RU22.05.09 B Toelichting.pdf
Tekst van het document
De luchtkwaliteit eisen vormen geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). In het Besluit NIBM (AMvB ‘Niet in betekenende mate’) en de Regeling NIBM (ministeriële regeling) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd, die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een project NIBM bijdraagt. De wettelijk ondergrens voor onderzoek bedraagt de bouw van 1500 woningen. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden.
Deze regel komt voort uit de toelichting van het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor Luchtkwaliteit te realiseren. Gebiedsgerichte aanpak leegstand: voor de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwingen van de deelontwikkelingen. 5.5.7 Gezondheid in relatie tot veehouderijen Toetsingskader: Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden” (VGO) uitgevoerd en in juli 2016 zijn de resultaten van dit onderzoek bekend gemaakt. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben, maar een verminderde longfunctie kunnen hebben. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. In het vervolgonderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies)” (VGO2) van juni 2017 worden de resultaten uit het VGO bevestigd. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties.
Daarnaast wordt in VGO2 een statistisch significante relatie gevonden tussen het wonen nabij een geitenhouderij (variërend van 1,5 tot 2 kilometer) en een verhoogd risico op het krijgen van longontsteking. Vanwege de onduidelijkheid rondom de causaliteit heeft het Ministerie van LNV opdracht gegeven tot vervolgonderzoek (VGO3). Naar verwachting
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
49
wordt dit onderzoek in 2021 afgerond. Op 22 oktober 2018 is het deelrapport 'Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016' aan de Tweede kamer aangeboden. Dit rapport maakt onderdeel uit van de reeks vervolgonderzoeken in het kader van VGO3. De resultaten van dit deelonderzoek wijzen op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. Er is ook naar pluimvee en andere diersoorten gekeken, maar daar zijn geen consistente verbanden gevonden met longontsteking. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) staat nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen niet toe. Deze zogenaamde 'geitenstop' heeft geen rechtstreekse invloed op het mogelijk maken van gevoelige bestemmingen in de omgeving van een geitenhouderij, maar indirect werkt het verbod wel door in een ruimtelijk plan, de zogenaamde omgekeerde werking. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de gemeente een afweging te maken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Een wettelijk toetsingskader voor de effecten op de volksgezondheid ontbreekt. Er bestaan geen concrete normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden bij ruimtelijke plannen.
Uit de VGO-onderzoeken blijkt een correlatie tussen de afstand van omwonenden tot veehouderijen in de buurt en gezondheidsklachten van deze omwonenden. Leemten in kennis m.b.t. de causaliteit (oorzaak en gevolg) leiden er toe dat er vooralsnog geen beoordeling kan zijn van risico's die verbonden zijn aan extra blootstelling op een planlocatie. Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden, is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid opgesteld. De handreiking bevat een overzicht van de belangrijkste gevonden verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden laat zien wat decentrale overheden kunnen doen om gezondheidsrisico's van veehouderijen mee te wegen in besluitvorming. De mogelijkheden op grond van milieuregelgeving en regelgeving en beleid voor de ruimtelijke ordening staan centraal. De handreiking geeft een stappenplan voor de ontwikkeling van veehouderijen. Na het doorlopen van het stappenplan kan het advies zijn om een GGD-advies op te vragen. Dit advies kan onder andere gebruikt worden om het gesprek met de ondernemer aan te gaan om omgevingsbewust handelen te stimuleren. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.
Gebiedsgerichte aanpak leegstand: In het kader van de gebiedsgerichte aanpak leegstand is het stappenplan doorlopen uit de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0'. Voor wat betreft het aspect endotoxinen bevinden de concentraties als gevolg van afzonderlijke bedrijven zich onder de geldende advieswaarden. De indicatieve cumulatieve belasting is in het oostelijk deel van het plangebied hoger dan de advieswaarde. Dit betreft echter een kwalitatieve toetsing, die niet rechtstreeks van invloed is op de ontwikkelmogelijkheden binnen het plangebied. Niettemin houdt de cumulatieve belasting wel een signaalfunctie in om in ogenschouw te nemen. Het uitgevoerde onderzoek geur, fijnstof en endotoxinen is toegevoegd als Bijlage 4 bij deze toelichting. Daaruit kan worden opgemaakt dat voor fijnstof en endotoxinen sprake is van een belasting, die lager is dan de geldende toetsings- en advieswaarden. Het realiseren van de beoogde woonfuncties in het plangebied is, voor zover het genoemde milieuaspecten betreft, toelaatbaar. Daarnaast wordt één woontitel weggenomen uit een zwaar overbelaste situatie; door de woning op het adres Kemphaanweg 1 niet te bouwen, wordt voorkomen dat - op basis van de bestaande mogelijkheden in het bestemmingsplan - een nieuw object wordt opgericht op een zwaar overbelaste locatie.
