RU22.05.05B Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
39
kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte. Dit wordt in navolgende paragrafen nader onderbouwd. 4.2.2 Brabantse Omgevingsvisie Net als het Rijk beschikt de provincie Noord-Brabant vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet over een omgevingsvisie: de Brabantse Omgevingsvisie. Deze visie is in december 2018 vastgesteld door provinciale staten van Noord-Brabant. De Brabantse Omgevingsvisie bevat de ambities van de provincie Noord-Brabant voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de periode tot 2050. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. De Brabantse Omgevingsvisie zet in op behouden en verdere ontwikkeling van een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving. Daarbij richt de provincie richt zich op vier hoofdopgaven: De energietransitie. Ontwikkeling van een Noord-Brabant dat om kan gaan met klimaatverandering. Noord-Brabant als slimme netwerkstad. Behouden en verder ontwikkelen van een concurrerende en duurzame economie.
Net als het Rijk streeft de provincie met de Brabantse Omgevingsvisie naar een manier van het benaderen van initiatieven in de fysieke leefomgeving die uitgaat van vertrouwen en het gezamenlijk met publieke en private partijen zoeken naar mogelijkheden om een initiatief te realiseren. Daarbij moeten initiatieven een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied De planontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de woonfunctie tussen de Koestraat en provinciale weg 279, waarbij aan de oostzijde in een duurzame afronding van het woongebied van de kern Asten wordt voorzien door middel van een noord-zuid georiënteerde natuurlijke inrichting parallel aan de N279. Door de voorziene invulling van dit perceel wordt dientengevolge aangesloten bij de reeds bestaande stedelijke structuur en infrastructuur, e.e.a. zoals in het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan voor de totale ontwikkeling van Loverbosch opgenomen. In en rondom de kern van Asten zijn er weinig tot geen alternatieven voor een dergelijk project. Binnenstedelijk zijn er geen locaties om in de woningbouwbehoefte te voorzien. De ontwikkeling is gericht op een kwalitatief natuurinclusieve woonwijk om de leefbaarheid te bevorderen. Positieve gezondheidseffecten treden op via natuur, water, lucht en externe veiligheid (ongelukken en rampen). Door natuurinclusiviteit vanaf het begin mee te laten wegen in de ontwikkeling wordt de leefomgevingskwaliteit en daarmee de gezondheid bevorderd. De nieuwe woningen zullen tenslotte voldoen aan de BENG-eisen, waardoor de woonbehoefte duurzaam wordt ingevuld. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan de best beschikbare technieken in het kader van energieverbruik.
Het planvoornemen is gezien het bovenstaande in lijn met de omgevingsvisie.
40
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
4.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 24 mei 2019 is voor een periode van vier weken het ontwerp van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegd. De omgevingsverordening bevat regelgeving die ook anticipeert op de komst van de Omgevingswet en kan gezien worden als een uitwerking van de ambities uit de Brabantse Omgevingsvisie in regels (net als dat de Verordening ruimte Noord-Brabant een uitwerking is van de SVRO). De omgevingsverordening integreert regels uit zes provinciale verordeningen (waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant). De Interim omgevingsverordening trad op 6 november 2019 in werking. Vervolgens zijn enkele wijzigingen doorgevoerd. Op 8 december 2020 is de geconsolideerde versie gepubliceerd. De laatste omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Dat houdt in dat de omgevingsverordening geen nieuwe beleidswijzigingen doorvoert tenzij dit nieuwe beleid reeds opgenomen is in vastgestelde beleidsdocumenten. De omgevingsverordening is een interimdocument en daarmee een tussenstap naar een definitieve provinciale omgevingsverordening. Gelet op het beleidsneutrale karakter van de omgevingsverordening is het plangebied in de omgevingsverordening net zo aangeduid als in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Hierna wordt ingegaan op de ligging van het plangebied binnen de kaarten uit de omgevingsverordening.
Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Verstedelijking afweegbaar’, ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’, Op basis van het beleid van de provincie, verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is uitbreiding buiten het stedelijk gebied niet overal toegestaan. Potentiële uitbreidingslocaties buiten het stedelijk gebied zijn aangewezen met de aanduiding 'verstedelijking afweegbaar'. Binnen zo'n aanduiding kan, onder voorwaarden, een stedelijke ontwikkeling plaatsvinden.
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
41
Uitsnede Interim Omgevingsverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar (artikel 3.43) De planlocatie maakt dus onderdeel uit van de zone 'Landelijk gebied-Gemengd landelijk gebied’, maar kent door haar ligging ook een duiding als 'Verstedelijking afweegbaar'. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Enerzijds om de steden voldoende draagvlak te geven voor hun functie als economische en culturele motor, anderzijds om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. De provinciale verordening (art. 3.43 IOV) maakt het onder voorwaarden mogelijk om hier te voorzien in een stedelijke ontwikkeling, mits het plan er toe strekt dat sprake is van een aansluiting bij bestaand stedelijk gebied en bij de inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en naaste omgeving. De voorwaarden benoemd bij artikel 3.43 IOV, samen met de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals benoemd in artikel 3.5 tot en met 3.9 IOV, vormen het provinciaal ruimtelijk kader waarbinnen de ontwikkeling dient te passen.
