CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU21.06.07B Ruimtelijke onderbouwing Ostaderstraat 26 incl. bijlagen.pdf

Raadscommissie Ruimte 22 juni 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Voorontwerp bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2021-2' (opiniërend)25.934 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2.2.9 Artikel 3.80 Ruimte voor Ruimte Artikel 3.68 van de Interim omgevingsverordening stelt dat binnen het ‘Landelijk gebied’ enkel bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking van artikel 3.68, stelt artikel 3.80 dat onder voorwaarden kan worden voorzien in één of meerdere ruimte-voorruimtekavels binnen het ‘Landelijk gebied’. Ter plaatse van de planlocatie wordt voorzien in drie Ruimte voor Ruimte woningen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ostade’. Navolgend zijn de voorwaarden uit artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening punt voor punt besproken en toegelicht met betrekking tot de planlocatie Ostaderstraat 26 te Asten. 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; Door aankoop van drie bouwtitels Ruimte voor Ruimte is zeker gesteld dat er sprake is van een milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst. Per Ruimte voor Ruimte woning is 1.000 m² aan stallen gesloopt en is een omvang van 3.500 kg. fosfaatrechten uit de markt gehaald. b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;

Crijns Rentmeesters bv

33

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

De planlocatie is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ostade’. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen worden gesitueerd op een planologisch aanvaardbare locatie binnen de bebouwingsconcentratie. De ligging van de planlocatie binnen de bebouwingsconcentratie is nader uitgewerkt in paragraaf 4.3.3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. De stedenbouwkundige inpassing binnen het gebied is nader toegelicht in paragraaf 3.2 en 3.3. c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen worden landschappelijk goed ingepast, passend in de omgeving. De beoogde landschappelijke inpassing van de planlocatie is nader beschreven in paragraaf 3.5. d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijk afweegbaar. De planlocatie is aangewezen als gelegen binnen Verstedelijking afweegbaar. Niettemin vindt met de realisatie van slechts drie Ruimte voor Ruimte woningen geen aanzet tot stedelijke ontwikkeling plaats. 2. Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimtevoor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d. er tenminste 1.000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijk omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie va fosfaat aanwezig is; f.

de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die is beëindigd;

g. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; h. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit;

Crijns Rentmeesters bv

34

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

i.

in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. Door aankoop van drie bouwtitels Ruimte voor Ruimte is zeker gesteld dat wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

3. In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimtevoor-ruimtekavel

als

deze

wordt

ontwikkeld

door

of

vanwege

de

Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Door aankoop van drie bouwtitels Ruimte voor Ruimte is zeker gesteld dat wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. 4. Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3.500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld. Deze omvang is nog niet behaald. Bij de aankoop van de bouwtitels Ruimte voor Ruimte zal voldaan worden aan de voorwaarden Ruimte voor Ruimte zoals gesteld in artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening.

4.2.2.10 Hoofdstuk 4 Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied In hoofdstuk 4 van de Interim omgevingsverordening worden regels gesteld aan waterschappen als waterbeheerder. De maatregelen die nodig zijn om de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in de verordening vastgelegde norm te laten voldoen, neemt de beheerder op in het beheerplan. De regels die worden gesteld binnen hoofdstuk 4 hebben geen rechtstreeks effect op de beoogde herontwikkeling.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1

De Avance, toekomstvisie Asten

Op 2 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Asten de structuurvisie ‘De Avance’ vastgesteld. Deze visie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van Asten tot het jaar 2030 weer. De structuurvisie is zowel een richtinggevend kader als een toetsingskader waarin gewenste en ongewenste ontwikkelingen in de toekomst zijn beschreven. De ruimtelijke vertaling is weergegeven op twee kaartbeelden: een structuurkaart met de bestaande kwaliteiten van de gemeente en de strategiekaart waarin keuzes en ontwikkelingen voor de toekomst zichtbaar zijn gemaakt. Beide kaartbeelden zijn gecombineerd tot een Ruimtelijk Model, waarin de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende decennia zijn weergegeven. De planlocatie is in de structuurvisie aangewezen als gelegen binnen een ‘half open landschap’ dat ‘aandacht voor landschapsontwikkeling’ behoeft. Tevens is de locatie aangewezen als ‘afweegbaar gebied uitbreiding wonen’. In de visie is hierover het navolgende aangegeven: “De westelijke uitbreiding in Ostade wordt eventueel als afweegbaar gebied voor verstedelijking

Crijns Rentmeesters bv

35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

beschouwd. Hierbij kan gedacht worden aan bebouwing in lage dichtheden. De landschappelijke inpassing, de cultuurhistorische waarden van het gebied en waterberging vormen de belangrijkste uitgangspunten bij de inrichting van dit gebied.” In de gemeentelijke toekomstvisie is aangegeven dat zuinig ruimtegebruik in de vorm van inbreiding, herstructurering, herbestemming en intensivering voor uitbreiding gaat. De Avance beschrijft een woningbehoefte van 726 woningen voor de periode 2006-2021. Dit is later bijgesteld in de Woonvisie en de Woningbouwmonitor. De beoogde ontwikkeling past met de toevoeging van zes extra woningen waarbij vier aan de doorgaande weg en drie ruime kavels met een lage dichtheid op het ‘achtererf’ binnen het beleid zoals weergegeven in de toekomstvisie van de gemeente Asten ‘De Avance’. Sprake zal zijn van herstructurering van de planlocatie. In samenhang wordt het landschap ontwikkeld en worden cultuurhistorisch belangrijke landschapslijnen versterkt.