Per deellocatie wordt in de ruimtelijke onderbouwing een nadere motivatie gegeven.
50
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
5.5.8 Besluit m.e.r. Toetsingskader: Het uitvoeren van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die wettelijk verplicht is bij plannen of projecten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer regelt, in combinatie met het Besluit milieueffectrapportage, het toepassen van de m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapportage. In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staan de plannen en activiteiten aangegeven waarvoor de m.e.r.-procedure (onderdeel c) respectievelijk de m.e.r.-beoordeling (onderdeel d) uit hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet worden toegepast. Gebiedsgerichte aanpak leegstand: Voor het voorliggend bestemmingsplan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd en bij de gemeente aangeleverd in de vorm van een aanmeldnotitie. Op basis van de kenmerken van de activiteiten, de kenmerken en ligging van de locatie en de kenmerken van de omgeving, kunnen zich waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor het milieu voordoen. Uit de beschreven milieugevolgen volgt dat er geen sprake is van significant nadelige milieueffecten. Er is geen Passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.
De ingediende vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie ten behoeve voor het bestemmingsplan voorziet in alle voor de activiteit relevante informatie die het bevoegd gezag nodig heeft voor verdere besluitvorming.
5.6
Planologisch relevante omgevingsaspecten
5.6.1 Natuur Toetsingskader: Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. De Wnb is gericht op (art. 1.10, lid 110): 1.
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; 2. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en 3. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Een bestuursorgaan moet de uitoefening van zijn wettelijke taken en bevoegdheden richten op de verwezenlijking van de weergegeven doelen (art. 1.10, lid 2). Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, dienen per ruimtelijke ontwikkeling worden beschouwd of sprake is van effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten. Beschermde gebieden: Voor elke ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beschouwd of sprake is van effecten op beschermde gebieden. Het plan mag niet leiden tot significant negatieve effecten op aangewezen Natura2000-gebieden.
Beschermde Natura2000-gebieden in de omgeving van de gemeente Asten zijn 'Groote Peel', 'Deurnsche Peel & Mariapeel', Strabrechtse Heide & Beuven' en 'Weerter en Budelerbergen & Ringselven' (zie ook onderstaande afbeelding).
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
51
Afbeelding: ligging Natura2000-gebieden rondom de gemeente Asten Veehouderijen emitteren ammoniak dat zich in de omgeving verspreidt. De ammoniak kan neerslaan op natuurgebieden. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) bevat regels voor de ammoniakemissie van dierverblijven van veehouderijen gelegen in een zogeheten kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter daaromheen. Hoofddoel van de wet is de bescherming van zuur en stikstof gevoelige gebieden tegen de effecten van ammoniakdepositie. Een te hoge stikstofdepositie op natuurlijke ecosystemen kan leiden tot een verstoring en verslechtering van de biodiversiteit van deze ecosystemen. De ligging van de zeer kwetsbare natuurgebieden is weergegeven op onderstaande kaart.
52
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
Afbeelding: ligging zeer kwetsbare gebieden Wav (incl. 250 m-zone) in de omgeving van het projectgebied Daarnaast moet worden aangetoond dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Natuurnetwerk Brabant. De ligging van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is weergegeven op de onderstaande kaart.
