CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

RU21.03.03A 7 Voorlopige voorziening BP Laarbroek-Laagveld 2020 (deel I) 46-90.pdf

Raadscommissie Ruimte 30 maart 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Ingekomen stukken, gericht aan de raad: Voor kennisgeving aannemen16.157 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

noordelijke deel van het plan voorzien in een bouwvlak waar een hoogte van maximaal 14 meter. Die hoogte sluit aan bij de behoefte waarin het betreffende bouwplan dat ter plaatse wordt gerealiseerd voorziet. Er is weliswaar sprake van een hoogte die afwijkt van de toegestane hoogtes zoals

opgenomen in het bestemmingsplan "Asten bedrijventerreinen 2013" maar dat neemt niet weg dat die hoogte zowel vanuit ruimtelijk als stedenbouwkundig oogpunt acceptabel is. Uitgangspunt van de planontwikkeling is aldus dat zoveel als mogelijk aansluiting wordt

gezocht bij de planregels zoals die gelden voor vergelijke bestemmingsplannen in de gemeente Asten. Het nu voorliggende plan kent echter een specifieke regeling voor de voorgenomen planontwikkeling.

De hiervoor geldende regels wijken daarmee op een zeer beperkt aantal onderdelen af van

de regels zoals die gelden voor onder meer het naastgelegen bedrijventerrein. Het gaat dan om een afwijking ter zake de oppervlakte en de bouwhoogte zoals voorzien in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Asten 2013".

De voorziene "afwijking” van planregels zoals die gelden voor het naastgelegen bedrijventerrein heeft dus te maken met de realisatie van de bedrijfshallen die op

onderdelen andere afmetingen hebben. Die afwijkingen worden vanuit planologisch oogpunt onderbouwd en ook als acceptabel aangemerkt.

(9) Zienswijze:

Er is sprake van een overschrijding van de toegestane milieucategorie bedrijven. pagina 37 van 57

Beantwoording zienswijze:

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven, opgenomen in categorie 2 en 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten.

In die zin gaat het in het plan aldus om het mogelijk maken van bedrijven die passen binnen de milieucategorieën 2 en 3.

Met het planvoornemen wordt nieuwe bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied bedrijven als bedoeld in categorie 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten

toegestaan, zoals regulier toegestaan op de bedrijventerreinen binnen de gemeente Asten. Specifiek worden twee bedrijven groter dan 5.000 m’ toegestaan en een bedrijf tot 1500

m’. In de toelichting behorend bij het bestemmingsplan wordt ingegaan op de wijze waarop in

het bestemmingsplan is berekend welke milieucategorieën bedrijven zijn toegestaan. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen.

In de plantoelichting staat dat bij het toekennen van de maximaal toegestane milieucategorie aan het betreffende percelen onder meer rekening is gehouden met de bestemmingen die zijn toegekend aan de percelen in de directe nabijheid van het plangebied. Daarbij is volgens de plantoelichting de brochure "Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNGbrochure) toegepast en dat heeft geleid tot de berekening van de toegestane

milieucategorieën. Van het toestaan van een bedrijf met milieucategorie 4.1 is geen sprake en is ook niet gebleken.

Ter verduidelijking op dit gebied, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de

toelichting behorend bij het bestemmingsplan aan te passen en nader uiteen te zetten

onder welke SBI-code dit bedrijf valt. Het bedrijf is aan te merken als een bedrijf dat valt onder de (hoofd)categorie "vervaardiging van machines en apparaten" waarbij de oppervlakte van de constructiewerkplaats niet meer dan 2.000 m^ bedraagt. Op basis van de bijbehorende SBI

codering geldt dan een maximale milieucategorie 3.2.

Voorts ontplooit het bedrijf activiteiten die gerangschikt kunnen worden onder de categorie "elektronisch n.e.g." en hiervoor geldt de maximale milieucategorie 2. Kortom, er zal sprake zijn van een bedrijf dat maximaal in milieucategorie 3.2 kan worden

ingedeeld. In het kader van de regeling van dit bedrijf zal ter verdere waarborging van de maximale pagina 3a van 57

milieucategorie een aanpassing van de planregels van het ontwerp-bestemmingsplan plaatsvinden.

De planregels geldend voor de locatie van dit bedrijf zullen zodanig worden aangepast dat

voor het deel van het plangebied met de aanduiding op de plankaart "specifiek vorm van bedrijventerrein - 2" als uitgangspunt zal gelden dat de oppervlakte van de

constructiewerkplaats voor het vervaardigen van machines en apparaten niet meer dan 2000 m’ mag bedragen.

Conclusie:

De zienswijze leidt tot aanpassing van de planregels in die zin dat in de planregels zal worden opgenomen dat voor het deel van het plangebied met de aanduiding op de plankaart "specifiek vorm van bedrijventerrein - 2" als uitgangspunt zal gelden dat de

oppervlakte van de constructiewerkplaats voor het vervaardigen van machines en apparaten niet meer dan 2000 m’ mag bedragen.

De zienswijze vormt tevens aanleiding om de toelichting aan te passen in die zin dat daarin

nader wordt ingegaan op de categorisering van het bedrijf in milieucategorieën. (lOlZienswijze:

Er wordt niet voldaan aan het beoogde resultaat van de subsidieregeling warme sanering.

Beantwoording zienswijze: Er wordt in de zienswijze niet nader aangeduid waarom niet zou worden voldaan aan het

beoogde resultaat van de subsidieregeling "warme sanering". Dat betekent dat in de beantwoording in het algemeen zal worden ingegaan op die regeling.

De vraag of al dan niet wordt voldaan aan de regeling is niet relevant voor de vaststelling

van het bestemmingsplan. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan gaat het immers om de vraag of met de

bestemmingen en de planregels sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De vraag of aan de genoemde regeling wordt voldaan, valt daar in principe buiten.

Doel van voormelde subsidieregeling is overigens het op korte termijn verminderen van geuroverlast door varkenshouderijen in veedichte gebieden. Dit wordt gerealiseerd door

locaties die geuroverlast geven te beëindigen en de productiecapaciteit uit de markt te halen. Zonder financiële ondersteuning en begeleiding bij het beëindigen van de agrarische bedrijven en het creëren van toekomstperspectief, blijven veel agrariërs noodgedwongen

hun bedrijf en daarmee de geuroverlast voortzetten. Dit heeft een negatief effect op de

leefomgeving, het maatschappelijke draagvlak voor de veehouderij en het remt de verduurzaming van de agrarische sector als geheel. Met het nu voorliggende plan wordt

een bijdrage geleverd aan het doel van genoemde subsidieregeling. fllIZienswijze: Bebouwingsconcentratie Laarbroek 2/2a is in strijd met artikel 4,4.1. Structuurvisie Asten november 2010 waarin betere landelijke doorkijk wordt beoogd. pagina 39 van 57

Beantwoording zienswijze: In het kader van de ontwikkeling zoals voorzien in het plangebied geldt dat deze past binnen en ook invulling geeft aan de Structuurvisie "Avance". In die visie is voor het gebied een stedelijke ontwikkeling voorzien in de vorm van een bedrijventerrein. Dat betekent concreet dat de ruimtelijke uitgangspunten worden gevormd door genoemde structuurvisie. Voor de planologische beoordeling en de inpasbaarheid van het plan dient dan ook rekening te worden gehouden met de uitgangspunten van genoemde visie.

In feite is door het van toepassing zijn van de structuurvisie sprake van andere uitgangspunten. Het van toepassing zijn van de structuurvisie betekent dat sprake is van andere stedelijke uitgangspunten dan de uitgangspunten zoals die gelden op grond van beleid voor het buitengebied. Dat betekent concreet dat de ontwikkeling zoals voorzien in het plangebied niet wordt getoetst aan de uitgangspunten die gelden voor een locatie in het buitengebied maar dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die gelden op basis van stedelijk gebied (zoals die voortvloeien uit de structuurvisie). De uitgangssituatie voor de situatie is daarmee anders dan mogelijk wordt verondersteld in de zienswijze. Het plan is overigens ongeacht het vorenstaande voorzien in een landschappelijke inpassing die de mogelijke nadelen van de komst van bebouwing zoveel als mogelijk beperkt.

(12) Zienswijze Programmaoverleg Provincie Noord-Brabant Het is niet duidelijk wat de uitkomsten zijn van het provinciaal overleg.

Beantwoording zienswijze: Tijdens de Ontwikkeldag op 17 juni 2020 is de regio akkoord gegaan met de verdeling van de hectares bedrijventerrein per gemeente in subregio De Peel.

In totaal is voor de subregio De Peel een oppervlakte van 20,3 hectare 'op groen gezet'.

Hiervan is 7,8 hectare toegewezen aan de gemeente Asten. In de subregio De Peel is op kwantitatief niveau afgesproken dat iedere individuele gemeente zelf bepaalt voor welke

locaties de toegewezen ontwikkelruimte wordt aangewend.

Grootschalige ontwikkelingen zoals die van SHI worden op bestuurlijk niveau overigens ook afgestemd binnen subregio De Peel. Op 28 mei 2020 is in het subregionaal overleg Economie De Peel ingestemd met de

ontwikkeling van SHI op een nieuwe locatie in de gemeente Asten. Op de Ontwikkeldag van 17 juni 2020 heeft de gemeente Asten de hiervoor benodigde

hectares ontwikkelruimte toegewezen gekregen. De gemeente Asten verklaart dat deze

toegewezen ontwikkelruimte wordt aangewend om het nu voorliggende plan mogelijk te

maken. Hiermee past de ontwikkeling geheel binnen de regionale afspraken zoals bedoeld in artikel 3.43 sub c lOV en daarmee is ook voldoende duidelijk wat de uitkomsten zijn van

het provinciaal overleg.

pagina 40 van 57

(13)2ienswiize: De belangen van de direct omwonenden zijn nagenoeg in het geheel niet afgewogen. De

inspraak is onvoldoende. Beantwoording zienswijze: In het kader van de procedure om te komen tot de vaststelling van een bestemmingsplan

zijn diverse procedure en inhoudelijke stappen ingebouwd die waarborgen dat de

belangen van omwonenden naar voren kunnen komen. Die belangen worden daarmee

kenbaar en meegenomen in de brede belangenafweging zoals die door de raad zal plaatsvinden bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De mogelijkheid dat met het

plan een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, betekent uiteraard niet dat daarmee geen

sprake is van een belangenafweging.

Door belanghebbenden in de omgeving kan ook gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om eventuele zienswijzen en gedachten omtrent het plan naar voren te brengen. Dat is bij het nu voorliggende plan niet anders.

In die zin is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat sprake is van een afweging van de betrokken belangen; dat betekent dus ook dat de belangen van direct omwonenden

worden betrokken in de afwegingen. Voor wat betreft de inspraak wordt vermeld dat die inspraak - ondanks het COVID-virus heeft plaatsgevonden en dat ook diverse mogelijkheden zijn benut om te komen tot een vorm van inspraak (schriftelijk, telefonische gesprekken, keukentafelgesprekken, sociale media).

In dit kader wordt volledigheidshalve verwezen naar de weerlegging van de overige zienswijzen en naar de verslaglegging van de omgevingsdialoog zoals die als bijlage aan het

bestemmingsplan is gevoegd. (14) Zienswijze: De bebouwingsconcentratie is in strijd met artikel 4.4.1 van de structuurvisie Asten omdat geen sprake is van een doorkijk en het buitengebied wordt ingeperkt. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling met als vindplaats ECLI:NL:RVS:2015:3448. Beantwoording zienswijze:

Voor wat betreft de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar de reactie

zoals eerder gegeven op de zienswijzen en dan meer specifiek onderdeel (11) waarin wordt

ingegaan op de bebouwingsconcentratie en de landschappelijke inpassing van het plan. Kort gezegd, geldt dat er geen sprake is van een strijdigheid althans een strijdigheid die niet acceptabel is.

