RU21.02.04B Transitievisie Warmte versie 0.5.docx
Tekst van het document
Dit geldt voor de Heesakkerweg in de buurten Hazeldonk/Ostade, delen van Asten centrum west, en delen van Hemelberg/Hulterman en de kern Ommel.
Transitievisie Warmte versie 0.5 26
Figuur 10: Toekomstige warmtevoorziening (mogelijk eindbeeld voor 2050).
Transitievisie Warmte versie 0.5 27
Bedrijven en kantoren Bedrijven die gevestigd zijn in buurten met een mix van woningen, winkels en kantoren, gaan gelijk op met de rest van de buurt. Immers, als de aardgasleidingen verwijderd worden, heeft dat consequenties voor alle gebouwen in een buurt. Voor bedrijventerreinen zijn aparte plannen nodig. Het doel is om in de transitie van bedrijventerreinen zoveel mogelijk aan te sluiten op natuurlijke (gebieds-)ontwikkelingen van de bedrijventerreinen zelf. Bedrijventerrein Industrie en maakbedrijven gebruiken aardgas niet alleen om gebouwen te verwarmen, maar soms ook in het bedrijfsproces. Tegelijkertijd hoeft niet elk gebouw verwarmd te worden, bijvoorbeeld opslagloodsen hebben meestal weinig verwarming nodig. Bedrijventerreinen vragen daarom maatwerk: een afzonderlijk traject, waarin naar de specifieke behoeften van alle bedrijven wordt gekeken. Net als bij woningen zijn er een aantal belangrijke overwegingen: a.
b. c.
Op bedrijventerreinen kan het interessant zijn om een warmtenet aan te leggen, bijvoorbeeld als er grotere bedrijfspanden zijn met een grote warmtevraag. Dat warmtenet kan, als de warmtebron groot genoeg is, doorgetrokken worden naar omliggende woningen. Andersom kan een warmtenet vanuit een woonwijk worden doorgetrokken naar een bedrijventerrein. Een andere mogelijkheid is dat ieder bedrijf individueel een alternatieve warmtevoorziening kiest, zoals een luchtwarmtepomp of bodemenergie. Een lage-temperatuur warmtenet is aantrekkelijk voor locaties waar de warmtedichtheid redelijk hoog is en er op lage temperatuur warmte en koude uitgewisseld kan worden.
Behalve technische en financiële argumenten speelt ook mee in hoeverre bedrijven een gezamenlijke aanpak prefereren. Gezamenlijkheid ontzorgt ondernemers deels, en heeft soms financiële voordelen (denk aan gezamenlijke inkoop), maar het beperkt de vrijheden voor ondernemers om bijvoorbeeld zelf het moment van investering te bepalen. Kantoren Kantoren hebben over het algemeen een grotere vraag naar koeling dan woningen. Bodemenergie is daarom erg geschikt: warmte die in de zomer aan de gebouwen wordt onttrokken, wordt in de winter weer gebruikt. Dit kan per gebouw, of voor een cluster gebouwen worden aangelegd. Ook luchtwarmtepompen en luchtkoelers behoren tot de mogelijkheden. Ook hier geldt dat er gekozen kan worden voor een aanpak waarbij elk bedrijf zelf aanpak en tempo kiest, of voor een gezamenlijke aanpak. Bij intensief gebruik van de ondergrond is het wel zaak om gezamenlijk op te trekken, en een ordening aan te brengen in de warmte- en koude-bronnen, om interferentie te voorkomen.
Transitievisie Warmte versie 0.5 28
5. Belangrijke uitgangspunten De Transitievisie Warmte geeft kaders voor het transitieproces. Vanuit de TVW kan verder worden gewerkt en geconcretiseerd in de (buurt-)uitvoeringsplannen. In dit hoofdstuk worden een aantal uitgangspunten benoemd die in de verschillende fasen van de warmtetransitie van belang zijn. Door uitgangspunten te formuleren worden handvaten geboden waarop verder kan worden gebouwd en keuzes met betrekking tot fasering en aanpak van gebieden en ondersteuning van (specifieke) inwoners worden gebaseerd. Om een goed fundament te hebben om keuzes op te baseren nemen we in dit document een aantal uitgangspunten op. In dit document beschrijven we een aantal algemene uitgangspunten. Ook brengen we al nuance aan. We beginnen bij het overkoepelend doel van ons energiesysteem:
Het centrale uitgangspunt moet zijn dat er een energiesysteem is dat duurzaam, betrouwbaar, veilig en betaalbaar is.