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
53
Afbeelding: ligging Natuurnetwerk Brabant in de omgeving van het projectgebied Beschermde soorten: Om aan te tonen dat de ruimtelijke ontwikkeling haalbaar is, dient per ruimtelijke ontwikkeling te worden aangetoond dat beschermde soorten niet worden geschaad. Het gaat om beschermde soorten uit paragraaf 3.1 t/m 3.3 van de Wet natuurbescherming. Daarbij gaat het in beginsel om soortenbescherming en niet om bescherming van individuen van deze soorten. Gebiedsgerichte aanpak leegstand: Voor de ontwikkelingen, die deel uitmaken van het voorliggend verzamelplan, is een gezamenlijk stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5 bij deze toelichting. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat het voorliggend verzamelplan niet leidt tot significant negatieve effecten op omliggende beschermde Natura2000-gebieden. Per deelontwikkeling zijn de effecten op overige beschermde gebieden (NNB) en beschermde soorten beschouwd; deze beschouwing maakt onderdeel uit van de individuele ruimtelijke onderbouwingen. Het plangebied ligt niet binnen de 250 m-zone rondom zeer kwetsbare natuurgebieden. 5.6.2 Archeologie Toetsingskader: In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’, ook wel de Conventie van Valletta genoemd, tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden.
Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg 1988. Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de wet dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Dit alles met het doel om het bodemarchief zoveel mogelijk te beschermen.
54
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
De Archeologische MonumentenKaart (AMK) is een (gedigitaliseerd) bestand waarop alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland vermeld staan. Dit betreft zowel historische dorpskernen en clusters, oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde. Om het archeologisch belang goed mee te wegen in de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft de gemeente de Nota archeologiebeleid (met een bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart) ontwikkeld. De nota is vastgesteld op 6 juni 2011 en in werking getreden op 25 juli 2011. Verder is het bestemmingsplan 'Asten Archeologie 2012' vastgesteld. Dit plan is van toepassing op het gehele grondgebied van de gemeente, met uitzondering van centrumgebied Asten, Ommel komgebied, Heusden komgebied, Prinsenmeer en de bedrijventerreinen. Dit bestemmingsplan is doorvertaald in alle bestemmingsplannen die later zijn vastgesteld, waaronder het bestemmingsplan 'Buitengebied Asten 2016'. Gebiedsgerichte aanpak leegstand: voor de beoordeling van het aspect archeologie wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwingen van de deelontwikkelingen. 5.6.3 Cultuurhistorie Toetsingskader: Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Een belangrijke doelstelling van de MoMo is het versterken van de koppeling tussen erfgoed en ruimte.
In het kader van de MoMo dient in de toelichting van elk bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing beschreven te worden op welke wijze de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Tevens beschikt de gemeente Asten over een eigen cultuurhistorische waardenkaart met daarop aangegeven de belangrijkste elementen. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Vóór 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet. Gebiedsgerichte aanpak leegstand: voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwingen van de deelontwikkelingen. 5.6.4 Verkeer en parkeren Toetsingskader: Het in december 2016 door de gemeenteraad van Asten vastgestelde Gemeentelijk Verkeer- en vervoersplan (GVVP) vormt het verkeerskader voor nieuwe ontwikkelingen.
Het betreft een plan waarin zowel de beleidsdoelstellingen worden geformuleerd, actuele ontwikkelingen worden beschreven, knelpunten en probleemsituaties in beeld worden gebracht en uiteindelijk een diversiteit aan concrete plannen wordt gepresenteerd voor de periode tot circa 2025. Het GVVP geeft kortom inzicht in knelpunten en probleemsituaties in de bestaande verkeersstructuur en vormt het kader voor nieuwe ontwikkelingen op verkeers- en vervoersniveau. Het Astense GVVP kent een flexibele, modulaire opbouw en bestaat uit een verkeersvisie, een uitwerking van de onderdelen van het beleid en een maatregelenpakket. De visie in het GVVP zet in op duurzame mobiliteit, behoudt van het groene karakter van de gemeente en een duidelijke wegenstructuur. Waar mogelijk en gewenst wordt samen gewerkt met andere overheden en belangengroeperingen om aldus een breed gedragen verkeers- en vervoersbeleid te voeren. Als onderdeel van het GVVP, heeft de gemeenteraad van Asten de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld op 13 december 2016. Om te voorkomen dat er, als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst een onacceptabele parkeerdruk ontstaat, is in de nota een sturingsmechanisme ten aanzien van parkeren opgenomen voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen.
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
55
Gebiedsgerichte aanpak leegstand: voor de beoordeling van het aspect verkeer en parkeren wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwingen van de deelontwikkelingen. 5.6.5 Leidingen Toetsingskader: Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of het plangebied ligt binnen planologische beschermingszones of anderszins vastgelegde bescherming van onder- of bovengrondse leidingen, waaronder hoogspanningsleidingen, gasleidingen of riolering. Gebiedsgerichte aanpak: voor de beoordeling van het aspect leidingen wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwingen van de deelontwikkelingen. 5.6.6 Waterhuishouding Toetsingskader: Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.
