren 5.13.3.1 Beleidskader Voor verkeer en parkeren zijn de Nota Parkeernormen 2016 van de gemeente Asten en de ASVV maatgevend. De gemeente Asten streeft ernaar om de parkeervraag zoveel mogelijk op eigen terrein op te vangen. In de Nota Parkeernormen 2016 is een onderscheid gemaakt tussen parkeren in het centrum van Asten, zoals gedefinieerd in de Nota Parkeernormen 2016, en de rest van de bebouwde kom van Asten en de bebouwde kom van Heusden en Ommel. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Heusden. In de Nota Parkeernormen 2016 zijn normen voor het realiseren van parkeerplaatsen bij realisatie van woningen binnen de gemeente Asten opgenomen. Dit betreft de navolgende parkeerplaatsen:
Per patiowoning dienen twee parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Dit betekent voor drie patio woningen dat er zes parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.
Voor de starterswoningen, waaronder drie sociale huurwoningen geldt een norm van (3 x twee parkeerplaatsen en 3 x 1,6 parkeerplaatsen van) 10,8 dus 11 parkeerplaatsen.
In totaal zijn binnen het plangebied 17 parkeerplaatsen benodigd. 5.13.3.2 Toets Met de beoogde woningbouw wordt zo veel als mogelijk geparkeerd op eigen terrein. Bij de levensloopbestendige woningen kan worden voorzien in twee parkeerplaatsen per wooneenheid, waarmee reeds wordt voorzien in zes parkeerplekken op eigen terrein. Binnen het plangebied wordt daarnaast
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
ook nog voorzien in extra parkeervoorzieningen in de openbare ruimte. Er wordt voorzien in 12 parkeerplekken in de openbare ruimte. Daarmee worden in totaal 18 parkeerplaatsen gerealiseerd. Voorzien wordt in haakse- en langsparkeervakken. Op grond van de Nota parkeernormen dienen haakse parkeervakken een minimale afmeting te hebben van 5,0 x 2,5 meter en langsparkeervakken 6,0 x 2,0 meter. Deze parkeervakken moeten zodanig gesitueerd zijn dat er voldoende manoeuvreerruimte is. Hieraan wordt voldaan binnen het plangebied.
5.12 Besluit m.e.r. 5.12.1 Beleidskader 5.12.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.
5.12.1.2 Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². 5.12.1.3 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden en er desondanks sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
5.12.2 Toets Binnen het plangebied worden 9 woningen gerealiseerd binnen stedelijk gebied. Indien er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient een mer-beoordelingsnotitie te worden opgesteld. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (of de wijziging daarvan) hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stede-
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
lijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Uit jurisprudentie blijkt dat naar het oordeel van de Afdeling geen sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject bij realisatie tot 12 woningen binnen stedelijk gebied. Daarbij is tevens van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. De bestemmingen ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’ zijn opgenomen. Op de verbeelding is een plangrens en zijn bouwvlakken opgenomen. Binnen de bouwvlakken is het maximaal aantal wooneenheden per bouwvlak aangeduid. Tevens zijn de navolgende bouwaanduidingen opgenomen:‘aaneengebouwd’, ‘bijgebouwen’ en ‘specifieke bouwaanduiding – patiowoning’.
6.3
Algemene toelichting op de regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden in deze volgorde worden opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
-
Omgevingsvergunning voor het aanleggen.
De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. Met betrekking tot de regels is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan voor de kom van Heusden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
6.4
Toelichting op de bestemmingen
6.4.1 Groen De voor ‘Groen’ bestemde gronden zijn bestemd voor groene inpassing en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming is geen bebouwing toegestaan.
6.4.2 Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeer en parkeren en bijbehorende voorzieningen.