Het van toepassing zijn van de structuurvisie Avance betekent dat sprake is van andere stedelijke uitgangspunten dan de uitgangspunten zoals die gelden op grond van beleid

voor het buitengebied. Dat betekent concreet dat de ontwikkeling zoals voorzien in het plangebied niet wordt getoetst aan de uitgangspunten die gelden voor een locatie in het pagina 41 van 57

buitengebied maar dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die gelden op

basis van stedelijk gebied (zoals die voortvloeien uit de structuurvisie). De uitgangssituatie voor de situatie is daarmee anders dan mogelijk wordt verondersteld in de zienswijze.

Voor wat betreft de verwijzing naar de betreffende uitspraak geldt dat de betreffende uitspraak ziet op een door de Afdeling vastgestelde strijdigheid met de structuurvisie zoals

die gold voor het betreffende plangebied. Die strijdigheid is in het geval van het nu

voorliggende bestemmingsplan echter niet aan de orde. Van strijdigheid met de

structuurvisie is immers geen sprake. Integendeel. Uit de geldende visies voor het

plangebied blijkt juist dat sprake is van een zoekgebied voor de uitbreiding van het huidige bedrijventerrein. (ISlZienswijze:

De bouwhoogtes zijn gebaseerd op aannames die niet objectief zijn onderbouwd. Er is geen sprake van een integrale afweging tussen woonbebouwing en industriële

ontwikkeling. Beantwoording zienswijze: De bouwhoogtes zijn gebaseerd op het ruimtegebruik dat wordt voorzien middels de

oprichting van de betreffende bedrijfshallen. Daarbij is in principe per bedrijfshal bezien

welk ruimtebeslag, en daarmee ook welke bouwhoogte, nodig is om de voorgenomen concrete plannen te kunnen verwezenlijken. Er is overigens gekozen voor het mogelijk maken van een hoger gebouw om zodoende het

ruimtebeslag qua oppervlakte zoveel als mogelijk te beperken.

Bij het bepalen van de bouwhoogte is rekening gehouden met bedrijfstechnische noodzaak

om een dergelijk gebouw te kunnen realiseren. Enkel in een dergelijk gebouw kan sprake zijn van een toekomstbestendig bedrijf.

Er is verder rekening gehouden met het uitgangspunt dat sprake is van zorgvuldig

ruimtegebruik. Door de bouwhoogte af te stemmen op de aard en behoefte van het bedrijf

en ook meer hoogte toe te staan dan op basis van de geldende bestemmingsplan wordt immers het ruimtebeslag (oppervlakte) beperkt. Er is verder rekening gehouden met de afstand tot omliggende bebouwing, de situering

van bebouwing en de mogelijke effecten van het plan worden beperkt door het

aanbrengen van erfbeplanting en landschappelijke inpassing In die zin is dus sprake van een objectieve beoordeling van onder meer de bouwhoogte van

de gebouwen in het plangebied.

(lElZienswijze:

(a) Het uitgangspunt dat SHI bedrijfsgebouwen vrijmaakt die de wenselijke schuifruimte pagina 42 van 57

»

oplevert, is onjuist.

(b) Er is onvoldoende onderbouwd wat de toekomstige kwalitatieve vraag naar bedrijventerreinen zal zijn.

(c) Verplaatsing naar een regionaal bedrijventerrein ligt meer voor de hand.

Beantwoording zienswijze:

(a) Ruimte Het voorliggende plan maakt de verplaatsing van de huidige vestiging van SHI op het bestaande bedrijventerrein mogelijk. Dat betekent dat die ruimte in principe, voor wat

betreft de te verplaatsen activiteiten, beschikbaar komt voor invulling op een andere wijze.

Daarmee ontstaat dus ook de nodige ruimte.

Uit het door BSP verrichte onderzoek blijkt dat de gemeente Asten te maken heeft met een relatieve lage leegstand. De leegstand in het onderzoeksgebied van het rapport van BSP bedraagt 1,5% en dat is ruim lager dan het gemiddelde landelijke leegstandspercentage.

Dat betekent dat in Asten relatief ook weinig oppervlakte beschikbaar is en voor het goed

functioneren van bedrijven is wel nodig dat er enige leegstand is. Er is namelijk wel enige zogenaamde frictieleegstand nodig aangezien die leegstand nodig is om de markt naar

behoren te laten verlopen. Landelijk wordt hier uitgegaan van 4-6%. Door de verplaatsing van SHI ontstaat in ieder geval ruimte op het bestaande

bedrijventerrein en die ruimte kan worden ingevuld door herhuisvesting van een of meerdere bedrijven. In die zin levert de verplaatsing aldus een positief effect op voor de

benodigde frictieleegstand. (b) Vraag naar bedrijventerreinen

Voor wat betreft de vraag naar bedrijventerreinen geldt in dit geval dat sprake is van een

concrete ontwikkeling die is afgestemd op de vraag vanuit de markt. De verplaatsing van SHI naar het plangebied vloeit immers rechtstreeks voort uit de behoefte van SHI om te

kunnen verplaatsen nu de bestaande locatie niet (meer) voldoet. De onderbouwing voor wat betreft de bedrijfshal van SHI is daarmee dus gelegen in de concrete vraag naar en behoefte in uitbreidingsruimte.

Het uitgangspunt dat sprake is van concrete behoefte (waarmee een onderzoek naar de

toekomstige kwalitatieve behoefte niet nodig is) geldt onverminderd voor de twee andere vooniene bedrijfshallen. De veehouderijbedrijven houden op te bestaan en in de plaats van die bedrijven zullen twee bedrijfshallen worden gerealiseerd. Ook die beide bedrijfshallen voorzien in een concrete behoefte die reeds bestond voordat het nu voorliggende plan in procedure werd gebracht.

Ten slotte wordt verwezen naar rechtspraak op dit onderdeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juni 2017, pagina 43 van 57

ECLI:NL:RVS:2O17:1724, onder 11 en 11.1), beoordeelt de Afdeling, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven en aan de hand daarvan, of de beschrijving van de behoefte in de

toelichting, dan wel in de documenten waarnaar in de toelichting ter beschrijving van deze behoefte wordt verwezen, niet zo gebrekkig is of zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren.

Hierbij acht de Afdeling van belang of een appellant voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte naar voren heeft gebracht.

