RU21.09.06C Bijlagen bij toelichting voorontwerp deel 2.pdf
Tekst van het document
De resultaten van het onderzoek en de afweging die daarbij gemaakt is, is terug te vinden in de toelichting van het verzamelplan.
Meijelseweg 33, Heusden
31
De voorgenomen herbestemming leidt niet tot een belemmering voor naastgelegen agrarische bedrijven. Daarnaast wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de bestaande woning geen sprake is van onevenredige gezondheidsrisico's ten gevolge van fijnstof en endotoxinen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het aspect fijnstof en endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde herbestemming en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.
32
Meijelseweg 33, Heusden
Hoofdstuk 6 6.1
Omgevingsaspecten
Natuur
Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd. 6.1.1 Beschermde gebieden Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Natura 2000: De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, is een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Op ca. 1,8 kilometer afstand vanaf de projectlocatie ligt het Natura 2000-gebied 'Groote Peel'. Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge de ontwikkeling, zijn gezien de ruime afstand, op deze Natura 2000-gebieden uit te sluiten.
Op dit moment is sprake van een paardenhouderij, die wordt beëindigd door deel te nemen aan de gebiedsgerichte aanpak leegstand. Het beëindigen van de paardenhouderij leidt tot een afname van de milieubelasting op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor de nieuwe ontwikkeling, die met dit plan mogelijk wordt gemaakt, is beoordeeld of sprake is van effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor alle locaties die als deellocatie onderdeel zijn van het bestemmingsplan 'Verzamelplan gebiedsgerichte aanpak leegstand', is een gezamenlijk stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij de toelichting van het verzamelplan. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Natuurnetwerk Brabant: De projectlocatie is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant (ca. 240 m afstand). Door het realiseren van een woonlocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Negatieve effecten op het NNB worden uitgesloten.
6.1.2 Beschermde soorten Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportnr. 221-HMe33-nw-v1, d.d. 9 april 2021). Hieronder zijn de conclusies van dit rapport weergegeven. Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op grond van uitgevoerde ecologische inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.
Meijelseweg 33, Heusden
33
6.1.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid het planvoornemen.
6.2
Archeologie
In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin worden meegewogen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente Asten in het geldend bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen. Ter plekke van een gedeelte planlocatie is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van eventuele archeologische resten in de bodem. Het betreft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op basis van de dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m. Het voornemen leidt slechts beperkt tot bodemingrepen voor het bouwen en verbouwen van een bijbebouw. Met het plan wordt de grenswaarde voor bodemingrepen niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
6.3
Cultuurhistorie
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Op de planlocatie is geen sprake van cultuurhistorische elementen. Het plan leidt niet tot een wijziging in de (historische) kavelstructuur. Ook in de nabije omgeving zijn geen (Rijks)monumenten die aangetast worden door het planvoornemen. Het plan maakt deel uit van de gebiedsgerichte aanpak leegstand, waarbij sprake is van een vermindering van landschapsontsierende bebouwing en de (cultuurhistorische) laanstructuur wordt versterkt door op gebiedsniveau te investeren in het landschap. Gelet op vorenstaande geldt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt vooronderhavig plan.
6.4
Verkeer en parkeren
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en het bepalen van de parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van de normen uit publicatie 381 van het CROW. Op basis van de Nota parkeernormen 2016, gemeente Asten, wordt gebruik gemaakt van de gemiddelde normen voor het buitengebied in een weinig stedelijk gebied. 6.4.1 Verkeer Het plan voorziet in het beëindigen van de paardenhouderij en het herbestemmen van de agrarische locatie tot woonlocatie. Daarmee is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. De bestaande inrit op de Meijelseweg blijft gehandhaafd. Het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.
34
Meijelseweg 33, Heusden
6.4.2 Parkeren Er is geen sprake van een nieuwe functie, die leidt tot een verhoogde parkeerbehoefte. Wel moet voor de bestaande woning sprake zijn van voldoende ruimte om op eigen terrein te voorzien in de parkeerbehoefte. Bij woningen in het buitengebied wordt een relatief hoge parkeernorm gebruikt. Op basis van de Nota parkeernormen 2016 van de gemeente Asten is sprake van een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Bij het realiseren van drie parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeernorm. De daadwerkelijke parkeerbehoefte is met name afhankelijk van de levensstandaard van de (toekomstige) gebruikers. Aangezien het gaat om zeer ruime percelen, is op eigen terrein zonder meer voldoende ruimte om bij de woning voldoende parkeerplaatsen te realiseren om aan de normen te kunnen voldoen. Het perceel kan daarbij worden voorzien van meerdere parkeerplaatsen op eigen terrein om te kunnen voorzien in eigen parkeerbehoefte. De bewoners van de toekomstige woning kunnen naar eigen inzicht parkeerplaatsen inrichten, afhankelijk van de behoefte van de betreffende bewoner(s). Uitgaande van het realiseren van 100% van de parkeerbehoefte op eigen terrein, wordt voorzien in de parkeerbehoefte en voldoet het plan aan de Nota parkeernormen 2016, gemeente Asten. 6.4.3
Conclusie
Uit het bovenstaande kan worden concluderend dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.
6.5
Leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan.
6.6
Water
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. 6.6.1
Beleid
Nationaal Waterplan: Het Nationaal Waterplan (Ministerie V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit. Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld. Rond het plangebied zijn vanuit het nationaal waterplan geen specifieke maatregelen met betrekking tot het aspect water gepland. Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021: Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het
Meijelseweg 33, Heusden
35
beleidsveld water. Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het betreft een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. De hoofddoelen uit het beleid zijn: Gezonde fysieke omgeving: borging goede kwaliteit van grondwater en oppervlaktewater; Veilige fysieke omgeving: bescherming tegen wateroverlast van de grote rivieren en de beken; Streven naar een groene groei, combinatie van duurzame economische ontwikkeling met behoud of verbetering van de fysieke leefomgeving; voldoende water van goede kwaliteit voor natuur, landbouw, recreatie, drinkwater, industrie en de vrijetijdseconomie. Waterschap Aa en Maas; Waterbeheerplan 2016-2021: Op 22 december 2015 heeft het waterschap Aa en Maas het waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2016-2021 gaat doen om deze doelen te halen.
