CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU22.11.04C Regels 'Asten Verzamelplan 2022-2'.pdf

Raadscommissie Ruimte 22 november 2022, gemeente AstenBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2022-2' (opiniërend)31.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang van maximaal 1,5 hectare en ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - groenblauwe mantel’ maximaal 0,5 hectare;

g. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; h. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; i.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;

j.

een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie is niet toegestaan;

k. detailhandel is niet toegestaan; l.

er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;

m. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; n. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.6.3

Inpandige statische opslag

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding ‘opslag’, teneinde - naast het gebruik ten behoeve van de woonfunctie - hergebruik van de bedrijfsbebouwing toe te kunnen staan voor inpandige statische opslag. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. voor de wijziging naar de woonfunctie gelden de voorwaarden als opgenomen in 5.6.1 a. tot en met e.; b. het hergebruik voor inpandige opslag dient te passen in de omgeving; c. als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume. Uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan. Herbouw van bebouwing is wel mogelijk mits het bestaande bouwvolume niet toeneemt; d. voor de inpandige statische opslag is een vloeroppervlakte van maximaal 1.000 m2,een goothoogte van maximaal 5,5 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m toegestaan. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle panden betreffen; e. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen;

29

f.

er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden;

g. het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang; h. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; i.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;

j.

detailhandel is niet toegestaan;

k. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; l.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden.

5.6.4

Recreatieve activiteiten

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Recreatie’ teneinde hergebruik of herbouw van de bebouwing toe te staan van dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. hergebruik voor dagrecreatie kan binnen de gehele bestemming worden toegestaan in of bij vrijkomende agrarische bebouwing, waarbij de navolgende doeleinden kunnen worden toegestaan: kinderboerderij, theeschenkerij en qua aard en omvang overeenkomstige bedrijven; b. hergebruik voor verblijfsrecreatie kan uitsluitend worden toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ met een maximum van 500 m2 per bestemmingsvlak. Verblijfsrecreatie in de vorm van kamperen in de vorm van een minicamping is ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’ toegestaan met maximaal 25 standplaatsen; c. hergebruik ten behoeve van een manege is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - bebouwingsconcentratie’ dan wel ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - recreatief ontwikkelingsgebied’; d. het hergebruik of de herbouw dient te passen in de omgeving; e. ten behoeve van de recreatieve activiteiten is ondersteunende horeca toegestaan met een maximum van 100 m2 per bedrijf; f.

in opzet en ontwikkelingsperspectief moet het gaan om een kleinschalige activiteit, met in beginsel slechts enkele werknemers;

g. als belangrijke voorwaarde voor hergebruik geldt dat hergebruik plaatsvindt binnen het bestaande bouwvolume tot een maximum van 1,5 ha. Uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan. Herbouw van bebouwing is wel mogelijk mits het bestaande bouwvolume niet toeneemt; h. in een bedrijfsplan dient te worden aangetoond welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de hergebruikfunctie. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt, dient te worden gesloopt, tenzij de gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben; i.

er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden;

j.

het bestemmingsvlak dient te worden verkleind tot een passende omvang;

30

k. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; l.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;

m. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; n. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; o. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; p. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden. 5.6.5

Oppervlakte teeltondersteunende kassen

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden zodanig wijzigen, dat het oprichten van teeltondersteunende kassen (niet zijnde een glastuinbouwbedrijf) van meer dan 1.000 m2 kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’ en/of ‘overige zone – NNB’; b. de teeltondersteunende kassen staan ten dienste aan een vollegrondstuinbouwbedrijf; c. de oppervlakte van teeltondersteunende kassen mag niet groter zijn dan 5.000 m 2; d. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; e. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven doeleinden.