Op basis van deze rechtspraak geldt aldus dat de indiener van de zienswijzen inzichtelijk dient te maken dat er voldoende concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de

juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte. Hiervan is in de zienswijzen

echter geen sprake. (c) Verplaatsing SHI is reeds jaren op het bestaande bedrijventerrein gevestigd en heeft aangegeven

behoefte te hebben aan verplaatsing naar een nieuwe locatie in de directe nabijheid van de bestaande vestiging. Die ruimte is gevonden door de voorziene planontwikkeling welke ontwikkeling ook past binnen de visie van onder meer de gemeente op dit deel van de gemeente. In die zin is dus sprake van een plan dat voldoet aan de wensen en uitgangspunten en is

verplaatsing naar een regionaal bedrijventerrein niet nodig c.q. noodzakelijk. Door het Bureau Stedelijke Planning (BSP) is uitvoerig onderzoek verricht. Daaruit is naar

voren gekomen er in het onderzoeksgebied geen alternatief is voor de voorgenomen ontwikkeling van ca. 4 ha binnen bestaand stedelijk gebied.

De ontwikkeling aan de Laarbroek in Asten voldoet aan de eisen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. (171 Zienswijze:

Er dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden tussen milieu categorieën en

bebouwing. Die afweging is onvoldoende gemaakt nu sprake is van de mogelijkheid om

een milieucategorie 4 bedrijf te vestigen in het plangebied.

Beantwoording zienswijze:

In het bestemmingsplan is de voorziene ontwikkeling inzichtelijk gemaakt en daarbij is ook rekening gehouden met de inrichting van het plangebied voor wat betreft de

milieucategorieën. In het plangebied wordt voorzien in het planologisch regelen van een drietal specifieke

bedrijven.

Het gaat om de (her)huisvesting van SHI, het mogelijk maken van het bedrijf van de initiatiefnemers (elektrotechnisch installatiebedrijf) dat als startup naast de pagina 44 van 57

varkenshouderij is opgestart, en de nevenactiviteit van het melkveebedrijf in de vorm van een kleinschalig bouwbedrijf.

Het elektrotechnisch installatiebedrijf is gericht op het (op locatie) installeren,

onderhouden en verkopen van benodigdheden voor elektrotechnische (bouw)installaties, (op locatie) installeren van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur, en het op

locatie installeren van luchtwasinstallaties, met name voor de agrarische - en veehouderijsector. Voor de agrarische klanten worden op de locatie van het bedrijf ook

installaties voor het bewerken, zuiveren van water, mest en andere vloeistoffen gebouwd

(losse installaties in containers). De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven, opgenomen in categorie 2 en 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. In die zin gaat het in het plan aldus

om het mogelijk maken van bedrijven die passen binnen de milieucategorieën 2 en 3. In de toelichting behorend bij het bestemmingsplan wordt ingegaan op de wijze waarop in het

bestemmingsplan is berekend welke milieucategorieën bedrijven zijn toegestaan.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en

regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. In de

plantoelichting staat dat bij het toekennen van de maximaal toegestane milieucategorie aan het betreffende percelen onder meer rekening is gehouden met de bestemmingen die

zijn toegekend aan de percelen in de directe nabijheid van het plangebied. Daarbij is volgens de plantoelichting de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging

van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna; de VNG-brochure) toegepast en dat heeft geleid tot de berekening van de toegestane milieucategorieën. Er wordt dus geen categorie

4 bedrijf mogelijk gemaakt en dat betekent dan ook maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk is.

(ISjZienswijze: Omgevingsvergunning Laarbroek 2

De vergunning is in strijd met de subsidie voor sanering van varkenshouderijen. Er wordt niet voldaan aan het beoogde resultaat van warme sanering.

Beantwoording zienswijze: Allereerst verdient opmerking dat de aangehaalde omgevingsvergunning voor Laarbroek, althans de aanvraag voor die vergunning, is ingetrokken en dat betekent dat die

vergunning verder niet meer van belang is. De reden voor de intrekking is dat juist wordt gekozen voor de ontwikkeling van een volledig integraal plan. Een plan waarbij ook de doelstellingen van de subsidie in het kader

van de regeling warme sanering (kunnen) worden behaald. Doel van in de zienswijze aangehaalde subsidieregeling is immers het op korte termijn pagina 45 van 57

verminderen van geuroverlast door varkenshouderijen in veedichte gebieden. Dit wordt

gerealiseerd door locaties die geuroverlast geven te beëindigen en de productiecapaciteit uit de markt te halen. Zonder financiële ondersteuning en begeleiding bij het beëindigen van de agrarische bedrijven en het creëren van toekomstperspectief, blijven veel agrariërs noodgedwongen

hun bedrijf en daarmee de geuroverlast voortzetten. Dit heeft een negatief effect op de

leefomgeving, het maatschappelijke draagvlak voor de veehouderij en het remt de verduurzaming van de agrarische sector als geheel. Met het nu voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan het doel van genoemde subsidieregeling. liglZienswijze: Het akoestisch onderzoek dient zorgvuldig plaats te vinden. De uitgevoerde rapporten zijn

onzorgvuldig vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met de verhoging van de gronden.

Beantwoording zienswijze: Zorgvuldigheidshalve is ten behoeve van het plan een nader akoestisch onderzoek

uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met het ophogen van de gronden. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van het vast te stellen bestemmingsplan. Het

onderzoek geeft geen aanleiding de eerdere conclusies bij te stellen. Het onderzoek staaft

de eerdere conclusies, hetgeen betekent dat naar voren is gekomen dat de planontwikkeling akoestisch inpasbaar is.

(201Zienswiize: Verkeersstructuur (a) Er is een vriescentrale met ammoniakinstallatie en die is niet onderzocht in de nieuwe verkeersstructuur. Het risico is niet onderzocht. (b) Het parkeren zal leiden tot het plaatsen van lichtmasten en dat heeft effect op de

woningen.

(c) Het mobiliteitsplan is niet goed doorgerekend. (d) Voor wat betreft fijnstof wordt aangegeven dat het toekomstbeeld maatgevend zou moeten zijn. Beantwoording zienswijze:

(a) Vriescentrale met ammoniakinstallatie

De vriescentrale is gelegen in het ter plaatse reeds vigerende bestemmingsplan en dat betekent concreet dat de effecten van die centrale (en de daarvan deel uitmakende

installaties) reeds in dat plan zijn betrokken. Om de mogelijke aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van het plangebied inzichtelijk te krijgen is een inventarisatie uitgevoerd. Bij de inventarisatie van

risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de "Risicokaart Nederland" . pagina 46 van S7

Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het

plangebied aanwezige bronnen. In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante risicobronnen aangetroffen.

De dichtsbijzijnde inrichting (Tankstation Nobis Asten B.V. een tankstation met LPG) is op een afstand van ca. 800 meter gelegen. Tevens zijn er geen buisleidingen in de directe

nabijheid gelegen. (b) Plaatsen van lichtmasten.

Voor zover bedoeld wordt dat in het plan wordt voorzien in parkeergelegenheid geldt dat

die parkeergelegenheid planologisch is geregeld. De feitelijke realisatie van parkeergelegend (die mede nodig is om te kunnen voldoen aan de parkeernorm) gaat

mogelijk ook gepaard met de realisatie van bijbehorende voorzieningen.

Indien en voor zover bijbehorende voorzieningen worden gerealiseerd en/of geplaatst dienen die voorzieningen te passen binnen het bestemmingsplan.

Niet uitgesloten is dat bepaalde voorzieningen ook vergunningplichtig zijn. Bij de plaatsing van eventuele lichtmasten zal rekening worden gehouden met de daaraan

te stellen normen en de geldende planregels. Hiermee wordt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met onder meer de omgeving.

(c) Mobiliteitsplan is niet goed doorgerekend Deze zienswijze ziet op het aspect verkeer. In het kader van aspect zijn meerdere

zienswijzen ontvangen. Capaciteit

Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen op het terrein van het verkeer is nader onderzoek verricht door onafhankelijk onderzoeksbureau SWECO.

In de rapportage door SWECO (welke rapportage onderdeel uitmaakt van het vast te stellen bestemmingsplan) wordt onder meer geconcludeerd dat het aantal extra verkeersbewegingen ten gevolge van de ontwikkeling van het plan zoals voorzien in het

voorliggende bestemmingsplan valt binnen de capaciteit van het bestaande wegennetwerk

en het verkeersbeeld. Hierdoor zal de extra verkeersgeneratie die het plan mogelijk met zich meebrengt niet tot knelpunten leiden.

Kwalitatieve capaciteit en verkeersveiligheid

In de rapportage van SWECO wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het gebruik van de openbare ruimte problemen kan opleveren voor de doorstroming en de

verkeersveiligheid. Uit de door SWECO uitgevoerde analyse volgt dat In de huidige situatie sprake is van

straatparkeren en dat dit hinder kan veroorzaken voor het tegemoetkomend verkeer. Vanwege de functie van Laagveld, Ommelsveld en de Ommelseweg (ventweg) als erftoegangsweg wordt enige vertraging en hinder echter als acceptabel aangemerkt pagina 47 van 57

(d)fijnstof Als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan is gevoegd een vormvrije MER-

beoordeling. In die beoordeling wordt onder meer ingegaan op het aspect fijnstof; mede in

relatie tot de planontwikkeling. In het rapport wordt aangegeven dat uit de omgevingsvergunning voor Laarbroek 2/2a valt af te leiden dat gemiddeld 1,5 zware

voertuigen per etmaal op het bedrijf komen (gemiddeld 3 zware voertuigbewegingen). Vervolgens wordt voor de Oliemolen 3 aangenomen dat dit ook voor die locatie geldt en die aanname heeft als uitgangspunt dat van de meest negatieve situatie wordt uitgegaan.

Op basis van zowel de vergunde als feitelijke situatie is het immers ook realistisch om uit te gaan van een minder aantal voertuigbewegingen per etmaal. In die zin wordt dus een

beeld geschetst dat realistisch is. Er is dan ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat uit wordt gegaan van onjuiste

uitgangspunten. (ZDZienswijze: Berekening watertoets; de watertoets heeft onvoldoende plaatsgevonden.

Beantwoording zienswijze:

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle

waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke invloeden van het initiatief binnen de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende

invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. De watertoets bestaat uit twee onderdelen, te weten (1) de verplichting aan

initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de

planvorming te betrekken en (2) de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is

met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de

waterparagraaf bij het betreffende plan. De watertoets heeft ook in dit plan plaatsgevonden en de uitkomsten daarvan zijn vertaald in het bestemmingsplan. Daarmee

voldoet het bestemmingsplan aan de eisen en normen voortvloeiende uit de verplichte watertoets. De uitkomsten van die toets zijn in het kader van het vooroverleg ook afgestemd met de betrokken partijen (onder andere waterschap) en daarmee is ook geregeld dat het plan op dit onderdeel voldoet aan de daaraan te stellen.

(221Zienswiize: De beschrijving van de onderbouwing van de nieuwe ontwikkeling is enkel geschreven met

het oog op de motivering van de ontwikkeling die afwijkt van de structuurvisie. Er dient

een goede historische schets plaats te vinden. pagina 48 van 57

Beantwoording zienswijze:

Het bestemmingsplan is voorzien van een korte schets van de historische ontwikkeling in en rondom het plangebied. Die schets is opgenomen om meer inzicht te geven in de vraag op welke wijze het gebied zich heeft ontwikkeld.

De historische schets dient niet om daarmee de huidige planologische ontwikkeling te onderbouwen. Het plan is immers op zichzelf voorzien van een planologische onderbouwding die ingaat op alle relevante aspecten die bij een dergelijke ontwikkeling moeten worden betrokken. (231Zienswiize:

Een ecologische analyse ontbreekt en de quickscan is niet opgenomen in het plan. Beantwoording zienswijze: Van het ontwerp-bestemmingsplan maakt onderdeel uit een door Staro BV voor de

planlocatie uitgevoerde QuickScan flora en fauna (Staro BV 20-0046, maart 2020) welke is opgenomen als Bijlage 11 bij het ontwerp-bestemmingsplan.