In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt: veilig en bewoonbaar beheergebied; voldoende water en robuust watersysteem; schoon water; gezond en natuurlijk water Keur Waterschap Aa en Maas: Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 inwerking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk Rioleringsplan2021-2025: De gemeenteraad heeft op 8 december 2020 conform artikel 4.22 van de Wet Milieubeheer het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) gemeente Asten 2021-2025 vastgesteld. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaambeheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Elke nieuwe ontwikkeling dient te worden getoetst aan het Gemeentelijk Rioleringsplan.
Voor alle uitbreidingslocaties geldt dat de waterberging binnen het plan moet worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2019 - 2' is vastgesteld dat alle regels vanuit het GRP van toepassing zijn op het hele grondgebied van de gemeente Asten. Het realiseren van waterberging wordt afgedwongen via het bestemmingsplan. De gemeente Asten streeft naar robuuste watersystemen, waarbij het hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt geïnfiltreerd in de bodem. Indien sprake is van een uitbreiding van het verhard oppervlak groter is dan 90 m², dient ook bij verbouw en uitbreiding een waterbergingsvoorziening van 60 mm over de toename van het verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein, mits technisch haalbaar. 6.6.2 Beschrijvingvan het watersysteem in de directe omgeving In de direct omgeving van het plangebied zijn twee B-watergangen aanwezig, die worden beheerd door het waterschap. De watergangen grenzen ten oosten en noordwesten aan het plangebied. De agrarische percelen in de directe omgeving zijn langs de randen voorzien van greppels, die niet op de legger van het waterschap zijn opgenomen. De grondwaterstand in het gebied ligt relatief laag, waardoor het meeste hemelwater direct infiltreert in de bodem. Ter plekke van de Meijelseweg 33 bestaat de bodem uit veldpodzolgronden (Hn21) en is sprake van
36
Meijelseweg 33, Heusden
grondwatertrap VI. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt op ca. 80 cm onder het maaiveld en dat betekent dat hemelwater goed kan infiltreren in de bodem (bron: kaartbank.brabant.nl). De locatie ligt ca. 26,8 m boven N.A.P. (bron: ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer).
Uitsnede legger oppervlaktewateren Waterschap Aa en Maas met ligging planlocatie 6.6.3 Beschrijvinghuidige en toekomstige situatie In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bedrijf met in totaal: een bouwvlak van ca. 7.900 m2 voorzien van: 1. twee agrarische opstallen van ca. 930 m2 ; 2. een bedrijfswoning. In de nieuwe situatie is sprake van een woonbestemming met in totaal: een woonbestemming van 5.185 m2 voorzien van: 1. een burgerwoning (door herbestemming van de bedrijfswoning); 2. bijgebouwen en overkappingen van in totaal ca. 385 m2 ; 6.6.4 Gevolgen van het plan voor de waterhuishouding Het plan voorziet in een planologische functiewijziging, waarin het agrarisch gebruik van het plangebied wordt beëindigd en een woonbestemming wordt toegekend. Er worden in de toekomstige situatie minder bebouwingsmogelijkheden toegekend, aangezien nagenoeg het volledige plangebied momenteel bestaat uit een agrarisch bouwvlak. Een gedeelte van het perceel wordt bestemd als agrarisch zonder bouwvlak, waardoor de mogelijkheden voor het aanbrengen van nieuwe verhardingen afneemt. Grondwater: het plan heeft geen gevolgen voor het grondwater. Oppervlaktewater: Er wordt geen bebouwing opgericht binnen de beschermingszone van een (primaire) watergang en er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. Het plan heeft geen gevolgen voor het oppervlaktewater.
Hemelwater: Er is geen sprake van een toename aan verhard oppervlak. Daarmee is geen sprake van een
Meijelseweg 33, Heusden
37
waterbergingsopgave. Met het plan wordt bedrijfsbebouwing gesloopt waarbij een gedeelte wordt herbouwd. Per saldo is er sprake van een afname van het bebouwd oppervlak. Door het verkleinen van het bouwvlak neemt de mogelijkheid om oppervlakteverharding aan te brengen af. Hierdoor zijn geen negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishouding te verwachten. Het betreft een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij hemelwater binnen de planlocatie kan worden geïnfiltreerd. Wel dient het hemelwater op basis van het GRP te worden afgekoppeld en te worden verwerkt op eigen terrein. Daarvoor is sprake van een waterbergingsvereiste van 0,06 m3 per m2 nieuwe oppervlakteverharding. Binnen de toe te kennen woonbestemming is hiervoor voldoende ruimte. Vuilwater: De planlocatie ligt buiten het stedelijk gebied. De gemeentelijke taak beperkt zich hier tot de zorg voor het inzamelen van huishoudelijk afvalwater. De gemeente heeft besloten al het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied in te zamelen en heeft daarvoor in het buitengebied drukriolering aangelegd. Het afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en via de bestaande rioolpersleiding afgevoerd. Voor de bestaande woning Meijelseweg 33 blijft dit onveranderd. 6.6.5 Digitale watertoets en conclusie Voor het voorliggend plan is een watertoets uitgevoerd.