31

32

Bedrijf - 1 6.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijf - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven, opgenomen in categorie 2 en 3 van de lijst van bedrijfsactiviteiten; b. internetwinkels en postorderbedrijven; c. ondersteunende kantoorfaciliteiten, direct gekoppeld aan de bedrijfsactiviteiten, die maximaal 30% van het bedrijfsvloeroppervlak mogen beslaan, met dien verstande dat voor bouwpercelen waar ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds een hoger percentage is vergund, dit hogere percentage is toegestaan; d. productiegebonden detailhandel, tot een maximum van 100 m² bvo per bedrijf, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen; e. oppervlakteverhardingen; f.

parkeervoorzieningen;

g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; h. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut; i.

en de daarbij behorende overige voorzieningen waaronder groenvoorzieningen, open terreinen en technische installaties, nodig voor het doen functioneren van het betreffende bedrijf.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 24.3. 6.2

Bouwregels

6.2.1

Algemeen

Op de voor Bedrijf - 1 aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde doeleinden, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'zone uitsluitend voor bedrijfswoningen', geen bedrijfsgebouwen zijn toegestaan; b. bijgebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 6.2.2

Regels ter plaatse van het bouwvlak

a. Gebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd. b. Het maximum bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 70 % van het bouwperceel, mits daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking. c. De afstand van gebouwen tot minimaal 1 zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 6 meter. d. De goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is aangeduid, met dien verstande dat bij daken in de vorm van een lessenaarsdak, ter plaatse van de niet

33

naar de weg gekeerde gevels, de hoogte niet meer mag bedragen dan de ter plaatse aangeduide maximale goothoogte; e. De bouwhoogte van gebouwen, geen woning zijnde, mag niet meer bedragen dan 12,00 meter, met uitzondering van de gronden waar ter plaatse van de aanduiding ´maximale bouwhoogte een afwijkende maximaal toegestane bouwhoogte is aangeduid; f.

De oppervlakte van een bouwperceel mag niet meer bedragen dan 5.000 m², met uitzondering van bouwpercelen die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan een grotere oppervlakte hebben. Voor deze bedrijven geldt het oppervlak op het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan als maximum.

g. ter plaatse van de aanduiding 'nokrichting' dient het laagste punt van het dak gesitueerd te zijn aan de zijde van de aangrenzende woonbestemming, met dien verstande dat vanaf de zijde van de aangrenzende woonbestemming een dakhelling is toegestaan van maximaal 20 graden; h. In afwijking van het bepaalde onder g, is indien de goothoogte aan de zijde van de aangrenzende woonbestemming minder dan 6 meter bedraagt, of indien de bebouwing niet op de grens van het bouwvlak gesitueerd is, een dakhelling van meer dan 20 graden toegestaan, waarbij de hoogte nergens meer mag bedragen dan indien de goothoogte op de grens van het bouwvlak 6 meter zou bedragen en sprake zou zijn van een dakhelling van 20 graden. 6.2.3

Overige regels met betrekking tot bebouwing

Binnen het bestemmingsvlak mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3,25 meter bedragen, met een maximale oppervlakte van 25 m² buiten het bouwvlak, met uitzondering van: a. voorzieningen voor verlichting, waarvan de hoogte niet meer dan 8 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor zover het bedrijfsperceel grenst aan een woonbestemming, de hoogte van voorzieningen voor verlichting binnen 16 meter van de perceelsgrens met de woonbestemming, maximaal 4 meter mag bedragen; b. erfafscheidingen waarvan de hoogte niet meer dan 2,50 meter mag bedragen. 6.2.4

Minimale omvang bouwperceel

a. De oppervlakte van een bouwperceel mag niet minder dan 1.000 m² bedragen, met uitzondering van bouwpercelen die deel uitmaken van een bedrijfsverzamelgebouw; b. Voor bestaande bouwpercelen kleiner dan 1.000 m², die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds kleiner zijn dan 1.000 m², geldt de omvang op dat moment als minimum, met dien verstande dat in het geval de omvang nadien groter is, maar kleiner dan 1.000 m², deze omvang als minimum geldt. 6.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen conform het bepaalde in artikel 19.2.

34

6.4

Afwijken van de bouwregels

6.4.1

Hogere bouwhoogte

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de maximale goot en/of bouwhoogte zoals bepaald in artikel 6.2.2 en: a. een verhoging van de maximale bouwhoogte van maximaal 10% toestaan voor gebieden waar een maximale bouwhoogte is toegestaan van 12 meter, en voor zover geen maximale goothoogte is opgenomen, mits: 1. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; 2. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; 3. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 5. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking; b. een bouwhoogte tot maximaal 12 meter toestaan voor zover ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' een maximale bouwhoogte is aangegeven van 8 of 10 meter, mits: 1. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; 2. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; 3.

geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 5. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking; c. een goot- en bouwhoogte tot maximaal 11 meter toestaan ter plaatse van de aanduiding 'specfieke bouwaanduiding - afwijking maximale hoogte', mits: 1. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; 2. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; 3. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 5. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking;

35

d. een goothoogte tot maximaal 8 meter toestaan voor zover ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' een maximale goothoogte is aangegeven van 6 meter, mits: 1. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; 2. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; 3. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 5. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking; 6. de afstand tot de grens van het bouwvlak, voor zover het bedrijfsperceel grenst aan een woonbestemming, aan de zijde van een aangrenzende woonbestemming minimaal 5 meter bedraagt. e. een bouwhoogte tot maximaal 8 meter toestaan voor zover ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' een maximale bouwhoogte is aangegeven van 6 meter, mits: 1. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; 2. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; 3.

geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 5. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking. 6.4.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak tot een grotere hoogte dan is toegestaan onder de voorwaarden dat: a. de hoogte niet meer bedraagt dan de maximale bouwhoogte die is toegestaan voor gebouwen zoals bepaald in artikel 6.2.2 en artikel 6.4.1; b. het geen erfafscheidingen betreft; c. deze bouwwerken, geen gebouw zijnde, vanuit het oogpunt van bedrijfsvoering noodzakelijk zijn; d. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; e. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; f.

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast.

36

6.4.3

Hoger maximum bebouwingspercentage

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2 sub b en een hogere maximum bebouwingspercentage toestaan tot maximaal 80%, mits: a. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; b. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; d. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; e. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking. Voor percelen waarvoor op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds een hoger bebouwingspercentage van toepassing is dan 70%, geldt dat dit hogere percentage geacht wordt te zijn vergund, tot een maximum van 80%. 6.4.4

Kleinere afstand tot zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2 sub c en een kleinere afstand van gebouwen tot, danwel in de zijdelingse perceelsgrenzen toestaan, mits: a. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; b. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; c. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; d. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking. 6.5

Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik: a. voor bewoning, tenzij het bewoning van bedrijfswoningen betreft, waarbij bewoning van vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoningen niet is toegestaan; b. voor detailhandel, anders dan bedoeld in artikel 6.1; c. voor tuincentra; d. voor dienstverlening, anders dan bedoeld in artikel 6.1; e. voor horeca; f.

voor zelfstandige kantoren, anders dan bedoeld in artikel 6.1;

g. voor verblijfsrecreatie;

37

h. als verkooppunt voor motorbrandstoffen of andere explosiegevaarlijke stoffen, met uitzondering van de verkoop van motorbrandstoffen ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; i.

voor open opslag, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'opslag', waar open opslag in verband met het toegestane gebruik en met een maximale hoogte van 4 meter is toegestaan en met uitzondering van de gronden waarvoor ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan reeds op basis van een omgevingsvergunning of melding open opslag is toegestaan, waarbij de vergunde of in de melding opgenomen hoogte als maximum geldt;

j.

geluidzoneringsplichtige inrichtingen;

k. risicovolle inrichtingen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. l.

Groothandel in en opslag van vuurwerk en munitie.

6.6

Afwijken van de gebruiksregels

6.6.1

Afwijken bedrijfstypen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 a t/m c ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die zijn opgenomen in een naast hogere categorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 a t/m c indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 a t/m c; b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 a t/m c, maar niet in de lijst van bedrijfsactiviteiten wordt genoemd; c. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in categorie 3.1 van de lijst van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2, indien is aangetoond dat er geen sprake is van nadelige milieuhygiënische gevolgen voor omliggende milieugevoelige functies, met dien verstande dat afwijking uitsluitend is toegestaan voor zover de gronden gelegen zijn op meer dan 50 meter van de dichtstbijzijnde gevel van een woning, niet zijnde een bedrijfswoning, die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is; d.

de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in categorie 4 van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien is aangetoond dat er geen sprake is van nadelige milieuhygiënische gevolgen voor omliggende milieugevoelige functies, dit met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 2, waar bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van bedrijfsactiviteiten in categorie 4 van de lijst van bedrijfsactiviteiten niet is toegestaan; e. voor bedrijfsactiviteiten als bedoeld in a tot en met d, die op het moment van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan reeds vergund zijn en ter plaatse ook nog onderdeel uitmaken van de bedrijfsactiviteiten, wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn verleend.