(24)Zienswiize: De landschappelijke inpassing van het plan is onvoldoende en de te realiseren

groenvoorziening kan niet worden afgedwongen. Beantwoording zienswijze:

Er is sprake van een landschappelijke inpassing van het plan. Naar aanleiding van de zienswijzen is de landschappelijke inpassing bezien en dat heeft

geleid tot een aantal aanpassingen zoals omschreven in de beantwoording van de zienswijzen van de Provincie.

De landschappelijke inpassing van het plan is daarmee verder versterkt in'vergelijking met

het ontwerp-bestemmingsplan. In dit kader wordt verwezen naar de beantwoording van de eerdere zienswijze op dit onderdeel.

(ZSlZienswijze:

Vormvrije m.e.r.-beoordeling; het bouwvlak in het bestemmingsplan moet worden

aangepast (conform pagina 37), de risicoanalyse als gevolg van de aanwezigheid van een vriesinstallatie moet worden aangepast en de milieuzonering is onjuist. Beantwoording zienswijze: Voor wat betreft de risicoanalyse als gevolg van de aanwezigheid van een vriesinstallatie en de zienswijzen veronderstelde onjuiste indeling in milieucategorieën wordt verwezen

naar de eerder beantwoording van de zienswijzen.

De opmerking over het bouwvlak ziet mogelijk op de gedachte dat de plankaart moet

worden aangepast in die zin dat het bouwvlak de maximale bebouwing omvat. Zoals al bij pagina 49 van 57

de eerdere beantwoording van de zienswijzen aangegeven, geldt dat het bouwvlak

specifiek is afgestemd op de voorziene ontwikkeling in het plangebied. Daarmee is sprake

van een planregeling op maat. Voor wat betreft de bestemming bedrijventerrein is overigens voorzien in een specifieke planregel die regelt dat het maximum bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan 70% van het bouwperceel mits daardoor de belasting van de openbare ruimte voor

parkeren, laden en lossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingstreding van het bestemmingsplan. Met deze planregel is geregeld

dat een maximum wordt gesteld aan de mogelijke bebouwing binnen de geldende bestemming. (26)Zienswiize: Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat op plaatsen geen freatisch grondwater mag

worden gebruikt voor consumptieve doeleinden. Uit de praktijk blijkt echter dat dit op die

plaatsen wel plaatsvindt.

Beantwoording zienswijze: In het betreffende bodemonderzoek wordt onder meer aangegeven dat het "raadzaam is

om geen freatisch grondwater te gebruiken voor consumptieve doeleinden, zoals het besproeien van gewassen en/of drenken van dieren". Daaraan wordt toegevoegd dat direct contact met het grondwater niet te verwachten is en dat daardoor het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt is. De nieuwe bedrijven geven

geen aanleiding om grondwater op te pompen voor consumptieve doeleinden. Tevens

worden gronden opgehoogd ten behoeve van het plan. Dit leidt echter niet tot een aspect

waardoor vaststelling van het bestemmingsplan niet mogelijk zou zijn. (271Zienswijze:

De omgevingsdialoog heeft niet plaatsgevonden.

Beantwoording zienswijze:

Als gevolg van het COVID-virus heeft een geplande bijeenkomst niet plaatsgevonden. Het was echter wel het voornemen om in het kader van de omgevingsdialoog een

informatiebijeenkomst te laten plaatsvinden; in dit geval op 19 maart 2020. Vanwege de situatie die is ontstaan door het COVID-19 virus heeft de informatiebijeenkomst geen doorgang kunnen vinden.

In de plaats daarvan zijn de verschillende documenten (waaronder het bestemmingsplan) als conceptstukken online gezet, waarna omwonenden en andere belanghebbenden van gedurende 2 weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun reactie in te dienen. Tevens is besloten om telefonisch contact op te nemen met omwonenden en andere

belanghebbenden. Ook tijdens dat telefonisch overleg is ingegaan op het plan en zijn mogelijke relevante pagina SO van 57

aspecten besproken. Er heeft overigens ook mondeling overleg plaatsgevonden bij bezwaarmaker aan de keukentafel. Kortom, er heeft een dialoog plaatsgevonden. (28) Zienswijze De berekeningen en de toelichting in de bijlagen beperken zich tot de huidige uitbreiding

en dus niet op de totale uitbreiding die in de toekomst mogelijk is. Beantwoording zienswijze: In de zienswijzen wordt ingegaan op de mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein met 3 tot 6 ha in de toekomst. Dat is de mogelijke uitbreiding zoals die in de toekomst zou

kunnen plaatsvinden.

Die uitbreiding wordt echter niet planologisch geregeld in het voorliggende bestemmingsplan omdat die is gelegen buiten het plangebied. Dat betekent ook concreet dat de berekeningen en de toelichting ook niet zien op die

mogelijke toekomstige uitbreiding. De uitgevoerde berekeningen en toelichting zijn

daarmee terecht afgestemd op het voorliggende plan. (29) Zienswijze:

In bijlage 2 wordt ingegaan op de "bouwregels". Er wordt ingegaan op de bestemmingsplanvoorschriften en telkens aangegeven welke aanpassingen daarin zouden

moeten worden doorgevoerd. Beantwoording zienswijze De zienswijzen zijn voorzien van bijlagen. Bijlage 2 ziet kennelijk op de bouwregels. In deze

bijlage worden de planregels vermeld en'worden opmerkingen toegevoegd. Uit die

opmerkingen kan helaas niet worden afgeleid wat met die opmerkingen wordt beoogd en/of bedoeld. Dat betekent dat een concrete reactie per planregel niet mogelijk is en de reactie - voor zover te volgen - ook geen aanleiding vormt voor een aanpassing.

De planregels zijn afgestemd op de ontwikkeling en er is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de planregels zoals die gelden voor de bestaande bedrijventerreinen. Er zijn in

de zienswijzen geen overtuigend argumenten te vinden waarom de planregels voor het onderhavige plangebied anders zouden moeten luiden dan wel aangepast zouden moeten worden.