4.3.2

Structuurvisie bebouwingsconcentraties

Op 14 december 2010 heeft de gemeente Asten de ‘Structuurvisie bebouwingsconcentraties’ vastgesteld. Het doel van deze structuurvisie is het bereiken van kwaliteitsverbetering in het buitengebied. Deze structuurvisie koppelt de realisatie van landschappelijke kwaliteit aan ‘rode’ ontwikkelingen en vormt zo het instrument voor het bereiken van de doelstelling. De planlocatie is in de structuurvisie aangewezen als gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ostade’. Navolgende figuur betreft een uitsnede van het kaartbeeld van de bebouwingsconcentratie ‘Ostade’, met de planlocatie in het middel van de figuur weergegeven.

Figuur 27: Uitsnede kaartbeeld Visie bebouwingsconcentraties, bebouwingsconcentratie ‘Ostade’

De bebouwingsconcentratie ‘Ostade’ ligt aan de westkant van Asten, tegen de kom. De concentratie bestaat uit de Weivelden, Ostaderstraat, Slotweg en Keizersdijk. Rond de bebouwingsconcentratie liggen er grote contrasten. Aan de oostzijde ligt de kern en aan de zuidzijde liggen de sportvelden. Het open agrarische landschap bevindt zich aan de overige twee

Crijns Rentmeesters bv

36

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

zijden. Het landschap bestaat uit grote landschapskamers, die omzoomd worden door houtsingels en bomen. De concentratie zelf is een kleine landschapskamer tegen de kern van Asten aan. De grootschalige agrarische bedrijvigheid tegen de kern van Asten kan als knelpunt ervaren worden in het kader van geur- en geluidhinder voor de aanliggende woonwijken. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling komt een agrarisch bouwvlak te vervallen, wat een positieve invloed heeft op de geur- en geluidhinder in de omgeving. Verdichting van de cluster is niet toegestaan. Functieverandering dient volgens de structuurvisie gepaard te gaan met aanmerkelijke ontstening van de cluster en nieuwbouw is alleen toegestaan onder strikte voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het zicht op het omliggende landschap niet nadelig wordt beïnvloed. Verder is landschappelijk inpassen van een bouwvlak een vereiste. De functionele mogelijkheden voor hergebruik of functieverandering van de cluster richten zich op wonen in lage dichtheid en extensief en routegebonden horeca. Ook onder andere het completeren van groenstructuren en landschappelijke elementen, het beter landschappelijk inpassen van de verschillende bouwblokken, het behoud van de relatie met landschap en open ruimtes en het terugbrengen van de bebouwingsoppervlakte van de stallen zijn doelstellingen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ostade’.

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt circa 1.450 m² aan stallen gesloopt met tevens een forse oppervlakte aan erfverharding en twee sleufsilo’s en maakt tevens de voormalige agrarische bedrijfswoning, zonder cultuurhistorische waarden, plaats voor een zevental nieuwe woningen. Deze woningen worden landschappelijk ingepast, waarbij nadrukkelijk aandacht is besteed aan de landschapskamers en waarbij aansluiting is gezocht bij de groenstructuren en landschapselementen van de bebouwingsconcentratie. Nieuwe functies binnen de bebouwingsconcentratie moeten passen bij de woonfunctie en dienen zich te bevinden tussen de rooilijnen. De beoogde drie Ruimte voor Ruimte kavels zullen worden gesitueerd aan een erfmodel, achter de vier levensloopbestendige twee-onder-een-kap woningen in langgevelboerderijvorm. Hiermee wordt afgeweken van de stedenbouwkundige randvoorwaarde dat tussen de rooilijnen dient te worden gebouwd. Gebouwd wordt echter niet achter de bestaande achterrooilijn van de bebouwing ter plaatse, waarmee bebouwing niet verder op het achtererf komt dan in de huidige situatie. Met de stedenbouwkundige analyse, waarbij een aanzienlijke kwaliteitsverbetering wordt geleverd en waarbij wordt ingespeeld op de kwaliteiten van het landschap ter plaatse en in de omgeving, wordt deze bebouwing aan het erfmodel aanvaardbaar geacht.