Deze voorwaarden luiden als volgt: binnen Stedelijk Gebied is feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar; transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed behoort niet tot de mogelijkheden; de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Toets van het voornemen aan de interim verordening - Zorgvuldig ruimtegebruik Binnenstedelijk in de kern Asten zijn onvoldoende inbreidingslocaties voorhanden voor het totale woningbouwprogramma om te voorzien in voldoende kwalitatieve huisvestiging. Het is derhalve noodzakelijk naar alternatieven te kijken. Uit de woninbouwmonitor Asten 2022-2031 volgt tevens dat binnen Asten voor
42
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
de komende periode binnenstedelijk onvoldoende beschikbaar zijn, en dat het plangebied daar als uitleglocatie in is opgenomen. Het plangebied maakt onderdeel uit van een grotere planmatige woonontwikkeling zoals voorzien aan de oostzijde van Asten. Deze ontwikkeling is gefaseerd opgepakt om in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik en woningbouwprogramma in tijd flexibel in te kunnen spelen op de daadwerkelijke woonwensen. Het planvoornemen voorziet in een fase III van het Masterplan Loverbosch aan de oostzijde van de kern van Asten. Het gebied is aangeduid als 'verstedelijking afweegbaar'. Door de voorziene invulling van het plangebied wordt aangesloten bij de reeds bestaande stedelijke structuur en infrastructuur van de oorspronkelijke kern van Asten en fase 1 en 2 van de nieuwe woonwijk Loverbosch. Het planvoornemen vormt een afronding van de kern van Asten. Daarmee wordt voldaan aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik.
- Meerwaardecreatie Met het planvoornemen wordt voorzien in de aangetoonde vraag naar uitbreidingsmogelijkheden voor woningbouw. Er wordt met het planvoornemen voorzien in een afronding van de kern van Asten. Het plan voorziet in een natuurinclusieve woonwijk ter bevordering van groen en natuur in de woonomgeving. Dit heeft een positief effect op de gezondheid en bevorderd daarmee de leefbaarheid. Zowel de natuurlijke als wateropgave is gekoppeld aan de aanwezige natuurlijke elementen en de bodemopbouw met aanwezige hoogtes en nattere laagtes in het plangebied. Doordat tevens de nieuwe bebouwing dient te voldoen aan de BENG-eisen wordt zo deze vraag duurzaam ingevuld. Een dergelijke woonwijk is binnen de gemeente Asten een aanvulling op het bestaande woningbouwprogramma.
- Eisen nieuwvestiging stedelijke ontwikkeling past binnen regionale afspraken In de bevolkings- en woningbehoefteprognose is per gemeente ook een indicatie (met bandbreedte) gegeven van de planningsruimte voor woningbouw in de komende jaren. Overeenkomstig de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant is deze 'programma-indicatie' richtinggevend voor de (sub)regionale woningbouwplanning en -programmering en de hierover te maken regionale afspraken. Het planvoornemen en het woningbouwprogramma voor dit plangebied maakt onderdeel uit van de regionale woningbouwafspraken. Dit wordt nog nader toegelicht in paragraaf 4.3.
- Omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, afronding stedelijk gebied Het planvoornemen voldoet ten slotte aan de eis dat de stedenbouwkundige inrichting rekening houdt met het omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en naaste omgeving, met name duurzame afronding van het stedelijk gebied. Er is gekozen voor een natuur inclusieve wijk, waarbij de leefgebieden van biotopen in combinatie met ecologische en landschappelijke structuren als vertrekpunt is genomen voor de stedenbouwkundige invulling van het gebied. Dit leidt tot een kwalitatief hoogwaardig plan, waarbij omgevingskwaliteiten behouden en versterkt worden.
- Kwaliteitsverbetering landschap In de Interim Omgevingsverordening zijn de principes van zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap verwoord. De uitgangspunten zijn verder uitgewerkt in de 'Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap, de rood-met-groen koppeling' van de provincie Noord-Brabant. In deze handreiking is een voorstel uitgewerkt voor het bepalen van de mate van kwaliteitsverbetering in de vorm van een financiële bijdrage. Per ontwikkeling dient te worden bepaald wat de forfaitaire bijdrage is met als doel dat deze bedragen een instrument vormen om op eenduidige en effectieve manier de financiële inspanning te kunnen bepalen. De forfaitaire bijdrage dient te worden
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
43
aangewend voor kwaliteitsmaatregelen. Het thema kwaliteitsverbetering van het landschap is nader uitgewerkt in paragraaf 4.4.5.
Conclusie Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat het planvoornemen passend is binnen de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.4 t/m 3.9 van de Interim Omgevingsverordening en daarmee past binnen de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.2.4 Ontwerp omgevingsverordening Noord-Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Dit ontwerp heeft in het voorjaar van 2021 ter inzage gelegen. Naar verwachting wordt de omgevingsverordening maart 2022 door Provinciale Staten vastgesteld. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting op 1 juli 2022, zal de omgevingsverordening ook in werking treden. In de omgevingsverordening worden de uitgangspunten van de interim verordening gehanteerd. Op een aantal punten zijn met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanpassingen gedaan en zijn enkele nieuwe inzichten of gewijzigde beleidskaders verwerkt.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Binnen deze ontwerp verordening is het plangebied gelegen binnen 'landelijk gebied'. Binnen de ontwerp omgevingsverordening is geen zonering voor stedelijke afweegbaar gebied opgenomen, maar kan een duurzame stedelijke ontwikkeling plaats vinden mits: Binnen Stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; De wonigbouwopgave voortvloeiende uit de woningbouwmonitor voorziet in een aanzienlijke opgave voor de gemeente Asten en in het bijzonder de kern Asten. De mogelijkheden binnen de kern van Asten zijn hiervoor niet toereikend. De ontwikkeling van Loverbosch, waarvan onderhavige planlocatie fase III betreft, biedt de mogelijkheid om de kern van Asten stedenbouwkundig af te ronden door aan te sluiten op de bestaande ruimtelijke en functionele structuren. Daarmee is de locatie passend. Transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; De woningbouwopgave is te groot om te kunnen voorzien in transformatie.
Dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 4.13; Het planvoornemen is voorzien van een stedenbouwkundige inpassing waarbij is aangesloten op de bestaande ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige karakteristieken van het plangebied, waarbinnen de bestaande groenstructuren zijn gehandhaafd en versterkt en waarmee er een kwaliteitsverbetering van het landschap is geborgd. De ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken; De ontwikkeling past binnen de regionale afspraken. De stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. De planontwikkeling is op een gedegen wijze stedenbouwkundig ingepast. De stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden.. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen passend is binnen de voorwaarden die gesteld worden in de Ontwerp Omgevingsverordening.
Bij ontwikkelingen (toedeling van nieuwe functies) in het landelijk gebied dient invulling te worden gegeven aan een gebiedsgerichte benadering, waarbij rekening wordt gehouden met effecten op andere aspecten en
44
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
daarnaast toepassing gegeven aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Bovenstaande is alleen mogelijk bij een evenwichtige toedeling van functies met goede omgevingskwaliteit. Dit is het geval indien sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, rekening is gehouden met de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en de ontwikkeling daarnaast zorgt voor meerwaardecreatie. Dit is reeds onderbouwd in het licht van de Interim omgevingsverordening. Op basis van voorgaande onderbouwing kan opgemaakt worden dat de gewenste woningbouwlocatie over voldoende potenties voor woningbouw beschikt en belemmeringen van de bestaande kwaliteiten niet te verwachten zijn. De locatie is daarmee een logische uitbreidingsrichting voor Asten, passend binnen het (toekomstig) beleid van de provincie. 4.2.5 De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord- Brabant Om aan de toekomstige woningbehoefte te kunnen voldoen en huidige tekorten in te lopen moeten er in Brabant nog veel huizen worden gebouwd. Tot 2050 moeten nog 220.000 huizen aan de bestaande woningvoorraad worden toegevoegd. De nadruk ligt daarbij op de eerstkomende 10 jaar, waarin er zo’n 12.000 woningen per jaar moeten bijkomen. Vergeleken met de vorige prognose (uit 2017) ligt de groei van de Brabantse bevolking duidelijk hoger.
De Brabantse bevolking groeit tot 2050 nog met bijna 280.000 mensen, tot ruim 2,84 miljoen inwoners. Tegen het midden van de jaren ’30 krijgen de landelijke gebieden te maken met een geringe bevolkingskrimp. In het stedelijk gebied blijft de bevolking doorgroeien, al neemt de groei ook hier af. Rond 2040 bereikt de vergrijzing van de Brabantse bevolking haar hoogtepunt. Dan is bijna 27% 65 jaar of ouder, tegen 20% in 2020. De hoogste leeftijdsgroepen, 75 jaar en ouder, groeien het sterkst en landelijke gebieden vergrijzen meer dan stedelijke gebieden. De komende tijd wordt verwacht dat er vanuit andere delen van Nederland meer mensen naar Brabant komen dan dat er vertrekken: gemiddeld (per saldo) zo’n 2.750 personen per jaar. Dit is in lijn met de laatste jaren. Het buitenlandse migratiesaldo – het verschil tussen het aantal immigranten en emigranten – is de laatste jaren sterk toegenomen, tot ongeveer 15.000 in 2019. Ook de komende jaren worden – na een terugval door de ‘corona-effecten’– positieve buitenlandse migratiesaldi verwacht, waarbij het gemiddeld jaarlijkse saldo terugloopt van zo’n 10.000 personen tussen 2020 en 2030 tot ruim 7.000 in de jaren daarna. In de evolkingsen woningbehoefteprognose is per gemeente ook een indicatie (met bandbreedte) gegeven van de planningsruimte voor woningbouw in de komende jaren.
Overeenkomstig de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is deze ‘programma-indicatie’ richtinggevend voor de (sub)regionale woningbouwplanning en -programmering en de hierover te maken regionale afspraken.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Gemeentelijke bestemmingsplannen, die voorzien in de nieuwbouw van woningen of anderszins leiden tot een (netto) toename van de woningvoorraad, dienen te passen binnen dit regionale afsprakenkader. Gelet op de bevolkingsontwikkeling wordt voor de gemeente Asten in de bevolkings- en woningbehoefteprognoses uitgegaan van een groei van de woningvoorraad met 545 woningen in de periode 2022-2031. In de bevolkings- en woningbehoefteprognoses van 2017 werd nog een groei van de woningvoorraad met 430 woningen voorzien in diezelfde periode. De nieuwe prognoses geven dus meer ruimte om extra bouwplannen te gaan realiseren in de gemeente Asten. De bouw van de woningen in onderhavig planvoornemen is onderdeel van de voorziene toename van de woningvoorraad in de gemeente Asten. De woningbouwmonitor 2022-2031 is recent (maart 2021) in de gemeenteraad bijgesteld. De gemeente voorziet een groei met 506 woningen in de periode 2022-2031. Dit is inclusief de planontwikkeling . Met de ontwikkeling van de woningbouwlocatie wordt met name voorzien in de behoefte aan grondgebonden woningen in een groene setting en is er eveneens ruimte voor levensloopbestendige woningen.
