RU22.11.04H Ruimtelijke onderbouwing - 4. Vaalbaan 1 Deel 1.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan "Vaalbaan 1, Heusden"
Bezoekadres Postadres
Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle
Datum
:
Status Projectleider Telefoon E-mail
: concept : : 08 8236 8236 : info@rombou.nl
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding plan herziening
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
6
1.3
Vigerend bestemmingsplannen
7
1.4
Bij het plan behorende stukken
9
1.5
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Beschrijvingvan het plan
10
2.1
Bestaande situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
12
Hoofdstuk 3
Beleid
16
3.1
Rijksbeleid
16
3.2
Provinciaal beleid
19
3.3
Gemeentelijk beleid
30
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
34
4.1
Algemeen
34
4.2
Bodem
34
4.3
Water
35
4.4
Erfgoed
37
4.5
Flora en fauna
40
4.6
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
43
4.7
Geur
45
4.8
Luchtkwaliteit
46 3
4.9
Bedrijven en milieuzonering
47
4.10
Externe veiligheid
50
4.11
Verkeer en parkeren
51
4.12
Kabels en leidingen
52
4.13
MER-toets
53
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
57
5.1
Juridische aspecten
57
5.2
Handhaving
60
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
62
6.1
Financiele uitvoerbaarheid
62
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
63
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
64
7.1
Procedurestappen
64
7.2
Vooroverleg
64
7.3
Zienswijzen
65
4
Vaalbaan 1, Heusden
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding plan herziening
Initiatiefnemers zijn in bezit van een agrarisch bedrijf aan de Vaalbaan 1 te Heusden dat zich bezighoudt met melkveehouderij en pluimveehouderij. Het bedrijf kent enkele opstallen welke verouderd zijn en derhalve niet meer als zodanig worden benut voor de bedrijfsvoering. Met het oog op de overname van bedrijf door de bedrijfsopvolgers, de verbetering van het dierenwelzijn, de verduurzaming van de bedrijfsvoering en de toekomstbestendigheid en levensvatbaarheid van het bedrijf, is het wenselijk in het bedrijf te investeren. Initiatiefnemers zijn daarom voornemens
een
bestaande
pluimveestal
te
verlengen,
de
verouderde
pluimveestallen en ligboxenstal te vervangen, nieuwe sleufsilo's te realiseren en bestaande silo's te verplaatsen, en een bestaande opslagplaats te vervangen door een nieuwe loods. Daarbij willen de initiatiefnemers en de bedrijfsopvolgers inzetten op een natuurinclusieve bedrijfsvoering. Een deel van de beoogde ontwikkelingen is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan omdat de bouwmogelijkheden niet toereikend zijn. Daarnaast is een toekenning van een differentatievlak noodzakelijk. Het bestemmingsplan voorziet in wijzigingsregels, echter voldoet onderhavig plan niet aan alle voorwaarden voor een wijzigingsplan. De beoogde ontwikkeling is binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk, derhalve is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarmee in een passend juridisch-planologisch kader waarbinnen de ontwikkeling mogelijk is.
Toelichting
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied omslaat 23.356 m2 en is gelegen aan de Vaalbaan 1 te Heusden. De percelen welke het plangebied vormen staan kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie D, nummers 3734 en 3733 (beiden gedeeltelijk). De locatie ligt in het buitengebied, ten zuiden van Heusden, ten westen van De Peel. In de omgeving zijn verschillende
melkveehouderijen,
pluimveehouderijen
en
intensieve
veehouderijen gevestigd. Het bestaande gebruik door het agrarische bedrijf is daarmee passend bij de omgeving. Voor de begrenzing van het plangebied is het toekomstige bestemmingsvlak waarbinnen de uitoefening van een agrarisch bedrijf is toegestaan aangehouden. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven en in figuur 1.2 de bestaande situatie en begrenzing.
Figuur 1.1: ligging plangebied ten opzichte van de omgeving
6
Vaalbaan 1, Heusden
Figuur 1.2: bestaande situatie en begrenzing plangebied 1.3
Vigerend bestemmingsplannen
Buitengebied Asten 2016 Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Asten 2016" (vastgesteld 07-08-2019). Het plangebied kent de enkelbestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Agrarisch met waarden'. Ter plaatse van de agrarische bedrijfsbestemming geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pluimveehouderij overig' welke bepaalt dat melkrundveehouderijen, intensieve veehouderijen en pluimveehouderijen zijn toegestaan. Op het plangebied
is
geen
bedrijfsbestemming
bouwvlak
mogen
van
agrarisch
toepassing,
binnen
bedrijfsgebouwen
de
agrarische
worden
gebouwd.