Tot nu toe waren de pijlers van ons energiesysteem: ‘betaalbaar’ en ‘betrouwbaar & veilig’ de twee belangrijke doelen. Met deze energie- en warmtetransitie is daar duurzaamheid bijgekomen. De kosten moeten te dragen zijn voor al de betrokkenen (eindgebruikers, netbeheerders, warmteleveranciers, gebouweigenaren en overheden). Leveringszekerheid en continuïteit van de warmtelevering gegeven de noodzakelijke betrouwbaarheid. De drie hoofddoelen kunnen elkaar in sommige gevallen in de weg zitten maar moeten steeds opnieuw als kernuitgangspunten worden meegewogen in beslissingen. Als we van de algemene doelstellingen van ons energiesysteem inzoomen zijn er een aantal algemeen geldende uitgangspunten die we kunnen formuleren:
Laagste nationale kosten en laagste kosten voor bewoners en bedrijven: betaalbaarheid van energie is essentieel. Waar de kosten gaan landen en/of de laagste nationale kosten ook de laagste kosten voor bewoners betekenen (en andersom) is niet vanzelfsprekend. Aanschaf van een warmtepomp kan volgens Enexis voor een bewoner de goedkoopste oplossing zijn én tegelijkertijd leiden tot een benodigde, kostbare netverzwaring. Op dit moment is voor Enexis nog niet helder wat wenselijk is. De balans moet nog uit worden gekristalliseerd (persoonlijke communicatie, 9 december 2020). Iedereen moet mee kunnen in de warmtetransitie: alle huizen in Nederland zullen over moeten stappen naar een alternatief voor aardgas. Het moet daarom ook voor iedereen worden mogelijk gemaakt om deze overstap te kunnen maken. Natuurlijke momenten benutten: wanneer werkzaamheden gepland staan voor een verbouwing aan een huis of onderhoud van infrastructuur zoals wegen, het elektriciteitsnet, gasnet, riool is het goed om de aardgastransitie hierop aan te laten sluiten. Gebleken is het in de praktijk veelal nog lastig is om de aanleg van warmtenetten te koppelen aan onderhoudswerkzaamheden van andere publieke infrastructuur en wordt de beoogde kostenreductie omdat werkzaamheden gecombineerd kunnen worden29.
Inzetten op besparing (primaire energie & CO₂-uitstoot): In essentie is het Klimaatakkoord er omdat we met z’n allen teveel energie gebruiken. Besparing is daarom de eerste stap om daar verbetering in aan te brengen. Zorgvuldig en transparant proces, gericht op breed draagvlak (met duidelijke, eerlijke en begrijpelijke informatie): als logisch gevolg op het doel om iedereen mee te laten kunnen gaan in de warmtetransitie, is goed te begrijpen informatie essentieel.
29 https://www.nrc.nl/nieuws/2020/10/15/ineens-was-er-een-brief-voorlopig-gaat-uw-wijk-toch-niet-van-het-gas-af-a4016235
Transitievisie Warmte versie 0.5 29
Volksgezondheid en milieuvriendelijke oplossingen; Ruimte voor- en rekeningen houdend met nieuwe technologieën: omdat de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving tot 2050 zal doorlopen, is het goed mogelijk dat er nieuwe technologieën beschikbaar komen. Er moet ruimte worden geboden om hier, indien haalbaar, ook op in te zetten. Balans tussen zorgvuldigheid en snelheid moet in acht worden genomen.
Criteria aardgasvrije technieken Wanneer we op het punt zijn gekomen dat er gebiedsgerichte keuzes moeten worden gemaakt over de te gebruiken warmtetechniek, komen op buurtniveau ook uitgangspunten naar voren die meegenomen moeten worden. Dit zogenaamde afwegingskader is hieronder weergegeven. Bij de keuze van een aardgasvrije warmtevoorziening wegen allerlei aspecten mee, zoals kosten, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het economische aspect is vaak een dominant kader. Wanneer echter meerdere warmteoplossingen betaalbaar kunnen worden aangeboden, gaan andere zaken uit het afwegingskader mee wegen. De verschillende weegfactoren zijn hieronder verder toegelicht.
Figuur 11: Afwegingskader voor het kiezen van een aardgasvrije techniek in een buurt Duurzaamheid, milieu Benodigde hoeveelheid primaire energie Primaire energie wordt gedefinieerd als de energie die nodig is aan de bron om de uiteindelijke warmtevraag te dekken. Er wordt dus rekening gehouden met de energie die verloren gaat tijdens transport, opslag en conversiestappen in de keten, en een positieve bijdrage vanuit omgevingswarmte. Een warmteoplossing met een lage primaire energievraag en goede efficiëntie legt minder beslag op de (veelal schaarse) energie-/warmtebronnen. Voor de berekening wordt aangesloten bij de definities uit de BENG-norm30. CO2-uitstoot De totale uitstoot van CO₂-equivalenten in het uiteindelijke warmteconcept. We bekijken alleen de CO₂uitstoot van verwarming, koeling, warm tapwater en ventilatie. Voor de berekening wordt aangesloten bij de aannames en definities uit Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte van het PBL. Omgevingsimpact, ruimtebeslag Hoeveel ruimte neemt de oplossing in beslag? Is er negatieve impact op het landschap, of op de ruimtelijke kwaliteit in de buurt of bij naburige percelen? Kwaliteit lucht, water en bodem Heeft de gekozen oplossing een positieve of negatieve impact op de luchtkwaliteit, bodem- of waterkwaliteit? Hieronder vallen: Luchtkwaliteit: de uitstoot van onder andere fijn stof, roet en stikstofoxiden.
30 De BENG-norm is opgesteld voor nieuwbouw. Dit afwegingskader gebruiken we uiteraard ook voor de bestaande bouw. Voor de
consistentie passen we dezelfde definities toe.
Transitievisie Warmte versie 0.5 30
Bodemkwaliteit: risico op ontstaan van bodemverontreinigingen bij toepassing bodemenergie, of juist versnelde afbraak verontreinigde stoffen bij toepassing bodemenergie31. Waterkwaliteit: invloed (positief of negatief) op de waterkwaliteit en de biodiversiteit in het water en eventuele risico’s op de kwaliteit van de (toekomstige) drinkwatervoorziening.