De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). De rapportage is als Bijlage 3 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het waterschapsbelang is voldoende geborgd. Realisatie van het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
38
Meijelseweg 33, Heusden
Hoofdstuk 7
Planologische afweging
Het voorliggend planvoornemen voorziet in het hergebruik van een (voormalige) veehouderijlocatie als woonlocatie. De planontwikkeling maakt als onderdeel uit van een gebiedsgerichte aanpak van de gemeente Asten om enerzijds leegstand te voorkomen en anderzijds het leefmilieu in het buitengebied te verbeteren. Daarbij worden nieuwe functies gezocht voor locaties in het buitengebied en worden onderling de gebruiksfuncties op elkaar afgestemd. Deze ruimtelijke onderbouwing vormt de afweging voor één van de deellocaties van de gebiedsgerichte aanpak leegstand. In deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvaardbaarheid van één van de puzzelstukken van de gebiedsgerichte aanpak afgewogen aan de hand van de geldende beleidskaders van verschillende overheidslagen en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij dient in overweging te worden genomen, dat de locatie onderdeel uitmaakt van een gebiedsplan om een kwaliteitsslag te behalen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Heusden. Tegen de realisatie van het plan bestaat vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q.
randvoorwaarden wordt voldaan: het plan vormt als deellocatie een van de puzzelstukken van het gebiedsplan om in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Heusden leegstand tegen te gaan en het leefmilieu in het buitengebied te verbeteren; het voornemen is niet strijdig met het Rijks- en provinciaal beleid; het plan past binnen het gemeentelijke beleid; door de realisatie van het plan treden er geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving; de milieuaspecten milieuzonering, bodem, geluid, geur, externe veiligheid, luchtkwaliteit en gezondheid vormen geen beletsel voor de realisatie van het plan; de omgevingsaspecten, zoals natuur, archoelogische en cultuurhistorische waarden, verkeer en parkeren, leidingen en de waterhuishouding vormen geen beletsel voor de realisatie van het plan. Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan niet bezwaarlijk is.
Meijelseweg 33, Heusden
39
Bijlagen Bij Ruimtelijke Onderbouwing
Meijelseweg 33, Heusden Gemeente Asten
BIJLAGEN BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Meijelseweg 33, Heusden Gemeente Asten
Status:
voorontwerp
Datum:
26 augustus 2021
Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Locatie Vught Parklaan 21 5261 LR Vught
Inhoudsopgave Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
5
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
6
Bijlage 2
Quickscan flora en fauna
68
Bijlage 3
Digitale watertoets
91
Meijelseweg 33, Heusden
3
4
Meijelseweg 33, Heusden
Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
Meijelseweg 33, Heusden
5
Bijlage 1
6
Verkennend bodemonderzoek
Meijelseweg 33, Heusden
Bodem en Bouwstoffen
Verkennend Bodemonderzoek Meijelseweg 33 te Asten-Heusden rapport C3276R012.008.R1/BBO
datum: opdrachtgever:
16 augustus 2021 den Pouderoyen B.V. Postbus 83 St. Stevenskerkhof 2 5400 UDEN 6511 AB VZ NIJMEGEN
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
I
VERANTWOORDING
J. Timmermans Veldwerk
Ing. B. van den Bosch Teamleider
Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818 – Faxnr. 0493-671800, Email: info@archimil.nl Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
II
SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de Meijelseweg 33 te Asten-Heusden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Asten
Adres
Meijelseweg 33 te Asten-Heusden
Kadastraal
Sectie: P
Nr: 1342 (ged)
Coördinaten
X: 182,365
Y: 376,296
Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 5185 m2
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de bovengrond van de locatie als heterogeen verdacht beschouwd. Op één plaats heeft in het verleden een bovengrondse tank voor de opslag van olie gelegen. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat in het verleden een erfverharding van zinkassen aanwezig zal zijn geweest. Deze zal, gezien het ontbreken van visuele verontreinigingen, op een zeker moment zijn verwijderd. Op meerdere plaatsen blijkt de bodemlaag onder de verharding sterk verontreinigd te zijn met zware metalen, op andere plaatsen is schoon ophoogzand aanwezig. Het gehalte zink en koper in het mengmonster van het onverharde deel is substantieel (doch geen overschrijding interventiewaarde). Niet uitgesloten kan worden dat in één of meerdere van de afzonderlijke monsters alsnog de interventiewaarde wordt overschreden. Een gelijksoortige verontreiniging is in de humeuze ondergrond aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank zijn in grond en grondwater geen noemenswaardige verontreinigingen aangetroffen met minerale olie of vluchtige aromaten. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Naar aanleiding hiervan merken wij op dat de aangetroffen verontreinigingen, die aan zinkassen kunnen worden gerelateerd, geen actuele risico’s en daarmee spoedeisendheid van sanering tot gevolg zullen hebben. Aangezien het actuele gebruik niet wijzigt en geen graafwerkzaamheden zijn voorzien, achten wij een vervolgonderzoek in dit stadium niet noodzakelijk. Wanneer ter plaatse van de verontreinigde delen van het perceel op een zeker moment graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan dient hier een nader onderzoek uitgevoerd te worden en zullen de werkzaamheden als sanering moeten worden uitgevoerd. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden of wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
III
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1 2. VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1. GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2. HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.2.1. Milieuvergunningen ...................................................................................................... 5 2.3. BODEMONDERZOEKEN ............................................................................................................... 5 2.4. TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 6 2.5. BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ......................................................................................... 6 2.5.1. Algehele bodemkwaliteit .............................................................................................. 6 2.5.2. PFAS ........................................................................................................................... 7 2.6.
CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 7 3. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK.......................................................................... 8 3.1. OPZET BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 8 3.2. ANALYSEPAKKETTEN ................................................................................................................ 8 3.3. UITVOERING BODEMONDERZOEK .................................................................................................. 8 4. WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE ........................................................................10 5. RESULTATEN...............................................................................................................................11 5.1. VELDWERK GROND .................................................................................................................. 11 5.2. VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 11 5.3. ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 11 5.3.1.
Grondmengmonsters .................................................................................................. 11 5.3.2. Grondwatermonsters ................................................................................................. 13 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................14 TABELLEN ...........................................................................................................................................15 Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 ............................................................................................................. analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
1.