Daarnaast gelden voor het gehele plangebied de gebiedsaanduidingen 'overige zone - attentiegebied EHS' en 'overige zone - groenblauwe mantel'. Tot slot geldt voor kleine delen van het plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen'. De realisatie van de nieuwe bebouwing is binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' niet mogelijk, een aanpassing en uitbreiding van de bestemming 'Agrarisch Toelichting
7
- Agrarisch bedrijf' is derhalve noodzakelijk. In de artikelen 4.2.3., 4.6.5. en 7.7.1. van de planregels van het bestemmingsplan zijn voorwaarden opgenomen voor wijzigen van het bestemmingsvlak. Vanwege de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling kan geen gebruik worden gemaakt van deze wijzigingsregels. In voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' uitgebreid waarbij een bouwvlak wordt toegevoegd. De ligging van ruwvoeropslagen wordt vastgelegd middels functieaanduidingen. Het plan voorziet daarmee in het juridisch-planologische kader waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk is.
Figuur 1.3: uitsnede vigerend bestemmingsplan Buitengebied Asten 2016 Asten Verzamelplan 2019-2 In het bestemmingsplan "Asten Verzamelplan 2019-2" kent het plangebied de aanduiding 'overige zone - regels GRP'. Voor deze aangewezen gronden geldt dat bij nieuw-, her- of verbouw of wijziging van het gebruik de inrichting van gronden zodanig plaats dient te vinden, dat wordt voldaan aan de eisen uit het op moment van aanvraag geldende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Asten Verzamelplan 2019-1 (herstelbesluit) 8
Vaalbaan 1, Heusden
In het bestemmingsplan "Asten Verzamelplan 2019-1 (herstelbesluit)" zijn wijzigingen met betrekking tot de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' doorgevoerd. Deze gewijzigde planregels zijn in voorliggend bestemmingsplan verwerkt. 1.4
Bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Vaalbaan 1, Heusden" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding (tek.no. NL.IMRO.0743.BP80681-0001) regels; bijlagen bij de regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan. 1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water die bij de totstandkoming van het bestemmingsplan zijn betrokken en beoordeeld. In Hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Hier wordt de juridische procedure tot vaststelling beschreven en verantwoord. In Hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht, waarna tot slot in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan wordt beschreven aan de hand van de onderwerpen vooroverleg en zienswijzen. Toelichting
9
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan 2.1
Bestaande situatie
Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied van de gemeente Asten, ten zuiden van Heusden. Ten westen van het plangebied ligt het natuurgebied "De Groote Peel". Het erf wordt in de bestaande situatie gebruikt door het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. De bedrijfsactiviteiten kunnen worden verdeeld in een melkveehouderij- en een pluimveehouderijtak. Op het erf staan drie stallen voor de melkveehouderijtak, drie stallen voor de pluimveehouderijtak en een bedrijfswoning welke door de initiatiefnemers wordt bewoond. In onderstaande figuur zijn de stallen genummerd en zijn het bestaande gebruik en de omvang van diergroepen weergeven. In het centrum van het plangebied, naast stal 5, liggen vijf kuilplaten.
10
Vaalbaan 1, Heusden
Figuur 2.1: bestaande gebruik stallen en omvang diergroepen De drie kippenstallen 1, 2 en 6 zijn voorzien van een overdekte uitloop (Wintergarten) en daarnaast hebben de dieren uitloop richting de naastgelegen weilanden (Freilandsysteem). In
de
kippenstallen
is
het
huisvestingssysteem
BWL2004.10.V2
vergund:
‘Volièrehuisvesting, 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages’. De stalbeschrijving van het huisvestingssysteem BWL 2004.10.V2 is gewijzigd (nu BWL2004.10.V3). De huidige beschrijving is: ‘Volièrehuisvesting, 45–55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden Toelichting
11
minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. Daarbij zijn er twee opties: ‘beluchtingcapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur’ met een ammoniakemissie van 0,055 kg per dierplaats per jaar’ (RAV-code E 2.11.2.1) en ‘beluchtingcapaciteit minimaal 0,5 m³ per dier per uur’ (RAV-code E 2.11.2.2) met een ammoniakemissie van 0,042 kg per dierplaats per jaar. In dit geval is E.2.11.2.1 van toepassing. De (milieu)vergunde ammoniak-emissie van de legkippen is daarom 0,055 kg per dierplaats per jaar. De kippenmest wordt afgedraaid in containers en binnen twee weken van het bedrijf afgevoerd. In dat geval hoeft voor de opslag van pluimveemest geen rekening te worden gehouden met extra emissies van ammoniak en geur. Het bedrijf heeft in 2012 voor het laatst nieuwbouw gepleegd; er is destijds een pluimveestal gebouwd voor de huisvesting van 30.000 legkippen (stal 6) . 2.2
Toekomstige situatie
Initiatiefnemers zijn voornemens een bestaande pluimveestal te verlengen, de verouderde pluimveestallen en ligboxenstal te vervangen, nieuwe sleufsilo's te realiseren en bestaande silo's te verplaatsen, en een bestaande opslagplaats te vervangen door een nieuwe loods. Onderstaande inrichtingstekening toont de beoogde toekomstig erfinrichting van het plangebied. Onderstaand worden de verschillende onderdelen van de ontwikkeling nader beschreven.