Duurzaamheid in de keten Leidt de oplossing tot negatieve milieu-impact elders, bijvoorbeeld ontbossing, of uitputting van schaarse grondstoffen? Sociaal Draagvlak Is er draagvlak/acceptatie onder de bewoners en lokale ondernemers in de buurt-wijk voor de gekozen oplossing? Inpasbaarheid & wenselijkheid in de woning Hoe goed is de oplossing inpasbaar in de woning en op het perceel? Neemt de oplossing veel ruimte in de woning in beslag? Is er een ingrijpende verbouwing nodig? Gezondheid, welzijn, leefbaarheid Heeft de gekozen oplossing een positieve of negatieve impact op de directe leefomgeving? Is er een effect op gezondheid of leefbaarheid? Hieronder vallen: Geluids- of trillinghinder: geeft de gekozen techniek geluids- of trillinghinder binnen de woning of op de omgeving? Binnenklimaat: leidt de oplossing tot (on)gezondere lucht binnenshuis? Comfort: verandert het comfort van de woning? (negatief dan wel positief) Economisch Nationale kosten De totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om een warmteoplossing uit te voeren, ongeacht wie die kosten betaalt, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Voor de berekening wordt aangesloten bij de Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte van het PBL.
Kosten voor de eindgebruiker Alle kosten die een eindgebruiker betaalt voor de omschakeling op aardgasvrij verwarmen. Dat zijn zowel de energielasten als kosten voor (het gebruik van) installaties en isolatie. Alle subsidies en belastingen zijn hierin verwerkt. Eindgebruikers zijn huurders en eigenaar-gebruikers van gebouwen (bewoners en ondernemers). Kwaliteit business case Een gezonde robuuste business case voor alle partijen zorgt dat investeringen beschikbaar komen en vermindert het risico dat projecten niet van de grond komen of stil komen te liggen. Onzekerheid in prijsstelling Grote financiële risico’s worden zoveel mogelijk vermeden. Voor bewoners moet duidelijk zijn wat hun lasten zullen worden. Kan gegarandeerd worden dat zij niet voor verrassingen komen te staan bijvoorbeeld door onzekerheid ten aanzien van de energiekosten op (middel)lange termijn of een (elektriciteits-)verbruik dat veel hoger blijkt dan voorspeld?32
31 Zie bijvoorbeeld: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bodemconvenant/thema/kennis/uitvragen/uitvraag-
2016/wko-plus-duurzame/ 32https://www.nrc.nl/nieuws/2020/11/25/na-2025-is-stroom-niet-meer-zo-vanzelfsprekend-zegt-de-operationeel-directeur-van-
tennet-a4021435#:~:text=Interview,Na%202025%20is%20stroom%20niet%20meer%20zo%20vanzelfsprekend%2C%20zegt%20de,de%20operationele%20man%20van%2 0Tennet.
Transitievisie Warmte versie 0.5 31
Juridisch kader Moet er juridisch nog veel geregeld worden om deze oplossing mogelijk te maken? Is de wet- en regelgeving al passend? Technologisch Beschikbaarheid bronnen Is de bron in voldoende mate aanwezig? Is de bron nu en in de toekomst rendabel te exploiteren? Het optimaal benutten van de lokaal beschikbare (warmte)bronnen heeft de voorkeur boven het importeren van energie van buiten de gemeente. Onzekerheid in performance Is het een bewezen techniek? Als het een nieuwe techniek is, wat kan er gezegd worden over de performance? Veiligheid Zijn er risico’s voor de (externe) veiligheid verbonden met de techniek? In hoeverre kunnen deze risico’s worden beheerst? Robuustheid, continuïteit Leveringszekerheid van de warmtevoorziening is cruciaal. Brengt de gekozen techniek een groter risico op uitval of storingen met zich mee, dan we van het huidige energiesysteem gewend zijn? Als er iets uitvalt, is er dan een vervanging (back-up)? Meekoppelkansen Hoe goed sluit de oplossing aan bij andere ontwikkelingen in de buurt? Zijn er qua timing koppelkansen, bijvoorbeeld met groot onderhoud, vervanging van riolering of asfalt, aanleg van glasvezel of werkzaamheden in verband met klimaatadaptatie? Maar ook: hoe goed past de oplossing bij de gebiedsontwikkeling?
Transitievisie Warmte versie 0.5 32
6. Scenario’s: Wanneer worden buurten aardgasvrij?
In het Klimaatakkoord staat de opdracht om in de Transitievisie Warmte aan te geven in welke buurt(-en) voor 2030 wordt gestart om deze van het aardgas te halen. Voor de overige gebieden dient in de visie een globaal tijdspad te worden opgenomen. Op basis van de nadere technische analyse is er in de gemeente Asten geen sprake van een voor de hand liggend startgebied. We vinden het dan ook te vroeg om een gebied aan te wijzen dat binnen 10 jaar van het aardgas moet gaan. De buurt-wijkaanpak – verderop in dit hoofdstuk beschreven bij scenario 3 – vinden we op dit moment voor Asten niet geschikt. De alternatieve warmteoplossingen - hieronder beschreven in scenario 2 – kunnen we nog niet aangegeven op basis van de technische analyse en de beschikbare technieken. We weten echter dat de oplossing voor de glastuinbouw waarschijnlijk kansen biedt voor wijken en buurten in Asten en mogelijk Heusden. Dat we te maken hebben met onzekerheden betekent niet dat we gaan afwachten. We volgen de ontwikkelingen nauwlettend en werken samen met de glastuinbouw en de gemeente Someren. Het is mogelijk en noodzakelijk om nu al belangrijke concrete stappen zetten in de warmtetransitie. Dit doen we door vol in te zetten op besparing; het eerste scenario.