In het algemeen kan dus worden aangegeven dat de planregels in overwegende mate in

overeenstemming met de overige bestemmingsplannen die gelden voor bedrijventerreinen. Er is dan ook geen aanleiding om te komen tot een aanpassing van die planregels en de gemaakte opmerkingen geven daartoe ook geen aanleiding. De in de zienswijzen opgenomen opmerkingen vormen ook geen aanleiding om daarvan af pagina 51 van 57

te wijken.

Zienswijzen brief 25 september 2018

In de brief van 25 september 2020 wordt een "aanvulling" gegeven op de bij brief van 27 augustus 2020 ingediende zienswijzen. Omtrent de ontvankelijkheid is aangegeven dat die

zienswijzen worden beschouwd als aanvulling op de reeds eerder ingediende zienswijzen.

Die zienswijzen vormen in overwegende mate een herhaling van de eerder ingediende zienswijzen en voor de beantwoording kan dan ook worden verwezen naar de beantwoording van die eerder zienswijzen. Voor zover daartoe aanleiding bestaat en voor zover nodig, zal in het navolgende

(volledigheidshalve) nog nader worden ingegaan op de inhoud van de brief van 2

5 september 2020.

OOlZienswüze: Er wordt - in het verlengde van de eerdere zienswijzen - ingegaan op de invulling van het

plan en de gemaakte keuzes. De vorm van bebouwing en de hoogte van de bebouwing past niet bij de bestaande bebouwing. Ook de overgang van het plan naar de omgeving is onvoldoende.

Beantwoording zienswijze; In de beantwoording van de zienswijzen is reeds uitgebreid ingegaan op het aspect

invulling van het plan, aspect hoogte van de bebouwing en de relatie van het plan tot de omgeving. Dit onderdeel van de brief behoeft dan ook geen nadere bespreking.

OllZienswijze: Er heeft geen goede afweging plaatsgevonden voor wat betreft de inpassing van het plangebied in de omgeving.

Beantwoording zienswijze;

In de beantwoording van de zienswijzen is reeds uitgebreid ingegaan op de inpassing van het plan in de omgeving; met name ook de landschappelijke inpassing. Dit onderdeel van de betreffende brief behoeft dan ook geen nadere bespreking. (32) Zienswijze:

Er wordt aangegeven dat het parkeergedeelte bij SHI is voorzien aan de zijde van de woning gelegen aan de Oliemolen 10. Ook de ontsluiting van het plan vindt plaats op korte afstand van de woning gelegen aan de

Oliemolen 10.

Er is enkel voor wat betreft SHI voorzien in een uitwerking van de parkeerbehoefte waarbij wordt opgemerkt dat die is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.

pagina 52 van 57

Beantwoording zienswijze: De omschrijving in de zienswijze van de locatie van de parkeergelegenheid en de ontsluiting van het plan is gebaseerd op het ontwerp-plan en vormt daarmee een juiste

weergave.

Voor wat betreft de berekening van de parkeerbehoefte geldt dat het plan is voorzien van een mobiliteitsplan en dat daarin ook de parkeerbehoefte is berekend. Die berekening

vindt plaats op basis van de juiste uitgangspunten. Algemeen geldt in het plan dat bij de realisatie van de bestemming voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd,

e.e.a. conform gemeentelijke parkeerbeleid. Voor wat betreft SHI is specifiek een

mobiliteitsplan opgesteld conform gemeentelijk parkeerbeleid met als doel inzichtelijk te

maken wat de specifieke parkeerbehoefte is en planologisch te regelen. Dit is vertaald op de verbeelding en in de planregels. Voor de andere twee bedrijven geldt de algemene gemeentelijke parkeernorm volgend uit

het gemeentelijk parkeerbeleid en verwezen wordt naar artikel 14 van de planregels. (331Zienswijze: Er is sprake van een beperkte berekening van de geluidsbelasting op de omgeving. De

berekeningen zijn niet gebaseerd op de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Beantwoording zienswijze: Voor wat betreft de berekening van de geluidsbelasting is niet alleen rekening gehouden

met de omgeving maar is ook gelet op de mogelijkheden die het plan bieden. Bij het uitgevoerde akoestische onderzoek is rekening gehouden met een invulling van het

plan waarbij die invulling is gemodelleerd op het uitgangspunt dat op basis van de planregels 70% van het bouwvlak mag worden bebouwd.

Rekening houdend met de toegestane milieu categorieën en de oppervlaktes zijn

vervolgens de oppervlaktebronnen gedefinieerd. Daaraan zijn vervolgens de kengetallen voor het aantal verkeersbewegingen op basis van het CROW gekoppeld. Daarmee is niet alleen invulling gegeven aan een maximale invulling van het plan maar ook

tevens uitgegaan van de juiste uitgangspunten voor maximale invulling van het plan. (34)Zienswijze:

De vraag is of de watergang direct ten noorden van het perceel Oliemolen 10 komt te vervallen. En zo ja, waar het water dan heengaat.

Beantwoording zienswijze; De watergang ten noorden van Oliemolen 10 maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Hier zijn dan ook geen ingrepen voorzien althans niet op basis van het

voorliggende plan. De in de zienswijze aangehaalde watergang blijft dan ook gehandhaafd.

pagina 53 van 57

De afwatering in het plangebied zal overigens op dezelfde manier als in de huidige situatie plaatsvinden. Daarvoor is in het plangebied een aantal overkluizingen voorzien (en gemaakt) onder de toekomstige erfverhardingen zodat de afwatering van het gebied is geborgd. Dit is ook conform het waterplan.

(35)Zienswijze: Het elektronische installatie en machinebouwbedrijf is te kwalificeren als een bedrijf met de SBI-code 33.2 en dat wordt in de staat van inrichtingen gekwalificeerd als een 4.1

bedrijf.

Beantwoording zienswijze: In de beantwoording van de zienswijzen is reeds uitgebreid ingegaan op het aspect

milieucategorieën. Dit onderdeel van de brief behoeft dan ook geen nadere bespreking. (36)Zienswiize: Door de ontwikkeling van het plan zal de bestemming van Logies-Oliemolen-B&B waardeloos worden en in dat kader wordt een aanzienlijke omzetderving verwacht.

Beantwoording zienswijze:

Het standpunt dat sprake is van een ontwikkeling die tot schade zal leiden wordt niet onderbouwd. Door de aanwezigheid van de bestaande bedrijven in de omgeving, de

inpassing van het plan door het realiseren van erfbeplanting en de landschappelijke inpassing en de wijziging van de ter plaatse aanwezige bedrijvigheid is er geen sprake van een onevenredige aantasting van de belangen.

De in de brief beschreven mogelijkheden dat er ook andere bedrijven zouden kunnen worden gevestigd, wordt gelet op de planregels en de toelichting behorend bij de

planregels niet gevolgd. Het is ook niet duidelijk op basis waarvan het standpunt wordt

ingenomen dat in de brief genoemde bedrijven zich ter plaatse zouden kunnen vestigen.

In afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijk ordening wordt ingegaan op de tegemoetkoming in schade (voorheen planschade). Hierin is bepaald dat burgemeester en wethouders degene

die, vermogensschade (vermindering waarde onroerend goed) of inkomensschade (omzetdaling) lijdt, op aanvraag tegemoetkoming toe kunnen kennen. Het gaat dan om

schade die dan redelijkerwijs, rekening houdend met het normaal maatschappelijk risico, niet voor rekening van aanvrager behoort te blijven.

Indien men van mening is dat het bestemmingsplan zal leiden tot een waardevermindering

van het onroerend goed of omzetderving, kan hiervoor - na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan afzonderlijk een verzoek om tegemoetkoming in planschade

worden ingediend.

pagina 54 van 57

8. Autobedrijf Van Hoof, Ommelsveld 2b te (5721 AS) Asten

(1) Zienswijze: Er heeft nauwelijks een omgevingsdialoog plaatsgevonden.

Beantwoording zienswijze In het kader van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan was het voornemen om in het kader van de omgevingsdialoog een informatiebijeenkomst te laten

plaatsvinden op 19 maart 2020. Vanwege de situatie die is ontstaan door het COVID-19 virus heeft de informatiebijeenkomst geen doorgang kunnen vinden.

In de plaats daarvan zijn de verschillende documenten (waaronder het bestemmingsplan)

als conceptstukken online gezet, waarna omwonenden en andere belanghebbenden van gedurende 2 weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun reactie in te dienen.

Tevens is besloten om telefonisch contact op te nemen met omwonenden en andere

belanghebbenden die direct zicht hebben op het plangebied. Andere belanghebbenden zijn via de normale kanalen op de hoogte gebracht zoals gebruikelijk is bij een

voorontwerpbestemmingsplan en ontwerpbestemmingsplan in de gemeente Asten.

Kortom, er heeft een dialoog plaatsgevonden. (2) Zienswijze:

De bedrijven op het industrieterrein 't Hoogveld zullen te maken krijgen met een extra forse verkeersstroom. De extra verkeersbewegingen die er bij zullen komen vanuit SHI

gaan zeker problemen en opstoppingen veroorzaken.

Beantwoording zienswijze: Deze zienswijze ziet op het aspect verkeer. In het kader van aspect zijn meerdere

zienswijzen ontvangen. Capaciteit

Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen op het terrein van het verkeer is nader

onderzoek verricht door onafhankelijk onderzoeksbureau SWECO. In de rapportage door SWECO (welke rapportage onderdeel uitmaakt van het vast te stellen bestemmingsplan) wordt onder meer geconcludeerd dat het aantal extra verkeersbewegingen ten gevolge

van de ontwikkeling van het plan zoals voorzien in het voorliggende bestemmingsplan valt binnen de capaciteit van het bestaande wegennetwerk en het verkeersbeeld.

Hierdoor zal de extra verkeersgeneratie die het plan mogelijk met zich meebrengt niet tot knelpunten leiden.

pagina 55 van 57

Kwalitatieve capaciteit en verkeersveiligheid

In de rapportage van SWECO wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het gebruik van de openbare ruimte problemen kan opleveren voor de doorstroming en de verkeersveiligheid. Uit de door SWECO uitgevoerde analyse volgt dat in de huidige situatie

sprake is van straatparkeren en dat dit hinder kan veroorzaken voor het tegemoetkomend verkeer. Vanwege de functie van Laagveld, Ommelsveld en de Ommelseweg (ventweg) als

erftoegangsweg wordt enige vertraging en hinder echter als acceptabel aangemerkt

pagina 56 van 57

9. Rob Sleegers Beheer BV, Oliemolen 2 te (5721WN) Asten

(1) Zienswijze:

Er worden zorgen geuit over de bouwhoogte. Er zijn geen bezwaren tegen de plannen maar de vraag wordt gesteld of het mogelijk is een toezegging te doen inhoudende dat de aangevraagde bouwhoogte niet geldt voor het gehele industrieterrein Laagveld en zeker

niet voor de omliggende panden van Oliemolen 2.

BeantwoordinR zienswijze: Op zich kan nu enkel worden ingegaan op het voorliggende plan en de daarin vervatte ontwikkeling. Dat betekent dat het niet mogelijk is om in het kader van dit plan te bepalen wat de bouwhoogte zal zijn voor gronden die niet in dit plangebied liggen. Dat neemt niet weg dat de zorgen over de bouwhoogte te begrijpen zijn en dat ook bij

toekomstige ontwikkelingen zal worden nagegaan of afwijking van de bouwhoogte zoals

die in het algemeen gelden in Asten nodig en/of noodzakelijk zijn. Kortom, er zal zeker

kritisch worden bezien welke bouwhoogte voor andere delen van het nog te ontwikkelen bedrijventerrein zal gelden. Voor wat betreft de huidige bedrijven gelegen aan de Oliemolen geldt uiteraard dat de planregels van het aldaar geldende bestemmingsplan van

toepassing zijn. Daarin is reeds voorzien in onder meer een maximale bouwhoogte en een maximaal bebouwingsoppervlakte.

EINDE NOTITIE

pagina S7 van 57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=f8ca32a1-950d-480b-a418-993d4c33de04