RU22.11.04H Ruimtelijke onderbouwing - 4. Vaalbaan 1 Deel 1.pdf
Tekst van het document
43
wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen.
Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.6.2
Onderzoek
Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van gevoelige objecten zoals bedoeld in de Wgh. Ook leidt de ontwikkeling niet tot een toename van geluidshinder op in de omgeving gesitueerde gevoelige objecten. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
44
Vaalbaan 1, Heusden
4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.7
Geur
4.7.1
Algmeen
Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, normen voor de maximale geurbelasting die veehouderijen mogen veroorzaken en minimale afstanden tussen stallen en geurgevoelige objecten. Deze normen moeten worden
toegepast
bij
het
beoordelen
van
een
aanvraag
om
een
omgevingsvergunning voor een veehouderij. Hoe de geurbelasting en afstanden moeten worden bepaald is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen voor de geurbelasting en de afstand gelden op of tot de rand van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld de gevels van woningen). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning.
Dit
verspreidingsmodel
geuremissiefactoren
zijn
opgenomen
geldt
alleen
in
de
voor
Rgv.
Voor
dieren dieren
waarvoor zonder
geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Geurverordening gemeente Asten Een gemeenteraad is bevoegd om bij gemeentelijke geurverordening te bepalen dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere norm voor de geurbelasting of een andere afstand van toepassing is. De gemeente Asten heeft een geurverordening vastgesteld. Op 9 maart 2021 heeft de gemeenteraad van Asten een gewijzigde geurverordening vastgesteld, de “Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2020”. De maximale geurbelasting volgt uit de bij de verordening behorende Geurnormenkaart.
Toelichting
45
4.7.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is de invloed van het initiatief voor het aspect geur onderzocht. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7 Geuren luchtkwaliteitonderzoek. In het onderzoek zijn de vergunde en beoogde situatie onderzocht. Omdat in de beoogde situatie sprake is van gewijzigde ventilatie en emissiepunthoogtes is er, ondanks de toename van de geuremissie, sprake van een afname van de geurbelasting op de meeste geurgevoelige objecten. De voorgrondbelasting van de veehouderij aan de Vaalbaan 1 is bepalend. De bestaande voorgrondgeurbelasting (maximaal 1,7 ouE/m3) is binnen het gehele plangebied ruim lager dan de maximale voorgrond geurbelasting die op grond van de “Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2020” zijn vastgesteld.
De
voorgrondbelasting heeft in de beoogde situatie de milieukwaliteit ‘goed’ en ‘zeer goed’. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.7.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Algemeen
In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Met deze wet zijn luchtkwaliteitseisen verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Er is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. De belangrijkste zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/m³. In de Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16 van de Wet milieubeheer) is aangegeven in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmeringen vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen: 4. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een 46
Vaalbaan 1, Heusden
grenswaarde; 5. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 6. een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging. 4.8.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is de invloed van het initiatief op de luchtkwaliteit onderzocht. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 7 Geur- en luchtkwaliteitonderzoek. De concentratie fijnstof (PM10) is berekend met het verspreidingsmodel ISL3a, versie 2022. De jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) binnen het plangebied ligt tussen 18,1 en 20,3 microgram per m3. Dit is (ruim) lager dan de grenswaarde van 40 microgram per m3. Het aantal dagen dat de 24-uurs-gemiddelde waarde van 50 microgram per m3 lucht wordt overschreden is 8. Dit is ruim lager dan de grenswaarde van 35 dagen. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit in het plangebied goed is. 4.8.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.9
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woonen leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving Toelichting
47
maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht.
De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategori Richtafstanden tot omgevingstype rustige
Richtafstanden tot
e
omgevingstype gemengd
woonwijk en buitengebied
gebied 1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
48
Vaalbaan 1, Heusden
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.9.1
Onderzoek
Het plangebied en de omgeving kunnen worden getypeerd als 'buitengebied', de richtafstanden worden niet met één stap verkleind. Een agrarisch bedrijf betreft een milieuhinderlijke functie, het vormt geen milieuhinder gevoelige functie. Beoordeeld moet worden of ter plaatse van woningen in de omgeving sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het agrarisch bedrijf
houdt zich bezig met zowel rundveehouderij als
pluimveehouderij. SBI-2008 categorieën 0141, 0142 (fokken en houden van rundvee) en 0147-1 (fokken en houden van pluimvee) zijn daarmee van toepassing. De pluimveehouderijtak van het bedrijf richt zich op legkippen. Voor het bedrijf geldt daarmee een milieucategorie van 4.1. en daarmee een grootste richtafstand van 200 meter. Uit een beoordeling van luchtfoto's en vigerende bestemmingsplannen volgt dat het meest nabijgelegen gevoelige object (een woning) op circa 260 meter van het plangebied is gelegen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 200 meter. Hieruit volgt dat aan de richtafstanden van de VNG-publicatie wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.9.2
Conclusie
Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Toelichting
49
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations
en
opslagen
van
bestrijdingsmiddelen.