Veel is nog onduidelijk In de kern Asten is op enkele plekken sprake van dichtheden waar het realiseren van een klein warmtenet voor dat gebied een passende oplossing kan zijn. De warmteoplossing(-en) voor de glastuinbouwsector, kan mogelijk ook benut worden voor de warmtevoorziening van delen van de kernen Asten en Heusden. In Asten heeft de glastuinbouw vijf maal meer energie nodig voor warmte dan de overige gebouwen. Van de buurten en het buitengebied van Asten, Heusden en Ommel waar een individuele oplossing voor de hand ligt, kan nog niet worden aangegeven of dit all electric moet zijn of dat bewoners gebruik mogen gaan maken van groen gas of wellicht zelfs waterstof. Netcapaciteit De toekomstige capaciteit van het elektriciteitsnetwerk ligt nog niet vast. Op dit moment heeft het elektriciteitsnetwerk al grote moeite met de pieken in de energieopwekking. De afvoer van grootschalig opwekte duurzame elektriciteit door wind en zon in de lente- en zomer leidt tot een capaciteitsgebrek op het netwerk als sprake is van een aanbodpiek. Als voor de warmtevoorziening in de koude periode van het jaar meer en meer elektriciteit nodig is en dat samenvalt met een periode waarin niet alleen de zonneenergie, maar daarnaast ook windmolens weinig energie kunnen opwekken – zogenaamde dunkelflaute – is er sprake van een moeilijk in te vullen vraagpiek.
De vraag- en aanbodpieken vragen bovendien niet dezelfde aanpassing van het elektriciteitssysteem. Naast de opslag van warmte beperkt het gebruik van groen gas en waterstof voor de verwarming van gebouwen de vraag naar elektriciteit in de winter. Ook warmtenetten beperken in de winter de behoefte aan elektriciteit ten behoeve van de warmtevraag van gebouwen. Warmtenetten kunnen c.q. moeten afhankelijk van het systeem, gekoppeld zijn aan warmteopslag. Anderzijds hebben warmtenetten elektriciteit nodig voor transport en deels ook om de gewenste temperatuur te kunnen leveren. In de toekomst moeten warmtenetten, die nu nog gebruik maken van aardgas en biomassa, omschakelen naar duurzame bronnen. In de gevallen waarin dit niet of niet helemaal mogelijk is en er gebruik moet worden gemaakt van industriële warmtepompen, belasten deze het elektriciteitsnetwerk. Puzzelstukken van het toekomstige energiesysteem vallen pas geleidelijk op zijn plaats. Netbeheerders zijn momenteel druk aan de slag om grove kaders op te stellen. Vanuit de Regionale Energie Strategieën krijgen zij informatie over de opwek en gebouwde omgeving. Deze laatste informatie over de lokale energiebehoefte wordt verder ingevuld door de gemeentelijke Transitie Visies Warmte. Al deze processen lopen gelijktijdig en hebben invloed op elkaar. Dit kip en ei verhaal heeft tot gevolg dat het lastig is om keuzes te maken.
Niet in de laatste plaats omdat sprake is van voortdurende dynamiek ten gevolge van innovaties, sturing o.a. door middel van subsidies en keuzes ook op een ander schaalniveau, zoals door de Europese Unie en op andere terreinen. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan de discussie over vestiging van datacenters in Nederland. Warmteoplossingen De toekomstige warmteoplossingen zijn globaal te onderscheiden in drie systemen: 1. Individuele all electric oplossingen, met mogelijk individuele opslag van elektriciteit en/of warmte, 2. Warmtenetten van klein tot groot en mogelijk seizoensopslag, Transitievisie Warmte versie 0.5 33
3.
Groen gas en mogelijk waterstof; niet duidelijk is hoeveel beschikbaar zal zijn voor de gebouwde omgeving.
1. All electric oplossingen Daar waar een individuele oplossing op woningniveau passend is, ligt het voor de hand om woningeigenaren in staat te stellen om op een voor hun geschikt moment de woning te moderniseren en voor deze wijken en buurten uit te gaan van een langere periode van omschakeling. Zoals hiervoor is aangegeven heeft de netwerkbeheerder nog niet aangegeven hoeveel elektriciteit naar verwachting aan Asten kan worden geleverd voor de warmtebehoefte en wat dit globaal betekent voor de diverse wijken en buurten. Op dit moment kan niet worden aangegeven of in de definitieve visie voor deze buurten al duidelijkere uitspraken kunnen worden gedaan, zodat kan worden aangegeven dat voor een gebied moet worden uitgegaan van all electric of dat er naar verwachting wel een gasaansluiting blijft op termijn, maar dan een voor groen gas of mogelijk waterstof. Ook is het mogelijk dat sprake zal zijn van een hybrideoplossing waarbij gas alleen voor de piekvraag wordt ingezet. 2. Warmtenetten De mogelijkheden van een warmtenet c.q. warmtenetten hangen samen met de oplossing van het energievraagstuk van de glastuinbouwsector. Starten met kleine warmtenetten op buurtniveau met een eigen bron is onwenselijk als later voor een groter gebied één warmtenet kan worden aangelegd.