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
45
4.2.6 De Brabantse agenda wonen Het kaderstellend provinciaal beleid op het gebied van de woningbouw is verder vastgelegd in de 'Brabantse Agenda Wonen'. In deze agenda heeft de provincie ‘actielijnen’ en ‘richtinggevende principes’ vastgelegd. De actielijnen gaan uit van: accent op duurzame verstedelijking; meer nadruk op de bestaande woningvoorraad; inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen; versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van regionale woningbouwafspraken. Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Het planvoornemen is gebaseerd op een actuele kwalitatieve behoefte en dus vraaggericht. De stedenbouwkundige opzet van het plan, met name de ruime en groene opzet van het openbaar gebied, de vormgeving kavels en de beperkte afstand tot de voorzieningen in Asten spreekt de bewoners van de andere deelgebieden aan. De vraag hiernaar is dus aangetoond. Het plan draagt bovendien bij aan de differentiatie van de woningvoorraad in de gemeente Asten. Met name de realisatie van levensloopbestendige woningen draagt hier aan bij. De door de provincie gevraagde flexibiliteit volgt uit de planregels, waarbinnen diverse woonvormen realiseerbaar zijn.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1
Regionale Agenda Wonen
In de “Regionale Agenda Wonen RRO Zuidoost-Brabant/Metropoolregio Eindhoven 2016” zijn de uitgangspunten voor de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgave in regionaal verband vastgelegd. Kwantitatief is per gemeente aangegeven welke woningbouwopgave er voor de komende tienjaarsperiode is afgesproken. Voor de gemeente Asten is afgesproken dat 915 woningen netto zijn toe te voegen aan de woningvoorraad in de periode 2016 t/m 2025. Kwalitatief zijn meerdere opgaven benoemd: ladder duurzame verstedelijking en binnenstedelijk bouwen, onder andere door herbestemming van leegstaand vastgoed in het bestaand stedelijk gebied; huisvesting doelgroepen, met name arbeidsmigranten en vergunninghouders; kwaliteit van het programma afstemmen op de bestaande voorraad. Beoordeling/ betekenis voor het plangebied De planontwikkeling is onderdeel van het netto toe te voegen aantal woningen in de gemeente Asten. Daarbij is in aanmerking genomen dat er onvoldoende binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn om te voldoende aan de woningbouwopgave. Het programma bevat een mix van vrijstaande en geschakelde woningen. Een deel daarvan zal als levensloopbestendige woning worden uitgevoerd.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Recent heeft de gemeente Asten Omgevingsvisie Asten vastgesteld. In deze omgevingsvisie worden de ambities voor de fysieke leefomgeving vastgelegd, waarbij nadrukkelijk de verbinding wordt gelegd met het sociaal domein en het gemeentelijk gezondheidsbeleid. Daarbij wordt onder meer voortgebouwd op bestaand beleid dat door de gemeenteraad van Asten is vastgesteld.
46
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
De omgevingsvisie onderscheidt binnen de gemeente Asten verschillende deelgebieden. Het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied 'Dynamische Dorpen', dat bestaat uit de dorpen Asten, Heusden en Ommel. Mede dankzij het groen in en rond de kernen zijn dit fijne dorpen om in te wonen. Gelegen binnen de Metropoolregio Eindhoven hebben ze een dorpse sfeer in uitstraling en gevoel. In het deelgebied Asten, Heusden en Ommel staan de komende jaren een aantal opgaven centraal: de transformatie van het buitengebied met aandacht voor verbetering van de luchtkwaliteit, het vitaal houden van de kernen, de ontwikkeling van het centrum van Asten en het klimaatbestendig en energieneutraal worden in 2030. Daarnaast wordt er gewerkt aan de 'vitale democratie'. Dat is de manier waarop de samenleving en overheid samenwerken. De omgevingsvisie zal na inwerkingtreding van de Omgevingswet uiteindelijk als basis dienen voor het opstellen van een omgevingsplan. In de omgevingsvisie wordt het belang van vitale kernen binnen de gemeente onderschreven. In de kernen is het prettig en groen wonen. Onderdeel van de hierboven beschreven opgaven is het realiseren van voldoende, betaalbare en passende woningen en woonomgevingen voor alle doelgroepen.
Bij uitbreiding van de dorpen voor wonen of bedrijvigheid wordt rekening gehouden met de aanwezige landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten en sluiten we zoveel mogelijk aan op bestaande structuren.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied De ontwikkeling van Loverbosch fase III als natuurinclusieve woonwijk voorziet hierin en draagt bij aan de realisatie van deze doelstelling. 4.4.2
Toekomstvisie Asten 2030
In de toekomst visie 2030 stelt de gemeente te streven naar Levendige dorpscentra met ruimte voor ontmoeting in een gemoedelijke sfeer. Dit is belangrijk voor de vitaliteit en aantrekkelijkheid van de kernen. Het centrum is de plek voor ontmoeten, eten en drinken en ook werken. Het behoud van deze vitaliteit is niet vanzelfsprekend. Het wegtrekken van jongeren, het kleiner worden van huishoudens, de vergrijzing en technologische ontwikkelingen vragen om een alerte reactie van gemeenschappen en gemeente. Passende en betaalbare woonvormen, adequate voorzieningen, saamhorigheid en een evenwichtige bevolkingssamenstelling zorgen voor vitaliteit. Om een aantrekkelijke woongemeente te zijn, voert de gemeente een actief woonbeleid. Het beleid is flexibel en gericht op de lokale woonbehoeften. De gemeente richt zich daarbij ook op het versterken vab de aantrekkingskracht voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, dichtbij stedelijke voorzieningen en werk.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied De ontwikkeling van natuurinclusieve woonwijk Loverbosch fase III zorgt voor een aantrekkelijke groene woonomgeving, aanvullend op het bestaande woningbouwprogramma en bestaande woonwijken. De ontwikkeling van een groene natuurinclusieve woonwijk draagt de doelstelling van een vitale kern en past daarmee binnen het streven van de Toekomstagenda Asten 2030. 4.4.3 Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 In 2016 is de Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024 vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten van het volkshuisvestingsbeleid voor de komende 10 jaren geformuleerd. Het betreft een gedeeltelijke actualisatie van de woonvisie 2010 t/m 2019. De belangrijkste aspecten voor het woonbeleid luiden als volgt: 1.