De beoogde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing van de woningen is reeds nader toegelicht in de paragrafen 3.3 en 3.5 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Met de beoogde transformatie van de planlocatie Ostaderstraat 26 te Asten wordt een kwaliteitsslag behaald binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ostade’.

4.3.3

Woonvisie gemeente Asten 2015 t/m 2024

De gemeente Asten heeft op 8 november 2016 de ‘Woonvisie gemeente Asten 2015 tot en met 2024’ vastgesteld. Bij vaststelling van deze woonvisie zijn de regionale woningbouwafspraken in acht genomen. Deze afspraken zijn gebaseerd op de provinciale prognosegegevens en zijn vastgesteld in het RRO, waarin de gemeenten zijn vertegenwoordigd.

Crijns Rentmeesters bv

37

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

De gemeente Asten richt zich op het realiseren van een woningvoorraad die past bij de woonbehoeften van de Astense bevolking, zowel kwantitatief (voldoende woningen) als kwalitatief (juiste woningen). Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor de gemeente Asten als geheel maar ook voor de drie afzonderlijke kernen binnen de gemeente: Asten, Heusden en Ommel. De toevoeging van de woningen vindt primair plaats binnen bestaand stedelijk gebied, de wettelijke verplichting op grond van de ladder voor duurzame verstedelijking, met voorrang voor: locaties nabij voorzieningen, herstructureringslocaties. Ook wordt eerst leegstaand of leegkomend vastgoed benut. Dit valt onder het principe van zuinig ruimtegebruik. In de Woonvisie van de gemeente Asten is een kwantitatieve taakstelling voor de gemeente Asten opgenomen voor de bouw van 910 woningen in de eerste 10 jaar. Hiervan ligt taakstelling voor Asten van 75% van dit aantal woningen, zijnde 683 woningen. In de woningbouwmonitor is aangegeven dat er voor Asten reeds 470 woningen zijn gepland, waarmee er dan ook nog een woningbouwopgave ligt van 213 woningen. De toevoeging van drie extra woningen binnen de planlocatie,

past

daarmee

binnen

de

kwantitatieve

taakstelling

van

het

gemeentelijk

woningbouwprogramma. Als kwalitatieve taakstelling voor de gemeente Asten als geheel is opgenomen dat het aantal starters-, gezins- en seniorenwoningen respectievelijk 20%, 30% en 50% dient te bedragen. Beoogd wordt vier levensloopbestendige twee-onder-een-kap woningen te realiseren aan de Ostaderstraat, waarmee nadrukkelijk invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve taakstelling van het gemeentelijk woningbouwprogramma. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen vallen buiten het gemeentelijk contingent.

4.3.4 De

Toekomstagenda Asten 2030

gemeenteraad

van

Asten

heeft

Toekomstagenda

Asten

2030

vastgesteld

in

de

raadsvergadering van 27 juni 2017. Het doel van deze toekomstagenda is de manier van besturen binnen de gemeente Asten aan te laten sluiten bij de veranderende omstandigheden en bij de behoefte van de inwoners van de gemeente Asten. Centraal in de toekomstagenda zijn vier opgaven:

-

Transformatie van het buitengebied; Vitale kernen Centrumontwikkeling Klimaatbestendig en energieneutraal Asten.

De beoogde ontwikkeling op de planlocatie past in de opgave om te komen tot vitale kernen. De gemeente Asten is een aantrekkelijke woongemeente. Hiertoe voert de gemeente Asten een flexibel woonbeleid. Het beleid is flexibel en gericht op de lokale woonbehoeften. Gelet op de vergrijzing beoogt de gemeente Asten combinaties met zorg te realiseren, zodat mensen met een beperking zo veel mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Verder beoogt de gemeente Asten de aantrekkingskracht voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, dichtbij stedelijke voorzieningen en werk te versterken.

Crijns Rentmeesters bv

38

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

Het initiatief sluit aan bij deze toekomstagenda. De vier levensloopbestendige woningen zijn geschikt voor ouderen al of niet met een zorgbehoefte. De locatie is tevens passend voor de vraag naar rustig, landelijk woning maar tevens nog dichtbij alle voorzieningen van het dorp.

Crijns Rentmeesters bv

39

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

5. MILIEUASPECTEN 5.1 Bodem Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Door M&A Bodem & Advies BV is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde bodemonderzoek: “Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" worden aangenomen, gezien het feit dat geen locatiespecifieke verontreinigingen zijn geconstateerd. De hypothese “diffuus belaste locatie met heterogeen verdeelde verontreinigingen op schaal van de monsterneming” kan worden aangenomen gezien het feit dat er asbest in de bodem is aangetroffen. De verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Voor de sterke verontreiniging met koper in het grondwater, is formeel gezien een nader onderzoek noodzakelijk. Omdat de verhogingen alleen stroomopwaarts wordt aangetroffen, is een nader onderzoek hier niet noodzakelijk.