Daarnaast
zijn
(hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.
Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot 50
Vaalbaan 1, Heusden
bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.10.2 Onderzoek Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van een gevoelig object of een risicobron. Het aspect externe veiligheid is derhalve niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. 4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. 4.11
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied ligt in het buitengebied van Asten en wordt ontsloten door buitenstedelijke (60 km/u) wegen. In het kader van de bedrijfsvoering worden verkeersbewegingen gegenereerd door (middel)zwaar verkeer. Als gevolg van de bedrijfsuitbreiding zal deze verkeersgeneratie in geringe mate toenemen. Gelet op de
beperkte
uitbreiding
van
het
veebestand,
zal
de
toename
van
verkeersbewegingen van en naar het plangebied meevallen. De ontsluitingswegen zijn zodanig ingericht dat zij de toename van het verkeer aankunnen. Conform de NSL-Monitoringstool is geen sprake van congestie. Voorliggend plan resulteert niet in een negatieve afwenteling van verkeerseffecten. Gesteld wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Toelichting
51
Parkeren Ruimtelijke plannen dienen te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte ter plaatse van de Vaalbaan 1 mogelijk enigszins toe. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor parkeren het parkeer van persoonsvoertuigen als transportvoertuigen. Gesteld wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.12
Kabels en leidingen
4.12.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid
van
ondergrondse
planologisch
relevante
leidingen
(hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.12.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In
het
plangebied
of
in
de
nabijheid
hiervan
bevinden
zich
geen
in
de
nabijheid
hiervan
bevinden
zich
geen
aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In
het
plangebied
of
hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In
het
plangebied
of
in
de
nabijheid
hiervan
bevinden
zich
geen
watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte 52
Vaalbaan 1, Heusden
KLIC-melding
uitgevoerd.
Een
dergelijke
melding
zorgt
ervoor
dat
netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4.12.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. In dat geval kan middels een KLIC-melding inzicht worden verkregen in de aanwezigheid van dergelijke kabels en leidingen. 4.13
MER-toets
4.13.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het Toelichting
53
kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. 4.13.2 Onderzoek
4.13.2.1
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
In het voorliggende geval is mogelijk sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. In onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage onder C14 de activiteit 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens' en in onderdeel D14 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht, hier is sprake van indien de activiteiten de vastgestelde drempelwaarden overschrijden. Onderstaand is dit per activiteit getoetst: C14: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1. 85.000 stuks mesthoenders (Rav1 cat. E 3 t/m 5); 2. 60.000 stuks hennen (Rav cat. E 1 en E2); 3. 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3); of 4. 900 stuks zeugen (Rav cat. D 1.2, D 1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft). De ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het veebestand met 12.500 stuks legkippen (E 2.11.2.1). Bovengenoemde drempelwaarden worden derhalve niet overschreden. 54
Vaalbaan 1, Heusden
D14: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1. 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J); 2. 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3); 3. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft); 4. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1); 5. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3); 6. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2); 7. 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2); 8. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3); 9. 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwlijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3); 10. 1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7); 11. 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3); 12. 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4); of 13. 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3). De ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van het veebestand met 12.500 stuks legkippen (E 2.11.2.1) en 109 stuks rundvee (A 1.100 & 3.100). Bovengenoemde drempelwaarden worden derhalve niet overschreden. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht.
Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens' of 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren' als bedoeld in onderdeel C 14 of D 14 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8843) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van D14. Niet relevant is of per Toelichting
55
saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Voorliggend plan betreft wijziging van een agrarische bedrijfsbestemming en de uitbreiding van de agrarische opstallen. Gelet op de gehouden diercategoreën (rundvee en pluimvee) is hierbij mogelijk sprake van een milieuhinderlijke functie. In het kader van de ontwikkeling zijn voor de ruimtelijke ordening relevante milieu-aspecten beoordeeld in Hoofdstuk 4. Hieruit blijkt dat de activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan 'Vaalbaan 1, Heusden', gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Gesteld wordt dat het doorlopen van een milieueffectrapportage niet nodig is. 4.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens' of 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren' als bedoeld in onderdeel C 14 of D 14 van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarnaast is in Hoofdstuk 4 van voorliggend bestemmingsplan in voldoende mate is aangetoond dat het plan geen negatieve effecten heeft voor het milieu, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is.