Regiogemeenten werken samen op het terrein van volkshuisvesting.
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
47
Samenwerking betreft bijv. uitvoeren kwalitatief woningmarktonderzoek, kennisdeling. Asten richt zich op het realiseren van een woningvoorraad die past bij de woonbehoeften van de Astense bevolking, zowel dwantitatief (voldoende woningen) als kwalitatief (juiste woningen). Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor de gemeente Asten als geheel maar ook voor de drie afzonderlijke kernen. 2.
De kwantitatieve taakstelling voor de gemeente bedraagt 650 woningen tot en met 2029 (= toevoeging aan bestaande woningvoorraad). 3. Voor het nieuwbouwprogramma gelden de volgende kaders naar doelgroep, prijs en type woning: aandeel starters / gezinnen / senioren = 20% / 30% / 50%. De woonvisie is nader uitgewerkt in het woningbouwprogramma. 4.4.4 Woningbouwmonitor gemeente Asten 2022 t/m 2031 Het gemeentelijk woningbouwprogramma is vastgelegd in de 'Woningbouwmonitor gemeente Asten 2022 t/m 2031'. In de woningbouwmonitor is het totaal aantal te realiseren woningen in de kern Asten over de periode 2022 t/m 2031 vastgelegd .
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Het planvoornemen is opgenomen in het woningbouwprogramma.
Woningbouwmonitor
Met het planvoornemen wordt voorzien in de behoefte aan woningcategorieën binnen de kern Asten. 4.4.5 Versnellingsagendawoningbouw Asten Met de Versnellingsagenda woningbouw Asten beoogt de gemeente de toenemende druk op de woningmarkt tegen te gaan door het bouwtempo hoog te houden. De gemeente doet dit door nadrukkelijk de regie te pakken en versneld een tweetal woningbouwplannen in ontwikkeling te nemen. Binnen deze plannen zal extra aanbod gecreëerd worden voor de meest urgente doelgroepen, met een gezonde mix van huur en koop, in verschillende prijssegmenten en met aandacht voor betaalbaarheid en financierbaarheid. Ook binnen de bestaande (potentiële) planvoorraad en bij nieuwe woningbouwplannen zal extra gestuurd worden op het bouwen van woningen voor de meest urgente doelgroepen. Daarnaast dient minimaal 25% van de nieuw te bouwen woningen te bestaan uit sociale huurwoningen. De uitgangspunten en acties uit de versnellingsagenda woningbouw zijn verwerkt in de woningbouwmonitor 2022-2031. De woningbouwmonitor wordt gebruikt om te sturen op het planaanbod, de te bouwen woning typologieën en de realisatie van nieuwe woningen.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied In de kern Asten is er weinig harde plancapaciteit beschikbaar. Ook voor de kern Asten het dus wenselijk om
48
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
op korte termijn een nieuw woningbouwplan in ontwikkeling te nemen. Voorgenomen ontwikkeling sluit hierbij aan. 4.4.6 Structuurvisie Kwaliteitsverbetering van het landschap De gemeenteraad van Asten heeft op 28 april 2015 de structuurvisie “kwaliteitsverbetering van het landschap” vastgesteld. De structuurvisie heeft betrekking op de bijdrage die ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moeten leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Op basis van de toetsingscriteria heeft de woningbouwuitbreiding die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt een grote impact op de omgeving. Op basis van het beleid zal dit als volgt moeten worden gecompenseerd: goede landschappelijke inpassing (min.10 % inpassing van totale bestemmingsvlak), en + €2,- per m² over de uitbreiding van het bestemmingsvlak/bouwvlak (excl. de m² voor inpassing). Beoordeling/ betekenis voor het plangebied ad. a. landschappelijke inpassing (min.10 % inpassing van totale bestemmingsvlak) De noodzakelijke landschappelijke inpassing dient minimaal 10% van het totale oppervlak van het bestemmingsvlak/plangebied te bedragen. Omdat de totale oppervlakte van het plangebied circa 120.343 m² bedraagt, dient het oppervlak van de inpassing minimaal 12.034 m² te bedragen. Uit de verbeelding volgt dit oppervlak circa 47.155 m² bedraagt en dus ruimschoots aan deze norm voldoet.
ad. b. kwaliteitsverbetering van het landschap (€2,- per m² over de uitbreiding van het bestemmingsvlak (excl. de m² voor inpassing) Het plangebied heeft een omvang van 12 ha. De gronden die worden benut voor de inpassing van het landschap mogen hierop in mindering worden gebracht i.c. 47.153 m². De noodzakelijke kwaliteitsverbetering heeft betrekking op een gebied met een oppervlak van 73.190 m². Dit betekent dat ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap een bedrag van 73.190 * € 2,- = € 146.380,- dient te worden geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen. In overeenstemming met de afspraken uit de Landschapsinvesteringsregeling (LIR) van de gemeente Asten wordt dit bedrag in het gemeentelijke Fonds kwaliteitsverbetering van het landschap gestort.