Figuur 2.2: toekomstige erfinrichting 12
Vaalbaan 1, Heusden
2.2.1
Beoogde aard en omvang bedrijfsvoering
Ligboxenstal/koeienstal De bestaande stallen voor het melkrundvee (stallen 4 & 5 uit figuur 2.1) zijn sterk verouderd en bieden daarom kwalitatief minder goede leefomstandigheden (qua bewegingsruimte en klimaat) voor de dieren. De nieuwbouw van een ligboxenstal wordt daarom noodzakelijk geacht. Dit maakt het bovendien mogelijk om aan de eis van de provincie te voldoen dat stallen uiterlijk in 2024 emissiearm zijn uitgevoerd. Een tweede aanleiding voor deze ontwikkeling is dat de jongveestal (stal 4) plaats moeten maken voor de bouw van een pluimveestal. Stallen 4 en 5 worden derhalve gesloopt. De nieuwe ligboxenstal zal naar verwachting ruimte bieden voor de huisvesting van circa 130 melkkoeien en 90 stuks jongvee. Initiatiefnemers zijn daarbij
voornemens
in
te
zetten
op
een
natuurinclusieve
vorm
vaan
melkveehouden. Zij willen daarmee nadrukkelijk in gaan zetten op het versterken van de grondgebondenheid van hun bedrijf. Hun inziens is dit de basis voor een duurzaam, levensvatbaar bedrijf. De ligboxenstal wordt binnen het huidige bouwvlak opgericht. Verlenging pluimveestal Het voornemen is de pluimveestal (stal 6 uit figuur 2.1) te verlengen. Hiermee wordt voorgesorteerd op de verwachting dat het in een periode van ophokplicht, bij dreigende vogelgriep, niet meer toegestaan zal worden om de wintergarten als staloppervlakte te mogen gebruiken. Een uitbreiding van de stal wordt daarom noodzakelijk geacht. De verlenging van de stal wordt ook gebruikt voor de compsteringsunit,
hierin
wordt
alle
in
deze
stal
geproduceerde
mest
gecomposteerd. De vrijkomende lucht wordt behandeld in een chemische luchtwasser. De in de stal gehouden dieren krijgen de wintergarten en omliggende weilanden als uitloopruimte. De verlenging van de stal is binnen de vigerende bouwregels niet mogelijk omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Vervanging bestaande pluimveestallen De bestaande pluimveestallen (stallen 1 & 2 uit figuur 2.1) dienen te worden vervangen door een nieuwe stal. Deze ook voormalige vleeskuikenstallen zijn sterk verouderd en aan vervanging toe. Om de vervanging mogelijk te maken wordt het aantal legkippen uitgebreid. In de nieuwe stal zullen 35.300 legkippen kunnen Toelichting
13
worden gehuisvest. De dieren krijgen de wintergarten en de omliggende weilanden als uitloopruimte. Ook in deze stal wordt een composteringsunit geplaatst, hierin wordt alle in deze stal geproduceerde mest gecomposteerd. De vrijkomende lucht wordt behandeld in een chemische luchtwasser. De verlenging van de stal is binnen de vigerende bouwregels niet mogelijk omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Loods Op het bedrijf is onvoldoende ruimte aanwezig voor opslag van allerhande materiaal/materieel en de opslag van stro. Initiatiefnemers zijn daarom voornemens een nieuwe loods te realiseren naast de nieuw te bouwen pluimveestal. Opslag vindt nu plaats in een voormalige vleeskuikenstal (stal 3 uit figuur 2.1), die door een lage hoogte niet efficiënt te gebruiken is. Ook is het gebouw in een relatief slechte staat en wordt het derhalve gesloopt. Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt daarom een nieuwe loods gebouwd, in de loods worden ook een werkplaats en een kantine ondergebracht. De loods wordt binnen het huidige bouwvlak opgericht. Sleufsilo's Het deel van het erf waar nu het ruwvoer opgeslagen wordt zal gebruikt worden voor de nieuwbouw van de ligboxenstal. De opslag van het ruwvoer moet daarom op een andere plek plaatsvinden, initiatiefnemers zijn daarom voornemens nieuwe sleufsilo's te realiseren.