56
Vaalbaan 1, Heusden
Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Toelichting
57
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 5.1.1
Inleidende regels
5.1.1.1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
5.1.1.2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 5.1.2
Bestemmingsregels
5.1.2.1 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' De agrarische bedrijfsbebouwing kan uitsluitend worden opgericht op gronden bestemd als Agrarisch - Agrarisch bedrijf met een bouwvlak. Middels gebruikmaking van een aanduiding is een onderscheid in het type agrarisch bedrijf gemaakt, waarbij is toegekend 'pluimveehouderij overig'. Hier zijn zowel melkrundveehouderij, intensieve veehouderij en pluimveehouderij toegestaan. 5.1.3
Algemene regels
5.1.3.1 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
58
Vaalbaan 1, Heusden
5.1.3.2 Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen van bebouwing op korte afstand van wegen beschreven.
5.1.3.3 Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moeten zijn.
5.1.3.4 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
5.1.3.5 Algemene wijzigingsregels In dit artikel worden aan Burgemeester en Wethouders de mogelijkheid gegeven om het bestemmingsplan op ondergeschikte punten te wijzigen.
5.1.3.6 Overige regels In dit artikel is de mogelijkheid voor Burgemeester en Wethouders opgenomen om nadere eisen te stellen.
Toelichting
59
5.1.4
Overgangs- en slotregels
5.1.4.1 Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel
de
overgangsbepalingen
ten
aanzien
van
bouwwerken
als
de
overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.1.4.2 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan. 5.2
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit
van
het
gemeentelijk
grondgebied
tegen.
Een
actueel
bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid
kan
gemaakt
worden
tussen
preventieve
en
repressieve
handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere 60
Vaalbaan 1, Heusden
goede
regelgeving
subsidieverlening,
(onder afwijken
andere van
in
bestemmingsplan),
bouwregels
en
voorlichting,
gebruiksregels
en
de
omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
Toelichting
61
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Financiele uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een woning. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
62
Vaalbaan 1, Heusden
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. 6.2.1
Wettelijk (voor)overleg
In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. 6.2.2
Omgevingsdialoog
Om tot een maatschappelijk gedragen plan te komen hebben initiatiefnemers een omgevingsdialoog
georganiseerd
voor
direct
omwonenden.
Tijdens
deze
bijeenkomst zijn de genodigden geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Daarbij was er ruimte voor vragen over de plannen. In Bijlage 8 Verslaglegging omgevingsdialoog is een verslaglegging van de omgevingsdialoog opgenomen. Tijdens de bijeenkomst zijn geen bezwaren tegen de ontwikkeling kenbaar gemaakt. 6.2.3
Inspraak
In het kader van inspraak wordt het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.
Toelichting
63
Hoofdstuk 7 Procedure en overleg In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Vaalbaan 1, Heusden'. 7.1
Procedurestappen
Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. 7.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom is heb bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. Provincie Noord-Brabant 64
Vaalbaan 1, Heusden
Voorliggend plan is van lokale aard en geoordeeld wordt dat met het initiatief geen provinciale belangen worden geschaad. Er is daarom afgezien van vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant. Waterschap Aa en Maas Met de digitale watertoets is het plan kenbaar gemaakt bij het waterschap Aa en Maas. Uit de digitale watertoets volgde dat er sprake was van de normale procedure. Het
waterschap
is
daarom
over
de
ontwikkeling
benaderd
om
de
waterschapsbelangen goed in het plan te borgen. PM 7.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Vaalbaan 1, Heusden' ligt vanaf datum gedurende zes weken ter inzage liggen. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de Zienswijzennota.
Toelichting
65
Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
t 08 8236 8236 e info@rombou.nl i www.rombou.nl
LEGENDA 1
BESTAANDE HOOGSTAMFRUITBOMEN
2
STRUWEELBEPLANTING (INHEEMS)
3
WALNOTENGAARD
3 0 20,0
0 20,0
2
0 20,0
1 3 0 20,0
1
LA N DSC H APPELIJKE IN PASSIN G
tekeningno
formaat
datum
door
1(2)
A3
8-9-22
w.f. hilbers
VAALBAA N 1 HEUSDEN
versie
schaal
bestand
advies en inrichting landschap en openbare ruimte meppel - info@burostadenland.nl - www.burostadenland.nl - tel 06 41 66 55 76
4
1:1500
D:\Dropbox\DATA\573-valbaan 1 heusden\tek\573-01.vwx
De initiatiefnemers (Familie Bennenbroek) hebben een veehouderij aan de Vaalbaan 1 te Heusden. Zij zijn voornemens aan de bedrijfsactiviteiten een kippenhouderij met
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
vrije uitloop toe te voegen. Hiervoor worden opstallen (deels) gesloopt en worden 20,0
0
20,0
nieuwe pluimveestallen gerealiseerd. Het bouwblok moet daarom worden gewijzigd.