De verhogingen worden veroorzaakt door de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. De lichte verhogingen met minerale olie en PCB’s in een gedeelte van de bovengrond zijn mogelijk gerelateerd aan het gebruik van agrarische voertuigen op de parkeerplaats en het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de locatie. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. In verband met het onderzoek asbest in de bodem zijn per zijde van een dak een aantal gaten van 30x30 cm gemaakt tot 0,2 m-mv. Van de gaten zijn in totaal 4 mengmonsters samengesteld en deze zijn geanalyseerd op asbest. Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest in mengmonster M1 en M3 hoger is dan de toetsingswaarde voor nader onderzoek van 50 mg/kg ds. Voor M3 wordt zelfs een sterke verontreiniging met asbestvezels aangetroffen. Voor beide dakhelften is daarom een nader onderzoek noodzakelijk. Verder wordt in de fractie kleiner dan 500 µm losse asbestvezels aangetroffen. Op 14 april 2020 zijn bij M1 t/m M3 op 2 meter afstand van de gebouwen nieuwe gaten gemaakt tot 0,2 m-mv. Hiervan zijn monsters samengesteld en deze zijn geanalyseerd op asbest. Ook zijn bij M1 en M3 de ondergrond bemonsterd en ook deze (meng)monsters zijn geanalyseerd op asbest. In alle monsters wordt ten hoogste

Crijns Rentmeesters bv

40

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

een gehalte van 8 mg/kg ds asbest geconstateerd en er worden geen losse vezels waargenomen. Dit betekent dat bij de asbestsanering van de daken een strook van ongeveer 1,5 meter als asbesthoudend te worden verwijderd. Dit is mogelijk omdat de bovenlaag door de asbestsloper in combinatie met de asbestsloop mag worden gesaneerd. Geconcludeerd wordt dat er belemmeringen zijn geconstateerd m.b.t. asbest in de bodem in verband met de bestemmingswijziging naar wonen. Er is een nader onderzoek uitgevoerd bij M1 t/m M3 en hierbij is geconstateerd dat de asbest in de bovenlaag beperkt blijft in een strook van 1,5 meter langs de gebouwen. Deze kan worden gesaneerd tijdens de asbestsloop.” Het uitgevoerde onderzoek (Verkennend en nader Bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 Ostaderstraat 26/26a, Asten, M&A Bodem & Asbest BV, rapportnummer 220-AOs26-vo-voav2, d.d. 20 april 2020) is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Met de beoogde sloop en daar bij behorende asbestsanering worden de conclusies en aanbevelingen uit het uitgevoerde onderzoek meegenomen, waarmee het asbest op een verantwoorde wijze zal worden verwijderd.

5.2 Waterhuishouding 5.2.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. De planlocatie valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas.

5.2.2

Relevant beleid

5.2.2.1 Keur 2021 Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van de planlocatie is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2021’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. De planlocatie is niet gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied.

Crijns Rentmeesters bv

41

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

5.2.2.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine

plannen.

Hoewel

er

relatief

veel

kleine

plannen

zijn

veroorzaken

deze

op

deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

5.2.2.3 GRP gemeente Asten 2021-2025 De gemeenteraad van de gemeente Asten heeft op 8 december 2020 het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan gemeente Asten 2021-2025’ (GRP) vastgesteld. Dit plan bevat zowel het rioleringsals het waterbeleid omdat dit niet los van elkaar kan worden gezien. De gemeente geeft in dit plan aandacht aan 9 speerpunten: 1. Duurzame waterketen 2. Klimaatbestendige waterketen 3. Grondwaterhuishouding in balans 4. Een klimaatbestendig watersysteem 5. Schoon en gezond water 6. Water als ordenend principe 7. Beleefbaar water 8. Verder professionaliseren waterketen 9. Samen werken aan water Om de strategie bij speerpunt 2 te concretiseren is een handreiking hemelwaterbeleid opgesteld. De handreiking geeft duidelijkheid over te hanteren normen ten aanzien van waterberging. In de handreiking zijn 5 categorieën opgenomen: 1. Bestaand (ongewijzigd): Geen extra waterberging wordt vereist.

Crijns Rentmeesters bv

42

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

2. Drukriool buitengebied: Hier geldt een algeheel verbod om hemelwater af te voeren op de drukriolering. Afgedwongen kan worden dat regenwater niet op de drukriolering mag worden geloosd. 3. Nieuwbouw (uitbreiding, inbreiding en bijgebouwen > 40 m², herbouw, aanbouw van 90 m² of meer: Er dient te worden voorzien in een gescheiden afvoer / verwerking van schoon hemelwater

en

afvalwater.

Voor

nieuwbouw

vereist

de

gemeente

een

waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak. Ook bij herbouw dient eveneens een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. 4. Verbouw, aanbouw (tot 90 m²), vrijstaande bijgebouwen (tot 40 m²) bij bestaande gebouwen en woonunits op bouwlocaties: Flexibiliteit wordt gegeven om ruimte voor wateropvang te creëren. De gemeente stimuleert initiatieven van particulieren, bedrijven en instellingen voor duurzame omgang met water. 5. Aanleg van bescheiden riolering: Bio rioolverzwaring of rioolvervanging legt de gemeente een separaat hemelwaterriool aan of wordt het hemelwater ter plaatse geborgen en geïnfiltreerd of geloosd op oppervlaktewater. De beoogde herontwikkeling van de planlocatie ziet toe op nieuwbouw van zeven woningen, in samenhang met de sanering van de voormalige veehouderij ter plaatse. Voorzien dient dan ook te worden in een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³.

5.2.3

Waterafvoer na herontwikkeling

In de huidige situatie is 1.763 m² bebouwing aanwezig plus ongeveer evenveel terreinverharding. De huidige bebouwing en terreinverharding worden geheel verwijderd. In de nieuwe situatie is voorzien in 1.360 m² nieuwe bebouwing en 1.000 m² aan verhard oppervlak. Er zal in de nieuwe situatie minder verhard oppervlak zijn dan in de huidige situatie. De hemelwaterafvoer van de nieuwbouw zal worden afgekoppeld. Dit betekent dat er extra waterberging nodig zal zijn. Er is immers in de bestaande situatie geen sprake van afkoppeling, maar van aansluiting op het riool van zowel het vuile water als hemelwater. Aan de zijkant van de projectlocatie -langs de Slotweg- is reeds een weggreppel aanwezig welke deels op en deels tegen de kavelgrens is gelegen. De gemeente Asten ziet het als ongewenst deze bestaande weggreppel met meer hemelwater te belasten. Aan de achterzijde, tegen het gemeentebosje, loopt nu een erg diepe sloot. Deze is niet meer nodig voor de hoofdafwatering en zou dus ingezet kunnen worden in de realisatie van een duurzamer watersysteem. Ten behoeve van het klimaatneutraal aanleggen van nieuwe bebouwing wordt 60 mm waterberging voor het nieuwe verharde oppervlak gevraagd. Dat betekent 60 liter waterberging per vierkante meter verhard oppervlak, ofwel 600 m³ per hectare. Op basis van de berekende 2.400 m² verhard oppervlak is dus 144 m³ waterberging nodig.

Ter plaatse van de bestaande sloot kan 227 m² aan nieuwe waterberging gerealiseerd worden in de vorm van een opgestuwde sloot met vast peilschot en een instroomput. Om de benodigde waterberging te realiseren dient een schijf van bijna 65 cm water mogelijk zijn in het nieuwe profiel van de bergingssloot. Met een wakingshoogte van 50 cm dient de nieuwe bodemdiepte aldus 1,15 m te bedragen. De bestaande sloot zal

Crijns Rentmeesters bv

43

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

verondiept worden. Bijkomend voordeel is dat de sterk afwaterende werking van de huidige diepe sloot daarmee wordt opgeheven. Op Figuur 21: Overzicht van de beoogde detailafwatering (Bron: P15 (stads)landschappen) is de beoogde detailafwatering in beeld gebracht.

5.2.4

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.2.5

Afvalwater

De beoogde woningen worden aangesloten op de bestaande riolering onder de Ostaderstraat. Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Asten.

5.3 Cultuurhistorie De planlocatie ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige

veengebied

van

De

Peel.

Deze

oude

dorpen

worden

gekenmerkt

door

akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. De Ostaderstraat betreft volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie NoordBrabant een Lijn van redelijk hoge waarde. Het betreft een historisch lint welke reeds op historische geografische kaarten zichtbaar is. In paragraaf 2.1.2 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt nader ingegaan op de cultuurhistorie van de planlocatie. Binnen de planlocatie is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Met de sloop van de stallen en de boerderij gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren. Er is ook geen sprake van waardevolle houtopstanden waarmee rekening gehouden dient te worden. De beoogde herontwikkeling doet evenmin afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in de regio dan wel de cultuurhistorische geografische lijn. De beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de cultuurhistorische waarden in de omgeving van de planlocatie.

Crijns Rentmeesters bv

44

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

5.4 Archeologie 5.4.1

Verdrag van Valletta

In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

5.4.2

Wet op de archeologische monumentenzorg

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

5.4.3

Archeologiebeleid Asten

De gemeente Asten heeft in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen archeologiebeleid ontwikkeld. Middels dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ is dit beleid vastgelegd in de vigerende bestemmingsplannen. Over het noordelijke gedeelte van de planlocatie is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ gelegen.

Ter

plaatse

geldt

een

onderzoeksplicht

naar

archeologische

waarden

bij

bodemverstoringen over een oppervlakte van meer dan 250 m² en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. Ter plaatse van deze dubbelbestemming worden geen werkzaamheden voorzien welke leiden tot een bodemverstoring over een oppervlakte van meer dan 250 m². Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin blijft de dubbelbestemming behouden, waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden ook in de toekomst beschermd blijven.

5.5 Flora en fauna 5.5.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming). Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is een ecologische quickscan uitgevoerd. In navolgende subparagrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek beschreven.

Crijns Rentmeesters bv

45

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

De ecologische quickscan (Herontwikkeling Ostaderstraat 26 te Asten, Ecologische quickscan, Maassen ecologisch advies en onderzoek, d.d. 20 november 2020) is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

5.5.2

Gebiedsbescherming

De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Navolgende conclusie over gebiedsbescherming voor wat betreft Natura 2000-gebieden wordt getrokken in de ecologische quickscan: “Negatieve effecten op Natura 2000-gebied die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde normen betekenen kunnen geheel uitgesloten worden, gelet op de afstand, schaal en aard van de voorgenomen ontwikkelingen.

Een Aeriusberekening en toetsing aan de Natura 2000-wetgeving worden daarom niet noodzakelijk geacht.” Voor wat betreft provinciale beschermingszones wordt het navolgende geconcludeerd: “Effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied aantasten of van negatieve invloed op de waterhuishouding binnen NNB-gebied zijn kunnen geheel uitgesloten worden. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.” Voor wat betreft de Groenblauwe mantel wordt het navolgende geconcludeerd: “Door de ligging van het plangebied buiten de landschappelijke provinciale beschermingszone van Groenblauwe mantel kunnen overtredingen van § 3.2.4 art. 3.3.2 van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten worden.”

5.5.3

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een

Crijns Rentmeesters bv

46

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt alle bebouwing binnen de planlocatie Ostaderstraat 26 gesloopt. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek voor wat betreft de soortenbescherming: “Als het broedseizoen onvoldoende in acht genomen wordt is een overtreding van WNB artikel 3.1 lid 2 mogelijk. Zie ‘voorzorgsmaatregelen’ om een overtreding te voorkomen. Ten gevolge van de herontwikkeling kunnen negatieve effecten op het functioneel leefgebied van vogels uit de beschermingscategorieën 1 t/m 4 niet uitgesloten worden. Om vast te stellen of een overtreding van Wnb artikel 3.1 lid 4 en 5 mogelijk is, dient nader onderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor de kerkuil uitgevoerd te worden. Negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplekken van dieren die strikt beschermd zijn doormiddel van de Habitatrichtlijn zijn niet uit te sluiten.

Om vast te stellen of een overtreding van Wnb art 3.5 lid mogelijk is dient nader onderzoek naar verblijfplekken van vleermuizen uitgevoerd te worden. Verstoring en aantasting van functioneel leefgebied van strikt beschermde soorten kan niet uitgesloten worden. Nader onderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor vleermuizen (en in het bijzonder voor de gewone grootoorvleermuis) is noodzakelijk om vast te stellen in hoeverre een overtreding van Wnb art 3.5 lid 2 mogelijk is. Om vast te stellen of een overtreding van Wnb art 3.10 lid 1b mogelijk is dient nader onderzoek naar verblijfplekken van eekhoorn en kleine marterachtigen uitgevoerd te worden. Binnen het plangebied worden geen groeiplaatsen van beschermde plantensoorten verwacht en daarmee geen overtreding van Wnb art 3.5 lid 5. Binnen het plangebied worden geen groeiplaatsen van beschermde plantensoorten verwacht en daarmee geen overtreding van Wnb art 3.10 lid 1c. Indien onvoldoende zorgvuldig te werk wordt gegaan bij uitvoering van de werkzaamheden kan een overtreding plaats vinden van verbodsbepalingen in Wnb §1.3 art 1.11 die de zorgplicht betreffen. Zie ‘voorzorgsmaatregelen en mitigatie’ voor te nemen maatregelen.”

Crijns Rentmeesters bv

47

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

Navolgende samenvatting wordt gegeven: “Nader

onderzoek

is

nodig

naar

verblijfplekken

van

vleermuizen,

kleine

marterachtigen en eekhoorn en naar het functioneel leefgebied van kerkuil en vleermuizen. Een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt niet verwacht:

- Als voor verlies van jaarrond beschermde verblijfplekken en functioneel leefgebied

voor

de

instandhouding

daarvan,

aantoonbaar

afdoende

compensatie en mitigatie geboden kan worden op basis van de gestelde wettelijke normen;

- De voorzorgsmaatregelen en mitigatiemaatregelen die het volgende hoofdstuk (6) vermelden in acht worden genomen.” Met de beoogde herontwikkeling worden te allen tijde de voorzorgsmaatregelen in acht genomen en zullen mitigatiemaatregelen worden genomen. Bij wijze van voorzorgsmaatregel zal daartoe de dichte begroeiing, afvalbergen en opgeslagen materialen met het oog op overwinterende amfibieën, waaronder in het bijzonder de alpenwatersalamander, buiten de overwinteringsperiode in de periode maart-juni worden verwijderd. Dit geldt ook voor de egel; met het oog op deze soort dienen in het bijzonder dichte bodembedekkende klimopbegroeiing buiten de winterperiode verwijderd te worden. Het verwijderen dient voorzichtig te gebeuren om egels geen schade te berokkenen.

