RU21.03.03A 7 Voorlopige voorziening BP Laarbroek-Laagveld 2020 (deel I) 46-90.pdf
Tekst van het document
Kwalitatieve capaciteit en verkeersveiligheid In de rapportage van SWECO wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het gebruik van
de openbare ruimte problemen kan opleveren voor de doorstroming en de verkeersveiligheid. Uit de door SWECO uitgevoerde analyse volgt dat in de huidige situatie sprake is van straatparkeren en dat dit hinder kan veroorzaken voor het tegemoetkomend
verkeer. Vanwege de functie van Laagveld, Ommelsveld en de Ommelseweg (ventweg) als erftoegangsweg wordt enige vertraging en hinder echter als acceptabel aangemerkt.
2)
Zienswijze:
Vermeerdering van het aantal verkeersbewegingen is onvoorstelbaar mede gelet op de huidige belasting en problemen.
Beantwoording zienswijze:
In de zienswijze wordt aandacht gevraagd voor het aantal verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen vergt zeker de nodige aandacht en met die
verkeersbewegingen is ook reeds rekening gehouden in de planvorming. Deze zienswijze ziet op het aspect verkeer. In het kader van dit aspect zijn meerdere
zienswijzen ontvangen. Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen op het terrein van
het verkeer is nader onderzoek verricht door onafhankelijk onderzoeksbureau SWECO. In de rapportage door SWECO (welke rapportage onderdeel uitmaakt van het vast te stellen bestemmingsplan) wordt onder meer geconcludeerd dat het aantal extra
verkeersbewegingen ten gevolge van de ontwikkeling van het plan zoals voorzien in het
voorliggende bestemmingsplan valt binnen de capaciteit van het bestaande wegennetwerk en het verkeersbeeld. Hierdoor zal de extra verkeersgeneratie die het plan mogelijk met
zich meebrengt niet tot knelpunten leiden. Conclusie: Kortom, de ontvangen zienswijzen leiden niet tot aanpassing van het plan. Er is echter wel aanvullend onderzoek uitgevoerd en de rapportage die hieruit voortvloeit (Notitie verkeersadvies bestemmingsplan Asten Laarbroek-Laagveld 2020) zal als bijlage bij
het bestemmingsplan worden gevoegd en daarmee deel uitmaken van het door de raad vast te stellen bestemmingsplan. Dat neemt niet weg dat met de ondernemers in het
plangebied nog (nader) overleg zal plaatsvinden over mogelijke zorgen ter zake de
verkeersstructuur en bereikbaarheid.
pagina 13 van 57
S. Smederij Van Baars, Ommelsveld 15 te (5721VT) Asten
(1) Zienswijze: Er heeft nauwelijks een omgevingsdialoog plaatsgevonden terwijl een dergelijke dialoog
wel nodig is.
Beantwoording zienswijze:
In het kader van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan was het voornemen om in het kader van de omgevingsdialoog een informatiebijeenkomst te laten plaatsvinden op 19 maart 2020. Vanwege de situatie die is ontstaan door het COVID-19
virus heeft de informatiebijeenkomst helaas geen doorgang kunnen vinden maar zijn
andere mogelijkheden benut om invulling te geven aan de dialoog. Alvorens de ruimtelijke procedure tot het wijzigen van het bestemmingsplan werd
opgestart heeft (in de plaats van de bijeenkomst) van maandag 16 maart tot en met vrijdag 3 april een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de directe omgeving. Daarbij hebben
met de direct aanwonende c.q. belanghebbenden met direct zicht op de locatie
telefoongesprekken plaatsgevonden en op verzoek tevens keukentafelgesprekken. Verder zijn de verschillende documenten (waaronder het bestemmingsplan) als
conceptstukken online gezet, waarna omwonenden en andere belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun reactie in te dienen.
Er is ook besloten om telefonisch contact op te nemen met omwonenden en andere belanghebbenden. Ook tijdens dat telefonisch overleg is ingegaan op het plan en zijn
mogelijke relevante aspecten besproken. Kortom, er heeft ondanks COVID-19 een dialoog plaatsgevonden en verwezen wordt naar
het verslag omgevingsdialoog zoals dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd.
Uit dat verslag volgt overigens dat door de indiener van de zienswijzen werd aangegeven dat het plan eerder geen aanleiding gaf voor een reactie. (2) Zienswijze: Bedrijven op industrieterrein 't Hoogveld zullen te maken krijgen met een extra forse
verkeersstroom; Beantwoording zienswijze:
Deze zienswijze ziet op het aspect verkeer. In het kader van dit aspect zijn meerdere zienswijzen ontvangen.
Capaciteit Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen op het terrein van het verkeer is nader pagina 14 van 57
onderzoek verricht door onafhankelijk onderzoeksbureau SWECO. In de rapportage door
SWECO (welke rapportage onderdeel uitmaakt van het vast te stellen bestemmingsplan) wordt onder meer geconcludeerd dat het aantal extra verkeersbewegingen ten gevolge
van de ontwikkeling van het plan zoals voorzien in het voorliggende bestemmingsplan valt
binnen de capaciteit van het bestaande wegennetwerk en het verkeersbeeld. Hierdoor zal de extra verkeersgeneratie die het plan mogelijk met zich meebrengt niet tot knelpunten leiden.
Kwalitatieve capaciteit en verkeersveiligheid
In de rapportage van SWECO wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het gebruik van de openbare ruimte problemen kan opleveren voor de doorstroming en de
verkeersveiligheid. Uit de door SWECO uitgevoerde analyse volgt dat in de huidige situatie sprake is van straatparkeren en dat dit hinder kan veroorzaken voor het tegemoetkomend verkeer. Vanwege de functie van Laagveld, Ommelsveld en de Ommelseweg (ventweg) als
erftoegangsweg wordt enige vertraging en hinder echter als acceptabel aangemerkt. (3) Zienswijze:
De omvang van het plan zoals voorzien in het ontwerp staat in geen enkele verhouding tot
het bestemmingsplan "Asten bedrijventerrein 2013". Beantwoording zienswijze: De planontwikkeling zoals voorzien heeft deels betrekking op de verplaatsing van SHI. Die verplaatsing betekent dat op de nieuwe locatie sprake zal zijn van nieuwvestiging waarbij
geldt dat die nieuwe vestiging moet voldoen aan de daaraan te stellen eisen en voorwaarden. Dat heeft er toe geleid dat, na een planologische afweging te hebben gemaakt, wordt voorzien in een concreet plan dat voorziet in voorschriften op maat.
Het is daarmee niet de bedoeling dat sprake is van ongewenste precedentwerking. Het gaat immers om een specifieke afweging op maat voor de verplaatsing van SHI, De gekozen uitgangspunten zijn daarmee acceptabel en sluiten aan bij de concrete
planinvulling. Voor wat betreft de oppervlakte is juist dat het bestemmingsplan "Asten bedrijventerreinen 2013" als algemeen uitgangspunt een oppervlakte van 5.000 m’
hanteert. De oppervlakte van een bouwperceel mag daarmee in principe niet meer bedragen dan
5.000 m’, met uitzondering van bouwpercelen die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan een grotere oppervlakte hebben. Op het huidige bedrijventerrein zijn ook reeds diverse bedrijven gevestigd die een
aanzienlijk grotere oppervlakte kennen. In die zin is reeds sprake van bedrijven met
afmetingen die reeds afwijken van de op basis van genoemd bestemmingsplan geldende voorschriften. Die afwijking wordt overigens ook mogelijk gemaakt op basis van de geldende planregels. pagina 15 van 57
Voor wat betreft de bouwhoogte is van belang dat het bestemmingsplan "Asten
bedrijventerreinen 2013" ook reeds voorziet in een mogelijkheid om met afwijking een hoogte van meer dan 12 meter te realiseren. Dat betekent dat niet alleen gebouwen met
een hoogte van 12 meter maar ook gebouwen met een hoogte van meer dan 12 meter zijn
toegestaan. Het gegeven dat het huidige bestemmingsplan "Asten bedrijventerreinen 2013" deze ruime mogelijkheid kent, neemt uiteraard niet weg dat de hoogte van 14
meter afwijkt van hetgeen nu ter plaatse planologisch mogelijk is. Die afwijking (lees: 14 meter) wordt echter planologisch als acceptabel beschouwd mede gelet op de inrichting
van het bedrijf, de activiteiten van het bedrijf en de specifieke eisen waaraan moet worden voldaan om een toekomstbestendig bedrijf mogelijk te maken. De hoogte van 14 meter is mede afgestemd op de benodigde oppervlakte (hoe hoger des te minder oppervlakte nodig is). Gelet op de situering van de bebouwing, de landschappelijke inpassing, de opbouw in de bouwhoogtes en de relatie tussen oppervlakte en hoogte wordt de
bouwhoogte vanuit planologisch oogpunt als acceptabel aangemerkt. (4) Zienswijze: Er zal sprake zijn van een ongewenste precedentwerking door de voorziene ontwikkeling.
Beantwoording zienswijze: De ontwikkeling is specifiek en om die reden is in het plan ook een specifieke, voor het
plangebied, geldende regeling opgenomen. Die regeling geldt enkel voor het voorliggende
plangebied. Voor zowel de oppervlakte als de hoogte van de bebouwing van SHI is sprake van
afstemming op maat. Dat betekent dat de regels specifiek zijn opgesteld ten behoeve van het mogelijk maken van de nieuwe vestiging van SHI. Het is daarmee niet de bedoeling dat sprake is van ongewenste precedentwerking en om
dat te voorkomen zijn de regels voor de nieuwbouw van SHI ook enkel van toepassing op dat plandeel.
De afwijking van de bestemmingsplanregels in dit plangebied is ruimtelijk onderbouwd en dat betekent dat die afwijking voldoende specifiek is teneinde precedentwerking te voorkomen. Er is gelet op de specifieke onderbouwing dan ook geen enkele aanleiding om
aan te nemen dat sprake zal zijn van een (ongewenste) precedentwerking.
(5) Zienswijze: Er zijn vraagtekens bij de bouwhoogtes zoals voorzien in het ontwerp.
Beantwoording zienswijze: In het ontwerp is voorzien in de realisatie van een aantal bedrijfsgebouwen waarbij als
uitgangspunt geldt dat de bouwhoogte is afgestemd op de functie en behoefte waarin met
het bouwplan wordt voorzien. De maatvoering van de bestemming bedrijventerrein aan de pagina 16 van 57
zuidzijde van het plan voorziet in gebouwen met een maximale hoogte van respectievelijk 8 en 10 meter. Die hoogtes sluiten aan bij de hoogte van gebouwen zoals toegestaan in het
in de directe omgeving vigerende bestemmingsplan "Asten bedrijventerreinen 2013".
Aansluitend is het noordelijke deel van het plan voorzien in een bouwvlak waar een hoogte van maximaal 14 meter. Die hoogte sluit aan bij de behoefte waarin het betreffende
bouwplan dat ter plaatse wordt gerealiseerd voorziet. Er is weliswaar sprake van een hoogte die afwijkt van de toegestane hoogtes zoals
opgenomen in het bestemmingsplan "Asten bedrijventerreinen 2013" maar dat neemt niet weg dat die hoogte zowel vanuit ruimtelijk (maar ook vanuit stedenbouwkundig) oogpunt acceptabel is.
In het geval van SHI gaat het om een gebouw met een oppervlakte van ca. 21000 m’ Gelet op de afstand tot de omliggende bebouwing, de landschappelijk inpassing en de opbouw in
het plan in hoogtes wordt een hoogte van 14 meter in deze specifieke situatie
aanvaardbaar geacht. Er is daarbij ook duidelijk rekening gehouden met het gegeven dat sprake is van een
verplaatsing binnen de gemeente en dat de gemeente ook veel waarde hecht aan het mogelijk kunnen maken van deze verplaatsing. Bij het Inventariseren van de planologische
mogelijkheden is onder meer ook rekening gehouden met de relatie tussen bouwhoogte en oppervlakte. Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik is gekozen voor de nu
voorliggende invulling van het plangebied.
Daarbij dient voor de volledigheid nog te worden vermeld dat voormeld bestemmingsplan het voor wat betreft de huidige locatie van SHI ook mogelijk maakt om tot een hoogte van 12 meter te bouwen.
Dat plan biedt zelfs de mogelijkheid dat de bouwhoogte van gebouwen meer mag bedragen dan de genoemde 12,00 meter. Het gaat dan om de gronden waar ter plaatse
van de aanduiding "maximale bouwhoogte een afwijkende maximaal toegestane
bouwhoogte" is aangeduid. (6) Zienswijze:
De bebouwingsconcentratie is strijdig met artikel 4.1.1. van de Structuurvisie Asten.
Beantwoording zienswijze:
Het plan geeft invulling aan de gemeentelijke structuurvisie 'Avance', waarin voor het gebied een stedelijke ontwikkeling is voorzien in de vorm van een bedrijventerrein.
De ontwikkelwens van het bedrijf SHI heeft aanleiding gegeven om invulling te geven aan
de structuurvisie, waarbij onderhavige ontwikkeling de eerste concrete invulling is. Het plan past daarmee in de structuurvisie.
(7) pagina 17 van 57
(8) Zienswijze:
Er wordt niet voldaan aan de akoestische voorwaarden.
Beantwoording zienswijze:
Voor wat betreft de akoestische voorwaarden geldt als uitgangspunt dat bij nieuwe bedrijvigheid rekening dient te worden gehouden met omliggende gevoelige
bestemmingen. De nieuw mogelijk gemaakte bedrijvigheid dient op een verantwoorde afstand te blijven van bijvoorbeeld bestaande woningen en dat is ook het geval in het nu
voorliggende bestemmingsplan. Met het planvoornemen wordt nieuwe bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied zijn bedrijven als bedoeld in categorie 2 en 3 van
de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan, zoals regulier toegestaan op de bedrijventerreinen binnen de gemeente Asten. Specifiek worden twee bedrijven groter dan 5.000 m’ toegestaan en een bedrijf tot 1500 m’.
Het ter plaatse te vestigen elektrotechnisch installatiebedrijf houdt zich bezig met het
installeren, onderhouden en verkopen van benodigdheden voor elektrotechnische installaties, van elektrotechnische bouwinstallaties en van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur, en luchtwasinstallaties met name in de agrarische
(veehouderij) sector. Ten behoeve van de agrarische klanten worden tevens van containers gebouwd als losse installaties voor het bewerken, zuiveren van water, mest en andere
vloeistoffen. Voor zowel de containers als luchtbehandelingskasten is sprake van diverse metaalbewerking. In het plan en de toelichting is onderbouwd welke milieu categorieën zijn toegestaan en onder welke categorie de bedrijven vallen. Voor wat betreft het elektronisch
installatiebedrijf zoals hiervoor omschreven is - in tegenstelling tot hetgeen wordt
aangegeven in de zienswijze - geen sprake van een vorm van fabriek.
Daarbij geldt dat de oppervlakte van dit bedrijf ook niet in de buurt komt van een
oppervlakte die als uitgangspunt wordt gesteld om een bedrijf als fabriek aan te merken. Ter verduidelijking op dit gebied, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de
toelichting behorend bij het bestemmingsplan aan te passen en nader uiteen te zetten onder welke SBI-code dit bedrijf valt.
Het bedrijf is aan te merken als een bedrijf dat valt onder de (hoofd)categorie
"vervaardiging van machines en apparaten" waarbij de oppervlakte van de constructiewerkplaats niet meer dan 2.000 m’ bedraagt. Op basis van de bijbehorende SBI codering geldt dan een maximale milieucategorie 3.2.
Voorts ontplooit het bedrijf activiteiten die gerangschikt kunnen worden onder de categorie "elektronisch n.e.g." en hiervoor geldt de maximale milieucategorie 2. Kortom, er zal sprake zijn van een bedrijf dat maximaal in milieucategorie 3.2 kan worden pagina 18 van 57
ingedeeld.
t
In het kader van de regeling van dit bedrijf zal ter verdere waarborging van de maximale
milieucategorie een aanpassing van de planregels van het ontwerp-bestemmingsplan plaatsvinden. De planregels geldend voor de locatie van dit bedrijf zullen zodanig worden aangepast dat voor het deel van het plangebied met de aanduiding op de plankaart
"specifiek vorm van bedrijventerrein - 2" als uitgangspunt zal gelden dat de oppervlakte
van de constructiewerkplaats voor het vervaardigen van machines en apparaten niet meer dan 2000 m’ mag bedragen.
Conclusie:
De zienswijze leidt tot aanpassing van de planregels in die zin dat in de planregels zal worden opgenomen dat voor het deel van het plangebied met de aanduiding op de plankaart "specifiek vorm van bedrijventerrein - 2" als uitgangspunt zal gelden dat de oppervlakte van de constructiewerkplaats voor het vervaardigen van machines en apparaten per bedrijf niet meer dan 2000 m^ mag bedragen.
De zienswijze vormt tevens aanleiding om de toelichting aan te passen in die zin dat daarin nader wordt ingegaan op de categorisering van het bedrijf in milieiicategorieën.
(9) Zienswijze: Er moet worden aangetoond dat het plan voldoet aan de normen met betrekking tot
hydrologie en de watertoets. Beantwoording zienswijze: Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen
expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle
waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke invloeden van het initiatief binnen de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. De watertoets bestaat uit twee onderdelen, te weten (1) de
verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder
vroegtijdig in de planvorming te betrekken en (2) de verplichting aan initiatiefnemers van
ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. De watertoets heeft plaatsgevonden en de
uitkomsten daarvan zijn vertaald in het nu voorliggende bestemmingsplan. Aan de uitkomsten van die toets wordt in ieder geval invulling gegeven. Daarmee voldoet het
bestemmingsplan aan de eisen en normen voortvloeiende uit de verplichte watertoets. De uitkomsten van die toets zijn in het kader van het vooroverleg ook afgestemd met de betrokken partijen (onder andere waterschap) en daarmee is ook geregeld dat het plan op
dit onderdeel voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
pagina 19 van 57
(10) Zienswijze; Er moet worden aangetoond dat er geen vleermuizen gehuisvest zijn in de te saneren
gebouwen en dat het plan voldoet aan de normen met betrekking tot de zorgplicht voor beschermde soorten.
Beoordeling zienswijze: Van het ontwerp-bestemmingsplan maakt onderdeel uit een door Staro BV voor de planlocatie uitgevoerde QuickScan flora en fauna (Staro BV 20-0046, maart 2020) welke is opgenomen als Bijlage 11 bij het ontwerp-bestemmingsplan. Uit het onderzoek is in het kader van soortenbescherming gebleken dat op de locatie
mogelijk verschillende soorten voorkomen die zijn beschermd onder paragrafen 3.1,3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het plangebied Is in principe geschikt als
foerageergebied voor vleermuizen. In het plangebied zijn varkensstallen en rundveestallen aanwezig. In de bestaande
varkenstallen in het plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. De dakranden sluiten precies aan op de muren, er is geen dakbeschot aanwezig of de muren
zijn voor vleermuizen ongeschikt om op te landen (foto's 4,5,7 en 8). Voor wat betreft de rundveestallen in het plangebied geldt dat die op termijn worden gesloopt. Die sloop zal weliswaar plaatsvinden binnen de planperiode maar voorzien is in
een sloop die eerst over enkele jaren zal plaatsvinden.
Artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt: Bij de vaststelling van een
bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Die bepaling en de rechtspraak (op dit onderdeel) brengen met zich mee dat een
onderzoek actueel moet zijn. Om die reden is het niet nodig en ook niet zinvol om nu reeds
een onderzoek te plaatsvinden. Dat onderzoek zal plaatsvinden op het moment dat de ingreep zal gaan plaatsvinden (na vergunningverlening). Op het moment dat die stallen worden gesloopt aldus moet worden voldaan aan de op dat
moment geldende wet- en regelgeving. Bij het verlenen van toekomstige ontheffingen en/of vergunning zal dan ook worden getoetst of vergunningverlening mogelijk is met het
oog op onder meer vleermuizen. (11) Zienswijze: Bij de berekening van de parkeernorm wordt geen rekening gehouden met de
mogelijkheid dat het uitgangspunt dat 40% van de medewerkers op de fiets komt in de
toekomst kan wijzigen.
pagina 20 van 57
Beantwoording zienswijze:
In het kader van de mobiliteit is het gebruikelijk dat aan de hand van de geldende parkeernormen wordt bepaald wat de behoefte aan parkeerplaatsen is. Bij het bepalen van die behoefte, en dus de parkeernormen, wordt rekening gehouden
met diverse relevante aandachtspunten zoals onder meer het gebruik van de gebouwen,
de bereikbaarheid van het plan en de omvang van de gebouwen. In dat kader is ook
verkeerskundig bezien realistisch om rekening te houden met de reële en ook bestaande mogelijkheid dat medewerkers op de fiets komen. Dat rekening wordt gehouden dat 40% van de medewerkers op de fiets komt, is in die zin dus realistisch en ook voor de nieuwe locatie goed mogelijk en te verklaren vanuit de huidige situatie en de voorziene
planologische ontwikkeling. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat rekening zou moeten worden gehouden met een ander percentage. Het gegeven dat de toekomst wijzigingen met zich mee kan brengen voor onder meer de bereikbaarheid betekent niet dat op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan niet zou mogen worden uitgegaan van genoemd percentage.
Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is het groothandelsbedrijf van SHI overigens
zowel in de huidige situatie als de situatie in het plangebied te karakteriseren als een relatief arbeids- en bezoekersextensief bedrijf (de bedrijfshal zal voornamelijk als opslag worden gebruikt).
In de parkeernorm is dus rekening gehouden met het uitgangspunt en het huidige gegeven
dat medewerkers ook per fiets komen en het hanteren van een percentage fietsgebruik is daarmee mogelijk en in dit geval ook afgestemd op de specifieke situatie. In aanvulling hierop geldt dat ook rekening is gehouden met de huidige, feitelijke situatie bij SHI. Dat betekent dat onder meer is bezien hoe het betreffende bedrijf in de huidige
situatie kan worden gekenmerkt; onder meer voor wat betreft de bereikbaarheid van het bedrijf, de personele bezetting van het bedrijf en de modaliteiten waarop het bedrijf dagelijks wordt bereikt. Daarbij is vastgesteld dat de situatie in het plangebied voor wat betreft onder meer de bereikbaarheid en de overige modaliteiten (hoeveel medewerkers
komen er dagelijks, op welke wijze bereiken de medewerkers het bedrijf etc.) geen sprake is van wijzigingen. In ieder geval niet van wijzigingen die leiden tot de conclusie dat moet
Worden uitgegaan van andere uitgangspunten. Zo zal het percentage van de medewerkers
die dagelijks op de fiets naar het bedrijf SHI komen, niet wijzigen. (lllZienswijze: Er is onvoldoende onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de draagkracht van de huidige
toegangswegen en ontsluiting.
Beantwoording zienswijze: In de zienswijze wordt ingegaan op de mogelijke effecten van de realisatie van het plan in
relatie tot de huidige situatie. Daarbij wordt gerefereerd aan de verkeersproblemen die
pagina 21 van 57
verwacht kunnen worden als gevolg van de ontsluiting van het plan.
In feite zal het plangebied worden ontsloten via reeds bestaande infrastructuur waarbij ook reeds eerder rekening is gehouden met de komst van het plan.
Dat betekent dat het plan kan en mag worden ontsloten via de bestaande wegen waarbij geldt dat die wegen voldoen aan de daaraan te stellen eisen voor onder meer
vrachtverkeer. Deze zienswijze ziet op het aspect verkeer. In het kader van aspect zijn meerdere
zienswijzen ontvangen. Capaciteit Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen op het terrein van het verkeer is nader
onderzoek verricht door onafhankelijk onderzoeksbureau SWECO.
In de rapportage door 5WEC0 (welke rapportage onderdeel uitmaakt van het vast te stellen bestemmingsplan) wordt onder meer geconcludeerd dat het aantal extra verkeersbewegingen ten gevolge van de ontwikkeling van het plan zoals voorzien in het
voorliggende bestemmingsplan valt binnen de capaciteit van het bestaande wegennetwerk
en het verkeersbeeld. Hierdoor zal de extra verkeersgeneratie die het plan mogelijk met zich meebrengt niet tot knelpunten leiden.
Kwalitatieve capaciteit en verkeersveiligheid In de rapportage van SWECO wordt ook aandacht besteed aan de vraag of het gebruik van
de openbare ruimte problemen kan opleveren voor de doorstroming en de
verkeersveiligheid. Uit de door SWECO uitgevoerde analyse volgt dat in de huidige situatie sprake is van straatparkeren en dat dit hinder kan veroorzaken voor het tegemoetkomend
verkeer. Vanwege de functie van Laagveld, Ommelsveld en de Ommelseweg (ventweg) als erftoegangsweg wordt enige vertraging en hinder echter als acceptabel aangemerkt
(13)Zienswiize:
De landschappelijke inpassing van het plan is onvoldoende. Beantwoording zienswijze: Er is sprake van een landschappelijke inpassing van het plan en ook uitgebreid bezien op
welke wijze die inpassing kan worden vormgegeven op een wijze dat die aanpassing ook als robuust is aan te merken. In dat kader is het plan ook voorzien van een landschapsplan waarin uitgebreid wordt ingegaan op de treffen maatregelen.
Het gaat dan onder meer om de navolgende maatregelen; - Situering, maat en schaal van nieuwe bedrijfspanden afstemmen op bestaand
bedrijventerreinen;
- Groene zone om bedrijfspand voor landschappelijke inrichting aan de kernrandzijde en pagina 22 van 57
het landschap en op de overgang naar de lintbebouwing aan Laarbroek;
- Afronding van het bestaande bedrijventerrein, dat nu nog wordt gekenmerkt door een 'rafelige en rommelige rand' bestaande uit achterzijden van gevestigde bedrijven; - Situering, maat en schaal van nieuwe bedrijfspanden afstemmen op meer kleinschalige
bebouwing aan het lint; - Inpassen in het groene kader van de omgeving, met name waar de locatie vanuit het buitengebied vanaf kortere afstand zichtbaar is
De landschappelijke inpassing van het plan is daarmee verder versterkt in vergelijking met
het ontwerp-bestemmingsplan. Er zijn meerdere zienswijzen ontvangen. In een aantal van die ontvangen zienswijzen
wordt ook ingegaan op de landschappelijke inpassing. Onder meer in de zienswijze van het
College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant wordt aandacht gevraagd voor de landschappelijke inpassing en wordt ook verzocht om die landschappelijke inpassing nog te
versterken. Naar aanleiding daarvan is onderzocht of een verdere versterking mogelijk is en dat heeft
geleid tot het resultaat dat de landschappelijke inpassing wordt gewijzigd c.q. verbeterd ten opzichte van het landschapsplan zoals dat deel uitmaakt van het ontwerpbestemmingsplan zoals dat ter inzake heeft gelegen.
Kortom, de betreffende zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin
dat de plankaart hierop wordt aangepast. Ook de toelichting behorend bij het bestemmingsplan wordt aangepast. Tevens wordt een van de bijlagen behorend bij het ontwerp-bestemmingsplan (het stedenbouwkundig en landschapsplan) wordt aangepast.
ll4)Zienswiize: De omvang van de bebouwing zoals voorzien in het plan is in strijd met de regels van het
bestemmingsplan Buitengebied Asten 2016.
Beantwoording zienswijze: Voor het plangebied is relevant dat dit plangebied als uitbreiding op het bestaande
bedrijventerrein heeft te gelden en dat plangebied ook in de structuurvisie is aangewezen
als aangewezen zoekgebied voor uitbreiding. Dat betekent in feite ook dat de regels van het buitengebied niet van toepassing zijn en het ook vanuit planologisch oogpunt niet juist zou om van een buitengebied-situatie uit te gaan.
pagina 23 van 57
6. College van GS Noord-Brabant, Brabantlaan 1 te (5200 MC, Postbus 90151) 's-Hertogenbosch
Algemeen: In de zienswijzen van het College van GS (verder: "de Provincie”) wordt ingegaan op de
planbeschrijving. Die beschrijving geeft aan wat met het plan wordt beoogd,
in de kern komt het plan erop neer dat een splitsing kan worden gemaakt tussen enerzijds
de omzetting van de agrarische functie (van een tweetal veehouderijbedrijven) in een aanzienlijk minder vergaande bestemming en anderzijds de mogelijkheid om medewerking te verlenen aan de verplaatsing van een bestaand bedrijf dat nu is gelegen op relatief korte
afstand van het plangebied. De opzetting c.q. beëindiging van de twee
veehouderijbedrijven zal leiden tot een aanzienlijke verbetering op het terrein van de
ruimtelijke ordening en het milieu. Er is sprake van een invulling die past binnen de afwegingen die worden gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In het algemeen kan worden aangegeven dat met de ontwikkeling sprake is van een
aanzienlijke kwaliteitsverbetering ten opzichte van de huidige, bestaande, situatie.
De gronden die nu nog in gebruik worden genomen door het ruimtebeslag van de beide
veehouderijbedrijven zijn deels nodig om de verplaatsing van SHI in te passen. In die zin vormt het huidige ruimtebeslag een beperking in de mogelijkheden ter zake de herbestemming van het gehele plangebied. Bij de invulling van het plangebied is de
planwetgever daarmee enigszins gebonden aan feitelijke grenzen. Van een blanco plangebied dat op iedere wijze kan worden ingevuld, is in ieder geval geen
sprake. De planwetgever heeft indachtig de plannen voor de sanering van de twee veehouderijbedrijven en de verplaatsing van een bestaand bedrijf, de feitelijke grenzen aan de mogelijkheden en de wens om te komen tot een kwaliteitsverbetering gezocht naar
een andere invulling en daarmee ook op het oog gehad om te komen tot een structurele
verbetering van de omgeving. Er is om die reden gezocht naar een mogelijkheid om voor het gehele plangebied te komen tot een verbetering van de omgevingskwaliteit waarbij rekening is gehouden met het gegeven dat het plangebied is aangewezen als zoekgebied
voor uitbreiding van het bedrijventerrein.
(1) Zienswijze: De gemeente wordt in overweging gegeven om in overleg te treden met de Provincie
Noord-Brabant alvorens het ontwerp-bestemmingsplan wordt vastgesteld. Beantwoording: In de zienswijze wordt al aangegeven dat vooroverleg heeft plaatsgevonden. In de brief
van 11 mei 2020 is door de Provincie inhoudelijk gereageerd op het voorontwerp-
bestemmingsplan. Er heeft ook op ambtelijk niveau meerdere keren overleg plaatsgevonden, voor het laatst op 6 oktober naar aanleiding van de ingediende zienswijze. Het vooroverleg en het overleg heeft geleid tot een aantal aanpassingen en verbeteringen in het plan.
pagina 24 van 57
(2) Zienswijze:
Het ontwerp-bestemmingsplan is weliswaar aangepast naar aanleiding van eerder overleg tussen partijen maar is nog niet in overeenstemming met de Interim
Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna verder aangeduid als "lOV"). Beantwoording:
In de zienswijze word al aangegeven dat het ontwerp-bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van het overleg tussen de Provincie en de gemeente. De invulling van het plan
en de mogelijke aanpassingen zijn verder ook besproken met betrokken private partijen aangezien medewerking en instemming van die partijen ook nodig is om het plan te
kunnen realiseren.
De gemeente heeft met het plan uiteraard voor ogen dat sprake is van een kwaliteitsverbetering die ook past binnen de uitgangspunten van de lOV, In overleg met de Provincie is bezien op welke wijze het plan in overeenstemming kan worden gebracht met door de Provincie in de zienswijzen omschreven punten.
(3) Zienswijze: Er is sprake van regionale afspraken (artikel 3.43 sub c lOV) en het gestelde in de
toelichting dat de regio heeft ingestemd met de ontwikkeling is onjuist.
Hiermee voldoet het plan niet aan artikel 3.43 sub c lOV. Beantwoording: Tijdens de Ontwikkeldag op 17 juni 2020 is de regio inderdaad akkoord gegaan met de verdeling van de hectares bedrijventerrein per gemeente in subregio De Peel. In totaal is
voor de subregio De Peel een oppervlakte van 20,3 hectare 'op groen gezet'. Hiervan is 7,8
hectare toegewezen aan de gemeente Asten. In de subregio De Peel is op kwantitatief niveau afgesproken dat iedere individuele
gemeente zelf bepaalt voor welke locaties de toegewezen ontwikkelruimte wordt
aangewend. Grootschalige ontwikkelingen zoals die van SHI worden op bestuurlijk niveau overigens wel afgestemd binnen subregio De Peel.
Op 28 mei 2020 is in het subregionaal overleg Economie De Peel ingestemd met de ontwikkeling van SHI op een nieuwe locatie in de gemeente Asten.
Op de Ontwikkeldag van 17 juni 2020 heeft de gemeente Asten de hiervoor benodigde hectares ontwikkelruimte toegewezen gekregen. De gemeente Asten verklaart dat deze toegewezen ontwikkelruimte wordt aangewend om voorliggend plan mogelijk te maken. Hiermee past de ontwikkeling geheel binnen de regionale afspraken zoals bedoeld in artikel 3.43 sub c lOV. De toelichting van het bestemmingsplan wordt op dit punt
aangepast.
pagina 25 van 57
(4) Zienswijze: Alles overwegende is in de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting
onvoldoende rekening gehouden met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving en is daarmee geen sprake van een duurzame afronding van het
stedelijk gebied. Hierdoor zijn de provinciale belangen zoals in artikel 3.43 sub d lOV in het
geding. Beantwoording:
Algemeen Zoals in de zienswijze wordt aangegeven, is in de toelichting behorend bij het plan duidelijk aangegeven dat dit plan onderdeel is van een groter geheel binnen verstedelijking afweegbaar en dat het een eerste fase van een mogelijk grotere uitbreiding van het bedrijventerrein ter plaatse betreft.
De gemeente heeft dat toegevoegd om daarmee inzichtelijk te maken dat het plan niet op zichzelf staat en ook kan worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bestaande
omgeving en de lange termijn plannen voor dit gebied. Verder wordt aangegeven dat in de
toelichting ook reeds is opgenomen dat bestaande historische en ruimtelijke structuren leidend zijn voor de landschappelijke inpassing en die structuren ook worden benoemd.
Deze uiteenzetting wordt door de Provincie als verhelderend ervaren. In de zienswijze wordt echter ook aangegeven dat een en ander in de uitwerking weliswaar aan de orde
komt maar dat de uitwerking nog te summier is.
Daarbij worden twee aspecten naar voren gebracht, te weten: (o) Uitbreiding (toekomstig)
De kaart met de mogelijke uitbreiding in noordelijke richting is volgens de Provincie erg indicatief en niet duidelijk wordt hoe de bestaande structuren worden benut en vorm
krijgen in eventueel toekomstig ruimtebeslag. Daarbij wordt nog onvoldoende uitgewerkt dat onderhavige ontwikkeling een eerste volwaardige aanzet is voor de verder
ontwikkeling van het bedrijventerrein.
(b) Groenstrook noord- en westzijde De smalle groenstrook met 1 bomenrij aan de noord- en westzijde van het beoogde bedrijfsgebouw een volgens de Provincie heel beperkte landschappelijke bijdrage is en niet
kan worden beschouwd als een betekenisvolle, structurerende groene zone voor het
gehele toekomstige bedrijventerrein worden aangemerkt. Ten aanzien van (a) uitbreiding (toekomstig) De kaart met de mogelijke uitbreiding in noordelijke richting wordt minder indicatief en
dus meer ingevuld met een weergave van een mogelijke ontwikkeling. Tevens zal in de toelichting behorend bij het plan nader worden ingegaan op de relatie tussen de ontwikkeling in het plangebied en de mogelijke toekomstige verder uitbreiding pagina 26 van 57
van het bedrijventerrein.
Ter nadere toelichting nog het navolgende. Het ontwerp-bestemmingsplan ziet op de voorgestane ontwikkeling in het plangebied
waarbij in eerste instantie rekening is gehouden met de invulling van dat plan en de effecten van dat plan op de bestaande omgeving. De ontwikkeling van het toekomstige
bedrijventerrein valt daarmee in principe buiten de grenzen van het voorliggende plan. Dat neemt niet weg dat bij de vormgeving van het plan reeds rekening is gehouden met een verdere uitbreiding. Om die reden is ook reeds voorzien in een ruimtelijke inpassing
van het nu voorliggende plan in de omgeving. Ten aanzien van (b) groenstrook Met betrokken private partijen is gezocht naar een andere invulling van de groenstrook aan westzijde van het bedrijfsgebouw, met als doel om te komen tot een robuuste
landschappelijke inpassing, waardoor een betere overgang van het bedrijventerrein naar het buitengebied ontstaat, De groenstrook en de voorzieningen aan deze zijde zijn zodanig
aangepast dat daarmee sprake is van een landschappelijke inpassing die voldoet aan deze zienswijze. Concreet houdt dit in dat de strook wordt verbreed - er wordt 1500 m2 extra grond aangekocht welke een groenbestemming krijgt - en er een tweede rij bomen en
gemengd struweel wordt toegevoegd, waardoor een robuuste landschappelijke inpassing
ontstaat.
In overleg met de provincie is er nadrukkelijk voor gekozen om de groenstrook aan de westzijde te versterken, omdat dit een blijvende grens blijft tussen stedelijk gebied en
buitengebied. Uitbreiding van de groenstrook aan de noordzijde van het plan ligt minder voor de hand, wanneer de mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein in
ogenschouw wordt genomen. Voorts geldt dat de groenstrook aan de noordzijde slechts
van relatief grote afstand waarneembaar is. Dat betekent ook concreet dat een uitbreiding van de strook en/of de beplanting nauwelijks effect zal hebben. (5) Zienswijze:
Het plan verhoudt zich niet goed met artikel 3.5 lOV en die wordt nader uitgewerkt aan de
hand van de
(a) landschapszone en (b) verhouding bedrijventerrein en gevoelige functies.
(a) Landschapszone De uitwerking van de landschapszone is mager. De landschapszone sluit niet aan op de
bestaande landschapsstructuur en draagt niet bij aan de versterking en beleving van
het landschap. Er wordt in overweging gegeven om de landschapszone robuuster uit
te voeren.
(b) Verhouding bedrijventerrein en gevoelige functies pagina 27 van 57
Het aantal gevoelige bestemmingen wordt met het plan geïntensiveerd. De functies conflicteren echter met elkaar. Er zijn andere mogelijkheden om tot een
evenwichtigere toedeling van functies te komen bijvoorbeeld door een andere manier
van bestemmen of een ruimere planopzet. Beantwoording:
Uitgangspunt van het plan is uiteraard dat de op te richten bebouwing {die deels in de
plaats komt van de bestaande veehouderijbedrijven) wordt ingepast in de omgeving. Om die inpassing mogelijk te maken, is rekening houdend met de feitelijke belemmeringen (zoals ligging, grondeigendom, indeling, omgeving etc.) gezocht naar mogelijkheden om te
voorzien in een landschapszone. Die zone ontbreekt in de huidige situatie en dat betekent dat per definitie sprake is van een verbetering. De bestaande landschapsstructuur is niet bijzonder in die zin dat die structuur nu wordt gekenmerkt door de bestaande bebouwing en de achterliggende agrarische percelen. Van
enige vorm van inpassing is in die zin geen sprake. Het plan kan in twee onderdelen worden opgedeeld, te weten het deel dat ziet op de sloop
van de veehouderijbedrijven en het deel dat ziet op het behoud van een drietal woningen met bijgebouwen en realisatie van bedrijfspanden. In dat kader worden een aantal voorzieningen getroffen om de woningen en de bedrijfspanden in te passen; enerzijds
door rekening te houden met de afmetingen en ligging en anderzijds door groenvoorzieningen.