38

Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking. 6.6.2

Open opslag

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het toestaan van open opslag, mits: a. de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel; b. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; c. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; d. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; e. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking. 6.6.3

Afwijking ondersteunende kantoorfaciliteiten

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het toestaan van ondersteunende kantoorfaciliteiten tot maximaal 40% van het bedrijfsvloeroppervlak, mits: a. dit noodzakelijk is ten behoeve van de bedrijfsvoering; b. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; c. daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het parkeren heeft de bouwverordening aanvullende werking. 6.6.4

Aan huis gebonden beroep, aan huis gebonden bedrijf of ambachtelijk

bedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor een aan huis gebonden beroep, aan huis gebonden bedrijf of ambachtelijk bedrijf, mits voldaan wordt aan de voorwaarden dat: a. de bedrijfsactiviteiten zich beperken tot een oppervlakte van maximaal 50 m² onder de voorwaarde dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; b. de activiteiten uitsluitend door de bewoner uitgevoerd worden; c. de activiteiten niet vergunningsplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer; d. het aan huis gebonden bedrijven betreft zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regels of het bedrijfsactiviteiten betreffen van milieucategorie 1-bedrijven volgens de lijst van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 is opgenomen bij deze regels, dan

39

wel naar oordeel van burgemeester en wethouders daarmee vergelijkbare activiteiten; e. er geen detailhandel ter plaatse plaatsvindt, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane gebruik; f.

het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;

g. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 6.7

Wijzigingsbevoegdheid

6.7.1

Grotere oppervlakte bouwperceel

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen en een grotere oppervlakte van een bouwperceel toe te staan, onder de volgende voorwaarden: a. De financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om op het in gebruik zijnde bestemmingsvlak tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte door middel van zorgvuldig ruimtegebruik. b. Er zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig die noodzaken tot uitbreiding of vestiging ter plaatse. c. De financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om het bedrijf te verplaatsen naar of te vestigen op een bedrijventerrein in een nabij gelegen stedelijk concentratiegebied of bovenregionaal bedrijventerrein. d. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsmilieu ontstaan of kunnen ontstaan.

40

Bedrijf - 2 7.1

Bestemmingsomschrijving

7.1.1

Algemeen

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. niet-agrarische bedrijven; b. uitsluitend de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de tabel onder 7.1.2; c. aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning, een en ander met bijbehorende voorzieningen; d. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning; met de daarbij behorende: e. groenvoorzieningen; f. tuinen, erven en verhardingen; g. parkeren; h. waterhuishoudkundige voorzieningen. 7.1.2

Tabel bedrijven

Aanduiding

Adres

Bedrijfsactivite Aantal

Max.

iten

bedrijfs-

oppervlakte

woningen

bedrijfsgebou wen in m²

‘specifieke vorm

Kloosterstraat 35 bestratingsbedrij 1

van bedrijf –

400

f

bestratingsbedrijf’ ‘specifieke vorm

Ommelsebos 15 autoreparatiebed 1

van bedrijf –

750

rijf en garage

garage’ ‘specifieke vorm

Kleine Heitrak

Loonwerkbedrijf 1

van bedrijf –

36/36a

annex

loonwerk en

grondverzetbedri

grondverzetbedrijf’

jf

7.1.3

450

Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit 24.3. 7.2

Bouwregels

7.2.1

Toegestane bebouwing

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken ten behoeve van de in 7.1 toegestane bedrijvigheid.

41

7.2.2

Bouwvlak

Indien en voor zover binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het betreffende bouwvlak. 7.2.3

Maatvoering

De bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen: bouwwerken algemeen

minimaal

maximaal

afstand tot de as van de als 'specifieke vorm van

100 m tot

n.v.t.

verkeer - stroomweg' aangeduide weg

rijksweg A67; 50 m tot overige stroomwegen

afstand tot de as van de als 'specifieke vorm van

30 m

n.v.t.

15 m

n.v.t.

verkeer - gebiedsontsluitingsweg' aangeduide weg afstand tot de as van de als 'specifieke vorm van verkeer - lokale weg' aangeduide weg bedrijfsgebouwen

min.

max.

afstand tot de perceelsgrens

3m

n.v.t.

goothoogte

n.v.t.