Het is namelijk logisch om het vraagstuk van de geschiktheid van warmtenetten voor onze gebouwde omgeving te koppelen aan de onderzoeken die plaats vinden ten behoeve van deze sector en hierin samen op te trekken met onze buurgemeente Someren. In de directe nabijheid van het warmtenet dat voor de glastuinbouw is aangelegd liggen een beperkt aantal woningen, die relatief eenvoudig aangesloten zouden kunnen worden. Op deze wijze kan lokaal ervaring worden opgedaan met het aansluiten van woningen op een (groter) warmtenet. Het aansluiten van woningen op een warmtenet is geen eenvoudige opgave. Ook worden warmtenetten door gebruikers nog niet gezien als een wenselijk alternatief voor aardgas. 3. Groen gas We doen momenteel onderzoek met Someren en de overige Peelgemeenten ten aanzien van het vraagstuk van de productie en inzet van biogas. Biogas kan rechtstreeks worden verbrand of omgezet in groen gas. In het laatste geval heeft het dezelfde kwaliteit en samenstelling als aardgas. Scenario’s Voor de hand liggende stappen Er is nog veel onduidelijk en toch willen en moeten we net als andere verantwoordelijken voor 2030 een flinke stap zetten. Hoewel wordt aangenomen dat richting 2050 de opgave om woningen van het aardgas te halen steeds sneller zal worden uitgevoerd -een zogenaamde exponentiele curve- is het van belang om zo snel mogelijk de uitstoot van CO₂ te reduceren.
In het Nederlandse Klimaatakkoord is aangegeven dat circa 20% van de woningvoorraad in 2030 van het aardgas zou moeten zijn gehaald of hierop voorbereid zou moeten zijn. Dit is een lastig te halen doel gezien de stappen, die tot op heden zijn gezet. Geen aanwijsbare startwijk Uit de hierboven weergegeven conclusies komt naar voren dat het op dit moment niet vanzelfsprekend is om in Asten een wijk of buurt aan te wijzen waar we voortvarend aan de slag gaan om die voor 2030 van het aardgas te halen of hierop voor te bereiden. In het laatste geval zou de betreffende buurt niet lang na 2030 van het aardgas moeten worden gehaald. Scenario 1: besparing De eerste stap naar reductie van CO₂ is (in lijn met de Trias energetica) het verlagen van de energiebehoefte door isolatie en gedragsverandering (figuur 12). Op korte termijn kan ook in Asten op dit vlak veel winst worden geboekt. Mede daarom wordt in de Regionale Structuur Warmte afgesproken dat gemeenten (nog meer) inzetten op het stimuleren van besparing. Waarschijnlijk kan in Asten voor 2030 de grootste beperking van het aardgasgebruik in de gebouwde omgeving worden gerealiseerd als tijd en middelen worden ingezet voor het (beter) isoleren van woningen.
Transitievisie Warmte versie 0.5 34
Uitgaande van rendabele labelstappen kan alleen in het geval alle nog (na) te isoleren woningen worden aangepakt een besparing van zo’n 20% worden gerealiseerd. Dit is echter geen reden om niet vol in te zetten op besparing door isolatie.
Figuur 12: Trias energetica33
Voor energiebesparende maatregelen met een (relatief) korte terugverdientijd bestaat bij inwoners draagvlak34. Ze zijn hiermee bekend en er is geen sprake van (financiële) onzekerheden. Gezien het aardgasverbruik is hierin in Asten meer geïnvesteerd dan in vergelijkbare gemeenten35. Het bevorderen van concrete stappen, samenwerking en bewustwording kan makkelijker worden gerealiseerd als daar wordt gestart waar geen sprake is van onzekerheid en onbekendheid. De gemeente kan stimuleren en faciliteren, de uitvoering zal voor het grootste deel door de eigenaren moeten gebeuren. Bij de programmatische aanpak van energiebesparende maatregelen kan extra worden ingezet op bepaalde buurten c.q. wijken en ook doelgroepen. Verminderen van het aardgasverbruik heeft verder als bijkomend voordeel dat de verwachte stijging van de energierekening wordt voorkomen of beperkt. Energiearmoede ten gevolge van de warmtetransitie is een reëel risico36. Door het beperken van de energiekosten kan bovendien op termijn weer financiële ruimte worden gecreëerd voor andere investeringen in de woning, die voortvloeien uit de warmtetransitie. Scenario 2: alternatieve warmteoplossing Als we nu al vol inzetten op enkel all electric oplossingen kan dit (toekomstige) problemen opleveren, omdat het mogelijk niet de oplossing is met de laagste maatschappelijke kosten.
Verwacht wordt dat op basis van innovatie nog grote stappen gezet kunnen worden, waardoor niet alleen de kosten afnemen en het rendement van veel technieken zal toenemen, maar ook het plaatsen, inregelen en onderhouden veel eenvoudiger wordt. Dit laatste is ook echt een voorwaarde voor het op grote schaal kunnen toepassen van deze technieken gelet op het huidige capaciteitsprobleem in de installatiebranche. Het is niet verstandig om (pellet-)kachels in te zetten als een warmteoplossing voor individuele woningen. Ook niet voor het buitengebied. Deze oplossing strookt niet met de in het vorige hoofdstuk genoemde
33 Staat voor een van de basisprincipes van duurzaamheid toegepast op het aspect “energie”: eerst verspilling en verliezen terugdringen
of helemaal voorkomen. Wat je nog nodig hebt aan energie kun je met kleinere en meer renderende apparatuur opwekken. Dat doe je met hernieuwbare bronnen. Wat er overblijft en je wint of verkrijgt uit fossiele bronnen produceer je zo efficiënt mogelijk, zodat de CO₂-uitstoot minimaal blijft. https://duurzaammaasgouw.nl/duurzaamheid/trias-energetica/ 34 Zie bijlage 5: Klimaatbeleid en de samenleving. 35 https://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte-en-milieu/nieuws/gasverbruik-sterk-regionaal-bepaald.15156146.lynkx 36 https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2020/05/25/op-weg-naar-aardgasvrij-wonen
Transitievisie Warmte versie 0.5 35
criteria. Deze oplossing draagt namelijk niet bij aan de reductie van CO₂ en verslechtert de luchtkwaliteit. Ook de zogeheten ‘duurzaamheid in de keten’ vormt een probleem. Als gekozen wordt voor een klein warmtenet met eigen bron in de paar woningclusters met hoge dichtheden in c.q. nabij het centrum van Asten verkleint dit het draagvlak voor een groter warmtenet dat mogelijk aangehaakt kan worden op het warmtenet voor de glastuinbouw. De mogelijkheden om samen met de glastuinbouwsector en Someren tot een warmteoplossing te komen, waarop in de toekomst ook delen van de kernen Asten en wellicht Heusden kunnen worden aangesloten, moeten nauwlettend worden gevolgd. Gezamenlijk optrekken is wenselijk. Zoals hiervoor al werd gesteld zijn er wellicht mogelijkheden om op korte termijn al ervaring op te doen met het aansluiten van enkele woningen binnen het glastuinbouwconcentratiegebied. Scenario 3: gebieds-wijkgerichte aanpak Om toch al ervaring op te doen met het van het aardgas halen van een groter aantal woningen op basis van een buurt(je) kan overwogen worden om een cluster met hoge dichtheden in de kern Asten aan te wijzen als startgebied voor de uitrol van de gebieds- c.q. wijk-buurtgerichte aanpak. Dit in navolging van de hoge verwachtingen die in het Klimaatakkoord zijn uitgesproken over een wijkgerichte aanpak.