Het plan biedt nog enige ruimte om een aantal aanpassingen door te voeren waarbij geldt
dat die ruimte om te komen tot aanpassingen relatief beperkt is. Er is, rekening houdend
met de zienswijzen, gezocht naar een andere invulling van de bestemmingen en de ligging en situering van de bouwvlakken. Zo wordt het bouwvlak voor het zuidoostelijk gelegen
bedrijfsgebouw qua afmetingen en ligging aangepast. Met die aanpassing van de invulling
zal de landschapszone tussen woning en het betreffende bedrijfsgebouw worden versterkt. Daarmee ontstaat, voor zover nodig, ook meer ruimte met het oog op de inpassing van de milieucategorieën en de inwaartse zonering.
(b) Verhouding bedrijventerrein en gevoelige functies Bij de indeling van het plangebied is rekening gehouden met de mogelijkheid om twee
vanuit planologisch oogpunt bezien wenselijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Enerzijds de sanering van de veehouderijbedrijven en anderzijds de noodzakelijke
verplaatsing van SHI. Een verplaatsing die vanuit planologisch en feitelijk uitgangspunt
goed te verklaren is.
De combinatie van beide plannen, waarbij de uitvoering ook aan elkaar is gekoppeld, betekent dat hier geen sprake is van een blanke situering. De woningen en de bedrijfsgebouwen zullen immers zodanig moeten worden gesitueerd dat daarmee
aansluiting ontstaat bij de bestaande eigendomsverhoudingen in het plan en de bestaande infrastructuur. In die zin is het dus goed te verklaren dat de woningen en de pagina 28 van 57
bedrijfsgebouwen komen te liggen in het zuidelijke gedeelte van het plangebied. De
woningen en de bedrijfsgebouwen zijn ter plaatse zodanig gesitueerd dat daarmee sprake
is van een goede ruimtelijke ordening en het stedenbouwkundig beeld ook niet wordt aangetast. De situering van SHI op het noordelijke deel van de gronden is te verklaren
vanuit de gewenste ontsluiting en de oppervlakte van de gronden zoals die daar beschikbaar zijn en tevens vanuit de aanwezige milieugebruiksruimte zonder omliggende
bedrijven te belemmeren in hun bedrijfsvoering.
Kortom, er is gekozen voor een verbetering van de ruimtelijke structuur en die gaat
gepaard met de invulling zoals voorzien in het plan. Een andere wijze van bestemmen of een ruimere planopzet zijn daarmee niet mogelijk en overigens ook niet nodig.
Er worden - anders dan mogelijk wordt verondersteld - ten opzichte van de huidige situatie geen woningen toegevoegd. Dat het niet langer gaat om woningen die niet meer behoren tot het agrarisch bedrijf, doet daar verder uiteraard niet aan af. In die zin is dus
sprake van een ontwikkeling die de facto niet anders is als de bestaande feitelijke situatie qua woongebouwen ter plaatse. In vergelijking met de bestaande en feitelijke situatie
(zoals overigens ook vergund) is dan verder ook sprake van een afname van bestemmingen die een behoorlijk effect hebben op de omgeving. Dat is op zich een ruimtelijke
verbetering die bovendien ook aansluit bij het karakter van de omgeving die kan worden
gekenmerkt door de bestaande afwisseling van functies. In die zin is sprake van een evenwichtige toedeling van functies en een wijziging van de bestemmingen die leidt tot de gewenste kwaliteitsverbetering.
(6) Zienswijze: De wijze waarop de kwaliteitsverbetering van het landschap is berekend, hoe deze wordt
ingevuld (tegenprestatie) en hoe deze wordt gewaarborgd is nog onvoldoende. Beantwoording:
In de zienswijze wordt aangegeven dat sprake is van een kwaliteitsverbetering van het
landschap. Die verbetering wordt verwezenlijkt door het plan en vindt vooral zijn basis in het gegeven dat twee veehouderijbedrijven worden beëindigd en het gebied op een
gepaste wijze wordt ingevutd rekening houdend met de beperkingen die er zijn.
De kwaliteitsverbetering in het ontwerp-bestemmingsplan is ook versterkt in verhouding tot het voorontwerp-bestemmingsplan. De wijze waarop die verbetering is berekend en het waarborgen van de tegenprestatie wordt door de Provincie nog als onvoldoende
bestempeld. De gemeente deelt de visie dat sprake is van een kwaliteitsverbetering en dat ook deels
sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het plan zal echter worden aangepast, waardoor
niet de feitelijke uitbreiding van stedelijk gebied wordt gecompenseerd, maar de planologische uitbreiding van stedelijk gebied overeenkomstig de aanduiding Verstedelijking Afweegbaar zoals opgenomen in de Interimverordening Ruimte van de
provincie Noord-Brabant. pagina 29 van S7
De borging van de kwaliteitsverbetering is geregeld middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 3.2.4 van het bestemmingsplan. Die verplichting zal worden
aangepast c.q. aangescherpt rekening houdend met de opmerkingen in de zienswijze. Kortom, uit het voorgaande volgt dat er overleg heeft plaatsgevonden omtrent het plan en
dat die hebben geleid tot een aantal aanpassingen. Een en ander met het oog op het bereiken van een situatie waarin alle betrokken partijen kunnen vaststellen dat sprake is
van een kwaliteitsverbetering zoals vastgelegd in het Rijks-, Provinciaal en gemeentelijk
beleid. Conclusie De door hiervoor behandelde zienswijze leidt tot aanpassing van de toelichting, planregels en de verbeelding. Tevens wordt het stedenbouwkundig en landschapsplan, welke als
bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd, aangepast.
pagina 30 van 57
7. Mevrouw L. Hoefnagels, de heer W. Van den Eijnde en mevrouw W.A. Hoefnagels-Renders, Oliemolen 10 te (5721WN) Asten
Zienswijzen brief 27 augustus 2020
Algemeen (1) Zienswijze:
De locaties Oliemolen 1 en Oliemolen 10 zijn aangeduid als bedrijventerrein maar een nadere toelichting ontbreekt.
Beantwoording zienswijze:
De locaties Oliemolen 1 en Oliemolen 10 staan op de verbeelding behorend bij het voorliggende bestemmingsplan niet aangeduid met de bestemming bedrijventerrein en
vallen ook buiten het plangebied. Voor wat betreft deze locaties geldt aldus dat die vallen
buiten het plangebied, hetgeen ook logisch is nu het plangebied enkel betrekking heeft op de ontwikkelingen zoals voorzien.
In de analyse van de structuren voor landschap en stedenbouw en voor de opbouw van het gebied zijn voormelde locaties meegenomen in dezelfde kleurduiding als het overheersende grondgebruik in de omliggende bebouwde percelen, waarmee niet is
gezegd dat het grondgebruik per kavel (enigszins) kan afwijken van het overheersende beeld. Het gaat immers enkel om het duiden van zogenaamde "hoofdstructuren" .
(2) Zienswijze:
De bedrijfshallen laten zich lastig inpassen op bestaande bedrijventerreinen en door de voorziene ontwikkeling zal sprake zijn van een ongewenste "verdozing" .
Beantwoording zienswijze: De huidige bedrijfshal en de uitbreiding van SHI zijn niet in te passen op het reeds bestaande bedrijventerrein. Die bedrijfshal is immers door de tijd uitgebreid en de
ruimtelijke behoefte is behoorlijk toegenomen. Door de verdere groei van het bedrijf is de huidige locatie niet meer geschikt en is om die reden gezocht naar een nieuwe locatie om
de verdere ontwikkeling van het bedrijf mogelijk te maken. In dit geval is een locatie gevonden op relatief korte afstand van de bestaande bedrijfshal.
Voor wat betreft het ontwerp van het plan en de voorziene bedrijfshal is gekozen voor de
mogelijkheid om de oppervlakte van die hal zoveel als mogelijk te beperken. Door van de mogelijkheid om de hoogte in te gaan gebruik te maken, wordt bewerkstelligd
dat het ruimtebeslag qua oppervlakte kan worden beperkt.
.pagina 31 van 57
In de zienswijze wordt ten onrechte gesteld dat sprake is van een bedrijfshal als zijnde een enorme, raamloze doos. Daarbij wordt verwezen naar een advies van het College van
Rijksadviseurs over de zogenaamde (X)XL verdozing. In dat advies wordt ingegaan op de ontwikkelingen in Nederland voor wat betreft onder meer de vestiging van grote logistieke
hallen. De vergelijking met de verdozing zoals omschreven in het vermelde advies gaat echter niet
op. Er is weliswaar sprake van een relatief groot bedrijf voor de schaal van de gemeente Asten maar in vergelijking met de zogenaamde (X)XL dozen is sprake van een relatief klein
bedrijf (qua oppervlakte). Een ander groot verschil (naast de oppervlakte) is dat het bedrijf van SHI wordt gekenmerkt als bedrijf waarbij aanzienlijk meer medewerkers per vierkante meter werkzaam zijn dan het
geval is bij de zogenaamde (X)XL. Die zogenaamde dozen
worden getypeerd als logistieke bedrijven waarin relatief weinig medewerkers per vierkante meter werkzaam zijn. In het bedrijf van SHI zijn aldus relatief meer mensen per vierkante meter werkzaam dan in de zogenaamde (X)XL bedrijven. In die zin gaat de vergelijking tussen de verdozing en de voorliggende ontwikkeling, zoals
die is gelegd in de zienswijze, niet op. In het ontwerp van het nu voorliggende bestemmingsplan is voorzien in de realisatie van een aantal bedrijfshallen.
De beoogde toekomstige bedrijfshal van SHI wordt ca. 16.000 m’ groot en dat is inclusief
kantoor met op termijn een uitbreidingsmogelijkheid naar maximaal 70% van het
bestemmingsvlak tot ca. 21.000 m’. Het pand wordt deels met een groene zone ingepast ten behoeve van de landschappelijke inrichting en de opvang en afvoer van hemelwater. Er wordt dus wel voorzien in een landschappelijke inpassing waarbij die inpassing bovendien (mede) is afgestemd op de omgeving.
Het voornemen van SHI om het bedrijf te verplaatsen naar de nieuwe locatie Laagbroek/Laagveld in Asten gaat gepaard met de sanering en herbestemming van de
veehouderijen van de familie Heijligers op Laarbroek 2/2a (varkenshouderij) en Oliemolen
3 (melkveehouderij). De functiewijzigingen herontwikkeling van de agrarische bedrijfslocatie maakt onderdeel uit van een'bedrijventerrein-ontwikkeling ter plaatse van
zowel de varkenshouderij Laarbroek 2-2a, het naastgelegen melkveebedrijf Oliemolen 3 en
enkele agrarische percelen.
De ontwikkeling maakt het mogelijk om drie bedrijven van maximaal milieucategorie 3 te
huisvesten. Het gaat om de (her)huisvesting van SHI, het mogelijk maken van het bedrijf van de initiatiefnemers (elektrotechnisch installatiebedrijf) dat als startup naast de varkenshouderij is opgestart, en de nevenactiviteit van het melkveebedrijf in de vorm van een kleinschalig bouwbedrijf.
Het elektrotechnisch installatiebedrijf is gericht op het (op locatie) installeren. pagina 32 van 57
onderhouden en verkopen van benodigdheden voor elektrotechnische (bouw)installaties, (op locatie) installeren van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur, en het op locatie installeren van luchtwasinstallaties, met name voor de agrarische - en
veehouderijsector. Voor de agrarische klanten worden op de locatie van het bedrijf ook installaties voor het bewerken, zuiveren van water, mest en andere vloeistoffen gebouwd (losse installaties in containers).
(3) Zienswijze: De bouwhoogte wijkt af van de maximale toegestane planologische mogelijkheden. Beantwoording zienswijze:
Uitgangspunt is dat voor wat betreft de planregels c.q. voorschriften van het voorliggende bestemmingsplan zoveel als mogelijk wordt aangesloten bij de planregels zoals die gelden
voor de bestemmingsplannen in de gemeente; meer specifiek de bestemmingsplannen
zoals die gelden voor bedrijventerreinen. Dat neemt niet weg dat het nodig en/of noodzakelijk kan zijn om van enkele uitgangspunten af te wijken. Nu met het voorliggende
plan specifieke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, wordt voorzien in een regeling op maat voor wat betreft de bouwhoogte. Ter toelichting hierop het navolgende.
In het ontwerp is voorzien in de realisatie van een aantal bedrijfsgebouwen waarbij als uitgangspunt geldt dat de bouwhoogte van die gebouwen is afgestemd op de functie en behoefte waarin met die gebouwen wordt voorzien. De maatvoering van de bestemming
bedrijventerrein aan de zuidzijde van het plan voorziet in gebouwen met een maximale hoogte van respectievelijk 8 en 10 meter.
Die hoogtes sluiten overigens aan bij de hoogte van gebouwen zoals die reeds is toegestaan op basis van het in de directe omgeving vigerende bestemmingsplan "Asten
bedrijventerreinen 2013". Aansluitend is het noordelijke deel van het plan voorzien in een bouwvlak waar een hoogte
van maximaal 14 meter mogelijk wordt gemaakt.
Die hoogte sluit aan bij de behoefte waarin het betreffende bouwplan (SHI) dat ter plaatse wordt gerealiseerd, voorziet. Voor zowel de oppervlakte als de hoogte van de bebouwing van SHI is sprake van
afstemming op maat. Dat betekent dat de regels specifiek zijn opgesteld ten behoeve van
het mogelijk maken van de nieuwe vestiging van SHI. Voor wat betreft de bouwhoogte is van belang dat het bestemmingsplan "Asten
bedrijventerreinen 2013" ook reeds voorziet in een mogelijkheid om met afwijking een hoogte van meer dan 12 meter te realiseren. Dat betekent dat niet alleen gebouwen met
een hoogte van 12 meter maar ook gebouwen met een hoogte van meer dan 12 meter zijn
toegestaan. Het gegeven dat het huidige bestemmingsplan Asten bedrijventerreinen 2013 pagina 33 van 57
deze ruime mogelijkheid kent, neemt uiteraard niet weg dat de hoogte van 14 meter
afwijkt van hetgeen nu ter plaatse mogelijk is. Die afwijking wordt echter planologisch als acceptabel beschouwd gelet op de inrichting
van het bedrijf, de activiteiten van het bedrijf en de specifieke eisen waaraan moet worden
voldaan om een toekomstbestendig bedrijf mogelijk te maken. De hoogte van 14 meter is
mede afgestemd op de benodigde oppervlakte (hoe hoger des te minder oppervlakte nodig is).
Gelet op de situering van de bebouwing, de landschappelijke inpassing, de opbouw in de bouwhoogtes en de relatie tussen oppervlakte en hoogte wordt de bouwhoogte vanuit
planologisch oogpunt als acceptabel aangemerkt. (4) Zienswijze: In het planvoornemen is geen rekening gehouden met de eis ter zake de landschappelijke
inpassing.
Beantwoording zienswijze:
Het plan is opgesteld rekening houdend met de mogelijkheid om dit plan landschappelijke in te passen. Er vindt dus een landschappelijke inpassing plaats, welke inpassing nader is
omschreven in het bestemmingsplan. Er zijn meerdere zienswijzen ontvangen. In een aantal van die ontvangen zienswijzen wordt ook ingegaan op de landschappelijke inpassing. Onder meer in de zienswijze van het
College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant wordt aandacht gevraagd voor de landschappelijke inpassing en wordt ook verzocht om die landschappelijke inpassing nog te
versterken.