1
INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK
In verband met voorgenomen ontwikkelingen aan de Meijelseweg 33 te Asten-Heusden is door Pouderoyen B.V. schriftelijk opdracht verleend om een verkennend bodemonderzoek op bovengenoemde locatie uit te voeren. Het doel van het onderzoek bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de grond en het freatische grondwater op het te onderzoeken terrein. Voor de milieuhygiënische verklaring kan dit onderzoek dienen als bewijs voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Regeling bodemkwaliteit artikel 4.3.4) in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van NEN 5740 [2] conform de BRL2000 met bijhorende protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodemonderzoek [3]. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de parameters welke opgenomen zijn in het NEN-pakket of op eventueel verdachte componenten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering 2013 [8]. Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de verzamelde gegevens van de onderzoekslocatie en/ of de daaromheen liggende percelen, welke tijdens het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3.
In hoofdstuk 4 wordt het toetsingskader van de resultaten gepresenteerd waarna in hoofdstuk 5 de gevonden resultaten besproken zullen worden. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies besproken en worden enkele aanbevelingen gedaan. De in de tekst aangehaalde literatuurbronnen zijn opgenomen in bijlage 6. Contactpersonen voor de opdrachtgever waren de heren H. Arts en ir. M. Barendse.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
2
Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
2.
3
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek met betrekking tot het bodemonderzoek is uitgevoerd op het standaardniveau, conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente, houden van interviews, uitvoeren van terreininspectie en archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidige gebruik, het toekomstige gebruik, de bodemopbouw, de geohydrologische situatie en financieel-juridische aspecten. Hiervoor worden de volgende informatiebronnen geraadpleegd: milieuvergunningdossiers, archief bodemonderzoeken, etc. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van deze (geraadpleegde) informatiebronnen en de verkregen informatie. Op basis van de verzamelde informatie wordt het veld- en chemisch onderzoek goed voorbereid en wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend of nader bodemonderzoek opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. 2.1.
Geografische gegevens De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Asten
Adres
Meijelseweg 33 te Asten-Heusden
Kadastraal
Sectie: P
Nr: 1342 (ged)
Coördinaten
X: 182,365
Y: 376,296
Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 5185 m2
Op de onderzoekslocatie is er voor zover bekend geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet Milieubeheer en/of Wet Bodembescherming en/of andere milieuregelgeving. 2.2. Huidig en voormalig bodemgebruik Op 27 november 2020 is door de heer V. Burgers van ons bureau een locatiebezoek uitgevoerd. Het terrein is in gebruik als woonhuis met siertuin en bijgebouwen. De verharding bestaat uit klinkers, asfalt en beton. Voor zover bekend bij de opdrachtgever hebben hier geen zinkassen gelegen maar de verhardingen waren reeds aanwezig bij aankoop. Noordelijk op het perceel staat een stal die nog is voorzien van asbestdak, deze is voorzien van een regengoot met afwatering. Het onderzoeksterrein is voor zover bekend niet opgehoogd met bodemvreemde materialen zoals puin, sintels of gebroken asfalt. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
4
Bekend is dat op de onderzoekslocatie op één plaats een tank op de bodem heeft gelegen. Er zijn verder geen gegevens bekend omtrent eventuele verdere activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocatie welke geleid kunnen hebben tot een bodemverontreiniging. Uit de historische kaarten (bron: http://www.topotijdreis.nl) blijkt dat de locatie sinds de eerste helft van de vorige eeuw bebouwd is geweest en dat er diverse malen sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het heeft er de schijn van dat de noordelijk gelegen weg in het verleden over het perceel lag en dat deze later naar het noordoosten verschoven is.
Kaart circa 1922
kaart circa 1948
Kaart circa 1976
kaart circa 1996
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
5
2.2.1. Milieuvergunningen Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe nabijheid zijn in het verleden diverse vergunningen verleend, meldingen ingediend en/of controles uitgevoerd. Relevante zaken zijn onderstaand vermeld. vergunningstekening hinderwet 1974 : 1 x bg diesel, diverse asbestdaken
vergunning 14 mei 1974 verleend melding 22 januari 1988 kennisgeving Hinderwet mestbassin ontvangstbevestiging 15 november 1997 melding Besluit Melkveehouderijen 2.3. Bodemonderzoeken In het archief van de gemeente Asten noch in het eigen archief van Archimil zijn gegevens bekend van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op deze locatie zelf. Ten westen van de locatie is wel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Milon (rapport 20266, d.d. 17 juli 2000). In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte zink aangetroffen, de ondergrond was niet verontreinigd. Het grondwater was zeer licht verontreinigd met cadmium en chroom.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
6
2.4. Toekomstig gebruik Ter plaatse van en in de directe nabijheid van het onderzoeksterrein zal in de nabije toekomst een herontwikkeling plaatsvinden. 2.5. Bodemopbouw en (geo-)hydrologie Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan ca. 26,9 m + N.A.P. De opbouw van de ondergrond is schematisch weergegeven in figuur A. Figuur A: opbouw ondergrond. Formatie van Boxtel Formatie van Beegden Formatie van Sterksel Formatie van Stramproy
Zwak siltig fijn tot matig grof zand Zandige leem tot grind, uitkomst van Maasafzettingen Grof zand en grind Uiteenlopende korrelgroottes, met plaatselijke leem, grind en kleilagen
