RU21.11.04H RO 't Hoekske 12 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
Aan Antoniusstraat 34 is een grondverzetbedrijf gevestigd. Dit bedrijf valt binnen maximaal milieucategorie 3.2. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 3.2 dient een afstand aangehouden te worden van ten minste 100 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van ruim 160 meter wordt hieraan ruimschoots voldaan. Het meest dichtbij gelegen agrarisch bedrijf is gesitueerd op circa 290 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. De geursituatie is in paragraaf 5.7 inzichtelijk gemaakt. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.
5.9
Externe veiligheid
5.9.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
5.9.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.
5.9.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.
5.9.4 Beoordeling van de planlocatie 5.8.4.1 Bedrijven De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van circa 950 meter ten zuiden van de planlocatie. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.
5.9.4.2 Transport Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van 3,8 kilometer tussen planlocatie en A67, is de planlocatie formeel gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Er dient dan ook een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 1300 meter ten westen van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Op een afstand van eveneens circa 1100 meter ten zuidwesten van de planlocatie is een hoogspanningslijn gesitueerd.
Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
5.9.4.3 Groepsrisico Gezien het feit dat de planlocatie binnen het invloedsgebied van de A67 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen, ligt de Rijksweg op een afstand van 3,8 kilometer en is de toename van personen in het gebied door onderhavig plan minder dan 50. Derhalve kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio overgenomen worden. Het standaardadvies van de Veiligheidsrisico luidt als volgt: Communicatie Communiceer actief met de omwonenden in de planlocatie over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid & bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.
Zelfredzaamheid Tevens kan worden gesteld dat de bouw van zeven woningen de zelfredzaamheid van de aanwezige personen niet verkleint. De nieuw te realiseren woningen beperken geen ontvluchtingsmogelijkheden en de personen in de woning kunnen als zelfredzaam worden beschouwd.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Inleiding De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag in principe niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). De beoogde herontwikkeling valt hiermee binnen het begrip NIBM. Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
5.10.2 Blootstelling aan verontreiniging 5.10.2.1Inleiding In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.
5.10.2.2Fijn stof De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 15: Fijn stof PM10 2019 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 µg/m³.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
Figuur 16: Fijn stof PM2,5 2018 (Bron: Atlas leefomgeving)
De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.
5.10.2.3
Stikstof
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
Figuur 17: Stikstofdioxide 2019 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 16-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.11 Besluit m.e.r. 5.11.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
5.11.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van twee woningen binnen de planlocatie. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van […]woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘’t Hoekske 12 Heusden’
6. UITVOERBAARHEID 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
6.2
Omgevingsdialoog
Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is door de initiatiefnemer in week 25 een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag van de dialoog is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
Crijns Rentmeesters bv
38
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase (booronderzoek) ’t Hoekske 12 Heusden Gemeente Asten
KSP Archeologie
Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : : : :
1.0 Niet beoordeeld door bevoegde overheid 21104 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 27 juli 2021
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
5 6 6 6 6 7 7 8 8 8 10 15 19 19 21 22 22 22 23 24 24 25 25 25 26 28
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 4 Figuur 2: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 10 Figuur 3: Het plangebied op de cultuurhistorische kaart van de gemeente Asten. 12 Figuur 4: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 13 Figuur 5: Het plangebied op de kaart uit 1895, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 13 Figuur 6: Het plangebied op de topografische kaart uit 1936 (bron: www.topotijdreis.nl). 14 Figuur 7: Het plangebied op de topografische kaart uit 1958 (bron: www.topotijdreis.nl). 14 Figuur 8: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Asten (Hessing e.a. 2011). 18 Figuur 9: Het plangebied gezien vanaf het westen en gefotografeerd tegen het oosten (bron: KSP Archeologie). 22 Figuur 10: Bodemprofielputje ter hoogte van boring 6 (bron: KSP Archeologie). 23
Lijst van tabellen
Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van ca. 250 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 15 Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 19
KSP Archeologie
3
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : : : : : : : : :
21104 Erven J.H.A. van Heugten (Dhr. B. Wijnen, via Crijns Rentmeesters) KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Asten dhr. F.P. Kortlang (ArchAeO Advies) E: fokko.kortlang@archaeo.nl | M: 06-22505236 5099650100 Noord-Brabant Asten ’t Hoekske 12 Heusden x: 180.859 / y: 377.048 Sectie P, nummer 1660 (deels) Juli 2021
Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
4
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de ’t Hoekske 12 in Heusden (gemeente Asten). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een twee-onder-één kap woning. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor bebouwingresten en bijbehorende sporen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem is verdwenen en dat er geen sprake is van een enkeerdgrond en dat het plangebied zeer waarschijnlijk tot een diepte van ca.