Naar aanleiding daarvan is onderzocht of een verdere versterking mogelijk is en dat heeft geleid tot het resultaat dat de landschappelijke inpassing wordt gewijzigd c.q. verbeterd
ten opzichte van het landschapsplan zoals dat deel uitmaakt van het ontwerp-
bestemmingsplan zoals dat ter inzake heeft gelegen. Kortom, de betreffende zienswijze leidt weliswaar niet tot aanpassing van het
bestemmingsplan (plankaart, planregels en/of toelichting). Een van de bijlagen behorend bij het ontwerp-bestemmingsplan (het stedenbouwkundig en landschapsplan) wordt aangepast. (5) Zienswijze:
Het bouwvlak van SHI is groter dan de te realiseren bouw en ligt tegen het buitengebied aan.
Beantwoording zienswijze: De gemeente vat de zienswijze zodanig op dat daarmee bedoeld is om aan te geven dat
het gebouw niet past binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan en dat het plan pagina 34 van 57
afwijking van de regels voor een bouwvlak zoals die gelden voor het bestemmingsplannen voor de bedrijventerrein.
Het is, zoals aangegeven in de zienswijzen, juist dat het bouwvlak van SHI groter is dan het
te realiseren gebouw en gelet op de huidige situatie tegen het buitengebied is gelegen. Het betreft in dit geval een planontwikkeling op maat die nodig is om te kunnen voorzien
in de ontwikkeling van SHI ter plaatse. Dat betekent onder meer dat concreet is onderzocht welke ruimtebehoefte er bestaat.
Uitgangspunt daarbij is het mogelijk maken van een ontwikkeling die ook toekomstgericht is en om die reden is gekozen voor de gewenste aan voorwaarden gekoppelde flexibiliteit. Om die reden is ook tevens gekozen voor een bouwvlak dat aansluit op de voorgestane
ontwikkeling. Van belang daarbij is dat de bebouwing is ingekaderd door een bouwvlak en dat de bebouwing daarmee ook is beperkt tot een deel van het plangebied. Zo was in het ontwerpbestemmingsplan ook voorzien in een zone die specifiek is bestemd als "specifieke
vorm van verkeer - parkeerterrein 2". Op gronden met deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Het vorenstaande betekent ook concreet dat geen gebouwen mogen worden opgericht aan de zijde van de percelen plaatselijk gelegen aan de Oliemolen 10 en 12. Conclusie:
Deze zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan in die zin dat de verbeelding wordt aangepast. De aanpassing ziet op het verkleinen van het bouwvlak ter plekke van de
aanduiding "specifieke vorm van verkeer - parkeerterrein 2". Hiermee wordt hetzelfde geregeld als in het ontwerpbestemmingsplan, maar geeft het beter inzicht op basis van
alleen al de verbeelding dat hier geen gebouwen mogen worden opgericht. De beoogde toekomstige bedrijfshal van SHI wordt ca. 16.000 m* groot (inclusief kantoor)
met een maximale uitbreidingsmogelijkheid naar maximaal 70% van het bestemmingsvlak tot ca. 21.000 m’. Dat betekent aldus dat sprake van een uitbreiding ten opzichte van de huidige situatie maar ook dat sprake is van een maximum aan de mogelijke planologische
invulling. Een invulling die vanuit planologisch en stedenbouwkundig oogpunt acceptabel is.
(6) Zienswijze: Het herbestemmen van "agrarische bestemming zonder bebouwing" naar bedrijventerrein met 14 meter bebouwing kan niet worden aangemerkt als revitalisering.
Beantwoording zienswijze: De revitalisering is met name gelegen in het gegeven dat een tweetal bestaande
veehouderijbedrijven worden gesaneerd en dat in de plaats daarvan een (nieuwe) bedrijfsbestemming gaat gelden die de vestiging van twee bedrijfshallen mogelijk maakt. pagina 35 van 57
In die zin is in vergelijking met de huidige feitelijke situatie sprake van een revitalisering van het gebied. Het is juist dat een deel van de bestaande gronden met een "agrarische bestemming" worden omgezet in gronden met een bestemming "bedrijventerrein". Die
omzetting is echter nodig om het doel van het plan te kunnen realiseren en is ook nodig
om te komen tot de gewenste en omschreven revitalisering. In het kader van de ontwikkeling zoals voorzien in het plangebied geldt dat deze past
binnen en ook invulling geeft aan de Structuurvisie "Avance”. In die visie is voor het gebied
een stedelijke ontwikkeling voorzien in de vorm van een bedrijventerrein. Dat betekent
concreet dat de ruimtelijke uitgangspunten worden gevormd door genoemde
structuurvisie.
Voor de planologische beoordeling en de inpasbaarheid van het plan dient dan ook rekening te worden gehouden met de uitgangspunten van genoemde visie. Omdat die visie bepalend is en het plangebied in die visie wordt aangewezen als uitbreidingsmogelijkheid van bestaand bedrijventerrein is het niet juist om uit te gaan van
de uitgangspunten zoals die gelden voor het buitengebied. Er is in die zin dan ook geen sprake van een revitalisering die zou moeten passen binnen de uitgangspunten voor het
buitengebied maar van een revitalisering die past binnen de uitgangspunten voor toekomstige bedrijvenontwikkeling. Dat die ontwikkeling tevens gepaard met sanering van de veehouderijbedrijven ter plaatse is een extra argument om te mogen uitgaan van een
wenselijke ontwikkeling. Ditzelfde geldt op provinciaal niveau binnen de interimverordening Ruimte, waarbinnen de locatie is aangeduid als Verstedelijking afweegbaar. (7) Zienswijze: Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de beperkte omvang van de detailhandel (100 m’) nu uit
informatie blijkt dat detailhandel mogelijk een groter deel van de bedrijfsactiviteiten gaat innemen.
Beantwoording zienswijze: Er is voor wat betreft SHI sprake van een groothandel in elektra, ijzerwaren, sanitair en
verfgereedschap en die groothandel wordt ook op de juiste en voorgeschreven wijze
planologisch verankerd in het nu voorliggende bestemmingsplan. Die verankering brengt met zich mee dat daarvan niet kan worden afgeweken na vaststelling van het
bestemmingsplan door de gemeenteraad. De functie detailhandel is daarmee niet positief bestemd en er is ook geen enkel objectief argument om aan te nemen dat detailhandel ter
plaatse mogelijk wordt gemaakt.
In een overleg is overigens ook niet aangegeven dat er sprake zou zijn van detailhandel die meer dan de toegestane oppervlakte beslaat.
Het gegeven dat in beperkte mate detailhandel mogelijk is, past overigens geheel binnen de uitgangspunten zoals die gelden voorde bestaande bedrijventerreinen. pagina 36 van 57
Het is immer vast beleid dat detailhandel in principe niet is toegestaan met uitzondering
van kleinschalige detailhandel die inherent is aan het toegelaten gebruik. (8) Zienswijze:
Het planvoornemen overschrijdt alle geldende normen van de bedrijventerrein in Asten. Beantwoording zienswijze: In het ontwerp is voorzien in de realisatie van een aantal bedrijfsgebouwen waarbij als
uitgangspunt geldt dat de bouwhoogte van de bedrijfshal voor SHI is afgestemd op de functie en behoefte waarin met het bouwplan wordt voorzien. Voor de overige twee
bedrijfshallen is de hoogte bepaald aan de hand van het stedenbouwkundig beeld ter
plaatse en is gezocht naar een goede ruimtelijke inpassing. De maatvoering van de bestemming bedrijventerrein aan de zuidzijde van het plan voorziet
in gebouwen met een maximale hoogte van respectievelijk 8 en 10 meter. Die hoogtes sluiten aan bij de hoogte van gebouwen zoals toegestaan in het in de directe omgeving vigerende bestemmingsplan "Asten bedrijventerreinen 2013". Aansluitend is het