De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 1,6 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk noordwestelijk gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordwestelijk gericht. Voorgenoemde geohydrologische gegevens zijn ontleend aan de grondwaterkaart van Nederland [6]. 2.5.1. Algehele bodemkwaliteit De gemeente Asten maakt geen gebruik van een goedgekeurde bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan waarin diffuus verhoogde achtergrondgehalten aan verontreiniging zijn vastgelegd. De gemeente Asten maakt wel gebruik van een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart. Hierin heeft de locatie de functie Landbouw/natuur toegekend gekregen. De kwaliteit van vrijkomende grond van onverdachte locaties voldoet gemiddeld genomen aan de Achtergrondwaarden. Van de regio zuidoost Brabant, noord- en midden Limburg is bekend dat er zich verhoogde achtergrondwaarden aan zware metalen in het grondwater manifesteren. Deze zijn enerzijds toe te schrijven aan uitloging uit deze verhardingen van zinkassen en depositie van zware metalen door het productieproces van deze zinkassen in de fabriek in Budel-Dorplein (diffuse verontreinigingen). Wanneer dit het geval is op een locatie zal de stof zink overheersen bij de verontreinigingen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
7
Een andere bron van verontreiniging met zware metalen in het grondwater zijn de chemische processen die optreden wanneer anaeroob grondwater opkwelt. Doordat in de bodem ijzerhoudende lagen aanwezig zijn kunnen zware metalen in oplossing gaan en in het grondwater terechtkomen. Over het algemeen zijn arseen en nikkel overheersende componenten wanneer deze situatie zich voordoet. 2.5.2. PFAS In het rapport “Aanwezigheid PFAS in Nederland Deelrapport B Verdachte locaties” 2 is een overzicht opgenomen van potentiële risico-locaties voor het voorkomen van PFAS-verbindingen. Voor de locatie van herkomst is geen sprake van een bronlocatie. Opgemerkt wordt dat op basis van recente gegevens de bovengrond van een groot deel van Nederland mogelijk in lichte mate verontreinigd is met PFASverbindingen1 en dat uitspoeling naar de ondergrond kan plaatsvinden. Door het ministerie is een tijdelijk handelingskader PFAS opgesteld (versie 2 juli 2020) voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie, waarbij een achtergrondwaarde van 1,9 µg/kgds (PFOA) danwel 1,4 µg/kgds (overige PFAS) is vastgesteld 3. De gezamenlijke omgevingsdiensten in Brabant maken gebruik van een Bodemkwaliteitskaart voor PFAS (d.d. 28 oktober 2020) 4.
Aangezien de berekende P80 waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor Landbouw/ Natuur, hebben de samenwerkende omgevingsdiensten ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen uit het geactualiseerde Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020. 1
https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/grond-bagger/handelingskader-pfas/tijdelijk/ https://www.expertisecentrumpfas.nl/images/Handelingskader/DDT219-1-18-008.228-rapd-Voorkomen_PFAS_in_Nederland__deelrapport_B_Verdachte_locaties_-_definitief.pdf 3 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2020/07/03/bijlage-geactualiseerd-tijdelijkhandelingskader/bijlage-geactualiseerd-tijdelijk-handelingskader.pdf 4 http://bodemloket.odbn.nl/images/20201028_0462683.100_bodemkwaliteitskaart_pfas_noord-brabant_def_rev0.0gecomprimeerd.pdf 2
2.6. Conclusie vooronderzoek Het vooronderzoek heeft zich gericht zich op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Op basis van historie van de onderzoekslocatie kan deze vooralsnog als heterogeen verdacht worden beschouwd voor een breed scala aan stoffen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank dient de bodem als plaatselijk verdacht te worden beschouwd. Op basis van de historische informatie is er vooralsnog geen aanleiding om een overschrijding van de normen uit het Tijdelijke handelingskader voor PFAS te verwachten. In bijlage 3 is een tekening van de geografische afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek opgenomen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
3.
8
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
3.1. Opzet bodemonderzoek Op basis van de hypotheses (heterogeen verdacht danwel plaatselijk verdacht) zoals beschreven in hoofdstuk 2 wordt in NEN5740 de volgende onderzoeksopzet voorgeschreven: * 15 boringen tot 50 cm-mv, 3 boringen tot 200 cm-mv en één peilbuis * Eén additionele boring bij de voormalige tank (de peilbuis wordt hier ook geplaatst) * Hiervoor zijn een aantal asfalt- en/of betonboringen nodig (achterterrein) * Vier grond(meng)monsters worden onderzocht op de componenten uit het standaardpakket grond * Eén grond(meng)monster van de meest verdachte bodemlaag wordt onderzocht op het gehalte aan minerale olie en vluchtige aromaten * Eén grondwatermonster wordt onderzocht op de componenten uit het standaardpakket grondwater Van elke 50 cm bodemlaag of van iedere bodemlaag afzonderlijk worden tot de freatische grondwaterspiegel representatieve monsters genomen. De boringen worden gelijkmatig over de te onderzoeken locatie verdeeld volgens een systematisch patroon. In bijlage 3 is een situatieschets opgenomen waarin de plaatsen van de boringen en de peilbuizen zijn aangegeven. 3.2.
Analysepakketten De toegepaste NEN-pakketten bestaan uit: Grond: standaardpakket grond: Droge stof, Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale Olie (GC) (C10 - C40), PAK (10 VROM), PCB (7) Grondwater: standaardpakket grondwater: Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale olie (GC), Aromaten (BTEXN), Styreen, VOCl (11), Vinylchloride, 1,1 Dichlooretheen, 1,1-Dichloorpropaan, 1,2-Dichloorpropaan, 1,3-Dichloorpropaan, Bromoform
Ter bepaling van de achtergrond- en interventiewaarden worden meerdere mengmonsters onderzocht op het gehalte aan lutum en organisch stof. 3.3. Uitvoering bodemonderzoek De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4]. De activiteiten bestaan uit: 1. het uitvoeren van een globale locatie-inspectie; 2. het verrichten van de boringen; 3. het plaatsen van de peilbuis; 4. het bemonsteren van de grond en het grondwater; 5. visueel en organoleptisch onderzoek van de monsters.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
9
De grondboringen worden voor zover mogelijk met handkracht uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een ongelakte Edelmanboor met een diameters van 6 tot 12 cm. Er wordt voor zover mogelijk geen werkwater gebruikt. Na elke boring wordt het boormateriaal met leidingwater schoongemaakt. Voor het plaatsen van de peilbuis wordt geboord tot circa 1,5 meter beneden de freatische grondwaterspiegel. Het materiaal van de buis is slagvast P.V.C.. Het geperforeerde gedeelte wordt omgeven door een gewassen, paraffinevrije filterkous en gegloeid en gezeefd filtergrind. Het nietgeperforeerde gedeelte wordt met de oorspronkelijke grond omstort. Het boorgat wordt afgedicht met een laag zwelklei van ca. 50 cm. De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters worden uitgevoerd door een AS3000 geaccrediteerd laboratorium. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voorbehandelings-, opwerkings-, en analysemethoden zoals beschreven in de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4].