PRINCIPE KENMERKEN LANDSCHAP
0
In dat kader is voor de procedure een landschppelijk inpssingsplan benodigd. Het plan 20,0 0
volgt het vigerende beleid (provincie, gemeente) en zet in op een natuur-inclusieve bedrijfsvoering. De pluimveenhouderij richt ih op vrije uitloop.
20,0
0
Structuurvisie Kwaliteitsverbetering van het landschap. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken.
Visie gemeente Asten Het landschap hier kenmerkt zich door grote open tuinkamers, waarbinnen verspreid
Gebiedspaspoort Peelkernontginning. De Peelkern is het centrale gedeelte van het dekzandplateau van de Peelhorst. De Peelkern is een grootschalig en primair landbouwgebied. Er is een afwisseling van uitgestrekte akkers met bebouwing (ontginningsdorpen) en grootschalige bebossingen die belangrijk zijn voor natuur en LOP: Landschap Natte grootschalige ontginng
Gebiedspaspoort: Peelkernontginning
diverse boerderijcomplexen liggen, welke veelal compact zijn vormgegeven.De tuinkamers worden aan de randen veelal omzoomd door houtwallen en of boomrijen. Door deze structuur ervaar je (als je hier bijvoorbeeld fietst) groten openheid, maar wordt deze wel omkaderd door (in de verte) het zicht op bomenrijen.
recreatie. Aan oost- en zuidzijde van het projectgebied ligt Natura2000-gebied de Groote Peel. De intensieve veehouderij en glastuinbouw hebben zich in dit gebied krachtig ontwikkeld. Door ruilverkaveling heeft schaalvergroting plaatsgevonden en zijn ontsluiting en ontwateringspatronen aangepast. De grote open akkers zijn van belang
De gemeente heeft in haar principebesluit bruikbare suggesties gedaan. Het idee om de vrije uitloop van de pluimveehouderij te combineren met het principe 'Kip en walnotengaard' is door de initiatiefnemers omarmd en verwerkt in het plan.
als foerageergebieden. De bomenrij- en lanenstructuur is van belang voor struweelvogels. Door de groei van de agrarische bedrijfsbebouwing is de verstening van het landschap van de Peelkern sterk toegenomen.
Notenbomen leveren gedurende hun omlooptijd naast beschutting ook een verkoopbaar product: noten. Daarnaast kan met gericht beheer ook waardevol hout worden geteeld, dat aan het eind van de omlooptijd als product verkocht kan worden.
Landschapsontwikkelingsplan De Peel (LOP) Binnen het LOP is het gebied aangemerkt als Natte grootschalige ontginning. De grootschalige heideontginningen zijn in De Peel goed herkenbaar, met lange rechte lijnen en grote percelen. Hier en daar grootschalige functies zoals kassen. Bebouwing is vaak, niet altijd, voorzien van erfbeplanting. Wegen met laanbeplanting vormen het
Met de inrichting wordt de structuur van het landschap gevolgd. Een geometrisch patroon van bomen, hart op hart 20 m. biedt scharrelruimte voor kippen en beperkt het beheer van de ondergrond niet. Tevens wordt het 'open karakter' van het ontginningenlandschap niet aangetast.
grofmazige raamwerkvan het landschap. Landschappelijke inspanning Ontwikkelingsrichting
32 st. Juglans regia 'Broadview' - hoogstam 16-18
- Openheid is een belangrijk kenmerk van de natte grootschalige ontginningen.
800 m2 houtwal (inheems gemengd, struikvormers langs stal bestaand)
- Geïsoleerde opgaande beplantingen in de vorm van bosjes en stevige
17 st. hoogstamfruitbomen (appel/peer) op voorerf
landschappelijke erfbeplantingen zijn de belangrijkste landschapselementen. - De bebouwing ligt verspreid in het landschap, bij voorkeur niet in aaneengesloten linten.
Maatregelen
Geomorfologie: Dekzandwelvingen
- Aanleg landschapselementen in de vorm van bosjes en ruigtestroken - Stimuleren van erfbeplanting
LA N DSC H APPELIJKE IN PASSIN G
tekeningno
formaat
datum
door
2(2)
A3
8-9-22
w.f. hilbers
VAALBAA N 1 HEUSDEN
versie
schaal
bestand
advies en inrichting landschap en openbare ruimte meppel - info@burostadenland.nl - www.burostadenland.nl - tel 06 41 66 55 76
3
D:\Dropbox\DATA\573-valbaan 1 heusden\tek\573-01.vwx
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
BZV versie: 2.2 Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Bedrijfsgegevens Bedrijfsnaam
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
Adres
Vaalbaan 1
Postcode
5725 TV
Woonplaats
HEUSDEN GEM ASTEN
Gemeente
Asten
Website veehouder
-
Kvknummer
172023680000
Adviseurgegevens Adviesbureau
Rapport versie 2.1.3.1
Rombou B.V.