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
49
50
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- & omgevingsaspecten
Milieu
5.1.1 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Ten behoeve van deze planontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Archimil BV. Het rapport met de naam 'Verkennend Bodemonderzoek - Koestraat te Asten (rapport C217029.008/PHE)' is als Bijlage 4 Bodemonderzoek naar een gebied van 11,9 ha (Sectie: N - Nummers 343 (ged.), 488 (ged.), 680, 1737, 1738). Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als niet-verdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie grootschalig onverdacht uit de NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat de grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) plaatselijk zeer licht verontreinigd is met cadmium. De grond uit de onderlaag (0,1-2 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium, koper, nikkel, zink en/of barium. De aangetroffen verhogingen kunnen worden beschouwd als diffuus verhoogde gehaltes. Op basis van de onderzoeksresultaten gelden geen restricties ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. Indien grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Er behoeven op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan aan- of verkoop van en aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gewenste planontwikkeling. 5.1.2 Geluid Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
51
Er is een akoestisch onderzoek opgesteld in verband met de gezoneerde wegen Koestraat, N279 en A67. Het onderzoek 'Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting' is toegevoegd als Bijlage 5 Akoestisch onderzoek. Het bouwplan met maximaal 250 nieuwe woningen kent geen nieuwe eigen/nieuwe ontsluitingswegen. De hoofdontsluiting vindt plaats aan de noordzijde van het plan middels een aansluiting op de Dille, een weg behorende bij fase II van voornoemd bouwplan. De andere ontsluiting is via de Koestraat in zuidelijke richting. Resultaten wegverkeer De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de A67 en de N279 overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij diverse woningen binnen . De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor de N279 voor nieuwbouw in stedelijk gebied en 53 dB voor de A67 voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt echter nergens binnen het plan overschreden. Derhalve is het mogelijk om ter plaatse te bouwen en straks een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Bij de te verlenen hogere waarde dient uitgegaan te worden van de berekeningen bij fase IIIa, daar de later te realiseren woongebouwen pas dan kunnen/zullen zorgen voor enige afscherming naar de rest van het bouwplan.
Maatregelen Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of de geluidoverdracht tussen geluidbron en ontvanger belemmerd kan worden. Het aanleggen van een geluidwal is in een eerdere studie als een mogelijkheid aangegeven, daar er met het grondwerk voor funderingen zand zou overblijven dat in het plan zou kunnen worden hergebruikt in de vorm van een geluidwal. Nu blijkt echter de ondergrond dermate nat, dat het plan moet worden opgehoogd met het vrijkomende zand. Tevens blijkt een geluidwal ter plaatse van de woongebouwen uit fase IIIb qua grondbeslag niet mogelijk. Tevens blijkt nu dat het gezien de natuur inclusieve ontwikkeling noodzakelijk is dat dieren van de ene zijde van de N279 naar de andere kant moeten kunnen. Een doorlopende geluidwal (of -scherm) belemmert dit en is daarmee niet wenselijk. Een wal (of scherm) met onderbrekingen is akoestisch niet effectief. Doorgangen in geluidschermen kunnen alleen door ze voldoende te laten overlappen. Geluidschermen moeten om voldoende effect te hebben minimaal 5 meter hoog zijn, wat stedenbouwkundig en landschappelijk niet wenselijk en (civiel)technisch nauwelijks mogelijk is. De kosten van dergelijke schermen langs de oostzijde van het gehele plan bedragen 1,5 tot 3 miljoen euro afhankelijk van de uitvoering. Deze kosten kan het plan (en dan met name de woningen met geluidbelastingen boven de voorkeursgrenswaarde) niet dragen.
Om het woon- en leefklimaat bij met name de woongebouwen en de 6 woningen noordelijk hiervan uit fase IIIb, kunnen wel lokaal bouwkundige maatregelen worden getroffen zoals respectievelijk een vliesgevel/wintertuin en een tuinmuur om een geluidluwe buitenruimte te creëren. Een andere mogelijke overdrachtsmaatregel is het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger. Daar een verdubbeling van deze afstand slechts 3 dB reductie oplevert, is het vergroten van deze afstand niet te kwalificeren als zijnde doeltreffend. Tevens kan hiermee het perceel niet op efficiënte wijze worden gebruikt. Bij bronmaatregelen wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden. Mogelijke maatregelen zijn: stillere voertuigen: alleen door de ontwikkeling van nieuwe technieken en dus niet realistisch; verlaging van de maximum snelheid: hierop heeft de initiatiefnemer van het bouwplan geen invloed; aanbrengen van geluidreducerend wegdek: op de A67 en N279 is al sprake van geluidreducerend wegdek. Het ligt daarmee niet in de verwachting dat toepassing van een ander wegdek doelmatig zal zijn.
52
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
Cumulatie - Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval betreft dit in elk geval de wegen A67 en N279. - Goede ruimtelijke ordening De milieukwaliteit in de omgeving kan worden bepaald aan de hand van de ‘methode Miedema’. De hiertoe te toetsen gecumuleerde waarde ligt bij vrijwel alle gebouwen onder 60 dB. Dat betekent dat de milieukwaliteit matig, redelijk of goed is. Er zijn slechts enkele woningen met een hoogste geluidbelasting van 61 dB(A). Een verschil van 1 dB is voor het menselijk oor de grens van waarneembaarheid, maar ligt net binnen het gebied met een milieukwaliteit tamelijk slecht. Door lokale maatregelen als een tuinmuur en een vliesgevel of wintertuin, kan echter ook daar alsnog een geluidluwe gevel c.q. buitenruimte worden gecreëerd. Toepassing van de juiste maatregelen/voorzieningen in de gevels van te realiseren woningen zal te allen tijde resulteren in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve is voor realisatie van de woningen met een cumulatieve geluidbelasting boven 53 dB een aanvullend akoestisch onderzoek geluidwering gevel nodig.