1,0 m in de C-horizont is afgegraven voor zandwinning. Er zijn puin- en baksteen resten uit de 19e en 20e eeuw aangetroffen op de voormalige boerderijlocatie. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) naar laag bij te stellen en de hoge verwachting voor resten uit de Nieuwe Tijd te handhaven. Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie voor het grootste deel van het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek. Een mogelijke locatie voor vervolgonderzoek is de historische boerderijlocatie in het zuidoostelijke deel van het plangebied, waar puin- en baksteenresten uit de 19e tot en met de 20e eeuw zijn aangetroffen. Afgevraagd kan worden in hoeverre er nog intacte resten van de boerderij aanwezig zijn. Daarnaast is het de vraag wat de meerwaarde is van onderzoek naar eventueel aanwezige resten uit deze periode aangezien er meerdere langgevelboerderijen uit deze periode in Brabant zijn onderzocht en er meerdere bewaard zijn gebleven.
KSP Archeologie adviseert daarom geen archeologisch vervolgonderzoek.
KSP Archeologie
5
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van dhr. B. Wijnen namens de erven van J.H.A. van Heugten heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de ’t Hoekske 12 in Heusden (gemeente Asten). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een twee-onder-één kap woning. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 890 m2 groot en ligt aan ’t Hoekske 12 in Heusden (Figuur 1). Het terrein wordt in het zuiden begrensd door de straat ’t Hoekske, in het westen en noorden door landbouwgrond en in het oosten door het erf van ’t Hoekske 10. 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Heusden 2011’ van de gemeente Asten geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de gemeentelijke eisen is voor het plangebied gekozen voor een standaard archeologisch vooronderzoek dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.
KSP Archeologie
6
1.4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal een twee-onder-één kap woning worden gebouwd. De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend, maar deze zal meer dan 250 m2 bedragen en de bouwput voor de fundering zal waarschijnlijk tot ca. 80 cm beneden maaiveld worden uitgegraven. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen.
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek.
De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
7
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Huidige topografische kaart (Figuur 1); Luchtfoto uit 2019 (via PDOK); Grondwatertrappen op de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (via geoplaza.vu.nl); Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten aanwezig; Gemeentelijke monumenten (via https://www.asten.nl/fileadmin/Asten/PDFformulieren_producten/Bouwen/Gemeentelijke_monumentenlijst_Asten.pdf): geen gemeentelijke monument; Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl); Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl). Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond waarop een schuur/stal staat, die volgens het kadaster uit 1947 stamt. De schuur/stal is niet onderkleder en opgetrokken uit baksteen en heeft een betonnen vloer. De aanwezige bebouwing is door de gemeente (verwijzing gemeentelijke monumentenlijst) of het rijk (archis.cultureelerfgoed.nl) niet aangemerkt als historisch waardevol. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage).
Bij het Bodemloket is geen informatie voor deze locatie beschikbaar, waardoor niet bekend is of er ondergrondse tanks aanwezig zijn (www.bodemloket.nl). Binnen het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig (KLIC-melding). Aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2) waren tot 2006 gemiddelde grondwaterstanden gekoppeld door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VII). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 160 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. 2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000 (https://www.grondwatertools.nl/ geologische-overzichtskaart); Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied van Nederland. Het is een relatief vlak gebied, dat nooit door het landijs bedekt is geweest (Berendsen 2008). De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die de Roerdalslenk en het Peel Blok begrenzen. De Peelrandbreuk, die de zuidwestrand van het stijgingsgebied het Peel Blok begrenst, ligt ten noordoosten van het plangebied (ter hoogte van Liessel en Neerkant). Het plangebied ligt dus in het dalingsgebied de Roerdalslenk. Het zandpakket waarmee de slenk is opgevuld, is vaak meer dan 15 m dik. De oudere afzettingen zijn als gevolg van tektonische bodemdaling tot grote diepte weggezakt (Berendsen 2008).
KSP Archeologie
8
Het huidige landschap is met name tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 115.000 – 11.755 jaar geleden), ontstaan. Volgens de geologische overzichtskaart bestaat de natuurlijke ondergrond van het plangebied dan ook uit fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een eolisch zanddek (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden op Formatie van Boxtel, ongedifferentieerd). In het Weichselien heeft het landijs zich sterk uitgebreid, maar heeft Nederland niet bereikt. Het klimaat is steeds kouder en droger geworden bij een dalende zeespiegel (Stouthamer e.a. 2015). Tijdens het Pleniglaciaal (ca. 75.000 – 15.700 jaar geleden) is de bodem permanent bevroren geweest. Hierdoor is het sneeuwsmelt- en regenwater gedwongen over het oppervlak af te stromen waarbij zogenaamde fluvioperiglaciale afzettingen zijn afgezet en dalen uitgesleten. Het meest nabije dal uit deze periode (huidige daal van de beek de Aa) ligt op ca. 850 m ten zuiden van het plangebied (niet afgebeeld op de geomorfologische kaart). De fluvioperiglaciale afzettingen worden in de diepere ondergrond van het plangebied verwacht en bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten, en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca.
15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Stouthamer e.a. 2015). Hierbij is dekzand over de fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Stouthamer e.a. 2015). Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Vooral de evenwijdig aan elkaar gelegen dekzandruggen in de Roerdalslenk hinderde de afwatering van de beken, waardoor op veel plaatsen meertjes ontstonden, waarin het eerste veen zich al in het Laat-Glaciaal vormde. De meertjes hebben zich in het Holoceen ontwikkeld tot zogenaamde vennen, waarin zich veen heeft kunnen vormen dat zich in de loop van de tijd over de omgeving uitbreidde (Berendsen 2008). Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Heusden, maar op grond van de aangrenzende kaarteenheden ligt het plangebied binnen een zone met dekzandwelvingen (Bijlage 1, code L51) en ten noordwesten en zuidwesten van het plangebied ligt een dekzandrug (code B53).
Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 2) is de dekzandwelving, waarbinnen het plangebied ligt, te herkennen aan een lichtgroene kleur (25,93 m +NAP). De rug ten noordwesten van het plangebied is hoger gelegen (oranje kleur, 27,03 m +NAP) en betreft waarschijnlijk een dekzandrug. Dit geldt ook voord de hoger gelegen gebieden ten noorden noordoosten en ten zuidwesten van het plangebied. Op grond van het AHN kan worden geconcludeerd dat de geomorfologische kaart een te vereenvoudigd beeld geeft van het landschap. In het Holoceen (de laatste ca. 11.750 jaar) is het klimaat warmer en vochtiger geworden. Door de toenemende vegetatie is het dekzand vastgelegd en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. De beken hebben zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. Het dichtstbijzijnde beekdal is het beekdal van de Aa dat op ca. 850 m ten westen van het plangebied ligt.
KSP Archeologie
9
Figuur 2: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden verwacht (Bijlage 2, code zEZ21). De hoge enkeerdgronden zijn geen natuurlijk gevormde bodems, maar bestaan uit een pakket humeus opgebrachte grond (cultuurdek) van meer dan 50 cm dik. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgronden vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in Zuid-Nederland vanaf ca. de 14e en 15e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke (podzol)bodem ontstaan. In de meeste gevallen is de oorspronkelijke bodem echter verdwenen door de bodembewerking die heeft plaatsgevonden als gevolg van de landbouw. Op de hogere zandgronden is vaak een podzolgrond ontwikkeld. De podzolgronden bestaan uit een humeuze, donkere bovengrond (Ap-horizont), die ca. 25 cm dik is, waaronder een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is (De Bakker & Schelling 1989). Hieronder ligt de bruingekleurde Bhorizont (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont. Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont in meer of mindere mate intact.
2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl);
KSP Archeologie
10
Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl; Cultuurhistorische regiobeschrijving Noord-Brabant (CultGIS/Haartsen 2009); Cultuurhistorische kaart van de gemeente Asten; Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII; V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is geen vooronderzoek bekend; Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl); Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): bij het Bodemloket is geen informatie voor deze locatie beschikbaar over bodemonderzoek en/of sanering; Luchtfoto uit 2019 (PDOK); Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v.
het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn wel afgravingen zichtbaar, te herkennen aan rechthoekige uitsparingen binnen de dekzandruggen. In hoeverre dit ook voor het plangebied het geval is kan niet met zekerheid worden bepaald; In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.
Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Heusden ligt in de Brabantse Peel. De kern van dit gebied werd vroeger gevormd door het uitgestrekte, grote veenmoeras de Peel. Rondom de Peel ligt een ring van dorpen, waaronder Asten en Heusden, die al in de Middeleeuwen zijn ontstaan. Het waren agrarische dorpen, met grote akkercomplexen en weinig weilanden. Daar omheen lagen uitgestrekte heidevelden (Haartsen 2009). De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Dit proces raakte in een stroomversnelling door de systematische, grootschalige veenwinning vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. De vervening werd in de hand gewerkt doordat de aanleg van kanalen en spoorwegen een efficiënte afvoer van de turf mogelijk maakten. Het resultaat was dat het veen in bijna een eeuw vrijwel geheel werd afgegraven. De vrijkomende grond werd geschikt gemaakt voor de landbouw.
Kleine restanten van het veengebied werden niet vergraven en zijn thans in beheer als natuurgebied. Volgens Histland ligt het plangebied binnen de bebouwde kom van Heusden, waarvan de mate van verandering in de loop van de tijd niet is vastgesteld. Het plangebied zelf ligt net binnen het zuidwestelijke deel van de bebouwde kom van de historische kern van Heusden. Volgens de cultuurhistorische kaart van de gemeente Asten ligt het
KSP Archeologie
11
plangebied binnen de historisch dorpskern van Heusden en is de straat ‘t Hoekske, waaraan het plangebied ligt, een historisch-geografisch lijnelement van redelijk hoge waarde.
Figuur 3: Het plangebied op de cultuurhistorische kaart van de gemeente Asten.
Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 4) is het zuidoostelijke deel van het plangebied bebouwd met een boerderij en is het niet bebouwde deel in gebruik als akkerland. Direct ten zuiden van het plangebied ligt de straat ’t Hoekske. Op de kaart uit ca. 1895 (Figuur 5) is het landschaps gebruik goed te herkennen en is vrijwel het gehele gebied rondom het plangebied in gebruik als akkerland (witte kleur). De percelen die in gebruik zijn als weiland, zijn met een lichtgroene kleur weergegeven, zoals het perceel ten oosten en ten zuidoosten van het plangebied, die mogelijk zijn afgegraven ten behoeve van zandwinning. Voor vooral het perceel ten oosten van het plangebied lijkt dit aannemelijk gezien de rechthoekige uitsparing in de hoger gelegen dekzandrug (Figuur 2). Het plangebied zelf is in gebruik als akkerland en achter de boerderij staat nu een boom (zwarte stip). Op de kaart uit 1936 (Figuur 6) maakt het plangebied onderdeel uit van een groter perceel dat in gebruik is als weiland en aan de noordwestzijde gekenmerkt wordt door een steilrand. Mogelijk dat het perceel is afgegraven ten behoeve van de zandwinning. Ook verder naar het zuidoosten zijn nu meer percelen te zien die in gebruik zijn als weiland en mogelijk zijn afgegraven. De boerderij is nog aanwezig.
Op de kaart uit 1958 (Figuur 7) zijn in vergelijking met de
KSP Archeologie
12
kaart uit 1895 en 1936 nog meer steilranden te zien die duiden op het afgraven van delen van de aanwezige zandruggen. Waarschijnlijk is het gebruik als weiland voor de percelen langs de straten ’t Hoekske en de Antoniusstraatrechthoekige voor een groot deel te verklaren door de zandwinning die daar mogelijk heeft plaatsgevonden. Gezien de hoogteverschillen (paragraaf 2.2) zou er ca. 1,0 m zand kunnen zijn afgegraven. Een groot deel van de boerderij is verdwenen, alleen een stuk van het westelijke deel is bewaard gebleven. Op deze kaart is ook voor het eerst tegen de noordgrens van het plangebied de schuur/stal te zien, die volgens het kadaster uit 1947 stamt. Op de kaart uit 1979 (niet afgebeeld) is de boerderij in het geheel verdwenen. De huidige situatie wordt weergegeven door Figuur 1, waarop de schuur/stal uit 1947 nog aanwezig is.
Figuur 4: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 5: Het plangebied op de kaart uit 1895, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
13
Figuur 6: Het plangebied op de topografische kaart uit 1936 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 7: Het plangebied op de topografische kaart uit 1958 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
14
Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (www.bodemloket.nl). De bodem kan zijn aangetast door het eeuwenlange gebruik als akkerland. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Op basis van de historische ontwikkeling is er mogelijk sprake van diepe bodemverstoringen als gevolg van zandwinning. 2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl); Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/); Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); Gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart (Hessing e.a. 2011). De heemkundekring De Vonder (Asten-Someren) is op 19-07-2021 via email benaderd voor aanvullende archeologische informatie. Er is nog geen reactie ontvangen. Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn geen AMK-terreinen, en geen vondstmeldingen bekend, maar zijn wel meerdere onderzoeksmeldingen gemeld (Tabel 1, Bijlage 3). Gezien het grote aantal meldingen zijn voor het plangebied de onderzoeksmeldingen bekeken binnen een straal van 250 m bekeken met vrijwel dezelfde landschappelijke context. De meldingen liggen allemaal binnen de bebouwde kom van Heusden in de gemeente Asten (Tabel 1. Onderzoeksmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
Datering
2071691100
‘t Hoekske
Bureau- en booronderzoek 2005 door Synthegra
Zie tekst
n.v.t.
2151735100
Antoniusstraat
Bureau- en booronderzoek 2007 door BAAC
Zie tekst
MESONEO ROM
2164185100
‘t Hoekske
Bureau- en booronderzoek 2007 door BAAC
Zie tekst
NT
2165919100
‘t Hoekske
Bureau- en booronderzoek 2007 door BAAC
Zie onderzoeksmelding 2164185100
NT
2202319100
Antoniusstraat
Begeleiding 2008 door Synthegra
Zie tekst
NT
2289930100
’t Hoekske 10
Bureau- en booronderzoek 2010 door ADC
Zie tekst
n.v.t.
4565017100
Antoniusstraat 6
Bureau- en booronderzoek 2017 door Buro voor Archeologie
Zie tekst
n.v.t.
Proefsleuven 20`18 door Zie tekst VUhbs Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van ca. 250 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 4598082100
KSP Archeologie
Antoniusstraat 6
15
Onderzoeksmelding 2071691100 (’t Hoekske, Hensen 2006) De sedimenten bestonden uit zeer fijn zand met een zwak siltig karakter. Er kon in geen enkel profiel een enkeerdgrond vastgesteld worden. De A-horizont had een dikte tussen de 25 en 40 centimeter – mv. In de boringen 2 en 5 was de bouwvoor wel dikker dan 50 centimeter maar deze boringen zijn door verstoring niet voldoende representatief om van enkeerdgronden op het plangebied te spreken. Tussen de A-horizont en de C-horizont, bevond zich in de boringen 1, 2, 5, 6, 7, 11 en 12 een gemengde laag, waarvan enkele met puin (boringen 1, 2 en 11). In de boringen 4, 8 en 9 lag de C-horizont direct onder de bouwvoor. In boring 10, lag onder de A-horizont een fel oranje zandlaag, die waarschijnlijk niet als natuurlijk te interpreteren is. In boring 1 werd er bouwpuin aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van de negentiende eeuwse huizen die aan de Antoniusstraat gestaan hebben (zie 4.5). In boring 2 werden twee slakken, een ijzeren nagel en een recent dakpanfragment aangetroffen. Ze zijn afkomstig uit de verstoorde bovenlaag. In boring 5 kwam één dikwandige grijze scherf uit een grijze gemengde laag. Uit analyse blijkt dat het eveneens om een recent dakpanfragment gaat. Advies geen vervolg.
Onderzoeksmelding 2151735100 (Antoniusstraat, Den Otter 2007) In alle boringen bestaat het sediment uit goed gesorteerd en goed afgerond, zwak siltig, fijn zand (210300 µm). Het aangetroffen sediment in de boringen bestaat uit door de wind afgezet dekzand (Formatie van Boxtel). Met uitzondering van de boringen 3, 9, 10 en 11 bestaat de bovenste 30 – 50 cm van het boorkolom uit donkerbruingrijs, humeus zand, dat met een scherpe grens overgaat in lichtgeel tot wit sediment. In de meeste boringen bevindt zich dit lichtgele zand in sterk vlekkerige vorm binnen de humeuze laag. De scherpe overgang van humusrijk naar humusarm zand en de grote lichtgele zandvlekken in de humeuze bovenlaag duiden op een sterke, relatief recente verploeging (bouwvoor). Het onderliggende lichtgele tot witte sediment betreft respectievelijk de door bodemvormende processen geringe (BC-horizont) en nog niet beïnvloede delen (C-horizont) van de bodem. Een natuurlijke Ah-horizont en duidelijke B-inspoelingshorizont zijn niet aangetroffen. Deze zijn ofwel afgegraven, ofwel geheel in de ploeglaag opgenomen en niet meer als zodanig te herkennen. In de boringen 3, 9, 10 zijn onder de bouwvoor wel restanten van een natuurlijke Ah-, AE, E- of B-horizonten onder de bouwvoor aangetroffen. In boring 11 is onder een esdek een gedeeltelijk intact podzolprofiel aangetroffen.
De locatie van deze boring bevindt zich op de overgang naar een hoger liggend terrein ten zuidoosten van het plangebied. In boring 2 is onderin de bouwvoor (Ap-horizont), op ca. 30 cm beneden maaiveld, een stuk bewerkt vuursteen en één fragment (vermoedelijk) Romeins aardewerk aangetroffen (Bijlage 6). Het bewerkte vuursteen betreft een afslag met een grootte van 1-3 cm en is gedateerd in de periode Mesolithicum-Neolithicum. Het Romeinse aardewerk betreft één donkergrijs wandfragment van ca. 1 cm grootte. Op basis van de resultaten van het onderhavige onderzoek geldt voor het zuidelijk deel van het plangebied een hoge kans op het aantreffen van sporen en vondsten met betrekking tot een eventuele nederzetting uit de periode Meso- en Neolithicum en de periode Romeinse Tijd. Voor het overige deel van het plangebied geldt een lage kans op het aantreffen van intacte archeologische resten. Onderzoeksmelding 2164185100 en 2165919100 (’t Hoekske, Kalisvaart 2007) Het archeologisch niveau werd verwacht aan de basis van het esdek en in de top van de oude bodem in het onderliggende dekzand. Uit het booronderzoek is gebleken dat de humeuze bovengrond (esdek) in bijna het gehele plangebied verstoord is tot op het C-materiaal (Bijlage 4).
Hierbij zijn de archeologisch relevante lagen van het podzolprofiel in het onderliggende dekzand op boring 2 na (zie ook §2 van 5.3; nog een intacte BC-horizont) compleet verdwenen of geheel in de ploeglaag opgenomen. Dit BAAC bv IVO plangebied ’t Hoekske te Heusden, gemeente Asten 17 heeft waarschijnlijk te maken met de bouw en de aanleg van de twee aanwezige schuren, een erf en riolering in het plangebied. In de boringen 4 en 11 (westhoek van het plangebied, Bijlage 4) is het esdek minder verstoord. In beide boringen komt een AC-horizont voor, waarbij in boring 4 houtskool is aangetroffen. Hierbij is echter geen sprake van een directe archeologische indicator, vanwege het gebrek aan andere vondsten en het feit dat deze houtskool ook van natuurlijke oorsprong kan zijn. Tijdens het onderzoek zijn geen andere vondsten gedaan. Het zuidelijk deel van het plangebied wordt gekenmerkt door de fundering van een woning,
KSP Archeologie
16
die in 1944 afgebrand is. Op de eerste kadastrale kaart van 1827 staat deze woning al aangegeven. Aangezien er relatief hard baksteen is aangetroffen is de woning waarschijnlijk gebouwd tussen 1700 en 1827 (Nieuwe Tijd). Het is echter niet uit te sluiten dat deze woning voorgangers had in de Vroege Nieuwe Tijd (1500-1700) of Late Middeleeuwen (1400-1500). Op basis van de hoge mate van verstoring in het gehele plangebied adviseert BAAC bv dat een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
Onderzoeksmelding 2202319100 (Antoniusstraat, Van der Linden 2010) Paalkuilen (van mogelijk twee kleine structuren en een palenrij van één omheining / afrastering), greppels en verstoringen zijn aangetroffen, alle met een zeer scherp begrensde en gevlekte, humeuze vulling. De meeste sporen hadden hun oorsprong aan de onderkant van de bovenste en tevens de jongste antropogene laag en reikten tot in de natuurlijke ondergrond. De aangetroffen sporen hebben geen vondsten opgeleverd. Mogelijk dateren ze uit de Nieuwe Tijd. De standaard bodemopbouw ziet er als volgt uit: een circa 10 cm dikke humeuze donkerbruingrijze bouwvoor met wortelresten, een circa 40 tot 50 cm dikke antropogene ophogingslaag bestaande uit humeus donkerbruingrijs fijn zand (de A– horizont) met daaronder een circa 20 cm dikke opgebrachte laag van humeus bruingrijs, iets gevlekt fijn zand met spitsporen (de A–horizont, een antropogene laag) die rommelig overgaat naar een 10 cm dikke menglaag bestaande uit bruingrijs gevlekt geel fijn zand met spitsporen (overgang A/C–horizont). Deze menglaag gaat rommelig over naar de C-horizont, bestaande uit geel fijn zand. Alle gedocumenteerde profielen bevatten ploegsporen. De ploegsporen verspreiden zich over de hele werkput maar in het oostelijke deel van de put reiken ze iets dieper in de ondergrond dan in het noordwestelijk deel.
In het noordelijk deel is de opgebrachte antropogene laag met spitsporen dikker en de verstoring in de ondergrond minder intensief. Onderzoeksmelding 2289930100 (’t Hoekske 10, Blom 2010) De bodem van het plangebied is opgebouwd uit kalkloos matig fijn zwak siltig zand. Het diepste niveau is overwegend geel van kleur en bevat enkele roestvlekken. De top van dit niveau varieert sterk, van 40 cm in boring 2 tot 115 cm in boring 3. Onder een humeus dek van gemiddeld 30 cm dikte is een verrommelde laag aanwezig, waarin de top van de C-horizont en de humeuze laag zijn vermengd. Er is geen natuurlijke bodem aangetroffen. De kans op het aantreffen van archeologische waarden in situ is zeer klein. Onderzoeksmelding 4565017100 (Antoniusstraat 6, Roodenburg 2018) Al het zand is zwak siltig, matig fijn en kalkloos. Er zijn vier pakketten onderscheiden. Pakket 1 wordt op basis van de landschappelijke ligging en textuur geïnterpreteerd als dekzand. Bodemkundig is dit de Chorizont. Pakket 2 bevat zwak organisch materiaal en heeft een bruinige kleur. Op basis van de kleur en vlekken wordt het geïnterpreteerd als een laag met brokken A horizont vermengd met B-horizont. Bodemkundig is het daarom een AB-horizont. Pakket 3 is een geroerde, soms humeuze, laag die lichter van kleur is dan pakket 4 en bevat zandbrokjes.
Op basis van de mengvorm van eigenschappen uit pakket 1 en 4 doet wordt het geïnterpreteerd als een AC-horizont betreft. Pakket 4, waarvan de top aan het maaiveld ligt, is donker van kleur, humeus, en bevat zowel archeologische indicatoren in de vorm van een spoor baksteen als plastic. Het betreft de bouwvoor, ofwel A-horizont. Op basis van deze gegevens wordt geconcludeerd dat in het plangebied grotendeels een A op C horizont aanwezig is, soms met een tussenliggende menglaag (AC of AB) horizont. Bodemkundig betreft het hoge zwarte enkeerdgronden. Onder dit antropogeen dek kunnen archeologische resten uit vrijwel alle periodes bewaard zijn gebleven. Hierbij moet rekening gehouden worden dat de B-horizont, en daarmee ondiepe grondsporen, grotendeels is vergraven. Gemiddeld kan worden aangenomen dat de bodem ongeveer 30 cm vanaf het oorspronkelijke loopvlak is vergraven. Diepere grondsporen kunnen bewaard zijn gebleven in de C-horizont, vanaf een diepte tussen 30 en 65 cm-mv. In de meeste boorprofielen bevindt de top van de C-horizont zich tussen 60 en 65 cm -mv. Advies proefsleuven.
KSP Archeologie
17
Onderzoeksmelding 4598082100 (Antoniusstraat 6, Van Kampen e.a. 2018) Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn uitsluitend sporen aangetroffen uit de late Nieuwe Tijd en een recent verleden. De sporen kunnen alle worden toegeschreven aan de bewoning binnen het perceel waar ook het onderzoeksgebied deel van uitmaakt. Van dit perceel is bekend dat het al bewoond is sinds de late 17e eeuw. Echter sporen uit deze vroegste fase lijken niet te zijn aangetroffen. wel zijn enkele vondsten aangetroffen met een mogelijke datering in de 17e eeuw, maar hiervan kon een relatie met de sporen niet worden vastgesteld. De aard, conservering en datering van de aangetroffen resten heeft er toe geleid de vindplaats als niet behoudenswaardig te beschouwen. Derhalve wordt het bevoegd gezag geadviseerd tot vrijgave van het onderzoeksgebied. Uit de onderzoeksmeldingen blijkt dat de verwachte enkeerdgrond ofwel niet aanwezig dan wel grotendeels is verstoord en dat daaronder nauwelijks nog sprake is van resten van de oorspronkelijke podzolbodem. Afhankelijk van het feit of er op het minuutplan bebouwing heeft gestaan kunnen er resten van deze bebouwing uit vooral de Nieuwe Tijd worden aangetroffen. Oudere bewoningssporen zijn niet aangetoond.
Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart ligt het plangebied binnen de archeologisch waardevolle dorpskern van Heusden en heeft daarnaast een middelhoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd (Figuur 8).
Figuur 8: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Asten (Hessing e.a. 2011).
KSP Archeologie
18
2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Aangezien het plangebied, naast een schuur/stal uit 1949, onbebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) worden deze wel verwacht en betreft het een boerderij uit het begin van de 19e eeuw. Op grond van de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden er geen bouwhistorische resten verwacht. 2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart is aan het plangebied een archeologische waarde vanwege de ligging binnen de historische dorpskern van Heusden en daarnaast een middelhoge archeologische verwachting voor alle perioden toegekend (Figuur 8). Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Laat-Paleolithicum – Neolithicum
Middelhoog
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, Neolithicum – Volle natuursteen, gebruiksvoorwerpen Middeleeuwen (tot in Middelhoog Begravingsresten: kringgreppel, e de 13 eeuw) fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Late Middeleeuwen Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, (vanaf de 13e eeuw)– Hoog greppels, bakstenen, fragmenten Nieuwe tijd aardewerk, gebruiksvoorwerpen Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Diepteligging sporen Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) tot in de C-horizont
Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont
Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt binnen een zone met dekzandwelvingen afgedekt door een enkeerdgrond. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien het plangebied binnen een zone met dekzandwelvingen ligt en er geen open water is in de directe omgeving, is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.