5,5 m

bouwhoogte

n.v.t.

10 m

afstand achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van

5m

n.v.t.

5m

n.v.t.

bedrijfswoning afstand tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning bedrijfswoning

min.

Max.

goothoogte

n.v.t.

5,5 m

nokhoogte

n.v.t.

10 m

inhoud

maximaal 750 m3 (inclusief aangebouwde bijgebouwen), tenzij: - de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt; - het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam / bouwmassa daarvan als maximum geldt.

afstand tot de

3m

n.v.t.

perceelsgrens vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoning

Minimaal

Maximaal

afstand tot de perceelsgrens

3m

n.v.t.

Gezamenlijke oppervlakte per woning

n.v.t.

80 m²

Goothoogte

n.v.t.

3m

Nokhoogte

n.v.t.

5,5 m

Afstand achter de voorgevel (en het verlengde

5m

n.v.t.

daarvan) van de bedrijfswoning

42

Afstand bijgebouwen tot bedrijfswoning

1,5 m

25 m

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

max.

hoogte erfafscheidingen

1 m voor de voorgevelrooilijn, elders 2 m

hoogte van carports c.q. overkappingen

3m

opppervlakte van carports c.q. overkappingen

20 m²

hoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde

6m

waarbij de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven in de Tabel bedrijven onder 7.1.2; en waarbij geldt dat herbouw van bestaande bedrijfswoningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover: a. herbouw niet plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; b. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten; c. de voorgevel van de te herbouwen bedrijfswoning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn; d. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in bovenstaande tabel in acht wordt genomen. 7.3

Afwijken van de bouwregels

7.3.1

Oppervlakte bebouwing niet-agrarische bedrijven

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van de in 7.2.3 opgenomen maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de in 7.2.3 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 15% worden vergroot; b. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast; c. er vindt geen toename van de milieubelasting plaats; d. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats; e. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; f.

door middel van een onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties dient te worden aangetoond dat sprake is van hydrologisch neutraal bouwen;

g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 21 omschreven aanduidingsregels; h. er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; i.

het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast.

43

7.3.2

Minimale afstand tot de weg/perceelsgrens

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens te verkleinen. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering (voor zover het een recreatiebedrijf betreft) en/of een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering, moet aanwezig zijn; b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven; d. de wegbeheerder dient te worden gehoord; e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; f.

aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd;

g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 21 omschreven aanduidingsregels; h. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder. 7.3.3

Goot-/bouwhoogte bedrijfsgebouwen

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 teneinde voor de bedrijfsgebouwen een hogere goot- en bouwhoogte toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. aangetoond kan worden dat een grotere hoogte noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige bedrijfsvoering; b. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan: 1. respectievelijk 6,5 m en 12 m. bij een kap; 2. 10 m. bij een plat dak; c. de grotere hoogte van bedrijfsgebouwen architectonisch en stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving; d. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast. 7.3.4

Herbouw bedrijfswoning

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 teneinde herbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar; b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning; c. door de herbouw wordt het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit milieu- en dierenwelzijnswetgeving; e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in 7.2.3 wordt in acht genomen.

44

7.4

Specifieke gebruiksregels

7.4.1

Strijdig gebruik

Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval gebruik en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen: a. voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten tenzij dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; b. mestbewerking; c. voor detailhandel; d. voor (ondersteunende) horeca; e. voor woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; f.

(vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;

g. voor een seksinrichting. 7.4.2

Aan huis verbonden beroep

De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in 7.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m 2; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; f.

de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

7.5

Wijzigingsbevoegdheid

7.5.1

Andere vorm van niet-agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een ander dan in 7.1 voor het perceel voorgeschreven niet-agrarische bedrijvigheid toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. aangetoond dient te worden dat er sprake is van een ruimtelijke en milieukundige verbetering. Een ruimtelijke en milieukundige verbetering betekent dat er een afname van bebouwing (niet zijnde een gemeentelijk monument of een rijksmonument dan wel woonboerderijpand) plaatsvindt alsmede een visueel ruimtelijke verbetering van de situatie en een vermindering van de milieubelasting; b. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. een tweede bedrijfswoning, voor zover niet reeds aanwezig, is niet toegestaan; e. voldaan moet worden aan de maatvoeringseisen uit 7.2.3;