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
4.
10
WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE
Bij de beoordeling en interpretatie van de resultaten is gebruik gemaakt van de circulaire bodemsanering 2013. Deze circulaire definieert streefwaarden, achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden voor de beoordeling van de concentratieniveaus van diverse verontreinigingen in grond en grondwater. In onderstaand overzicht worden deze toegelicht: - de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) geeft het niveau aan waarbij, volgens de huidige inzichten, sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In geval er curatief gehandeld moet worden, geeft deze waarde het niveau aan dat bereikt moet worden om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier of plant heeft, volledig te herstellen; - de interventiewaarde (I) geeft het niveau aan waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant, ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Bij gehalten boven deze waarde is normaliter sprake van een ernstige verontreiniging en zal moeten worden bekeken of sanering urgent is; - de tussenwaarde (T = [S + I] / 2) bevindt zich op de helft tussen de streef- en interventiewaarde. Boven deze waarde is in ieder geval, en onder deze waarde afhankelijk van bepaalde factoren zoals bodemtype, een nader onderzoek gewenst. Deze waarden zijn afhankelijk van de grondsoort.
Op basis van het lutum en het organische stofgehalte van de onderzochte grond, wordt een correctie uitgevoerd op de waarden zoals die voor een standaardbodem (lutum= 25% en humus= 10%) zijn vastgesteld. Om de mate van verontreiniging weer te geven wordt in dit rapport de onderstaande terminologie gebruikt: - niet verontreinigd concentratie lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; - licht verontreinigd concentratie hoger dan de achtergrondwaarde, maar lager dan of gelijk aan de tussenwaarde; - matig verontreinigd concentratie hoger dan de tussenwaarde, maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; - sterk verontreinigd concentratie hoger dan de interventiewaarde. Specifiek voor verontreinigingen met zware metalen ten gevolge van zinkassen in projectgebied de Kempen zijn in de Regeling Uniforme Saneringen terugsaneerwaarden vastgesteld voor wonen met moestuin (ABdKM) en wonen met siertuin (ABdK-S). Deze normen zijn verruimd ten opzichte van de algemene terugsaneerwaarden zoals deze eerder in de bodemgebruikswaarden waren vastgelegd en die sinds 1 oktober 2008 zijn vervangen door de achtergrondwaarden (AW), maximale waarden voor wonen (MWW) en maximale waarden voor industrie (MWI) uit het besluit bodemkwaliteit. Voor asbest is alleen een interventiewaarde vastgesteld, er is geen achtergrondwaarde vastgesteld.
De interventiewaarde voor vaste bodem ligt op 100 mg/kgds (concentratie serpentijn plus 10 x concentratie amfibool). De interventiewaarde is gelijk aan de hergebruikswaarde voor asbest in puin.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
5.
11
RESULTATEN
5.1. Veldwerk grond Op 22 december 2020 is het veldwerk grotendeels uitgevoerd door SIKB 2001 erkend monsternemer J. Timmermans van Archimil BV, daarbij geassisteerd door de heer R. Verhees. Bij geen van de monsters is destijds een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. Door een storing bij de opdrachtverlening aan het laboratorium zijn de monsters verloren gegaan en zijn de boringen op 25 februari 2021 (tot maximaal 2,5 m-mv) herplaatst (nummers eindigend op …a). Voor een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse wordt verwezen naar de boorstaten (bijlage 4). In de bovengrond zijn plaatselijk (boringen 101A, 103A, 114 en 115) sporen tot matige bijmengingen met puin of baksteen aangetroffen. Bij de boringen 112 en 113 is onder de verharding (visueel schoon) geel zand aangetroffen tot 65 cm-mv, ook bij boringen 101A, 102A, 103A, 108A en 114 is een zandlaag aangetroffen, deze is hier echter substantieel dunner. Deze sporadisch en verspreid over het terrein aangetroffen bijmengingen met puin behoeven ons inziens en in lijn met paragraaf E.3.1 lid a van de NEN 5707, niet als asbestverdacht te worden beschouwd. Zintuiglijk zijn geen bijmengingen met asbest aangetroffen in of op de bodem. Een onderzoek conform NEN5707 lijkt op basis hiervan dan ook niet noodzakelijk. 5.2. Veldwerk grondwater Peilbuis 101 is op 22 december 2020 geplaatst en voorgepompt.
Het grondwater is op 25 februari 2021 nogmaals voorgepompt en vervolgens bemonsterd door de heer J. Timmermans (erkend monsternemer SIKB 2002 van ons kantoor). De in het veld bepaalde gegevens met betrekking tot het grondwater staan vermeld in het volgende overzicht: Peilbuis nr.
Filterstelling (m-mv)
Datum
Gw-stand (m-mv)
pH
Ec (µS/cm)
Troebelheid (FTU)
Opmerkingen
101
2,70 - 3,70
25-02-2021
1,47
6,45
400
17,17
geen
Wanneer een watermonster troebel is (> 10 FTU), dus losgespoelde gronddeeltjes bevat, is er een kans dat er gronddeeltjes worden geanalyseerd in plaats van het grondwater. (An)organische stoffen (die zich hebben gehecht aan de gronddeeltjes) kunnen daardoor de analyseresultaten beïnvloeden.