Inmiddels blijkt echter dat de praktijk anders uitpakt en wordt meer en meer geconcludeerd dat nog een grote slag gemaakt kan worden op het vlak van besparing en dat hierin voor de korte en middellange termijn veel kan worden bereikt. Ook de EU zet hierop in om de doelen in 2030 te kunnen bereiken. Een gebiedsgerichte aanpak kan zoals hiervoor werd opgemerkt onderdeel zijn van een isolatiestrategie. In ieder geval uit te werken onderdelen van de scenario’s richting Transitievisie Warmte 1.0: • Isolatie programmatisch aanpakken, gehele gemeente, doelgroep en wijk-buurtgericht. • Samenwerking met glastuinbouwsector en gemeente Someren om koppelkansen helder te krijgen. • Onderzoeken haalbaarheid aansluiten woonhuizen dichtbij bestaande warmtenet.
Transitievisie Warmte versie 0.5 36
7. Communicatie en participatie Hieronder wordt beschreven hoe we onze inwoners gaan betrekken bij het opstellen en uitvoeren van de Transitievisie Warmte. Het doel is om samen met inwoners en stakeholders tot een gedragen Transitievisie Warmte te komen en om de visie ook gezamenlijk met inwoners en stakeholders te realiseren. Omdat het over ontwikkeling van bijna de hele vastgoedvoorraad in de gemeente gaat is de gemeente in dit proces veelal niet de partij met uitvoeringsmacht37. Zo bepalen pandeigenaren (woningcorporaties, ondernemers en particulieren) nog altijd wat en hoe ze investeren in hun pand en zijn we voor aanpassingen in het net afhankelijk van de netbeheerder (Enexis). Daarnaast hanteren grotere spelers, zoals woningcorporaties, ondernemingen en samenwerkingsverbanden vaak hun eigen investeringsagenda. De gemeente is echter wel de partij die de opdracht en de regierol heeft gekregen in de realisatie van de Transitievisie Warmte en de buurtuitvoeringsplannen. Die rol pakken wij en daarbij betrekken we onze inwoners en stakeholders. Dit past bij onze ambitie om een vitale democratie in Asten te stimuleren. Onze aanpak is te herleiden naar de treden van de participatielader38.
Figuur 13: Participatieladder
Communicatie Een belangrijke rol van de gemeente is de communicatie met bewoners over wat er op hen afkomt en het organiseren van participatie (zie bijlage 5). De komende maanden gaan we onze inwoners actief betrekken en informeren. We gaan het volgende doen:
Alle inwoners op de hoogte brengen van de uitkomsten uit de 0.5 versie: wat weten we (vrijwel) zeker en wat is nog niet (helemaal) duidelijk? Dit doen we zowel schriftelijk als beeldend met een themapagina in het Peelbelang, Siris, (animatie)video’s, de website, social media en gemeentelijke-persberichten. Ook willen we gemeentebreed (online)informatiebijeenkomsten organiseren en participeren we in het sub-regionaal energieloket Energiehuis Helmond en Omgeving39. Hier kunnen inwoners voor onafhankelijkheid over duurzaamheidsvraagstukken terecht. Energiehuis Helmond werkt met 9 route waardoor een onderlegger ontstaat waarmee inwoners de informatie en dienstverlening kunnen afstemmen op de persoonlijke vragen en voorkeuren. Die voorkeuren zou je kunnen omschrijven als persoonlijke ‘stijl van verduurzaming’. De één is sterk gericht op het realiseren van eigen oplossingen. De ander is voorzichtig, hecht aan zekerheid en wil weinig avontuur of risico. Een derde wil graag samen met de buren kennis delen en gezamenlijk inkopen. Keuzes voorleggen aan onze expertgroep. De groep bestaat uit ambtenaren en inwoners die over specifieke kennis beschikken m.b.t. de warmtetransitie.