Pagina
1/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Stalgegevens Aantal dieren
Totaal Grootte eenheden
Jongvee (< 1 jaar, vrouwelijk)
45
7,92
Nieuw
Jongvee (1 - 2 jaar, vrouwelijk)
45
11,41
stal 2 ( 2)
Nieuw
Melk- en kalfkoeien (opstallen)
130
209,30
stal 3 ( 3)
Bestaand
Leghennen (>= 18 weken, volière)
30000
78,00
stal 4 ( 4)
Nieuw
Leghennen (>= 18 weken, volière)
35300
91,78
65520
398,41
Omschrijving
Status
stal 2 ( 2)
Nieuw
stal 2 ( 2)
Diercategorie
Overzicht per stal Afkorting
Aantal
Grootte eenheden
% Grootte eenheden totaal
2
220
228,63
57,39
3
30000
78,00
19,58
4
35300
91,78
23,04
65520
398,41
100,00
Afkorting
Aantal
Grootte eenheden
% Grootte eenheden totaal
Legkippen
65300
169,78
42,61
Melkvee
220
228,63
57,39
65520
398,41
100,00
Overzicht per diersoort
Rapport versie 2.1.3.1
Pagina
2/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Resultaat Basisscore
Punten
Score op basispunten
Score
Beoordeling 6,00
Certificaten Totaal punten op certificaten
17,76
Wegingsfactor
40,00
Score op certificaten Inrichting en omgeving
0,44
Akkoord
0,81
Akkoord
7,26
Akkoord
waarde
Gezondheid
24,33
Geuremissie
-
Geurimpact
91,60
Fijnstof
0,11
Mineralenkringloop
39,25
Verbinding met de omgeving
15,00
Totaal punten op inrichting & omgeving
170,29
Correctiefactor aantal maatlatten
0,96
Gecorrigeerde aantal punten
162,75
Wegingsfactor
200,00
Score op Inrichting en Omgeving Innovatie Innovatie telt mee in het eindoordeel Totaal score BZV
Eindoordeel BZV
Rapport versie 2.1.3.1
Nee
Akkoord
Pagina
3/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Certificaten Bedrijfsniveau Certificaat
Antwoord
Gewogen punten
Certificaat
Antwoord
Gewogen punten
Certificaten voor weidegang
Stichting Weidegang (alle melkgevende koeien weiden minimaal 720uur per jaar, op minimaal 120 dagen)
Diersoortniveau Diersoort Melkvee
1,15
CONO,DOC, Rouveen, FoqusPlanet of KKM Ja basiscertificaat, IKM GD-melkvee: certificaat BVD-Virusvrij of Tankmelk Ja BVD
4,59 0,11
GD-melkvee: certificaat Leptospirosen
Ja
0,11
GD-melkvee: certificaat ParaTBC
Ja
0,11
GD-melkvee: certificaat Salmonella
Ja
0,11
GD-melkvee: IBR-vrij of Tankmelk IBR
Ja
0,11
Afkorting
Certificaat
Antwoord
Gewogen punten
2
Beterleven Versie 14
2,10
Ja
0,59
KAT vrije uitloop ei
Ja
0,39
Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)
Versie 3 t/m 7
1,57
Stalniveau
Biologisch: Bio-keurmerk (SKAL) of EKO-keurmerk Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) Scharrelvlees (Producert) 3
Beterleven Biologisch: Bio-keurmerk (SKAL) of EKO-keurmerk IKB Ei IKB scharrel ei IKB vrije uitloop ei KAT aanvulling "Tierschutz gepruft" voor scharrelei KAT aanvulling "Tierschutz gepruft" voor vrij uitloop ei KAT basis KAT scharrel ei
On the way to planet proof - eieren Rapport versie 2.1.3.1
Pagina
4/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
4
Beterleven Biologisch: Bio-keurmerk (SKAL) of EKO-keurmerk IKB Ei IKB scharrel ei IKB vrije uitloop ei
Ja
0,69
KAT vrije uitloop ei
Ja
0,46
Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)
Versie 14
2,30
KAT aanvulling "Tierschutz gepruft" voor scharrelei KAT aanvulling "Tierschutz gepruft" voor vrij uitloop ei KAT basis KAT scharrel ei
On the way to planet proof - eieren Correctie in verband met overlappende certificaten
-0,85 Totaal aantal punten
Rapport versie 2.1.3.1
17,76
Pagina
5/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Gezondheid Bedrijfsniveau Vraag
Antwoord
Punten
3 - Afstand tot dichtstbijzijnde ander veebedrijf, kortste afstand tussen > 100 m bouwblokken
3,72
5 - Scheiding schone-vuile weg: a - Vulpunten voersilo's, afvoerpunten mest, aan-en aflevervoorziening aan vuile weg
-
b - Afleverruimte voor dieren c - Kruisende looplijnen interne bedrijfsgedeelte met openbare gedeelte
-
d - Hygiene sluis op scheiding schone-vuile weg e - Kadaveropslag op vloeistof dichte vloer met opvang van vloeistoffen.
-
f - Looplijnenschets aanwezig, zichtbaar opgehangen
Ja
6 - Hygiëne sluis met:
-
a - Scheiding schoon-vuil gedeelte + wasbak
Ja
2,01
b - Bedrijfseigen kleding/schoeisel
Ja
0,00
c - Douches
Ja
3,72
8 - Opslag van vaste mest op het erf
Ja, niet overkapt
-
-
3,72
-
9 - Spoelplaats veewagens 11 - Minimaal 2 meter verharding direct aansluitend alle stalmuren ter voorkoming van ongedierte
Diersoortniveau Diersoort
Vraag
Legkippen
Antwoord
Punten
2 - Heeft u een buitenloop of weidegang? Buitenloop, niet overkapt 4 - Houdt u andere bedrijfsmatig gehouden veesoorten?
Melkvee
5,11
2 - Heeft u een buitenloop of weidegang? Buitenloop, niet overkapt 4 - Houdt u andere bedrijfsmatig gehouden veesoorten?
6,04
Stalniveau Stal 2
Vraag
Antwoord
Punten
7 - Aparte hygiënevoorzieningen per diercategorie of stal
-
10 - Zuivering interne stallucht 12 - Gescheiden huisvesting: iedere diercategorie in een aparte stal
Rapport versie 2.1.3.1
-
Pagina
6/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
3
4
7 - Aparte hygiënevoorzieningen per diercategorie of stal
-
10 - Zuivering interne stallucht 12 - Gescheiden huisvesting: iedere diercategorie in een aparte stal 7 - Aparte hygiënevoorzieningen per diercategorie of stal
Geen
10 - Zuivering interne stallucht 12 - Gescheiden huisvesting: iedere diercategorie in een aparte stal
Geen
-
Ja
0,00 -
Ja
0,00 Totaal aantal punten
Rapport versie 2.1.3.1
24,33
Pagina
7/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Fijnstof Fijnstof emissie Referentie
Huidige/gewenste situatie
Status
Stal
BB of BWL code
Aantal
Norm
Emissie
Werkelijke waarde
Emissie
Bestaand
stal 3
BWL 2004.10.V3
30000
65
1950000
65
1950000
Totalen bestaand Nieuw
1950000
1950000
stal 2
45
38
1710
38
1710
stal 2
45
38
1710
38
1710
stal 2
BWL 2013.04.V6
130
148
19240
118
15340
stal 4
BWL 2004.10.V3
35300
46
1623800
46
1623800
Rapport versie 2.1.3.1
Totalen nieuw
1646460
1642560
Totalen
3596460,00
3592560,00
Behaald reductiepercentage
0,11%
Aantal punten
0,00
Totaal aantal punten
0,11
Pagina
8/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Geuremissie Referentie
Huidige/gewenste situatie
Status
Stal
BB of BWL code
Aantal
Norm
Emissie
Werkelijke
Emissie
Bestaand
stal 3
BWL 2004.10.V3
30000
0,34
10200
0,34
10200
Totalen bestaand Nieuw
10200
10200
stal 2
45
-
-
-
-
stal 2
45
-
-
-
-
stal 2
BWL 2013.04.V6
130
-
-
-
-
stal 4
BWL 2004.10.V3
35300
0,34
12002
0,34
12002
Totalen nieuw
12002
12002
Totalen
22202,00
22202,00
Behaald reductiepercentage
Geen
Totaal aantal punten
-
Geurimpact Vraag
Antwoord
Bevind u zich in een concentratiegebied?
Ja
Punten
In concentratiegebied Op woonkern in OU
0,10
58,00
Op buitengebied in OU
1,60
33,60 Totaal aantal punten
Rapport versie 2.1.3.1
Pagina
91,60
9/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Mineralenkringloop P-Mest totaal Vraag
Antwoord
P Mestproductie totaal
7.827
Gebruiksruimte (in KG P)
3.072
P-mestoverschot (Productie - Gebruiksruimte)
4.755
P-Aanwending mest Soort aanwending
Hectaren Norm ([kg]/[ha])
Grond eigen gebruik, binnen straal van 15 km
Totalen
kg P
Opgehaald bij RVO
Punten
2,25
105
236,25 Nee
3,02
10,52
90
946,80 Nee
12,10
22,34
75
1675,50 Nee
21,41
5,34
40
213,60 Nee
2,73
40,45
3072,15
39,25
40,45
3072,15
39,25
Totaal aantal punten
Rapport versie 2.1.3.1
39,25
Pagina 10/11
Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij Bedrijf
Bennenbroek-Knoops V.O.F.
BZV versie: 2.2
Scenario uitbreiding en vernieuwing veehouderij versie 2 (3) Status
Datum:
15-09-2022 (Creatie)
Ingediend (15-09-2022)
Verbinding met de omgeving en biodiversiteit Thema Vraag 1.
2.
3.
Antwoord
Punten
Inkijk in de stal en/of zicht op dieren (die op het bedrijf worden gehouden) op permanent beschikbare uitloop. Oppervlak groen op het erf (= verticale projectie van bomen, struiken, heggen, bosplantsoen, boomgaard, poel)als percentage van het totale erfoppervlak (= het gaat om bouwblok en het <= 10 % groen groen dat direct aansluit op het bouwblok). Bemesting en gebruik bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.
0,00
Inpandig laden en lossen van bijproducten, voer en dieren a. Inpandige laad- en losplaats dieren b. Inpandige losplaats krachtvoer en bijproducten c. De voerbewerkingshandelingen vinden inpandig plaats d. Mestbewerking vindt inpandig plaats
4.
Ja
5,00
Ja, bedrijf past geen bijproducten toe
10,00
Brijvoer/ bijproducten a. Opslag van voer(componenten) vindt plaats in afgesloten ruimten b. Lucht uit de voerkeuken/ voeropslag wordt afgevoerd naar een luchtzuiveringsinstallatie c. Bedrijf past geen bijproducten toe
5.
Mestbe- of verwerking, mestdroging a. Alle luchtwassers/ warmtewisselaars/ droogtunnels/ mestbewerkingsinstallaties op het bedrijf zijn inpandig gesitueerd
6.
b. Sleufsilo's zijn aan het oog onttrokken c. Bedrijf heeft dagontmesting of scheiding van mest en urine in de stal Kadavers worden opgeslagen in een afgesloten en ondergrondse kadaverophaalplaats aan de openbare weg Totaal aantal punten
Rapport versie 2.1.3.1
15,00
Pagina 11/11
Aanvraagformulier Aanvraag ingediend op 08-09-2022
Normale procedure in Waterschap Aa en Maas ALGEMENE INFORMATIE aanvraagnummer: 00006570 naam aanvraag: Normale procedure bevoegd gezag: Waters chap Aa en Maas
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
08-09-2022, 14:03
P agina 1 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE AANVRAAG 1.
Gaat u de aanvraag voor u zelf of namens een ander doen?
2.
Wat is de naam van de aanvrager?
3.
Wat is het telefoonnummer van de aanvrager?
4.
Wat is het e-mailadres van de aanvrager?
5.
Wat is bedrijfs naam van het bedrijf namens wie u de aanvraag doet?
6.
Wie is de contactpers oon van het bedrijf namens wie u de aanvraag doet?
7.
Wat is het telefoonnummer van de contactpers oon namens wie het u de aanvraag doet?
8.
Wat is het e-mailadres van de contactpers oon namens wie het u de aanvraag doet?
9.
Wat is de naam van het plan? Vaalbaan 1, Heus den
10.
Geef een korte oms chrijving van het plan. Het plan voorziet in de s loop van enkele bes taande agraris che bedrijfs ops tallen, de realis atie van nieuwe ops tallen, de verlening van een bes taande s tal, de verplaats ing van s leufs ilo's en de bouw van een loods .
11.
Wat is het adres van het plan? Vaalbaan 1, Heus den
12.
Wilt u een bijlage toevoegen van het plan? Ja
13.
Voeg een bijlage toe. bes tands naam: Inrichtings tekeningen Vaalbaan1 Heus den.pdf
08-09-2022, 14:03
P agina 2 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier 14.
Wilt u nog een bijlage toevoegen? Nee
08-09-2022, 14:03
P agina 3 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN IN DE CHECK IS ONDERSTAANDE NODIG: 1.
normale procedure
2.
Advies met betrekking tot materiaal gebruik
3.
Advies wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem
4.
Advies vertraagde afgevoerd op een leggerwatergang of een ander oppervlaktewater
5.
Advies ecologische verbindingszone
6.
Advies attentiegebied volgens de Keur
DETAILS 1.
normale procedure Voor uw plan moet u de normale procedure volgen.