5.3. Analyseresultaten De resultaten van de analyses van de grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn weergegeven in de tabellen. Tevens zijn de analyserapporten opgenomen in bijlage 5. 5.3.1. Grondmengmonsters Van de grondmonsters zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen vijf mengmonsters samengesteld welke zijn onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. Gezien de bijmengingen met puin is ervoor gekozen om het mengmonster van de bovengrond bij de voormalige tank eveneens te laten onderzoeken op de componenten uit het standaardpakket. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO Mengmonster Monsters (cm-mv) 1 1 (achterzijde) 114 (25-75) + 115 (21-70) baksteenhoudend 2 (oprit)
103 (20-70) + 108 (15-65)
3 (onverhard) 2
104 (20-60) + 105 (0-50) + 106 (0-50) + 107 (0-50) + 109 (0-50) + 110 (0-50) + 111 (0-50) + 116 (0-50) 104 (50-100) + 104 (100-150) + 105 (50-70) + 106 (50-100) 101 (20-60) + 102 (20-70)
4 (humeuze ondergrond) 5 (bij tank)
12
Analyseresultaat Zn (1200), Cu (150) >I Pb, Ni, min olie > MWW Cd > AW Zn (360) > I Cd, Cu, Pb > MWW Zn (210), Cu (81) > MWW Min olie (120) > MWW Cd, Pb > AW Zn (260), Cu (40) > MWW Cd, Pb > AW Zn (440) > I Cu (43), Min olie (63) > MWW Cd, Pb > AW
Opmerkingen Sterk ver. Sterk ver.
Sterk ver.
Uit bovenstaande resultaten kan worden geconcludeerd dat in het verleden een erfverharding van zinkassen aanwezig zal zijn geweest. Deze zal, gezien het ontbreken van visuele verontreinigingen, op een zeker moment zijn verwijderd. Op meerdere plaatsen blijkt de bodemlaag onder de verharding sterk verontreinigd te zijn met zware metalen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank bleek de meest verdachte bodemlaag zeer licht verontreinigd te zijn met minerale olie (1,1x AW). Op verschillende plaatsen is de representatieve kwaliteit van de humeuze bodem onder de verharding bepaald door het samenstellen van mengmonsters. Weliswaar zijn de gebruikte boringen zintuiglijk niet geheel gelijkwaardig (qua bijmengingen) maar dit vormt zo een representatief beeld van de verschillende delen van het terrein. 1
Door een onachtzaamheid is het mengmonster van de bovengrond van boring 114 en 115 in eerste instantie alleen op minerale olie en aromaten onderzocht. Aanvullend is het mengmonster alsnog onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. Aangezien de meest vluchtige componenten (oa. minerale olie 1,1x AW) en droge stof gehalte reeds waren onderzocht heeft de overschrijding van de conserveringstermijn geen significant effect gehad op de onderzoeksresultaten. 2
In afwijking van de strategie heterogeen verdacht zijn, op basis de verwachting, het gelijke terreingebruik en de gelijke zintuiglijke waarnemingen, meer dan de voorgeschreven vier monsters in mengmonster 3 opgenomen. Gelet op de terreingebruik en zintuiglijke waarnemingen zal deze afwijking geen negatief danwel positief effect hebben op de onderzoeksresultaten. De aangetoonde sterke verontreinigingen liggen onder de verhardingen van klinkers, asfalt en/of beton. Opgemerkt wordt dat het gehalte zink en koper in het mengmonster van het onverharde deel dermate hoog is (doch geen overschrijding interventiewaarde, gehalte zink en koper resp. ±0,6x en 0,76x Iwaarde) dat niet uitgesloten kan worden dat in één of meerdere van de afzonderlijke grondmonsters alsnog de interventiewaarde wordt overschreden. Een gelijksoortige verontreiniging is in de humeuze ondergrond aangetroffen (gehalte zink ± 0,62x I-waarde).
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
13
De aangetroffen verontreinigingen, die aan zinkassen kunnen worden gerelateerd, zullen geen actuele risico’s en daarmee spoedeisendheid van sanering tot gevolg hebben. Aangezien het actuele gebruik niet wijzigt en geen graafwerkzaamheden zijn voorzien, achten wij een vervolgonderzoek in dit stadium niet noodzakelijk. Wanneer ter plaatse van de verontreinigde delen van het perceel op een zeker moment graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan dient hier een nader onderzoek uitgevoerd te worden en zullen de graafwerkzaamheden als sanering moeten worden uitgevoerd. Aangezien de bijgebouwen in de jaren ’50 zijn opgericht op landbouwgrond zal onder de bebouwing geen sprake zijn van een bodemverontreiniging.
Foto locatiebezoek – d.d. 27 november 2020 5.3.2. Grondwatermonsters Het grondwater is onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grondwater. In onderstaande tabel zijn de getoetste resultaten weergegeven. Peilbuis 101
Datum 25-2-2021
Filtertraject (m-mv) 2,70 - 3,70
Analyseresultaat Barium > Streefwaarde
De lichte verhogingen met barium kan worden beschouwd als een diffuus verhoogde gehalte. Gelet op het diffuse karakter en de beperkte overschrijding van de streefwaarde achten wij een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
6.
14
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Het onderzoek heeft betrekking op het terrein gelegen aan de Meijelseweg 33 te Asten-Heusden. Het doel van een verkennend bodemonderzoek is door een relatief geringe inspanning een inzicht te verkrijgen van de bodemgesteldheid. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. 2.
3. 4. 5. 6.
Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat in het verleden een erfverharding van zinkassen aanwezig zal zijn geweest. Deze zal, gezien het ontbreken van visuele verontreinigingen, op een zeker moment zijn verwijderd. Op meerdere plaatsen blijkt de bodemlaag onder de verharding sterk verontreinigd te zijn met zware metalen, op andere plaatsen is direct onder de verhardingen schoon ophoogzand aanwezig. Het gehalte zink en koper in het mengmonster van het onverharde deel is substantieel (doch geen overschrijding interventiewaarde). Niet uitgesloten kan worden dat in één of meerdere van de afzonderlijke monsters alsnog de interventiewaarde wordt overschreden. Een gelijksoortige verontreiniging is in de humeuze ondergrond aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank zijn in grond en grondwater geen noemenswaardige verontreinigingen aangetroffen met minerale olie of vluchtige aromaten. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De hypothese verdachte locatie kan, voor de bodem ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank, worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. De hypothese heterogeen verdachte locatie kan, voor de bovengrond, worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1. 2. 3. 4. 5.
Archimil BV
De aangetroffen verontreinigingen, die aan zinkassen kunnen worden gerelateerd, zullen geen actuele risico’s en daarmee spoedeisendheid van sanering tot gevolg hebben. Aangezien het actuele gebruik niet wijzigt en geen graafwerkzaamheden zijn voorzien, achten wij een vervolgonderzoek in dit stadium niet noodzakelijk. Wanneer ter plaatse van de verontreinigde delen van het perceel op een zeker moment graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan dient hier een nader onderzoek uitgevoerd te worden en zullen de werkzaamheden als sanering moeten worden uitgevoerd. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
16 augustus 2021 rapportnummer: C3276R012.008.R1/BBO
15
TABELLEN
Archimil BV voert zijn bodemonderzoeken zorgvuldig en volgens de geldende normen uit. Elk bodemonderzoek is echter gebaseerd op een beperkt aantal grondboringen: ten opzichte van het totale bodemvolume is slechts een klein deel (chemisch) onderzocht. Het is dus mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in de bodem voorkomen, of dat zich verontreinigende stoffen in de bodem bevinden die niet met dit onderzoek naar voren zijn gekomen. Een bodemonderzoek is een momentopname en heeft een beperkte geldigheid: na monstername kan immers een nieuwe verontreiniging geïntroduceerd zijn, terwijl een mobiele verontreiniging zich misschien verplaatst. Archimil BV acht zich dan ook niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
BoToVa T1 Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de landbodem Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
3276R012 VBO Meijelseweg 33, Asten-Heusden
Analyse
Eenheid
25-02-2021 2021035475 04-03-2021 05-03-2021
Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof % (m/m) Organische stof % (m/m) ds Gloeirest % (m/m) ds Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) % (m/m) ds Metalen Barium (Ba) mg/kg ds Cadmium (Cd) mg/kg ds Kobalt (Co) mg/kg ds Koper (Cu) mg/kg ds Kwik (Hg) mg/kg ds Molybdeen (Mo) mg/kg ds Nikkel (Ni) mg/kg ds Lood (Pb) mg/kg ds Zink (Zn) mg/kg ds Minerale olie Minerale olie (C10-C12) mg/kg ds Minerale olie (C12-C16) mg/kg ds Minerale olie (C16-C21) mg/kg ds Minerale olie (C21-C30) mg/kg ds Minerale olie (C30-C35) mg/kg ds mg/kg ds Minerale olie (C35-C40) Minerale olie totaal (C10-C40) mg/kg ds Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 mg/kg ds PCB 52 mg/kg ds PCB 101 mg/kg ds PCB 118 mg/kg ds PCB 138 mg/kg ds PCB 153 mg/kg ds PCB 180 mg/kg ds PCB (som 7) (factor 0,7) mg/kg ds Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK Naftaleen mg/kg ds Fenanthreen mg/kg ds Anthraceen mg/kg ds Fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)anthraceen mg/kg ds Chryseen mg/kg ds Benzo(k)fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)pyreen mg/kg ds Benzo(ghi)peryleen mg/kg ds Indeno(123-cd)pyreen mg/kg ds PAK VROM (10) (factor 0,7) mg/kg ds
1
GSSD
Oordeel
Analytico-nr
Monster
1
11905778
114 (25-75) 115 (21-70)
Eindoordeel:
86,3 3,3 96 3,4
Gestandaardiseerd gehalte Achtergrondwaarde
<= AW
kleiner dan of gelijk aan Achtergrondwaarde
RG Eis
Vereiste rapportagegrens
IW
Interventiewaarde
Industrie
IW
49 0,74 3,9 150 <0,050 <1,5 19 190 1200
20 0,2 3 5 0,05 1,5 4 10 20
0,6 15 40 0,15 1,5 35 50 140
1,2 35 54 0,83 88 210 200
4,3 190 190 4,8 190 100 530 720
920 13 190 190 36 190 100 530 720
86,3 3,3 3,4 161,6 Wonen 1,178 <=AW 11,89 283,9 Nooit toepasbaar <=AW 0,0486 1,05 <=AW Industrie 49,63 284,8 Industrie 2579 Nooit toepasbaar
<3,0 <5,0 <5,0 12 13 <6,0 <35
6,364 10,61 10,61 36,36 39,39 12,73 74,24
<=AW
35
190
190
500
5000
<0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 0,0049
0,0021 0,0021 0,0021 0,0021 0,0021 0,0021 0,0021 0,0148
<=AW
0,0049
0,02
0,04
0,5
1
<0,050 0,1 <0,050 0,31 0,14 0,16 0,064 0,1 0,077 0,096 1,1
0,035 0,1 0,035 0,31 0,14 0,16 0,064 0,1 0,077 0,096 1,117
<=AW
0,5
1,5
6,8
40
40
Gebruikte afkortingen AW
Wonen
Uitgevoerd
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
GSSD
AW
3,3 3,4
Legenda Nr.
RG Eis
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/
BoToVa T1 Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de landbodem Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum