CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU21.06.06D Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 vast te stellen.pdf

Raadscommissie Ruimte 22 juni 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Asten Verzamelplan 2021-1' (adviserend)20.115 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting Bij de beoordeling van de geurbelasting op basis van emissiefactoren uit de Rgv kan een onderscheid worden gemaakt in voorgrondbelasting en achtergrondbelasting:  onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is een maat voor het bepalen van het leefklimaat;  met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen.

29

Tabel 4.4: Milieukwaliteitscriteria zoals RIVM hanteert voor milieurapportages en – toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder ( Bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002).

4.6.2 Toetsing plan

Het plan bestaat uit het staken van de varkenshouderij en het realiseren van een nieuwe rundvee stal voor de zoogkoeien en paardenstal, dieren waarvoor een minimale vaste afstand moet worden aangehouden. Beide beoordelingskaders dienen dus getoetst te worden. De nieuw te realiseren stal is op voldoende afstand geplaatst van de dichtstbijzijnde woning waardoor de afstand emissiepunt – gevel woning meer dan 50 meter bedraagt. De vergunde geuremissie bedraagt 43.140 OUE/sec. De geuremissie van het voornemen bedraagt 0 OUE/sec. Het voornemen leidt ten opzichte van de vergunde situatie tot een afname van de geuremissie. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geur voor het plan.

4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Algemeen

De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: ‘Wm’), ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De kern van deze wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm.

Uitzondering beoordeling luchtkwaliteitseisen Bij een planafwijkingsbesluit dient ingevolge artikel 5.16 Wm ook getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen. Deze hoofdregel leidt uitzondering als:  een plan in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen;  of als een plan niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste luchtverontreinigende stoffen zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/³.

30

stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, is het plan nibm en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. In de Regeling nibm is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. In mei 2010 is de 'Handreiking fijn stof voor veehouderijen' door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gepubliceerd. Deze handreiking is opgesteld door InfoMil in samenwerking het Ministerie van I&M en gaat in op de regelgeving over luchtkwaliteit, waarbij ook wordt ingegaan op de Regeling nibm. In de handreiking wordt beschreven hoe om te gaan met de beoordeling van emissie van fijn stof vanuit veehouderijen in het geval sprake is van een beperkte toename of een afname van de emissie. Hieronder is een tekstfragment uit paragraaf 2.2 van de handreiking overgenomen, waar specifiek ingegaan wordt op luchtkwaliteit bij veehouderijen: Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling nibm. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van nibm. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk nibm zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie.

Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting nibm is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% nibm grens, dus van na de inwerking treding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de nibm grens blijft. Dit doet u door de hoeveelheid nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de emissiefactor en deze te vergelijken met de waarden uit de tabel. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker nibm. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM. Er zal een berekening met ISL3a uitgevoerd moeten worden om aan te tonen dat geen grenswaarden worden overschreden ofwel de uitbreiding bij precieze berekening toch nibm blijkt te zijn.

4.7.2 Toetsing plan De vergunde fijnstofemissie is 372.294 gr/jaar. In het voornemen is er sprake van fijnstof voor het houden van het rundvee, namelijk 3.440 gr/jaar. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde object en de geringe fijnstofemissie kan het voornemen gezien worden als NIBM. Een ander aspect van het plan dat van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit, is een eventuele toename van voertuigbewegingen. Er vindt een afname plaats in het aantal transportbewegingen ten opzichte van de vergunde situatie. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Tabel 4.6: Toename emissie fijn stof onder NIBM-grens

31

4.8 Milieueffectrapportage 4.8.1 Algemeen

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De MER-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. Bij het bestaan van een MER-plicht mag de vergunningsaanvraag pas in procedure worden gebracht als de voorafgaande MER-procedure is afgerond. De MER geeft een beeld wat de milieugevolgen bij een gewenste oprichting zijn. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Besluit m.e.r: drempelwaarden m.e.r.-(beoordelings)plicht In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is. Daaruit volgt dat er een m.e.r-(beoordelings)plicht geldt voor een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren als deze boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt.

Deze drempelwaarden zijn voor de onderdelen C14 en D14 in onderstaande tabellen weergegeven. Tabel 4.7 Onderdeel C Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-plicht

4.8.2 Toetsing plan

De omschakeling naar paarden en zoogkoeien leidt tot een toename van het aantal te houden paarden en zoogkoeien maar blijft onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r.. Er bestaat op grond daarvan voor dit plan dus geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Tabel 4.8 Onderdeel D Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-beoordelingsplicht

32

Conclusie: aangezien dit plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten, geldt er geen m.e.r.-plicht.

4.9 Natuur 4.9.1 Algemeen

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebied-en in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen.

Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogelen Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen.

33

Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.

4.9.2 Toetsing plan Gebiedsbescherming Natura 2000 Op onderstaande kaart zijn de Natura 2000-gebieden weergegeven die in de omgeving van de planlocatie liggen. De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden ‘Groote Peel’ en ‘Deurnsche Peel en Mariapeel’. Zij bevinden zich op respectievelijk ca. 1.000 meter en ca. 5,1 kilometer van de planlocatie. Figuur: 4.3: Natura 2000gebieden in omgeving planlocatie (Bron: kaartbank.brabant.nl)

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Effectenindicator Overzicht effecten op soorten en/of habitattypen. De selectie is uitgevoerd op gebied 'Groote Peel' en activiteit 'Grondgebonden landbouw'.

34

Literatuur Grift, E.A. van der; Foppen, R.; Loos, W.B.; Molenaar, J.G. de; Oomen, D.; Reijnen, M.J.S.M.; Sierdsema, H.; Wegman, R.M.A. (2008). Quick-scan verstoring fauna door laagvliegen. Wageningen : Alterra, (Alterra-rapport 1725) van Schaik, A.W.J., 1985. Ecologische studie ten behoeve van het onderzoek naar waterrecreatie en natuur in de Nieuwkoopse Plassen en de Kagerplassen. RIN, Leersum. Blumstein, D.T., 2006a. Developing an evolutionary ecology of fear: how life history and natural history traits affect disturbance tolerance in birds. Animal Behaviour 71: 389-399. Krijgsveld, K.L., S.M.J. van Lieshout, J. van der Winden & S. Dirksen, 2004.Verstoringsgevoeligheid van vogels. Literatuurstudie naar de reactie van vogels op recreatie. Rapport 03-187. Bureau Waardenburg bv / Vogelbescherming Nederland, Culemborg / Zeist van Rijn, S., K.L. Krijgsveld & R.C.W. Strucker, 2006. Gedrag van vogels tijdens een kitesurfevenement op de Grevelingen. Rapport 06-251. Bureau Waardenburg, Culemborg. Lensink, R., H. Steendam & K.L. Krijgsveld, 2007b. Gedrag van watervogels in relatie tot vliegverkeer van en naar Groningen Airport Eelde. Onderzoek naar mogelijk verstorende effecten. Rapport 07-039. Bureau Waardenburg, Culemborg. Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & J. van der Winden, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels: Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie.

Bureau Waardenburg rapport 08-173: 245p. Molenaar, J.G. de, & R.J.H.G. Henkens, 2007. Champ Car evenement TT-circuit Assen Monitoring van de effecten van geluid op het aangrenzende Witterveld. Wageningen=UR, Alterra-rapport 1573, Wageningen. Buro VIJN b.v. pdf recreatie en broedvogels: literatuuroverzicht Tijsen, W., 1994. Ganzen en helikopters in de Wieringermeer. Graspieper 14: 22-23.

Toelichting op activiteit 'Grondgebonden landbouw' Veeteelt met weidegang en vollegronds akkerbouw en tuinbouw zijn vormen van grondgebonden landbouw. Veeteelt is een belangrijke bron van ammoniakemissie in Nederland hetgeen leidt tot verzuring en vermesting. Door bespuiting met insecticiden en herbiciden kan sprake zijn van verontreiniging van bodem en oppervlaktewater. Voor een goede teelt van gewassen of gras kan ook het waterpeil beïnvloedt worden. Land wordt geschikt gemaakt en bewerkt waarbij vaak sprake is van zware machines hetgeen kan leiden tot mechanische verstoring en verstoring door geluid en optische beweging. Toelichting op de storingsfactoren 1 Oppervlakteverlies Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking: door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af.

Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Let op! De effectenindicator geeft u géén informatie over de daadwerkelijke schadelijke effecten van een activiteit noch over de significantie hiervan. Hiervoor is maatwerk vereist. De effectenindicator geeft alleen generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit. Uit de effectenindicator kan dus niet op voorhand worden afgeleid of een activiteit schadelijk is.

35

van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen tengevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.

3 Verzuring door stikstof uit de lucht Kenmerk: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. LET OP: verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren: De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad.

Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. 4 Vermesting door stikstof uit de lucht Kenmerk: Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het updaterapport op de hoofdpagina van de effectenindicator.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

2 Versnippering Kenmerk: van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk.

36

Interactie andere factoren: Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg: De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied.

8 Verdroging Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. 13 Verstoring door geluid

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

7 Verontreiniging Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere facoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.

Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.

37

Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. 16 Optische verstoring Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen).

Gevolg: optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring.

19 Bewuste verandering soortensamenstelling Kenmerk: Er is sprake van bewust ingrijpen in de natuur door herintroductie van soorten, introductie van exoten, uitzetten van vis, inzaaien van genetisch gemodificeerde organismen etc. Interactie andere factoren: heeft met name direct invloed op de factor ‘verandering in populatiedynamiek’. Gevolg: Er treedt concurrentie op in voedselbeschikbaarheid, nestgelegenheid etc. Deze concurrentie kan leiden tot het verdringen (opvullen van de niche) van de oorspronkelijke soorten. Ook kunnen soorten verdwijnen door predatie van de geïntroduceerde soort. Hierdoor kunnen relaties binnen het ecosysteem worden verstoord. Gezien de aard van de activiteiten en de ligging van de locatie is er geen sprake van andere overige effecten op Natura 2000-gebieden als welke beschreven.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

17 Verstoring door mechanische effecten Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.

38

Als uitgangssituatie is de feitelijk gerealiseerde NB vergunniung van 13-7-2015 genomen:

De SRV regeling bepaald dat er max. 15% depositie op het bedrijf mag blijven. 15% depositie is 2390,83 – 36,3 = 2354,53 kg Nh3 * 15% = 353,18 kg Nh3. Naast de 15* van de intensieve tak mogen ook de rechten van de paarden worden gebruikt ( 36,3 kg ) hetgeen het totaal brengt op 389,48 kg.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Als referentie is stal 6 Ep D1 en D2 genomen, omdat zij het meest overeenkomen met de situatie van de aanvraag. Voor het in kaart brengen van de vergunde en de aangevraagde verkeersactiviteiten zijn de volgende gegevens gebruikt:

39

Binnen Farmconsult is een model ontwikkeld waarbij we transportbewegingen welke plaatsvinden naar en van het bedrijf kunnen bepalen aan de hand van dieraantallen. Ter onderbouwing aan dat model is deze argumentatie opgesteld. De transporten zijn gebaseerd op feitelijke cijfers uit verschillende bronnen. Voornamelijk is dit uit het KWIN, handboek veehouderij van de desbetreffende diersoorten en de forfaitaire gehaltes. De uitleg hieronder is voor een enkele transportbeweging. Afvoer dieren De afvoer van dieren is gebaseerd op twee verschillende manieren. De eerste manier is het aantal dieren wat gehouden wordt voor de productie van vlees worden afgevoerd. Deze rekenmethode wordt ook gehanteerd bij de dieren welke na elke productiecyclus worden afgevoerd, bijvoorbeeld legkippen. Voorbeeld 1: Een veehouder heeft 1.000 vleesvarkensplaatsen. Uitgaande dat er 3,1 rondes per jaar worden gedraaid en 2,4% van de vleesvarkens uitvalt worden er ca. 3.028 vleesvarkens op jaarbasis afgevoerd van het bedrijf. Uitgaande dat er 250 vleesvarkens op een transport kunnen per keer komt dit overeen met 13 vrachtwagens afvoer van dieren. De tweede methode is de manier waarbij dieren worden afgevoerd op basis van selectie. Voorbeeld 2: Een veehouder heeft 100 melkkoeien. Uitgaande dat er per jaar 28% van de melkkoeien vervangen wordt dan zijn dit 28 koeien per jaar.

Uitgaande dat per keer 3 melkkoeien worden afgevoerd zijn dit 10 transporten afvoer. Aanvoer voer De transporten aanvoer voer zijn transporten waarbij mengvoer en bijproducten door een externe partij worden aangevoerd op het bedrijf. De hoeveelheid kg krachtvoer per dier per jaar is gebaseerd op getallen uit de KWIN voor alle dieren uitgezonderd voor melkkoeien. De gegevens over krachtvoer van melkkoeien komt voort uit Handboek Melkveehouderij. Afvoer mest De hoeveelheid mest welke per diercategorie geproduceerd word is gebaseerd op de diergebonden forfaitaire gehalten van 2019-2021 gebaseerd. Hierin staat de hoeveelheid m3 mest per dier wordt geproduceerd in 7 maanden. Dit teruggerekend naar het 12 maanden vermenigvuldigd met het aantal dieren geeft een totale mestproductie per jaar. Wanneer de totale mestproductie wordt gedeeld door 30 m3 per vracht is het aantal transporten (bij afvoer van alle mest, worst case) per jaar bekend. Afvoer kadavers Het aantal transporten voor het ophalen van kadavers is standaard bepaald op één keer per week, in totaal 52 keer per jaar. Indien bedrijven van grote omvang meer kadavers produceren dan 30 ton per transport maal 52 keer per week dan wordt het transport gebaseerd op de hoeveelheid kadavers. De hoeveelheid kadavers in tonnen wordt gebaseerd op het uitval percentage van de diercategorie.

Dit wordt vermenigvuldigd met het aantal aanwezige dieren per jaar en vermenigvuldigd met het gemiddeld gewicht van de desbetreffende diercategorie tijdens een ronde of cyclus. Aanvoer dieren indien van toepassing De aanvoer van dieren is bepaald door de transporten welke het bedrijf aan geeft of gebaseerd op het aantal dierplaatsen en rondes bij verschillende diercategorieën indien deze dieren extern worden aangevoerd. Voorbeeld 3: Een veehouder heeft 10.000 reguliere vleeskuikens. Uitgaande dat er 7,6 rondes per jaar worden gedraaid dan worden ca. 76.000 vleeskuikens worden aangevoerd. Uitgaande dat alle kuikens per ronde in één transport kunnen worden aangevoerd zijn dit 8 transporten per jaar. Lichtverkeer

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Argumentatie transport bewegingen gegevens milieu:

40

Lichtverkeer is gebaseerd op alle transporten welke plaats vinden op het bedrijf door ondernemer, post en pakketten en werknemers. Overige transporten De overige transporten zijn alle transporten met zwaar verkeer welke niet vallen onder bovenstaande transporten. Naast het effect van stikstofdepositie van de aanvraag versus vergund recht is er sprake van sloop en bouwactivteiten. Voor deze activiteiten zijn de volgende gegevens gebruikt:

Ten behoeve van de stikstofdepositie zijn Aerius berekeningen gemaakt. De resultaten laten zien dat er geen sprake is van effecten t.g.v. de stikstofdepositie op de Natura 2000 gebieden in geval van de aanvraag als voor de sloop en de bouwwerkzaamheden. De bereekeningen zijn in de bijlage bijgesloten. Conclusie: Er is geen sprake van een toename op alle Natura 2000 gebieden.

Soortenbescherming In relatie tot de Flora- en Faunawet kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt:  de inpassing is gericht op bestaande gronden die nu al bedrijfsmatig gebruikt worden. Derhalve is er ter plaatse geen bijzondere of beschermde flora en/of fauna te verwachten;  het plangebied ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebieden; In het kader van de te slopen stallen vanwege de SRV zal tijdig een Quickscan Flora en Fauna worden uitgevoerd ( als bijlage toegevoegd ). Houtopstanden in het gebeid De aanwezige bomen en struiken etc ( houtopstanden ) worden niet aangetast en daar waar mogelijk zijn ze ingepast in het Landschapsinrichtingplan. Conclusie: het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Natuurnetwerk Nederland Voorts is het plan niet gelegen binnen het NNN. Het dichtsbij gelegen NNNgebied bevindt zich op circa 110 meter ten noorden van het plangebied.

41

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Algemeen

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

4.10.2 Toetsing plan

Het plangebied ligt achter het bedrijf ten op zichte van de Meijelseweg. Het verkeer dat zich op de Meijelseweg bevindt, bestaat hoofdzakelijk uit bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen. Het plan omvat het staken van de varkenshouderij. Dit heeft een waarneembare afname van het aantal transporten en daarmee een daling van de verkeersintensiteit tot gevolg. De uitrit zal niet veranderd worden. Het wijzigingsplan heeft geen nadelige consequenties voor de verkeersveiligheid. Tevens beschikt het plangebied over voldoende ruimte voor parkeren en parkeergelegenheden. Conclusie: het plangebied beschikt over voldoende parkeergelegenheid en wordt goed ontsloten.

4.11 Volksgezondheid

In deze rubriek wordt nader ingegaan op de (lopende) onderzoeken naar de effecten van veehouderij op de volksgezondheid, zoönosen en de maatregelen op bedrijfsniveau ter voorkoming van insleep en verspreiding van dierziekten. Allereerst wordt een overzicht gegeven van de relevante wetgeving en jurisprudentie.

4.11.1 Algemeen Wetgeving en jurisprudentie Het thema volksgezondheid is in de volgende wetten als volgt geregeld:  Wet publieke gezondheid: het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Tevens kunnen maatregelen geformuleerd worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen;  Wet milieubeheer: in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid.

42

 

landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. De Wet milieubeheer bevat geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor volksgezondheid zijn geregeld. Wel bestaat ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets ten aanzien van besmettingsgevaar; Wet ruimtelijke ordening: daarin is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’; Besluit milieueffectrapportage: daarin staat de verplichting om de effecten voor de volksgezondheid als milieugevolg van een activiteit te betrekken in de besluitvorming.

Het staat het bevoegd gezag in principe vrij op welke wijze deze verplichting ingevuld wordt. Het bevoegd gezag moet zich bij de besluitvorming baseren op beschikbare onderzoeken en ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. Voor sommige criteria zoals ammoniak, geur en fijn stof zijn specifieke wet- en regelgeving, richtlijnen en handelingsmethoden beschikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert de lijn dat de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Tegelijkertijd stelt de Afdeling dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Wel dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onderzocht te worden of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat dit onvoldoende gewaarborgd is.

Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van dit rapport is dat effecten van intensieve veehouderijbedrijven op de volksgezondheid op verschillende manieren tot stand kunnen komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Qkoorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen.

Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Ook de

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Onderzoeken Uit onderstaand overzicht wordt duidelijk dat in de afgelopen jaren verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd naar een mogelijke relatie tussen veehouderijen en effecten op de volksgezondheid.

43

meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn. Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak in de lucht hoog is.

Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad. De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBLproducerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek.

Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt ten aanzien van de endotoxinen-blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 aan. Veehouderij en gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekendgemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van juli 2016 bevestigd.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Het VGO-onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Daardoor zijn (sommige) resultaten mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden en de mate van concentratie van veehouderijen, van invloed zijn op de bevindingen.

44

Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geitenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijn stof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen lijken toch substantieel bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving.

ILVO-onderzoek Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGO-onderzoek aangehaalde risico’s niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van veehouderijen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het veerijke West-Vlaanderen. Het Nederlandse VGO-onderzoek kan volgens de Belgische onderzoekers niet claimen of suggereren dat veehouderijen een negatief gezondheidseffect hebben op omwonenden. Bijkomend onderzoek is dan ook nodig.

In het Nederlandse volksgezondheidsonderzoek (VGO) wordt het verhoogde aantal longontstekingen in regio’s met intensieve veehouderij gelinkt aan verhoogde concentraties endotoxines. Maar volgens ILVO is het onwaarschijnlijk dat zuivere endotoxines de oorzaak zijn. De gebruikte grenswaarde is gebaseerd op endotoxines gehecht aan fijn stof, terwijl ze in stallen voornamelijk hechten aan grovere stoffracties. En dat grover stof dringt slechts binnen in de bovenste luchtwegen, niet in de lagere. Bovendien tonen recente studies, waaronder VGO, aan dat endotoxines bij omwonenden ook positieve effecten kunnen hebben in de bovenste luchtwegen, zoals een beschermend effect tegen astma en allergieën. Omdat duidelijkheid ontbreekt, is het volgens ILVO momenteel wetenschappelijk onmogelijk om een veiligheidsnorm voor omwonenden te definiëren en te hanteren. Ook hier is verder onderzoek nodig, ook met aandacht voor de mogelijke positieve effecten van endotoxines. ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht,

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Zo moet worden nagegaan of er een effect is van de gecombineerde emissies uit veehouderij, de transportsector en andere industriële sectoren. Op het eerste gezicht lijkt de impact van wonen nabij een stal op de gezondheid beperkt, maar er zijn nog een aantal vraagtekens die beantwoord moeten worden. In haar rapport stelt ILVO dat uit de stallen zowel primair fijn stof als ammoniak ontsnapt. Ammoniak op zich vormt geen bewezen gezondheidsrisico, maar in de buitenlucht, ver weg van de stallen, kan het zich binden aan andere vervuilende stoffen zoals roet. Wat ontstaat, is secundair fijn stof dat voor iedereen, niet enkel voor de omwonenden van veestallen, schadelijk kan zijn. Om de gevolgen van deze combinatie van fijn stof en ammoniak, evenals het aandeel van de landbouwsector in de uitstoot van fijn stof beter in kaart te brengen, is naar de mening van de ILVO-onderzoekers verder onderzoek nodig. Niet omdat er een mogelijk risico bestaat, maar om uitsluitsel te geven en duidelijkheid te brengen in de discussie die er nu bestaat.

45

maar blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding is het wel mogelijk. Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid. Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018) De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen longproblemen en veehouderijen. Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken zowel in Nederland als in het buitenland te beperkt. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de raad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijn stof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijn stof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijn stof. Vervolgonderzoek Veehouderijen en Gezondheid Omwonenden; VGO3 Eind 2017 is het eerste onderzoek binnen het onderzoeksprogramma VGO3 van start gegaan.

Dit onderzoek is nu afgerond. Tot 2021 zullen verschillende deelonderzoeken afgerond worden. Doel van dit vervolgonderzoek was nagaan of de eerder gevonden associatie tussen wonen in de omgeving van geiten- en pluimveehouderijen en longproblemen kan worden aangetoond. Het onderzoek richt zich op de periode 2014 tot en met 2016. Eerder onderzoek liep van 20092013.

Onbekend is of deze resultaten ook van toepassing zijn op andere regio’s dan het VGO onderzoeksgebied (het oosten van Noord-Brabant en Limburg). Mogelijk speelt naast de luchtverontreiniging vanuit veehouderijen, ook de algemene luchtkwaliteit door o.a. fijnstof vanuit het buitenland een rol. Hoe dat de resultaten beïnvloedt is niet bekend. Een van de (deel)onderzoeken binnen het VGO3 onderzoeksprogramma zal daarom plaatsvinden in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel. Dit onderzoek zal in 2019 worden afgerond. Zoönosen rundvee De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het vóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen. Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. Ten aanzien van (melk)rundvee zijn de meest relevante zoönosen de Campylobacterbacterie, de E.Coli (EHEC) bacterie en BSE. Campylobacterbacterie en de E.Coli bacterie (EHEC)

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Uit dit onderzoek volgt dat mensen rondom pluimveehouderijen geen grotere kans hebben op een longontsteking. De eerder gevonden associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en het voorkomen van longontstekingen binnen een reikwijdte van 2 kilometer wordt met dit onderzoek bevestigd voor de periode 2014-2016. De oorzaak van de toename van longontstekingen rond geitenbedrijven is echter nog onbekend. Daar is verder onderzoek voor noodzakelijk.

46

Besmetting vindt plaats door direct contact met de dieren, door het eten van besmet en onvoldoende hygiënische bereiding van vlees of drinken van (ongepasteuriseerde) melk. BSE Boviene spongiforme encefalopathie (ook wel BSE of gekkekoeienziekte) kan voorkomen bij rundvee. BSE kan alleen overgedragen worden op de mens door eten van besmet vlees. Bij mensen uit een besmetting zich in de dodelijke ziekte Creuzfelt-Jacob. Ter voorkoming van besmetting van rundveevlees zijn de voorschriften bij de slacht aangescherpt, in veevoer wordt geen diermeel meer gebruikt en hersenen, het ruggenmerg en de grote zenuwen worden buiten de voedselketen gehouden. Antibiotica-resistentie Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden. Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. Antibiotica wordt in de melkrundveehouderij het meest gebruikt bij uier- en klauwproblemen.

Het is al vanaf 2006 verboden om antimicrobiële voerbespaarders toe te passen in mengvoer. Het landelijk beleid is momenteel gericht op een forse reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij (70% in 2015) en een zorgvuldig gebruik.

4.11.2 Toetsing plan

Ten aanzien van geur-, fijn stof- en geluidsbelasting blijkt uit deze toelichting dat wordt voldaan aan de wettelijke waarden. Verder is onder meer gebleken dat het bedrijf in een dun bevolkt buitengebied ligt en dat de afstand van het bedrijf tot omliggende bebouwing dusdanig is, dat wordt voldaan aan de afstandsnormen uit de geurregelgeving en richtafstanden van de VNG, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

Niettemin treft initiatiefnemer wel maatregelen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van varkens vereist de nodige hygiënemaatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen. Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van rundvee vereist de nodige hygiënemaatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Voor zover de uitgevoerde onderzoeken al een wetenschappelijk verband kunnen leggen tussen veehouderijen en effecten op de volksgezondheid, zijn deze studies dusdanig algemeen van aard, dan wel uitgevoerd in specifieke onderzoeksgebieden, dat het (zeer) lastig is om de uitkomsten daarvan te projecteren op het hier voorliggende plan.

47

De volgende maatregelen worden getroffen: • Het voornemen betreft een nieuwe potstal voor het houden van zoogkoeien, waarin een optimale diergezondheid mogelijk is. Doordat de nieuwe stal voorzien wordt van een hygiënesluis wordt de kans op insleep van dierziekten door mensen verkleind. • De stallen worden goed geventileerd, zonder tocht. Hierdoor worden luchtweginfecties zoveel mogelijk voorkomen. • Door zo minimaal mogelijk dieren aan te kopen wordt het inslepen van ziekten van buitenaf tot het minimum beperkt. Streven is naar een zo hoog mogelijke gezondheidsstatus op het bedrijf. • Waar nodig zullen dieren preventief ingeënt worden. • Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVE-verordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik. • Personeel en bezoekers die in contact komen met de dieren moeten bedrijfskleding dragen die regelmatig wordt gereinigd. Conclusie: het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.12 Water 4.12.1 Algemeen Watertoets Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten van die ruimtelijke plannen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand.