De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. De Waterwet regelt de leggerplicht voor alle waterstaatswerken. Om goed te functioneren moeten waterstaatswerken voldoen aan de norm uit de legger. De eerste Legger rijkswaterstaatswerken is vastgesteld in 2012. In oktober 2014 is de Legger geactualiseerd. De Legger bestaat uit een formeel besluit en digitale geografische datasystemen. Beheerders, vergunningverleners en toezichthouders zijn de vaste gebruikers van deze Legger, maar de Legger is voor iedereen toegankelijk. In Asten geldt de legger voor de Zuid-Willemsvaart. Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021. Het PMWP is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
In het Waterbeheerplan 2016 - 2021 ‘Werken met water voor nu en later’ staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in vier programma’s: Veilig en bewoonbaar beheergebied: Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. Voldoende water en robuust watersysteem: Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en
56
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
duurzame watervoorziening in het beheergebied van het waterschap voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doet het waterschap door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. Gezond en natuurlijk water: Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. Ingegaan wordt op hoe toegewerkt wordt naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van het beheergebied van kunnen genieten. Schoon water: Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen. De Keur 2015 is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a.
gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit.
Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven: Voorkomen van vervuiling Wateroverlastvrij bestemmen Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Vuil water en hemelwater scheiden Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Waterschapsbelangen Meervoudig ruimtegebruik Water als kans Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2021-2025. Via dit GRP geeft de gemeente invulling aan de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Afvalwater: Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente naar een duurzame en doelmatige
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
57
inzameling en transport van afvalwater. Bij vervanging en herontwikkeling wil de gemeente overgaan tot ontvlechting van hemelwater en afvalwater. Hemelwater: Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Asten naar een duurzame toekomst en het anticiperen op klimaatverandering. Particulieren zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van hemelwater vanaf hun eigen perceel. Bij nieuwbouw EN bij herbouw dient een waterbergingsvoorziening gerealiseerd te worden met een inhoud van 60mm/m2 verhard oppervlak. Bij grootschalige ontwikkelingen gaat de voorkeur uit naar de realisatie van collectieve voorzieningen. Dit maakt het makkelijker om robuuste voorzieningen aan te leggen en verhoogd de handhaafbaarheid. Grondwater: De gemeente Asten geeft gehoor aan de grondwaterzorgplicht door binnen de grenzen van doelmatigheid en financiële en technische haalbaarheid maatregelen te treffen om structurele grondwateroverlast te voorkomen of te beperken. Gebiedsgerichte aanpak leegstand: voor de beoordeling van het aspect waterhuishouding wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwingen van de deelontwikkelingen.
58
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken. Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.
6.2
Planopzet en systematiek
Het bestemmingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het bestemmingsplan en derhalve uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht. Het bestemmingsplan vormt een belangrijk toetsingskader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bouwaanvragen kunnen uitsluitend worden gehonoreerd indien voldaan wordt aan het bepaalde in de regels van dit bestemmingsplan. Overigens neemt het College van Burgemeester en Wethouders bij de beslissing omtrent de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen eveneens het Bouwbesluit en de bouwverordening in acht. Tenslotte wordt getoetst aan eisen van welstand. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de systematiek van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Asten 2016' (eerste vaststelling d.d. 18 april 2017; meest recente vaststelling d.d. 7 augustus 2019), aangevuld met de laatste inzichten vanuit de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening, Wabo en het Besluit omgevingsrecht met bijbehorende bijlagen. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling.
Het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) en de regels. Verbeelding en regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen. Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
59
6.3
Opzet regels
De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.
Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.