Conclusie Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) is in onderhavige situatie niet doelmatig, noch wenselijk. Het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Daar waar na het treffen van maatregelen alsnog noodzakelijk kan onderbouwd worden verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Het plan is vanuit de Wet geluidhinder en een goede ruimtelijke ordening uitvoerbaar. 5.1.3
Lucht
5.1.3.1 Fijnstof Op 15 november 2007 is de wijziging van de 'Wet milieubeheer' in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
53
opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Het planvoornemen betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van woningbouw. Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang automatisch tot de categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3%-grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven. De blootstelling aan luchtverontreiniging dient echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen.
De wettelijke norm (EU-grenswaarde) voor fijnstof in de Wet milieubeheer ligt hoger dan de gezondheidskundige WHO-advieswaarde, zie tabel 3. De Europese grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn bedoeld om de gezondheid van de bevolking te beschermen. De WHO-richtlijnen zijn bedoeld voor beleidsvorming en om beleidsopties voor luchtkwaliteitsbeheer te ondersteunen. De EU-grenswaarden is een compromis tussen wat vanuit gezondheidsperspectief wenselijk is, wat technisch mogelijk is en wat economisch en politiek haalbaar is. Voor de relatie tussen de concentraties luchtverontreiniging en gezondheidseffecten, is er geen drempelwaarde bekend waaronder geen effecten optreden. Dus geldt: 'hoe schoner, hoe gezonder'.
Toetsingskaders en normstellingen fijnstof PM10
- NSL-Monitoringstool
54
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
Uitsnede kaart monitoringstool met rekenpunt
Middels de NSL-Monitoringstool zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 , PM1 0 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2020 en 2030 bepaald. Het meest nabij gelegen rekenpunt zijn de rekenpunten aangrenzend aan het plangebied aan de westzijde van de N279. De concentraties en een grafische weergave van de meetpunten zijn in de navolgende tabellen opgenomen, van noord naar zijd
Rekenpunt 2019 2020 2030 16019688 NO2 x 15.027 11.816 PM1 0 x 16.512 14.167 PM2.5 x 9.411 7.548 Tabel: jaargemiddelde concentraties NO2, PM10, PM2.5 in µg/m3 rekenpunt N279
Maatgevende richtwaarde 40 32,5 25
Rekenpunt 2019 2020 2030 16021755 NO2 x 15.086 11.848 PM1 0 x 16.517 14.171 PM2.5 x 9.413 7.55 Tabel: jaargemiddelde concentraties NO2, PM10, PM2.5 in µg/m3 rekenpunt N279
Maatgevende richtwaarde 40 32,5 25
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
55
Rekenpunt 2019 2020 2030 15859790 NO2 20.441 14.992 11.781 PM1 0 19.835 16.509 14.162 PM2.5 12.333 9.41 7.547 Tabel: jaargemiddelde concentraties NO2, PM10, PM2.5 in µg/m3 rekenpunt N279
Maatgevende richtwaarde 40 32,5 25
Rekenpunt 2019 2020 2030 16018002 NO2 x 14.827 11.654 PM1 0 x 16.497 14.146 PM2.5 x 9.406 7.542 Tabel: jaargemiddelde concentraties NO2, PM10, PM2.5 in µg/m3 rekenpunt N279
Maatgevende richtwaarde 40 32,5 25
Uit de controle blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 , PM1 0 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 niet worden overschreden. - Achtergrondconcentratie PM10
Achtergrondconcentratie PM10 (bron: GCN, RIVM 2020)
De huidige achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ligt binnen het plangebied rond de 18 µg/m3 zonder zeezoutcorrectie (bron: Grootschalige Concentratiekaart Nederland, jaar 2020). De huidige achtergrondconcentratie ligt ver onder de wettelijke EU-grenswaarden en benadert zelfs de
56
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
WHO-advieswaarde.
Ter plaatse van het plangebied is gezien de lage achtergrondconcentratie fijnstof, de zeer beperkte bronbijdrage fijnstof door veehouderijen en de grote afstand tot veehouderijen geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico ten gevolge van fijnstof (PM10) door veehouderijen en vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. 5.1.3.2 Geur en gezondheid veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die tussen veebedrijven en geurgevoelige functies en objecten moeten worden aangehouden, maar biedt de gemeenten ook beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Vanaf 2016 verschenen in opdracht van de Nederlandse rijksoverheid enkele rapporten over veehouderij en gezondheid. Daaruit komen verbanden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden naar voren. Uit onderzoek is gebleken dat endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten en dier-op-mens overdraagbare infectieziekten (zoönose).
Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Pouderoyen Tonnaer heeft een onderzoek verricht naar geurhinder en de gezondheidseffecten als gevolg van veehouderijen. Het rapport 'Beoordeling gezondheidseffecten door veehouderij t.b.v. Bestemmingsplan Loverbosch fase III gemeente Asten' is toegevoegd in Bijlage 6 Beoordeling gezondheidseffecten.
Geur In de gemeentelijke geurgebiedsvisie is een achtergrondbelasting tot 6 OUE/m3 als optimaal aangemerkt voor woonkernen en tot 14 OUE/m3 voor het buitengebied. De gezondheidskundige GGD-advieswaarde bedraagt 5 OUE/m3 voor woonkernen en 10 OUE/m3 voor het buitengebied. De berekende indicatieve achtergrondbelasting varieert binnen het plangebied van 1,5 OUE/m3 tot 3,6 OUE/m3 . Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een optimaal en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Van een omgekeerde werking is ten aanzien van geur geen sprake. Veehouderijen in de omgeving worden niet in hun belangen geschaadt.