5.6 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De planlocatie is gelegen binnen een 30 kilometerzone. Niettemin dient te allen tijde sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de geluidkaart van Nederland, ter plaatse van de planlocatie. De planlocatie is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.

Crijns Rentmeesters bv

48

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

Figuur 28: Geluid van wegverkeer in Nederland (Lden) (Bron: Atlas Leefomgeving)

De geluidbelasting op deze kaart wordt uitgedrukt in Lden (Lday-evening-night), de maat voor de gemiddelde geluidbelasting over een etmaal. Deze kaart geeft een ruwe indicatie van de geluidkwaliteit en daarmee een goed beeld van de geluidkwaliteit van aandachtsgebieden zoals woonkernen, natuur- en stiltegebieden. Op het meest zuidoostelijke deel van de planlocatie, aan de straatzijde, is sprake van een geluidniveau van 45 – 50 dB, waarmee gesteld kan worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor het overige kan worden gesteld dat op basis van wegverkeerslawaai sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Gesteld kan dan ook worden dat het aspect wegverkeerslawaai geen bezwaar is voor de beoogde herontwikkeling.

5.7 Agrarische bedrijvigheid 5.7.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd. Op 27

Crijns Rentmeesters bv

49

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 Wgv bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in:

-

Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; Buitengebied 10,0 odour units; Woonkern Heusden 0,5 odour units; Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units.

Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. De planlocatie is op grond van de geurnormenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening gelegen buiten de bebouwde kom. Na de beoogde herontwikkeling wordt de planlocatie echter gezien als gelegen binnen de bebouwde kom zoals bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij.

5.7.2

Veehouderijen in de omgeving

In de omgeving van de planlocatie is een tweetal veehouderijbedrijven gelegen. Op navolgende figuur is de ligging van deze veehouderijen in de omgeving weergegeven. De planlocatie is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel. Ter plaatse van de planlocatie is tevens nog een agrarisch bedrijf inzichtelijk. De vergunning ter plaatse is echter inmiddels van rechtswege komen te vervallen.

Ostaderstraat 36

Weivelden 2

Figuur 29: Veehouderijen in omgeving planlocatie

Op deze omliggende veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:

Crijns Rentmeesters bv

50

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

Figuur 30: Vergunde dieraantallen Ostaderstraat 36 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

Figuur 31: Vergunde dieraantallen Weivelden 2 (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

5.7.3

Vaste afstanden

Op de beide veehouderijen worden (ook) dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Hiervoor gelden vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Aan Ostaderstraat 36 zijn 40 stuks vrouwelijk jongvee vergund, waarvoor op grond van de gemeentelijke geurverordening een vaste afstand geldt van 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Met een afstand van circa 190 meter tot de hoek van het agrarisch bouwvlak Ostaderstraat 36 is deze veehouderij gelegen op voldoende afstand tot de planlocatie, zowel voor de ligging binnen als buiten de bebouwde kom. Aan Weivelden 2 zijn 398 stuks melk- en kalfkoeien en 110 stuks vrouwelijk jongvee vergund. Op grond van de gemeentelijke geurverordening dient hiertoe 624 meter aangehouden te worden binnen de bebouwde kom en 196 buiten de bebouwde kom. Met een afstand van ruim 270 meter tot de planlocatie is deze veehouderij gelegen op ruim voldoende afstand, zowel voor de ligging binnen als buiten de bebouwde kom.

5.7.4

Woon- en leefklimaat

5.7.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

Navolgend

worden

derhalve

zowel

de

voorgrond-

als

de

achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie inzichtelijk gemaakt.

Crijns Rentmeesters bv

51

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

5.7.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De beide veehouderijen in de omgeving van de planlocatie hebben een geuremissie van 7.760,8 oue/m³. Door de ligging ten opzichte van de planlocatie kan worden gesteld dat de veehouderij Ostaderstraat 36 de dominante veehouderij betreft. Voor deze veehouderij is dan ook de voorgrondbelasting berekend ten opzichte van de planlocatie. Navolgend is de berekening weergegeven. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de uiterste hoekpunten van de beoogde woonbestemmingen. Het XY-coördinaat van de veehouderij betreft hiermee de meest dicht bij de planlocatie gelegen hoekpunt van het bouwvlak. Hiermee is de worst-case-scenario berekend. Berekende ruwheid: 0,67 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

Ostaderstraat 36

178 934

379 332

6,0

6,0

0,50

4,00

7 761

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

2

W

179 024

379 517

10,0

1,4

3

Z

179 086

379 445

10,0

1,5

4

N

179 104

379 595

10,0

0,7

5

O

179 134

379 518

10,0

0,8

Tabel 1: Voorgrondbelasting Ostaderstraat 36 op planlocatie

De voorgrondbelasting op de planlocatie afkomstig van de veehouderij Ostaderstraat 36 te Asten bedraagt maximaal 1,5 oue/m³.