6.4.3 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, tuinen en erven, groenvoorzieningen, water- en waterhuiskundige voorzieningen. In de regels zijn bouwregels opgenomen voor de beoogde gebouwen binnen het plangebied. Binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken zijn de maximaal aantal te realiseren wooneenheden per bouwvlak opgenomen en is aangeduid welk woningbouwtype gerealiseerd wordt. Voor de aaneengebouwde woningen is tevens een vlak opgenomen waarbinnen bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘’t Hoekske nabij 3 Heusden’ - toelichting
7. UITVOERBAARHEID 7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
7.2
Omgevingsdialoog
Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling zal initiatiefnemer een omgevingsdialoog voeren alvorens de procedure formeel wordt gestart.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke onderbouwing ‘Ommelshof te Asten’ - Bijlagen
8. PROCEDURE BESTEMMINGSPLAN 8.1 Procedure De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
-
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
-
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;
-
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan. o De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.
Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld.
8.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en waterschap Aa en Maas.
8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad.
Crijns Rentmeesters bv
MEMO Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening ’t Hoekske te Heusden Auteur: NOX Advies, Dhr. M.H. van der Wielen Datum: 20 juli 2022 Bijlage: Aerius-berekening, d.d. 20 juli 2022
Inleiding In het plan ’t Hoekske te Heusden (gemeente Asten) bestaat het voornemen om grondgebonden woningbouw te realiseren. Het gaat om 9 grondgebonden woningen. Voor dit plan wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Het plangebied ligt op een afstand van circa 3,3 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Groote Peel’. Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het plan kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd (versie Aerius 2021.1) voor de gebruiksfase. De Aerius-berekening is bijgevoegd. In deze memo worden de uitgangspunten en conclusie beschreven.
Afbeelding 1: Ligging plangebied en Natura 2000-gebieden (bron: Aerius)
De (tijdelijke) bouwfase is per 1 juli 2021 vrijgesteld van de Wnb-vergunningsplicht door het besluit van 14 juni 2021 tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur (stikstofreductie en natuurverbetering). De vrijstelling geldt voor het slopen en bouwen van een bouwwerk en voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van werken, zoals in dit plan aan de orde is. In de Nota van toelichting staat hierover: “Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten. Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit.” Om die reden is in dit onderzoek uitsluitend de gebruiksfase betrokken.
Uitgangspunten gebruiksfase Het rekenjaar betreft 2022. De nieuwe woningen worden niet aangesloten op het gasnetwerk. Daarom kennen de woningen zelf geen relevante emissie. In de gebruiksfase veroorzaakt uitsluitend de verkeersaantrekkende werking emissie van NOx en NH3. De verkeersaantrekkende werking van de woningen wordt ingeschat op maximaal 9 lichte motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning, hetgeen ten opzichte van de CROW-richtlijnen een overschatting is. Uitgangspunt is dat al het verkeer in en uit de richting van de Voorste Heusden gaat. Het lichte verkeer zal naar verwachting opgaan in het heersende verkeersbeeld op deze weg. Deze weg kent een etmaalintensiteit van circa 2.900 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De toename van 81 motorvoertuigbewegingen per etmaal (circa 2,7%) zal op deze weg niet meer opgemerkt worden tussen het overige verkeer. De rijlijn is gelegen binnen 5 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Om die reden kan Aerius eventuele depositie als gevolg van lijnbronnen bepalen. Daarom zijn geen eigen rekenpunten aangebracht.
Afbeelding 2: Uitsnede rekenmodel gebruiksfase (bron: Aerius)
Conclusie en resultaat De berekende emissie NOx in de gebruiksfase bedraagt circa 3,6 kg NOx/jaar. In de gebruiksfase komt als gevolg van het verkeer ook een kleine hoeveelheid aan ammoniak (NH3) vrij.
Afbeelding 3: Resultaten berekening gebruiksfase (bron: Aerius 2021.1) Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie in de gebruiksfase leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een vergunningsplicht Wet natuurbescherming is derhalve niet aan orde en voor de bestemmingsplanprocedure gelden als gevolg van het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen.