Endotoxinen Het plangebied ligt op ruime afstand van de vergunde individuele en (indicatieve) cumulatieve endotoxine-risicocontouren van omliggende veehouderijen. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen. Het bestemmingsplan heeft geen omgekeerde werking en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.
Geitenhouderij
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
57
Het gezondheidskundig advies is om uit voorzorg geen nieuwe woningen te bouwen binnen 2 km rond geitenhouderijen (risicoafstand varieert in de onderzoeken tussen de 1,5 en 2 km), om gezondheidsrisico's voor toekomstige bewoners te voorkomen. Het bestemmingsplan maakt woningbouw mogelijk op minimaal 1,6 km van een geitenhouderij (Polderweg 53). Het aantal blootgestelden neemt gezien de afstand >1,5 km door het woningbouwplan zeer beperkt toe. Uit het VGO III onderzoek blijkt dat de verhoging van het risico op longontsteking sterk terugvalt na 500 meter. Dit betekent dat buiten een straal van 500 meter van een geitenhouderij aanzienlijk minder extra risico bestaat dan daarbinnen. De deelonderzoeken van VGO III naar geitenhouderijen zijn vanwege de Covid-pandemie dusdanig vertraagd (geen resultaten voor eind 2024) dat het uit voorzorg op slot houden van de mogelijkheden voor woningbouw op deze planlocatie de woningbouwbehoefte onevenredig in de weg staat. Het is aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over het bestemmingsplan een belangenafweging te maken. De volgende punten dienen betrokken te worden in deze afweging: Gelet op de afstand van minimaal 1,6 km tussen het plangebied en geitenhouderijen is de verhoging van het risico op longontsteking door de toename van het aantal mensen dat blootgesteld ten gevolge van het woningbouwplan zeer klein.
Zeker in verhouding met de omvang van de reeds bestaande woonkern Asten. Het bestemmingsplan biedt geen planologisch kader voor de realisatie van scholen, kinderopvang of zorginstellingen (geen kwetsbare groepen). Er zijn geen andere verhoogde gezondheidsrisico's voor het plangebied door veehouderijen. Het provinciale geitenmoratorium bevat een verbod op uitbreiding en oprichting van geitenhouderijen, waardoor een toename van het blootstellingsrisico in het plangebied door bedrijfsontwikkeling van geitenhouderijen in ieder geval niet mogelijk is. Daarnaast geldt: Er is sprake van een woningbouwopgave. Het kunnen blijven wonen in de eigen omgeving wordt ook als een belangrijk onderdeel van positieve gezondheid gezien. Een verbod op woningbouw binnen 1,5 tot 2 km van een geitenbedrijf kan als niet-proportioneel aangemerkt worden. Als uit nieuwe onderzoeken zou blijken dat de gezondheidsrisico's groter zijn dan nu bekend is, zal een sanering van het geitenbedrijf eerder een proportionele maatregel zijn dan de sanering van (bestaande) woningen in de omgeving van het geitenbedrijf. Uit dit onderzoek naar gezondheidseffecten door veehouderijen volgt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en veehouderijen in de omgeving worden niet in hun belangen geschaadt (geen sprake van een omgekeerde werking).
5.1.4 Externe veiligheid In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een
58
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.
Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). Beoordeling/ betekenis voor het plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waarin sprake is van veiligheidsrisico's voor de omgeving. De locatie is formeel aan te merken als een kwetsbaar object, conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen, art. 1 lid 1 onder b onderdeel a en art. 1 lid 1 onder f. Derhalve is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Het rapport 'quickscan externe veiligheid Koestraat Asten' is seperaat toegevoegd als Bijlage 7 Quickscan externe veiligheid zijn de voor het plan relevante risicobronnen kort samengevat.
Transport over het water en het spoor De planlocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een waterweg of spoorlijn waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over de weg Voor het plangebied is enkel de rijksweg A67 relevant. Deze weg is opgenomen in Basisnet. Gelet op de ruimtelijke scheiding is plaatsgebonden risico en het PAG van deze weg geen aandachtspunt voor de planvorming. Aangezien het plan op meer dan 200 meter van deze rijksweg is gelegen, hoeft de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico niet te worden berekend. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze weg. Hierdoor dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (toxisch scenario) meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De door Kragten opgestelde notitie 'Verantwoording hoogte groepsrisico plan Koesteeg - Asten' geeft invulling aan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Het rapport is seperaat toegevoegd als Bijlage 8
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
59
Verantwoording groepsrisico Externe veiligheid. In deze notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. De gemeente Asten dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied tot over het plangebied reikt. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. 5.1.5 Milieuzonering Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu.
Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.
Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Beoordeling/ betekenis voor het plangebied Milieuzonering draagt er zorg voor dat nieuwe bedrijven of inrichtingen een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven en/of inrichtingen gesitueerd worden. Binnen het plangebied bevinden zich geen bedrijven, die mogelijk van invloed kunnen zijn op het toekomstige
60
bestemmingsplan Asten Loverbosch fase 3 2022
woonmilieu. Ook in de directe omgevings cq aan de randen van het plangebied zijn geen agrarische en niet-agrarische bedrijven gevestigd die een relevante hinderzone hebben, als bedoeld in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009).Het planvoornemen bevindt zich niet binnen de richtafstanden van de omliggende (agrarische) bedrijven. Bij de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Andersom vormt de woningbouw ook geen beperking voor het functioneren van de omliggende bedrijven. Op enige afstand zijn in de omgeving van het plangebied wel een aantal agrarische bedrijven gelegen . In paragraaf 5.1.6 is nader ingegaan om de relevante hinderzone van omliggende agrarische bedrijven.
5.2
Waterhuishouding
5.2.1 Algemeen Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en het verstandig handelen in extreme situaties.