37 In omgevingsplannen kan de gemeente wel bepalen wanneer woningen en overige gebouwen niet langer een aansluiting op het
aardgasnet mogen hebben. 38 De participatieladder: de mate van participatie en betrokkenheid inwoners en stakeholders. 39 https://www.energiehuishelmond.nl/
Transitievisie Warmte versie 0.5 37
Alle inwoners maar ook specifiek inwoners in eventuele potentiele startbuurten vragen mee te doen bij de voorbereiding op besluitvorming. Bijvoorbeeld via (online)informatiebijeenkomsten en een enquête waarin we de informatie- en ondersteuningsbehoeften ophalen (bijlage 5). Als we met buurtaanpakken gaan werken brengen we inwoners die wonen in potentiele startbuurten op de hoogte van de mogelijke keuze(s) voor hun buurt. Dit doen we via een huis aan huis brief die we koppelen aan een (online)informatie/inloopbijeenkomst en we bieden de mogelijkheid om een rechtstreeks contact met ons op te nemen.
Participatie Asten staat altijd open voor burgerinitiatieven. Zeker in de warmtetransitie zijn burgerinitiatieven ontzettend belangrijk. De transitie lukt niet zonder de kennis, ervaring en inzet van onze inwoners (bijlage 5). Inwoners kunnen, bijvoorbeeld in de vorm van een energiecorporatie, onafhankelijk kennis en ervaringen overdragen aan andere burgers die aan de slag willen. Waar mogelijk gaan we burgers met plannen ondersteunen en faciliteren. Wij staan dan ook open voor burgerinitiatieven en roepen inwoners met ideeën op om zich bij ons te melden. Inwoners en/of bedrijven die (gezamenlijk) aan de slag willen met het aardgasvrij maken en/of isolatie zullen we ondersteunen. Ook burgers die bijvoorbeeld een energiecorporatie willen oprichten willen we waar mogelijk helpen. Het faciliteren en bieden van ondersteuning doen we overigens al in kleine mate. Inwoners kunnen namelijk voor onafhankelijk advies over duurzaamheidsvraagstukken terecht bij Het Energiehuis Helmond waarin we als gemeente participeren.
Transitievisie Warmte versie 0.5 38
8. De weg naar de Transitievisie Warmte 1.0 In de fase richting de Transitievisie Warmte 1.0 gaan we de scenario’s verder onderzoeken, uitwerken en maken we controleslagen. We ontvangen nog het een en ander aan informatie. Daarnaast we gaan onze inwoners actief informeren en benaderen. Het doel is te komen tot een uitlegbare, haalbare en breed afgestemde visie. Hierin maken we duidelijk hoe, wanneer en met wie we tot een duurzame verwarming van de bebouwde omgeving komen. Vanuit deze basis kan verder worden gewerkt. Stakeholders en inwoners Om te komen tot een breed afgestemde Transitievisie Warmte 1.0 is het belangrijk om een aantal controleslagen te maken op de 0.5 versie. In (online)consultatierondes met stakeholders en deskundige inwoners moeten we scherp hebben of belangen en informatie goed zijn meegewogen. De 0.5 versie en met name de verschillende scenario’s gaan we met onze inwoners bespreken. Dit doen we via digitale bijeenkomsten en indien verantwoord en mogelijk organiseren we ook fysieke bijeenkomsten. Ook gaan we breed communiceren over de warmtetransitie. De communicatie aanpak moet ervoor zorgen dat het voor onze inwoners duidelijk is wat de warmtetransitie is, hoe de transitie in de gemeente Asten wordt ingevuld en wat dit voor hun buurt en hun woning betekent. Ook willen we met de communicatie aanpak bekendheid geven aan het Energiehuis Helmond en Omgeving.
Te ontvangen informatie Medio 2021 wordt de Regionale Energie Strategie vastgesteld. Puzzelstukken van het toekomstige energiesysteem vallen geleidelijk op zijn plaats. Netbeheerder Enexis is momenteel druk aan de slag om grove kaders op te stellen. Vanuit de Regionale Energie Strategieën krijgen zij informatie over de opwekkingscapcatiteit en gebouwde omgeving. Deze laatste informatie over de lokale energiebehoefte wordt verder ingevuld door de gemeentelijke Transitie Visies Warmte. Al deze processen lopen gelijktijdig en hebben invloed op elkaar. Daarnaast krijgen we de komende maanden een update van de Quick Scan Tool van Enexis. Daarmee gaan we nogmaals berekenen welke alternatieven voor aardgas er in de gemeente Asten wenselijk en haalbaar zijn. Ook ontvangen we informatie over de infrastructuur van Enexis en de lokale elektriciteitsvraag. De gemeente Someren voert onderzoeken uit naar zonnethermie en de potentie van warmtenetten. Daarnaast bekijken we met de gemeente Someren en de tuinbouw naar mogelijkheden rondom een gezamenlijk warmtenet en loopt er een landelijk onderzoek naar geothermie. Ook komt er een kader voor de beoordeling van de veiligheid rondom geothermie. Wij blijven op de hoogte van deze onderzoeken. En, begin 2021 komt er landelijke basisinformatie met richtlijnen en protocollen over het isoleren van woningen beschikbaar.
Sociale analyse Oorspronkelijk wilden we voor de 0.5 versie een sociale analyse uitvoeren. We hebben ervoor gekozen om hiermee te wachten, omdat we vooruit konden met de inzichten uit landelijke onderzoeken over meningen van Nederlanders over het Klimaatbeleid (bijlage 5). In de periode richting de Transitievisie Warmte 1.0 wordt bekeken of en welke informatie we lokaal moeten ophalen. Landelijk wordt hard gewerkt aan het verzamelen van data, die nodig is om lokaal keuzes te kunnen maken en plannen uit te voeren. Dit bespaart tijd en energie. Ook zorgt het dat de lokale keuzes en aanpakken beter naast elkaar gelegd kunnen worden.