Bijlage: Aerius-berekening gebruiksfase
Bijlage 1
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
NOX Advies 't Hoekske te Heusden, x Heusden 't Hoekske te Heusden Gebruiksfase 9 woningen
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RdQzaccW9J7q 20 juli 2022, 14:43 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2022
Emissie NH₃ 0,3 kg/j
Emissie NOₓ 3,6 kg/j
Resultaten
Hoogste depositie -
Hexagon
Gebied
Gebruiksfase - Beoogd Gebruiksfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RdQzaccW9J7q (20 juli 2022)
2/6
Projectberekening
Gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen 1 Wonen en Werken | Woningen | Gebruiksfase Verkeersnetwerk
RdQzaccW9J7q (20 juli 2022)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,3 kg/j
3,6 kg/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie
De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RdQzaccW9J7q (20 juli 2022)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal
RdQzaccW9J7q (20 juli 2022)
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste Met afname (ha Grootste gekarteerd) depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol gekarteerd) afname (mol N/ha/jr) N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
-
-
-
5/6
Projectberekening
Gebruiksfase, Rekenjaar 2022
1 Wonen en Werken | Woningen Naam Gebruiksfase Uittreedhoogte Wijze van ventilatie Niet geforceerd Warmteinhoud Temporele variatie Continue Emissie
1,0 m 0,000 MW
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.1.1_20220705_74979f573b Database versie 2021.1.1_74979f573b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RdQzaccW9J7q (20 juli 2022)
6/6
NOX Advies Zandacker 45 5061 KX, Oisterwijk www.noxadvies.nl info@noxadvies.nl
KvK-nummer: 77738861
Bodem en Bouwstoffen
Verkennend Bodemonderzoek 't Hoekske ong. te Heusden rapport C218403.007/PHE
datum: opdrachtgever:
16 september 2021 den Hartman Bouwbedrijf B.V., Postbus 83 23c Meijelseweg 5400 UDEN 5725 AB BA HEUSDEN
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.
16 september 2021 rapportnummer: C218403.007/PHE
I
VERANTWOORDING
P. Heesakkers Adviseur
Ing. B. van den Bosch Teamleider
Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818 – Faxnr. 0493-671800, Email: info@archimil.nl Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 september 2021 rapportnummer: C218403.007/PHE
II
SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de 't Hoekske ong. te Heusden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Asten-Heusden
Adres
't Hoekske ong. te Heusden
Kadastraal
Sectie: P
Nr: 610 (ged.)
Coördinaten
X: 180.993
Y: 377.024
Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 1830 m2
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als nietverdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat de grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) licht verontreinigd met PCB’s, PAK’s, lood, zink en/of cadmium. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en koper. De hypothese niet-verdachte locatie dient voor de bovengrond formeel te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat er ons inziens, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld hoeven te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 september 2021 rapportnummer: C218403.007/PHE
III
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1 2. VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1. GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2. HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.3. BODEMONDERZOEKEN ............................................................................................................... 4 2.4. BODEMONDERZOEKEN OMGEVING ................................................................................................ 4 2.5. TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 5 2.6. BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ......................................................................................... 5 2.6.1. Algehele bodemkwaliteit .............................................................................................. 6 2.6.2. PFAS ........................................................................................................................... 6 2.7.
CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 7 3. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK.......................................................................... 8 3.1. OPZET BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 8 3.2. ANALYSEPAKKETTEN ................................................................................................................ 8 3.3. UITVOERING BODEMONDERZOEK .................................................................................................. 8 4. WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE ........................................................................10 5. RESULTATEN...............................................................................................................................11 5.1. VELDWERK GROND .................................................................................................................. 11 5.2. AANPASSING ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 11 5.3. VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 11 5.4.
ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 11 5.4.1. Grondmengmonsters .................................................................................................. 11 5.4.2. Grondwatermonsters ................................................................................................. 12 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................13 TABELLEN ...........................................................................................................................................14 Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 .............................................................................................................