6.4
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Agrarisch Agrarisch - Agrarisch bedrijf Agrarisch - Glastuinbouwgebied 1 Bedrijf Wonen Waarde - Archeologie 3
60
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
Daarnaast zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen: overige zone - attentiegebied NNB: overige zone - concentratiegebied glastuinbouw overige zone - landschapselement overige zone - urgentiegebied In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen een uitleg gegeven bij de bestemmingen. 6.4.1 Agrarisch De bestaande agrarische bedrijven die worden beëindigd, moeten volledig worden wegbestemd. Alle gronden die niet zijn voorzien als woonlocatie, krijgen een agrarische gebiedsbestemming in overeenstemming met de omliggende gronden in het gebied. 6.4.2 Agrarisch - Agrarisch bedrijf Voor de locatie Kemphaanweg 1 en 3 wordt de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' opgenomen. Binnen deze bestemming is het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk. Door de locatie Kemphaanweg 3 te voorzien van deze bestemming, wordt de locatie als bedrijfswoning onderdeel van het naastgelegen agrarisch bedrijf. 6.4.3 Agrarisch - Glastuinbouwgebied1 De bestaande agrarische bedrijven die worden beëindigd, moeten volledig worden wegbestemd. Alle gronden die niet zijn voorzien als woonlocatie, maar wel binnen het provinciaal aangewezen glastuinbouwconcentratiegebied liggen, krijgen een glastuinbouwbestemming in overeenstamming met de omliggende gronden in het gebied.
6.4.4 Bedrijf Het kleinschalig metaalverwerkingsbedrijf op het adres Meijelseweg 31 wordt bestemd als 'Bedrijf' met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalverwerking'. 6.4.5 Wonen De bestaande bedrijfswoningen die worden omgezet naar een burgerwoning, de woningen die worden verplaatst en de nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoningen worden bestemd als 'Wonen'. De Ruimte-voor-Ruimtewoningen zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte'. Voor de locatie Meijelseweg 39 is ten behoeve van het aan-huis-verbonden bedrijf de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hondenkennel en -pension' opgenomen. 6.4.6 Waarde - Archeologie 3 Ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologische waarden wordt de bestaande archeologische bescherming uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Asten 2016' overgenomen in het voorliggend plan.
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
61
62
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Toetsingskader: De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Door als gemeente alle gronden en opstallen in eigendom te hebben, zelf de grondexploitatie te voeren en de bouwgrond uiteindelijk bouwrijp tegen een marktconforme prijs te leveren wordt ook voldaan aan de eis van verplicht kostenverhaal. De kosten van grondexploitatie worden in dat geval verhaald via de gronduitgifteprijs.
Gebiedsgerichte aanpak leegstand: Zoals in paragraaf 2.5 is omschreven bestaat het voorliggend bestemmingsplan uit één gebiedscoalitie en twee individuele ontwikkelingen. Gebiedscoalities: De locaties Meijelseweg 66a, Meijelseweg ong., Ooruilweg 7, Ooruilweg 9, Kemphaanweg 1 en Kemphaanweg 3 vormen samen een gebiedscoalitie. De locaties Meijelseweg 31 en Spechtstraat 5 vormen eveneens samen een coalitie. Deze ontwikkelingen zijn onderling van elkaar afhankelijk en vormen gezamenlijk een financieel haalbaar initiatief. Bij het vormen van de gebiedscoalitie is gezocht naar: een gesloten balans voor de totale gebiedsexploitatie; een gesloten balans voor elke initiatiefnemer. Vóór het opstellen van de gebiedsexploitatie is de inbrengwaarde van de deellocaties bepaald. Vervolgens is op locatieniveau en op gebiedsniveau een puzzel gemaakt om tot een gesloten balans te komen. Om de gebiedscoalitie sluitend te krijgen is gekozen voor de opzet om uitsluitend Ruimte-voor-Ruimtetitels aan te kopen via de ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte C.V. (ontwikkelingsmaatschappeij van de Provincie Noord-Brabant) en géén nieuwe Ruimte-voor-Ruimtetitels te genereren met de sloop van stallen. Per aangekochte Ruimte-voor-Ruimtetitel, waarvoor binnen het projectgebied een woning wordt gebouwd, ontvangt de gemeente Asten een stimuleringsbijdrage van Ruimte voor Ruimte C.V.