Wat moet ik doen? Bedankt voor het invullen van de Digitale Watertoets ! Uit de door u ingevoerde gegevens blijkt dat uw planvoornemen mogelijk één of meerdere waterbelangen raakt. De adviezen die hiervoor in ieder geval van toepas s ing zijn ziet u hieronder vermeld. Wij denken graag mee over de voorgenomen ontwikkeling. U kunt contact met ons opnemen via planadvies @aaenmaas .nl Hier kunt u ook terecht met eventuele vragen of opmerkingen. Met vriendelijke groet, Team Planadvies van Waters chap Aa en Maas Let op! De Digitale Watertoets is een hulpmiddel om inzichtelijk te maken welke waterbelangen mogelijk s pelen in het plangebied. Vandaar dat dit automatis ch gegenereerde toets res ultaat niet gezien kan worden als vervanging van het watertoets proces of vrijs telling van een eventuele vergunnings - of meldings plicht op bas is van de Keur. Voor meer informatie m.b.t het vergunningverlenings proces kunt 08-09-2022, 14:03
P agina 4 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier u contact opnemen met ons Waterwetloket via 073 – 615 83 33 of info@aaenmaas .nl Waters chap Aa en Maas s treeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze applicatie aan te bieden. Aan het bes chikbaar ges telde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waters chap Aa en Maas aanvaardt geen aans prakelijkheid voor enige vorm van s chade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie bes chikbaar wordt ges teld.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
08-09-2022, 14:03
P agina 5 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier
2.
Advies met betrekking tot materiaal gebruik Gebruik van uitlogende materialen
Wat moet ik doen? Wij verzoeken u om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels , goten en leidingen bedoeld.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
08-09-2022, 14:03
P agina 6 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier
3.
Advies wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem U wijzigt met uw plan het oppervlaktewaters ys teem.
Wat moet ik doen? Er worden in het plan wijzigingen in het oppervlaktewaters ys teem aangebracht (bijv. aanbrengen duiker, uits troomvoorziening). Dergelijke wijzigingen zijn vaak vergunnings plichtig.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
08-09-2022, 14:03
P agina 7 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier
4.
Advies vertraagde afgevoerd op een leggerwatergang of een ander oppervlaktewater U voert het geborgen water traag af op een watergang of op oppervlaktewater.
Wat moet ik doen? Als er s prake is van afvoer naar een nabijgelegen leggerwatergang / overig oppervlaktewater, mag deze alleen vertraagd plaats vinden. Hierbij mag de afvoernorm (afvoercoëfficiënt) die voor de locatie geldt niet worden overs chreden, om overbelas ting van het waters ys teem te voorkomen. Het water uit een bergings voorziening kan via een uits troomvoorziening (bijvoorbeeld een pijp) vertraagd worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De waterafvoer vanuit de bergings voorziening mag deze norm niet overs chrijden. Voor een uits troomvoorziening in het talud van een A-watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
08-09-2022, 14:03
P agina 8 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier
5.
Advies ecologische verbindingszone Uw plangebied ligt in of nabij een ecologis che verbindings zone
Wat moet ik doen? Het plangebied ligt in of nabij een ecologis che verbindings zone. Ecologis che verbindings zones (EVZ -'s ) worden op bas is van de Europes e Kaderrichtlijn Water uitgevoerd. Voor natte EVZ -'s hebben het waters chap en de gemeente een gedeelde verantwoordelijkheid. Hierbij is het waters chap trekker. Oevers worden zoveel mogelijk natuurvriendelijk ingericht. Bij een natte ecologis che verbindings zone mogen er geen bouwwerkzaamheden in de zone plaats vinden. Ontwikkelingen nabij een EVZ met een mogelijk negatief effect op het functioneren van de zone, dienen te worden voorkomen of /\'verzacht\'.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
08-09-2022, 14:03
P agina 9 van 10
Aanvraagformulier
Aanvraagformulier
6.
Advies attentiegebied volgens de Keur Uw plangebied ligt in een attentiegebied volgens de Keur.
Wat moet ik doen? De attentiegebieden zoals deze zijn vas tgelegd in de Keur van het waters chap, komen overeen met de attentiegebieden uit de Interim Omgevings verordening (voorheen verordening Ruimte) van de provincie Noord-Brabant. Z e betreffen alleen de bufferzone van 500m die zich rondom de kern van NNB-gebieden (Natuur Netwerk Brabant). Ingrepen met een negatief effect op de waterhuis houding van het bes chermd gebied zijn niet toeges taan. Activiteiten in deze gebieden zijn mees tal vergunningplichtig.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
08-09-2022, 14:03
P agina 10 van 10
Aanvraagformulier