4.12.2 Toetsing plan

In het voornemen is geen sprake van uitbreiding van bebouwd oppervlakte. Er is sprake van een afname in bebouwd oppervlakte. T.a.v. hemelwaterberging kent het waterschap AA en Maas de regel dat er voorzieningen binnen de eigen inrichting worden getroffen voor berging van het hemelwater indien het verhard oppervlak ligt tussen de 2000 m² en de 10.000 m² geldt de rekenregel voor de opvang van dit hemelwater: Inhoud: toename verhard opp. * gevoeligheidsfactor * 0.06 Voor de Meijelseweg is het totaal verhard opp. 4700 m² ( Totaal 1 ) Onderstaand de optelsom van opp gebouwen ( 3192 m² ) en verharding ( 1500 m² ).

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

In de gemeente Asten is het Aa en Maas (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Het beleid van het waterschap staat beschreven in het waterbeheerplan.

48

In onderstaande weergave is de locatie in beeld gebracht en de daarbij behorende gevoeligheidsfactor

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de legger bij de keur en bedraagt voor deze locatie 1.

49

Inhoud waterberging is: 4700 * 1 * 0,06 = 282 m³ Sit. Bestaande sloot

Aanvullende te realiseren berging

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Meijelseweg 49

50

T.b.v. de waterberging is er een bestaande sloot aan de westelijke zijde van het bedrijf van 220 mtr. Deze sloot ligt op het eigendom van Het Zwaluwke B.V. is 100 cm breed en 56 cm diep en heeft een bergingscapaciteit van 123 m³. Daarnaast zal er extra waterbergingssloot noordelijk worden getrokken over de volle breedte van het perceel 140 m lang * 3 mtr breed en 0,56 mtr diep = 235 m³. Beiden sloten zijn aan elkaar gekoppeld en vormen een gezamelijke opslag van 358 m³ hemelwater. De bestaande sloot ( van 123 m³) is eerder aangelegt om als hemelwaterberging diens te doen. Met Mevr. F(abienne ) Noten van Waterschap AA en Maas is afgestemd hoe tot deze keuze is gekomen. Eerder is men tot de keuze gekomen vanwege de diepte van de grondwaterstand in dat gebied welke na afstemming is bepaald op 56 cm onder maaiveld. Het gemeentelijk rioleringsplan ( GRP ) verlangt een waterbergingsvoorziening van 60 mm / m² verhard oppervlak bij nieuwbouw en herbouw. Zowel de paardenbakken als de longeercirkels worden gedraineerd aangelegt en tellen voor elk voor 50% mee als verhard oppervlak. Het opp. vlgs de rekenregels van GRP bedraagt 5900 m² (Totaal 2). De waterbergingscapaciteit moet derhalve 5900 m² * 0,06 m = 354 m³ bedragen.

Ruimtelijke onderbouwing Meijelseweg 49 Heusden

Conclusie: met een totale bergingscapaciteit van 123 + 235 = 358 m³ wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste bergingscapaciteit vlgs waterschap AA en Maas en het GRP beleid van Asten op het eigen perceel voor opvang van hemelwater.

51

5 Maatschappelijke/economische uitvoerbaarheid 5.1.1 Gevolgde procedure

In artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is bepaald dat een bestemmingsplan dient te worden voorgelegd met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. Rijk In paragraaf 3.2 is reeds geconcludeerd dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom kan afgezien worden van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Op basis van artikel 3.1.1, tweede lid, van het Bro heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. Gezien het voornemen een staking van de intensieve varkenshouderij is derhalve geen vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant noodzakelijk. Gemeente Het plan is niet betrokken bij een vooroverleg dan wel in de voorontwerpfase. De initiatielocatie is recent toegevoegd aan het verzamelplan en wordt als ontwerp ter inzage gelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=a8ddb1cc-dc48-4250-b277-4e58cda56b9c