Opslag van ruwvoer in sleufsilo’s heeft een positief effect op de kwaliteit van het ruwvoer door minder kans op schimmels, broei en andere ziektekiemen. Daarom heeft ruwvoer uit een sleufsilo ten opzichte van andere opslagmethoden vaak een betere voederwaarde. Hetgeen de gezondheid van de dieren ten goede komt. De nieuwe sleufsilo's worden zowel binnen, als buiten, het bestaande bouwvlak gerealiseerd. 2.2.2
Landschappelijke inpassing
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dit plan is bijgevoegd als Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan. In dit plan is de wijze waarop de ontwikkeling in het landschap wordt gepast uiteengezet en gevisualiseerd. Ook is de vorm van beplanting beschreven. Hierbij zijn de Structuurvisie Kwaliteitsverbetering van het landschap,
het
Gebiedspaspoort
Peelkernontginning
Landschapsontwikkelingsplan De Peel (LOP) als vertrektpunt gebruikt. 14
Vaalbaan 1, Heusden
en
het
Toelichting
15
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte
uitwerking.
Omdat
de
verantwoordelijkheid
voor
het
omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel.. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 16
Vaalbaan 1, Heusden
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.
Toelichting
17
3.1.3
Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid is beschreven dat wanneer een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dit plan een beschrijving omvat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen
van
een
omgevingsvergunning
voor
het
afwijken
van
een
bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het invullen van de vraag naar de behoefte en locatie zijn de volgende uit artikel 1.1.1. Bro van toepassing: 1. Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. 2. Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt een wijziging en uitbreiding van een bestemmingsvlak mogelijk. Hiermee wordt de uitbreiding van de agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk. Het voorliggende plan betreft gelet hierop geen nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Uit het voorgaande volgt dat het niet noodzakelijk is dit bestemmingsplan te verantwoorden vanuit de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
18
Vaalbaan 1, Heusden
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie vervangt als gevolg van de aankomende Omgevingswet tenminste de vier provinciale beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie Ruimtelijke Ordening) en natuur (BrUG). De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag.
Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De
Brabantse
Omgevingsvisie
wordt
uitgewerkt
in
de
Brabantse
Omgevingsverordening, thans nog de Interim omgevingsverordening. Doorwerking in het onderhavige plan Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de wijziging van een agrarisch bestemmingsvlak en de toevoeging van een bouwvlak. Hiermee wordt het mogelijk de
bestaande
verouderde
opstallen
te
vervangen
voor
moderne
toekomstbestendige stallen. Middels de beoogde investeringen wordt het mogelijk Toelichting
19
om in te zetten op een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering. Het plan draagt daarmee bij aan de vijfde hoofdopgave, een concurrerende duurzame economie. De omgevingsvisie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 15-04-2022)
De Interim omgevingsverordening geeft bindende regels die bij ruimtelijke ontwikkelingen in acht genomen moeten worden. De provincie Noord-Brabant wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. De regels voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ontleend aan de Verordening ruimte. Doorwerking in het onderhavige plan Navolgend wordt nader ingegaan op de ligging van het plangebied in de Interim omgevingsverordening. Het plangebied is aangeduid middels rode marker.
3.2.2.1 Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen Ter plaatse van het plangebied gelden regels met betrekking tot grondwater. Boven, in of onder een Diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Dit heeft geen gevolgen voor het planvoornemen.
20
Vaalbaan 1, Heusden
Figuur 3.1: Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen
3.2.2.2 Rechtstreeks werkende regels: landbouw Het plangebied is aangewezen als gelegen binnen het 'Landelijk gebied' en kent tevens de aanduidingen 'Bescherming Natura 2000' en 'Stalderinsgsgebied'. Navolgend wordt nader op deze aanduidingen ingegaan.
Toelichting
21
Figuur 3.2: Rechtstreeks werkende regels: landbouw 3.2.2.2.1
Landelijk gebied
Artikel 2.71 Tijdelijk verbod geitenhouderijen Toets Niet van toepassing.
Artikel 2.73 Zorgvuldige veehouderij Lid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met Artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor veehouderijen in Landelijk Gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij is verboden. Toets Niet van toepassing, het bedrijf in kwestie betreft een combinatie van melkveehouderij en pluimveehouderij.
Lid 2 22
Vaalbaan 1, Heusden
Het verbod uit het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging van een bestaand gebouw naar dierenverblijf aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; b. de maatregelen onder a. in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, inpasbaar is in de omgeving; d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; e. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief; f.
binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.
Toets a. er is sprake van een zorgvuldige veehouderij, dit is aangetoond in Bijlage 2 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij; b. zie 3.2.2.3 Wijziging Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2). c. de ontwikkeling is inpasbaar in de omgeving. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1) opgesteld. Daarnaast is in Hoofdstuk 4 aangetoond dat de verschillende omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de ontwikkeling en dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde wetgeving; d. dit is aangetoond in 4.7 Geur; e. er is een zorgvuldige omgevingsdialoog gevoerd, de verslaglegging is bijgevoegd in Bijlage 8 Verslaglegging omgevingsdialoog; f.
de ontwikkeling voldoet aan het gestelde.
Toelichting
23
Lid 3 Als bestaande oppervlakte van een dierenverblijf geldt de oppervlakte die: a. als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en b. op 17 maart 2017 legaal aanwezig was, of c. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning. Toets Geen directe gevolgen.
3.2.2.2.2
Bescherming Natura 2000
Artikel 2.65 Vrijstelling vergunningenplicht Natura-2000 Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming, is niet van toepassing op agrarische beregening uit grondwater als is voldaan aan de Regeling natuurbescherming Noord-Brabant. Toets Geen directe gevolgen.
Artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij Lid 1 Vanaf 1 januari 2024 geldt dat: a. een veehouderij gemiddeld op bedrijfslocatieniveau moet voldoen aan de eisen van Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem, of b. elk huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is,
moet
voldoen
aan
de
eisen
uit
Bijlage
2
Technische
eisen
huisvestingssysteem, behoudens in het geval dat het huisvestingssysteem is gerealiseerd op eenomgevingsvergunning, onderdeel milieu, of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit die: 24
Vaalbaan 1, Heusden
1. voor de hoofdcategorie rundvee uit de Regeling ammoniak en veehouderij ten hoogste 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden of uiterlijk 20 jaar geleden is ingediend, of 2. voor alle andere diercategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij ten hoogste 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden of uiterlijk 15 jaar geleden is ingediend. Toets Niet van toepassing, zie 'Artikel 2.67 Uitzonderingsregel natuurinclusieve veehouderij bestaande stal'.
Lid 2 Voor een veehouderij die op 19 juli 2017 voor een hele hoofdcategorie niet voldeed aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting geldt in afwijking van het eerste lid aanhef als datum 1 januari 2020. Toets Niet van toepassing.
Lid 3 Voor de toepassing van dit artikel geldt dat het in beperkte omvang en aantal houden van hobbydieren voor privégebruik en zonder relatie met de bedrijfsvoering, niet betrokken hoeft te worden in de beoordeling of een veehouderij
voldoet
aan
de
eisen
uit
Bijlage
2
technische
eisen
huisvestingssystemen. Toets Niet van toepassing.
Artikel 2.67 Uitzonderingsregel natuurinclusieve veehouderij bestaande stal In afwijking van Artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij , eerste lid, geldt voor een veehouderij dat een bestaand stalsysteem niet hoeft te voldoen aan Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem als :
Toelichting
25
a. de stallen onderdeel zijn van een natuurinclusieve bedrijfsvoering ; b. de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder; c. door het treffen van aanvullende maatregelen de gemiddelde emissie op bedrijfslocatieniveau gelijk is aan de toepassing van emissiearme huisvesting, als onderdeel van een niet natuurinclusieve bedrijfsvoering , die voldoet aan bijlage 2 Technische eisen huisvesting; d. uit monitoring blijkt dat het bedrijf gemiddeld op jaarniveau aan de voorwaarde onder c. voldoet. Initiatiefnemers zijn voornemens de bedrijfsvoering om te zetten naar een natuurinclusieve vorm van veehouderij. Aan voorgaande voorwaarden wordt voldaan.
Artikel 2.68 Uitzonderingsregeling voor stoppende veehouderijen Toets Niet van toepassing.
Artikel 2.69 Eisen huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij Toets Niet van toepassing.
3.2.2.2.3
Stalderen
Lid 1 Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdieren gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden. Begripsbepaling 'Hokdierhouderij': veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en 26
Vaalbaan 1, Heusden
schapenhouderij; Begripsbepaling 'Veehouderij' agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;
Artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat:
a. binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdieren is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: 1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; c. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Toets Er vindt geen uitbreiding van het huisvestingsoppervlakte plaats, het bovenstaande is niet van toepassing.
Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als bestaande oppervlakte dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Toelichting
27
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer . Toets Niet van toepassing.
Lid 3 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het eerste lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf; b. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. Toets Niet van toepassing.
Lid 4 Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten. Toets Niet van toepassing.
Lid 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat: a. binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdieren is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: c. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 28
Vaalbaan 1, Heusden
d. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; e. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Toets Er vindt geen uitbreiding van het huisvestingsoppervlakte plaats, het bovenstaande is niet van toepassing.
Lid 3 Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die: a. op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning. Toets Niet van toepassing.
Lid 4 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Toets Niet van toepassing.
Lid 5 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf; b. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken Toelichting
29
bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. Toets Niet van toepassing.
Lid 6 Het bewijs dat aan de voorwaarden van het tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten. Toets Niet van toepassing.
3.2.2.3 Wijziging Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2) 3.2.2.3.1
Artikel 2 Wijziging artikel 4 Zorgvuldige veehouderij
In artikel 4 lid 1 wordt de verwijzing naar de BZV versie gewijzigd waarna de tekst als volgt komt te luiden: Een veehouderij die ten minste 7,25 punten behaalt overeenkomstig de bij deze nadere regels horende Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (versie 2.2), treft voldoende maatregelen inzake de (ontwikkeling naar een) zorgvuldige veehouderij, als bedoeld in artikel 2.73 en artikel 3.50 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waarbij geldt dat ten minste 0,2 punten behaald moet worden via de pijler Certificaten en minimaal 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving. Toets Aan het bovenstaande wordt voldaan, dit is aangetoond in Bijlage 2 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstagenda Asten 2030
Op 27 juni 2017 heeft de gemeenteraad van Asten de Toekomstagenda Asten 2030 vastgesteld. De gemeenteraad heeft samen met inwoners, maatschappelijk middenveld en collegeleden een interactief proces doorlopen om te komen tot het visiedocument 'Toekomstagenda Asten2030'. De vier centrale onderwerpen zijn: 30
Vaalbaan 1, Heusden
1. Transformatie buitengebied; 2. Vitale kernen; 3. Centrumontwikkeling; en 4. Klimaatbestendig en energieneutraal Asten. Deze vier centrale maatschappelijke opgaven en een beeld van hoe we die opgaven bestuurlijk en organisatorisch kunnen oppakken staan omschreven. Doorwerking in het onderhavige plan De beoogde ontwikkeling van het plangebied draagt bij aan de transformatie van het buitengebied. Met het oog op de toekomst is het van belang dat agrarisch bedrijven een duurzame vorm van bedrijfsvoering ontwikkelen. De beoogde ontwikkeling en uitbreiding van het agrarische bedrijf maakt het mogelijk over te stappen op een natuurinclusieve bedrijfsvoering. 3.3.2
Omgevingsvisie Asten
De gemeente Asten heeft op 5 oktober 2021 de 'Omgevingsvisie Asten' vastgesteld voor de gehele gemeente. Deze Omgevingsvisie is opgesteld samen met de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties van de gemeente. De gemeente wil dat Asten ook in de toekomst een plek is waar het goed wonen, leven en verblijven is. De komende jaren werkt de gemeente daar samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties verder aan de uitwerking van de ambities voor de fysieke leefomgeving. Het welbevinden van de inwoners staat in de Omgevingsvisie voorop. Daarom wordt in de visie nadrukkelijk de verbinding gezocht met het sociaal domein en het gezondheidsbeleid. Realisatie van de ambities uit de omgevingsvisie gebeurt via initiatieven van ondernemers, maatschappelijke organisaties en (groepen) inwoners. De gemeente Asten faciliteert de initiatieven die bijdragen aan het bereiken van de ambities. De gemeente is in de Omgevingsvisie Asten onderverdeeld in zes verschillende deelgebieden. Voor elk gebied geeft de gemeente aan (1) welke waarde ze wil koesteren, (2) wat ze wil ontwikkelen, (3) hoe ze dat gaat bereiken en (4) welk beleid, wetten en regels er gelden in het deelgebied. Het gaat om de volgende deelgebieden: Agrarisch anders Boeren buurten Dynamische dorpen Toelichting
31
Groen genieten Peel en beekdalen Peel pionieren Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het plangebied ligt in het deelgebied 'Peel pioneren'. Hier is een cultuur die ‘van niets-iets maken’ tot kunst verheven heeft. Het is een gebied waar mensen elkaar snel vinden wanneer het spannend wordt. Ambachtelijkheid, praktische oplossingen en hard kunnen werken: dat alles heeft geleid tot krachtige bedrijven en innovatieve netwerken. Door grootschalige ontginning van De Peel ontstond het gebied Peel Pionieren. Het wordt gekenmerkt door rechte wegen en regelmatige rechte kavels. Bebouwing is vaak voorzien van erfbeplanting en vormt samen met de wegen die voorzien zijn van laanbeplanting het raamwerk. In dit gebied zijn grote uitdagingen op het gebied van waterkwantiteit en -kwaliteit, biodiversiteit, stikstofuitstoot, bodemvruchtbaarheid en agrarische economie. In dit gebied wil de gemeente perspectief bieden aan een duurzame en verantwoorde agrarische sector. Ze zet in op behoud van de melkveebedrijven als beheerder van het landschap. Daarnaast wordt ingezet op meer biodiversiteit in het gebied. Dit kan onder meer door het aanleggen van brede natuurlijke bermen en akkerranden, extensievere beweiding, vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, het versterken van laan- en erfbeplanting en het terugdringen van emissies.
Daarbij wordt ingezet op duurzaam gebruik van de grond. De beoogde ontwikkeling voorziet in de sanering van verouderde, niet duurzame en toekomstbestendige, agrarische opstallen. Deze sanering, vernieuwde erfinrichting en uitbreiding van het veebestand maken het mogelijk voor de bedrijfsopvolgers om over te stappen op een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering. Middels de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling wordt de herinrichting van het agrarische bedrijf op verantwoorde wijze in het landschap gepast. De te realiseren beplanting heeft naar verwachting een positieve uitwerking op de biodiversiteit van het gebied. Daarnaast neemt de stikstofuitstoot af door het vernieuwen van de stallen. Het initiatief draagt daarmee bij aan de ambities van de Omgevingsvisie. De omgevingsvisie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
32
Vaalbaan 1, Heusden
3.3.3
Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap
De Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap vormt een nadere uitwerking van artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Deze structuurvisie is gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De structuurvisie geldt voor alle ontwikkelingen in het buitengebied die niet rechtstreeks passen binnen de regels van het bestemmingsplan. Het uitgangspunt voor medewerking aan ruimtelijke ontwikkelingen is of het past binnen het bestaand of toekomstig beleid van de gemeente Asten. De Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap vormt een aanvulling op het bestaande beleid op het gebied van kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Het kan gezien worden als een koppeling tussen de verschillende beleidsdocumenten. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Middels het opgesteld landschappelijke inpassingsplan zoals bijgevoegd in Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan wordt de ontwikkeling op een verantwoorde wijze in het landschap gepast waarbij is aangesloten bij de structuurvisie. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toelichting
33
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1
Algemeen
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten. 4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 4.2.2
Onderzoek
Voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van een nieuwe functie of een functiewijziging. Enkel de aan delen van het plangebied toegekende functie 'Agrarisch met waarden' wordt gewijzigd naar 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Hiermee worden geen gevoelige functies mogelijk gemaakt in de zin dat het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk is.
34
Vaalbaan 1, Heusden
4.2.3
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan. 4.3
Water
4.3.1
Algemeen
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op
een
evenwichtige
waterhuishoudkundige
wijze
in
doelstellingen
het
plan
worden
afgewogen.
betreffen
zowel
de
Deze
waterkwantiteit
(veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.3.2
Onderzoek
4.3.2.1 Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in september 2022 de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de toets is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. Het waterschap Aa en Maas is derhalve over de ontwikkeling geïnformeerd. Het toetsingsdocument is bijgevoegd als Bijlage 3 Digitale Watertoets. De middels de watertoets gegenereerde adviezen zijn onderstaand verwerkt in de waterparagraaf.
WATERPARAGRAAF Materiaalgebruik Het waterschap Aa en Maas verzoekt initiatiefnemers om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Bij het opstellen van de bouwtekeningen voor de beoogde bebouwing zal het Toelichting
35
bovenstaande in acht worden genomen. Oppervlaktewatersysteem Wanneer
een
ruimtelijk
ontwikkeling
voorziet
in
wijzigingen
in
het
oppervlaktewatersysteem (aanbrengen duiker, uitstroomvoorziening, etc.) dan dienen hiertoe mogelijk vergunningen worden aangevraagd. Hierover dient tijdig afstemming plaats te vinden met het waterschap. Voorliggend plan voorziet niet in wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem. Vertraagde afvoer watergang/oppervlaktewater Wanneer er sprake is van afvoer naar een nabijgelegen leggerwatergang of overig oppervlaktewater, mag deze alleen vertraagd plaatsvinden. Hierbij mag de afvoernorm (afvoercoëfficiënt) die voor de locatie geldt niet worden overschreden, om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. Het water uit een bergingsvoorziening kan via een uitstroomvoorziening (bijvoorbeeld een pijp) vertraagd worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De waterafvoer vanuit de bergingsvoorziening
mag
deze
norm
niet
overschrijden.
Voor
een
uitstroomvoorziening in het talud van een A-watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd. Voorliggend plan voorziet niet in de afvoer op een watergang of oppervlaktewater. Ecologische verbindingszone Het plangebied ligt in of nabij een ecologische verbindingszone. Ecologische verbindingszones (EVZ-'s) worden op basis van de Europese Kaderrichtlijn Water uitgevoerd. Voor natte EVZ-'s hebben het waterschap en de gemeente een gedeelde verantwoordelijkheid. Hierbij is het waterschap trekker. Oevers worden zoveel mogelijk natuurvriendelijk ingericht. Bij een natte ecologische verbindsingszone mogen er geen bouwwerkzaamheden in de zone plaatsvinden. Ontwikkelingen nabij een EVZ met een mogelijk negatief effect op het functioneren van de zone, dienen te worden voorkomen of "verzacht". Voorliggend plan ligt nabij een ecologische verbindingszone welke gedeeltelijk nat is. Het plangebied ligt op een dermate grote afstand van dit gebied dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de EVZ. Attentiegebied (Keur) Volgens de Keur ligt het plangebied in een attentiegebied. De attentiegebieden 36
Vaalbaan 1, Heusden
zoals deze zijn vastgelegd in de Keur van het waterschap, komen overeen met de attentiegebieden uit de Interim Omgevingsverordening (voorheen verordening Ruimte) van de provincie Noord-Brabant. Ze betreffen alleen de bufferzone van 500m die zich rondom de kern van NNB-gebieden (Natuur Netwerk Brabant). Ingrepen met een negatief effect op de waterhuishouding van het beschermd gebied
zijn
niet
toegestaan.
Activiteit
in
deze
gebieden
zijn
meestal
vergunningsplichtig. De ruimtelijke ingrepen waarin voorliggende ontwikkeling voorziet hebben geen negatief effect op de waterhuishouding van het beschermd gebied. 4.3.3
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoering van het onderhavige plan. 4.4
Erfgoed
4.4.1
Archeologie
Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke Toelichting
37
leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek Voor het onderhavige plangebied is nagegaan of en in hoeverre in het plangebied sprake is van archeologisch waardevolle elementen. Daartoe is de kaart "Archeologiebeleid" van de gemeente Asten geraadpleegd. Onderstaande figuur 4.1. toont een uitsnede van de beleidskaart met legenda en bijbehorende onderzoeksplicht. Het plangebied is blauw omcirkelt.
Figuur 4.1: Uitsnede archeologische kaart met begrenzing plangebied Uit de kaartuitsnede volgt dat voor het plangebied categorie 6 geldt, dit is een gebied met een lage archeologische verwachting. Gelet op de beschreven onderzoeksplicht is onderhavige ontwikkeling niet onderzoeksplichtig. In het kader van de beoogde ontwikkeling is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Echter, ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
38
Vaalbaan 1, Heusden
4.4.2
Cultuurhistorie
Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.
werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Onderzoek Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plangebied waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het Toelichting
39
aspect cultuurhistorie. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.5
Flora en fauna
4.5.1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het
beschermen
van
Natura
2000-gebieden
(Vogelrichtlijn-
en/of
Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Wet 40
Vaalbaan 1, Heusden
natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art. 3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “nee, tenzij”- benadering. 4.5.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een natuuronderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4 Quickscan soortenbescherming. Het onderzoeksgebied is op 10 augustus 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust-
en
voortplantingslocaties
en
andere
beschermde
functies,
zoals
foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en overige gebieden. Onderstaand worden de conclusies bondig samengevat. Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de Toelichting
41
werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De gebouwen dienen bij voorkeur te worden gesloopt buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Stikstof In het kader van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Middels deze berekening is aangetoond dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling de stikstofdepositie niet hoger uitvalt dan in in de vergunde situatie. De berekening is bijgegevoegd in Bijlage 5 Stikstofdepositieberekening. Ter onderbouwing
van
de
vergunde
situatie
is
de
van
toepassing
zijnde
natuurvergunning bijgevoegd als Bijlage 6 Natuurvergunning vergunde situatie. 4.5.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
42
Vaalbaan 1, Heusden
4.6
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
4.6.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
Het
akoestisch
onderzoek
moet
uitwijzen
of
de
wettelijke
voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; Toelichting