45

f.

de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;

g. de wijziging mag niet leiden tot meerdere bedrijven of een bedrijf in milieucategorie 3 of hoger; h. detailhandel is niet toegestaan behoudens voor zover zulks in ondergeschikte vorm noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; i.

er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;

j.

uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;

k. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling. 7.5.2

Woondoeleinden

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming 'Wonen-1' waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandige deel) mag niet worden vergroot; b. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; c. woningsplitsing is niet toegestaan; d. de bestaande situering van de bebouwing mag niet worden gewijzigd; e. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; f.

de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m2 per woning;

g. in afwijking van het bepaalde onder f. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning worden toegestaan van meer dan 125 m2. Maximaal 25% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouwen worden teruggebouwd, tot een totaal aan vrijstaande bijgebouwen van maximaal 200 m 2; h. de extra oppervlakte aan bijgebouwen hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt; i.

sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;

j.

in afwijking van het bepaalde onder a. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, de inhoud van de woning tot maximaal 900 m 3 worden vergroot. Per 50 m3 vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt;

k. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m2) moet in één keer worden gesloopt en deze

46

sloop moet als voorwaarde aan de wijziging en omgevingsvergunning voor het bouwen worden verbonden; l.

er kan geen toepassing worden gegeven aan de sloopregeling als opgenomen onder g. tot en met k. indien: 1.

op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden,

2.

sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling,

3.

sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken,

4.

de sloop al op andere wijze is verzekerd;

m. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; n. de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; o. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; p. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; q. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; r.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 21 omschreven aanduidingsregels;

s. het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden'. 7.5.3

Woningsplitsing

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij in twee woningen - door woningsplitsing - kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ voor zover naar het oordeel van burgemeester en wethouders de cultuurhistorische waarden nog steeds aanwezig zijn, of bij (voormalige) (woon)boerderijen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone bebouwingsconcentratie’; b. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot; c. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; d. bij woningsplitsing mag in maximaal 2 woningen worden gesplitst. De woningen dienen een inhoud te hebben van minimaal 350 m³ per woning; e. de splitsing dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; f.

de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;

g. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m² per woning. Indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen,

47

kan een bebouwde oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen worden toegestaan van 125 m² vermeerderd met maximaal 25% van het meerdere van de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen, tot een totaal maximum van 200 m² per woning. Hierbij dient in ieder geval het meerdere dan wat ingevolge deze regeling is toegestaan, te worden gesloopt; h. de in 7.2.3 onder g. tot en met m. opgenomen sloopregeling is overeenkomstig van toepassing, zij het dat de maximale oppervlakte bijgebouwen dat wordt teruggebouwd, niet meer dan 200 m² per woning mag bedragen; i.

de extra oppervlakte aan bijgebouwen zoals hiervoor genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt;

j.

sloop van cultuurhistorische waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;

k. er dien sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; l.

uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;

m. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; n. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; o. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 21 omschreven aanduidingsregels; p. het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Wonen’ en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming ‘Agrarisch’ en/of ‘Agrarisch met waarden’.

48

Bedrijf - Agrarisch verwant 8.1

Bestemmingsomschrijving

8.1.1

Algemeen

De voor 'Bedrijf - Agrarisch verwant' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch verwante bedrijven alsmede agrarisch technische hulpbedrijven; b. uitsluitend de bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de tabel onder 9.1.2; c. aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning, een en ander met bijbehorende voorzieningen; d. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de bedrijfswoning; met de daarbij behorende: e. groenvoorzieningen; f.

tuinen, erven en verhardingen;

g. parkeervoorzieningen; h. waterhuishoudkundige voorzieningen. 8.1.2

Tabel bedrijven - agrarisch verwant

Ter plaatse van Adres

Bedrijfsactivitei Aantal

de aanduiding

ten

Max.

bedrijfswoning oppervlakte en

bedrijfsgebouw en in m²

‘specifieke vorm Kleine Heitrak 17 hoveniersbedrijf 1

350

van bedrijf – hoveniersbedrijf’ 8.1.3

Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 24.3. 8.2

Bouwregels

8.2.1

Toegestane bebouwing

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken ten behoeve van de in 8.1 toegestane bedrijvigheid. 8.2.2

Bouwvlak

Indien en voor zover binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het betreffende bouwvlak. 8.2.3

Maatvoering

De bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen: bouwwerken

min.

max.