5.7.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting en wordt berekend met het programma V-Stacks Gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeenten Asten en Someren ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant (uitvoer 15 december 2020). Navolgend zijn de invoergegevens en is de berekening weergegeven. Berekende ruwheid: 0,76 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 178 086 m Rasterpunt linksonder y: 378 445 m

Crijns Rentmeesters bv

52

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

Gebied lengte (x): 2000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 2000 m , Aantal gridpunten: 50

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] 1001 179024 379517 2,10 1002 179086 379445 2,21 1003 179104 379595 1,54 1004 179134 379518 1,72 Tabel 2: Achtergrondbelasting ter plaatse van planlocatie

Navolgend is de achtergrondbelasting ter plaats van de planlocatie Ostaderstraat 26 te Asten weergegeven, geprojecteerd op een luchtfoto.

Figuur 32: Achtergrondbelasting planlocatie en omgeving

Ter plaatse van de beoogde woonbestemmingen binnen de planlocatie is sprake van een achtergrondbelasting van maximaal 2,21 oue/m³. Hierbij is de (fictieve) geuremissie van de melken kalfkoeien in de omgeving niet meegenomen. Deze dragen zodanig minimaal bij aan de geuremissie op deze grote afstand, dat kan worden gesteld dat dit nauwelijks effect heeft op de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie.

5.7.4.4 Conclusie woon- en leefklimaat Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting

ten

minste

de

helft

bedraagt

van

de

achtergrondbelasting.

De

voorgrondbelasting ter plaatse bedraagt maximaal 1,5 oue/m³ en de achtergrondbelasting maximaal 2,21 oue/m³. Derhalve is de voorgrondbelasting bepalend. Het woon- en leefklimaat ter plaatse kan worden bestempeld als zeer goed. Niettemin kan eveneens op grond van de achtergrondbelasting worden gesteld dat sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.

Crijns Rentmeesters bv

53

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

5.7.5

Belangenafweging

Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De meest dicht bij de planlocatie gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 190 meter. Tussen de planlocatie en de veehouderijen in de omgeving zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen. De planlocatie is daarmee niet de belemmerende factor voor veehouderijen. Als gevolg van de beoogde

herontwikkeling

worden

veehouderijen

dan

ook

niet

verder

in

de

ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.

5.7.6

Conclusie

Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de planlocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen onevenredig in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.

5.8 Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.

De planlocatie kan door de ligging aan een bebouwingslint in het buitengebied, direct tegen de bebouwde kom van Asten, met een menging van functies in de directe nabijheid, worden gezien als gelegen binnen het ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in een ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

Crijns Rentmeesters bv

54

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

In de directe nabijheid van de planlocatie is een museum een sterrenwacht en een IVN gebouw gelegen. Deze functies zijn allen gelegen op een maatschappelijke bestemming. Het museum en de sterrenwacht zijn te scharen onder de sbi-2008 categorie 9101,9102. Dit zelfde geldt voor het IVN gebouw. Dergelijke bedrijven zijn ingevolge de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ te categoriseren als milieucategorie 1 waarvoor een grootste afstand van 10 meter geldt binnen een rustige woonwijk. In een gemengd gebied geldt voor dergelijke bedrijven een richtafstand van 0 meter. De sportvelden liggen op een afstand van 110 meter. Voor veldsportcomplexen met verlichting (sbi-2008; 931) geldt binnen een gemengd gebied een grootste aan te houden afstand van 30 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.

5.9 Externe veiligheid 5.9.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

5.9.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.

De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.

5.9.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het

Crijns Rentmeesters bv

55

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke.

Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.

5.9.4 Beoordeling van de planlocatie 5.9.4.1 Bedrijven De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van circa 920 meter ten zuiden van de planlocatie. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.

5.9.4.2 Transport Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van 1,7 kilometer tussen planlocatie en A67, is de planlocatie formeel gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Er dient dan ook een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 900 meter ten zuidwesten van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.

Crijns Rentmeesters bv

56

Ruimtelijke onderbouwing ‘Ostaderstraat 26 Asten’

Op een afstand van eveneens circa 900 meter ten zuidwesten van de planlocatie is een hoogspanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben.

5.9.4.3 Groepsrisico Gezien het feit dat de planlocatie binnen het invloedsgebied van de A67 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling. In dit geval is het plan niet bestemd voor zeer kwetsbare personen, ligt de Rijksweg op een afstand van 1,7 kilometer en is de toename van personen in het gebied door onderhavig plan minder dan 50. Derhalve kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio overgenomen worden. Het standaardadvies van de Veiligheidsrisico luidt als volgt: Communicatie Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid & bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=c85dd65f-3162-46d2-846b-19eacd216321