Deze bijdrage wordt ingezet in het gebiedsproces. De planologische ontwikkelruimte die ontstaat, biedt een sluitende balans voor de gebiedsexploitatie en voor de exploitatie van elke individuele initiatiefnemer. Hiermee is het financieel mogelijk om drie veehouderijen te beëindigen en één zwaar overbelaste burgerwoning uit te plaatsen. De gemeente heeft met de individuele initiatiefnemers anterieure overeenkomsten gesloten, waarin de gebiedsexploitatie en overige ontwikkelkosten privaatrechtelijk worden vastgelegd. De gemeente fungeert als aanjager van het proces en heeft in die rol een stimuleringsfonds opgezet. Dit stimuleringsfonds wordt gevuld met de bijdrage van Ruimte voor Ruimte C.V. aan de gemeente Asten, waardoor de ontwikkelingen geen negatieve gevolgen hebben voor de gemeentelijke kas. In de anterieure overeenkomst is tevens vastgelegd dat eventuele planschade kan worden verhaald op de initiatiefnemers. Individuele ontwikkelingen: De individuele ontwikkelingen op de locaties Meijelseweg 33 en Meijelseweg 39 zijn onafhankelijk te realiseren. Voor deze ontwikkelingen is in het kader van dit bestemmingsplan een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemers en gemeente. In deze overeenkomsten is vastgelegd dat de ontwikkelingskosten en eventuele planschade geheel door initiatiefnemers worden gedragen.
De locatie Meijelseweg 33 voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor een bijdrage
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
63
vanuit de gemeentelijke sloopregeling. Het kostenverhaal van de exploitatie is daarmee anderszins verzekerd, waardoor de vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De ontwikkelingen hebben voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.
64
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
Hoofdstuk 8
Overleg, inspraak en procedure
In het kader van het maatschappelijk draagvlak voor de voorgenomen ontwikkeling heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden en is vooroverleg gevoerd met de wettelijke vooroverlegpartners.
8.1
Omgevingsdialoog
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in juni 2021 en maart 2022 een omgevingsdialoog gevoerd. Voor gebiedscoalitie 1 (zie paragraaf 2.5.1) en de individuele ontwikkelingen (zie paragrafen 2.5.3 en 2.5.4) is in juni 2021 een omgevingsdialoog gevoerd. Het concept-plan is tijdens een informatieavond gepresenteerd en gedurende drie weken online gepubliceerd. Het verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd als Bijlage 15 bij deze toelichting. Er zijn naar aanleiding van de omgevingsdialoog geen wijzigingen aangebracht in het plan. Gebiedscoalitie 2 (zie paragraaf 2.5.2) is later toegevoegd aan het bestemmingsplan en heeft een aparte omgevingsdialoog doorlopen in 2022. Deze omgevingsdialoog is toegevoegd als Bijlage 16 bij deze toelichting. Er zijn naar aanleiding van de omgevingsdialoog geen wijzigingen aangebracht in het plan.
8.2
Vooroverleg
In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen: Provincie Noord-Brabant: De provincie Noord-Brabant heeft op 13 december 2021 een vooroverlegreactie gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan. De provincie Noord-Brabant spreekt in haar reactie waardering uit voor het doorlopen proces en de doelstellingen van het plan. De provincie geeft aan dat de kracht van het plan is gelegen in de samenhang op gebiedsniveau, maar heeft oop locatieniveau wel nog opmerkingen geplaatst. De opmerkingen zijn voorzien van een reactie in de nota van inspraak en vooroverleg. Waterschap Aa en Maas: Het waterschap Aa en Maas heeft op 23 september 2021 een vooroverlegreactie gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan. Op basis van het huidige beleid heeft het waterschap geen opmerkingen op het bestemmingsplan. Wel zijn er een aantal tekstuele opmerkingen op de ruimtelijke onderbouwingen. Deze zijn voorzien van een reactie in de nota van inspraak en vooroverleg.
De nota van inspraak en vooroverleg is toegevoegd als Bijlage 17 bij de toelichting.
8.3
Voorontwerpbestemmingsplan
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft in het kader van inspraak ter visie gelegen van 10 september tot en met 21 oktober 2021 via de gebruikelijke kanalen van de gemeente Asten. Tijdens de inzagetermijn heeft de gemeente Asten één inspraakreactie ontvangen. Deze reactie is voorzien van een gemeentelijke reactie in de nota van inspraak en vooroverleg. De nota van inspraak en vooroverleg is toegevoegd als Bijlage 17 bij de toelichting. Na de inzagetermijn zijn de locaties Meijelseweg 31 en Spechtstraat 5 toegevoegd aan het voorontwerpbestemmingsplan.
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021
65
8.4
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht in het kader van de zienswijzen gedurende 6 weken voor een ieder ter visie gelegen. Tijdens de inzagetermijn zijn twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn meegenomen in de besluitvorming. Daarnaast zijn een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen is toegevoegd als Bijlage 18 bij de toelichting.
66
bestemmingsplan Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand 2021