49

afstand tot de as van de

15 m

n.v.t.

min.

max.

3m

n.v.t.

goothoogte

n.v.t.

5,5 m

bouwhoogte

n.v.t.

10 m

afstand achter de

5m

n.v.t.

5m

n.v.t.

bedrijfswoning

min.

max.

afstand tot de

3m

n.v.t.

goothoogte

n.v.t.

5,5 m

bouwhoogte

n.v.t.

10 m

inhoud

maximaal 750 m3 (inclusief aangebouwde bijgebouwen),

weg bedrijfsgebouwen algemeen afstand tot de perceelsgrens

voorgevel (en het verlengde daarvan) van bedrijfswoning afstand tussen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning

perceelsgrens

tenzij: -

de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt;

-

het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam / bouwmassa daarvan als maximum geldt.

vrijstaande bijgebouwen

min.

max.

3m

n.v.t.

n.v.t.

80 m2

goothoogte

n.v.t.

3m

bouwhoogte

n.v.t.

5,5 m

afstand achter de

5m

n.v.t.

1,5 m

25 m

bij bedrijfswoning afstand tot de perceelsgrens gezamenlijke oppervlakte per woning

voorgevel (en het verlengde daarvan) van bedrijfswoning afstand bijgebouwen tot bedrijfswoning

50

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

max.

bouwhoogte erfafscheidingen

1 m voor de voorgevel, elders 2 m

bouwhoogte van bij de bedrijfswoning

3m

behorende carports c.q. overkappingen oppervlakte van een bij de bedrijfswoning

20 m2

behorende carport c.q. overkapping bouwhoogte overige bouwwerken, geen

6m

gebouwen zijnde waarbij de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven in de Tabel bedrijven - agrarisch verwant onder 8.1.2; en waarbij ter plaatse van de aanduiding 'sierteelt' in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m. en waarbij geldt dat herbouw van bestaande bedrijfswoningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover: a. herbouw niet plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; b. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten; c. de voorgevel van de te herbouwen bedrijfswoning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn; d. de bouwwijze (dat wil zeggen vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen bedrijfswoning(en) niet afwijkt van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en); e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in bovenstaande tabel in acht wordt genomen. 8.3

Afwijken van de bouwregels

8.3.1

Oppervlakte bebouwing agrarisch verwante bedrijven

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van de in 9.2.3 opgenomen maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de in 8.2.3 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 25% worden vergroot; b. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast; c. er vindt geen toename van de milieubelasting plaats; d. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats; e. de noodzaak voor de uitbreiding wordt aangetoond door middel van een bedrijfsplan; f.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;

g. door middel van een onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties dient te worden aangetoond dat sprake is van hydrologisch neutraal bouwen;

51

h. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 32 omschreven aanduidingsregels; i.

er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;

j.

het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast.

8.3.2

Minimale afstand tot de weg/perceelsgrens/bedrijfswoning

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.3 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens en/of de minimum afstand van bedrijfsgebouwen achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van de bedrijfswoning te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering (voor zover het een recreatiebedrijf betreft) en/of een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering, moet aanwezig zijn; b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven; d. de wegbeheerder dient te worden gehoord; e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; f.

aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd;

g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 21 omschreven aanduidingsregels; h. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder. 8.3.3

Herbouw bedrijfswoning

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.3 teneinde herbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar; b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning; c. door de herbouw wordt het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit milieu- en dierenwelzijnswetgeving; e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in 8.2.3 wordt in acht genomen. 8.4

Specifieke gebruiksregels

8.4.1

Strijdig gebruik

Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval gebruik en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen:

52

a. voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten tenzij dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; b. mestbewerking; c. voor detailhandel, behoudens detailhandel als bedoeld in 8.1 en detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit ter plaatse van de aanduiding 'sierteeltbedrijf'; d. voor (ondersteunende) horeca, behoudens ten behoeve van de in 8.1 genoemde maneges. Ten behoeve van de maneges wordt de bestaande oppervlakte ondersteunende horeca als maximaal toelaatbaar geacht; e. voor woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; f.

(vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte, met uitzondering van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg;

g. voor een seksinrichting. 8.4.2

Aan huis verbonden beroep

De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in 8.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m2; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; f.

de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

8.5

Afwijken van de gebruiksregels

8.5.1

Aan huis verbonden bedrijf

Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.4.1 onder a. ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 200 m2 in bestaande bebouwing; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de omgeving; f.

de activiteit mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;

g. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner;

53

h. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling. 8.6

Wijzigingsbevoegdheid

8.6.1

Andere vorm van agrarisch verwant bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde een ander dan in 8.1 voor het perceel voorgeschreven agrarisch verwante of agrarisch-technische bedrijvigheid toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. aangetoond dient te worden dat er sprake is van een ruimtelijke en milieukundige verbetering. Een ruimtelijke en milieukundige verbetering betekent dat er een afname van bebouwing (niet zijn een gemeentelijk monument of een rijksmonument dan wel woonboerderijpand) plaatsvindt alsmede een visueel ruimtelijke verbetering van de situatie en/of een vermindering van de milieubelasting; b. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; d. een tweede bedrijfswoning, voor zover niet reeds aanwezig, is niet toegestaan; e. voldaan moet worden aan de maatvoeringseisen uit 8.2.3; f.

de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;

g. de wijziging mag niet leiden tot meerdere bedrijven of een bedrijf in milieucategorie 3 of hoger; h. detailhandel is niet toegestaan behoudens voor zover zulks in ondergeschikte vorm noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; i.

er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;

j.

uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;

k. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling. 8.6.2

Woondoeleinden

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming 'Wonen' (artikel 18) waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandige deel) mag niet worden vergroot; b. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; c. woningsplitsing is niet toegestaan; d. de bestaande situering van de bebouwing mag niet worden gewijzigd;

54

e. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; f.

de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 125 m2 per woning;

g. in afwijking van het bepaalde onder f. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bij een woning worden toegestaan van meer dan 125 m2. Maximaal 25% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouwen worden teruggebouwd, tot een totaal aan vrijstaande bijgebouwen van maximaal 200 m2; h. de extra oppervlakte aan bijgebouwen zoals onder g. genoemd, mag ook worden gevormd door bestaande bijgebouwen, in plaats van herbouw na sloop, mits de overtollige oppervlakte aan bijgebouwen wordt gesloopt; i.

sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;

j.

in afwijking van het bepaalde onder a. kan, indien sprake is van sloop van voormalige bedrijfsgebouwen, de inhoud van de woning tot maximaal 900 m3 worden vergroot. Per 50 m3 vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt;

k. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 125 m2) moet in één keer worden gesloopt en deze sloop moet als voorwaarde aan de wijziging en omgevingsvergunning voor het bouwen worden verbonden; l.

er kan geen toepassing worden gegeven aan de sloopregeling als opgenomen onder g. tot en met k. indien: 1. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden, 2. sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling, 3. sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, 4. de sloop al op andere wijze is verzekerd;

m. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen; n. de nieuwe woning is niet gelegen binnen een geurhindercontour van één of meer agrarische bedrijven; o. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie; p. voldaan wordt aan de bepalingen bij of krachtens de Wet geluidhinder; q. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; r.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 21 omschreven aanduidingsregels;

s. het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een burgerwoning in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden'.

55

8.6.3

Woningsplitsing

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming 'Wonen' waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw van een voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij in twee woningen - door woningsplitsing - kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of bij (voormalige) (woon)boerderijen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bebouwingsconcentratie'; b. de bebouwde oppervlakte van de voormalige bedrijfswoning of (woon)boerderij (inclusief de inpandige stal / het inpandig deel) mag niet worden vergroot; c. de agrarische verschijningsvorm van een voormalige boerderij mag niet worden aangetast; d. bij woningsplitsing mag in maximaal 2 woningen worden gesplitst. De woningen dienen een inhoud te hebben van minimaal 350 m3 per woning; e. de splitsing dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; f.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=f3a8c995-f3a2-4aa3-826f-147f3b7a852b