Transitievisie Warmte versie 0.5 39
Bijlage 1: Huidig gasgebruik in gemeente Asten
Figuur 1: Gasgebruik per PC6-gebied (Bron: Common Data Factory, december '20)
Transitievisie Warmte versie 0.5 40
De postcodegebieden in blauw staan voor een gasgebruik onder het landelijk gemiddelde van 1535 m3/jaar (dit is gemiddeld per aansluiting in het gebied), de gebieden in het rood staan voor bovengemiddeld hoog aardgasverbruik. Alleen de kleinverbruik-aansluitingen zijn hierin meegenomen. Opvallend is dat voor een aantal bedrijfspanden het verbruik ver boven gemiddeld ligt, dit is te verklaren aan de hand van de grote oppervlakte van deze panden (kantoren e.d.). In het centrum van Asten is duidelijk de lintbebouwing met oudere woningen te zien, waar het hogere gasgebruik te wijten is aan slecht geïsoleerde woningen. Een andere uitschieter is het oostelijk deel van de Loverbosch, waar relatief nieuwe woningen staan (bouwjaar ca. 2005). Dit zijn grote, veelal vrijstaande woningen. Een mogelijke verklaring voor het hoge gasgebruik is dat bewoners in een goed geïsoleerde woning vaker de complete woning verwarmen. Daardoor hebben woningen met een goed energielabel vaak toch een relatief hoge warmtevraag40. Naast deze kleingebruik-aansluitingen, is een groot deel van het aardgasgebruik van gemeente Asten toe te wijzen aan de glastuinbouw. Hier wordt veel gebruik gemaakt van warmtekrachtkoppeling (WKK), een techniek waarbij zowel warmte als elektriciteit wordt opgewekt vanuit aardgas. De CO2 die hierbij vrijkomt, kan door de tuinders in de glastuinbouw gebruikt worden.
Wanneer voor de glastuinbouw gezocht wordt voor een aardgasvrije verwarmingstechniek, moet ook gekeken worden hoe de benodigde CO2 voorzien wordt.
40 Bron: Majcen, D., 2013, Theoretical vs. actual energy consumption of labelled dwellings in the Netherlands: Discrepancies and policy
implications
Transitievisie Warmte versie 0.5 41
Bijlage 2: Bouwjaren & energielabels panden Asten
Figuur 1: Bouwjaren van alle panden in gemeente Asten, met de dorpskernen uitgelicht.
Transitievisie Warmte versie 0.5 42
Figuur 2: Energielabels panden gemeente Asten. Energielabels zijn een combinatie van definitieve (afgemelde) en voorlopige energielabels. De afbeelding is op basis van gegevens van januari 2020.
Transitievisie Warmte versie 0.5 43
Figuur 3:. Roze gearceerd is woningbouwbezit.
Transitievisie Warmte versie 0.5 44
Bijlage 3: Niet of beperkt aanwezige warmtebron Opkomende techniek Waterstof Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Om waterstof te maken wordt tot nog toe meestal elektriciteit gebruikt uit fossiele gas- en kolencentrales (grijze waterstof). Het is ook mogelijk om groene energie te gebruiken (groene waterstof). Groene waterstof is vooralsnog duur en schaars, en zal dat voorlopig waarschijnlijk blijven. Waterstof is bij uitstek geschikt om hoge temperaturen te maken. Het is dan ook het meest logisch om waterstof in te zetten waar hoge temperaturen noodzakelijk zijn. In de meeste toekomstvisies worden vooral de industrie, zwaar transport en de vliegtuigsector genoemd als de sectoren waar waterstof het meeste bijdraagt aan verduurzaming. Ook wordt een rol van waterstof voorzien in het balanceren van het elektriciteitsnet. Waterstof wordt opgeslagen om stroom te produceren als er tijdelijk minder zonne- en windenergie wordt opgewekt. Er moet dus kritisch gekeken worden waar waterstof het meest logisch is om in te zetten. Een voordeel van de inzet van waterstof is evenwel dat – met beperkte aanpassingen – het bestaande gasnet gebruikt kan blijven worden. Een overstap naar waterstof heeft daarom het voordeel dat het minder grote ingrepen in de openbare ruimte vraagt.
Ook zijn de vereiste ingrepen in de woning beperkt, omdat waterstof warmte kan leveren op hoge temperatuur. Omdat waterstof duur (veel duurder dan aardgas) is, zal voldoende isolatie van de woning evenwel wenselijk blijven. De cv-ketel dient aangepast te worden, ook moet per woning worden nagegaan of de leidingen in de woning veilig zijn voor toepassen van waterstof. In Nederland wordt tot aan 2030 zeer beperkt ingezet op kleinschalige pilots. Ook omdat er (goedkopere) alternatieven voorhanden zijn. Maar voor lastig te verwarmen gebouwen zoals monumenten is een hybride oplossing met waterstof in de toekomst wellicht een optie.
Transitievisie Warmte versie 0.5 45
Bijlage 4: Vergelijking met andere analyses We hebben een globaal beeld van de gewenste warmtevoorziening voor de woningen en bedrijven. Ook weten we welke warmtebronnen er zijn in de gemeente en hebben we de bronnen met een vaste locatie op de kaart gezet. Het geschetste beeld toetsen we hieronder aan de hand van andere analyses. Eén van onze belangrijkste uitgangspunten, is dat we zoeken naar de optie met de laagste kosten. Voor een eerste inschatting van de totale kosten van de diverse warmte-opties gebruiken we de ‘Leidraad Startanalyse’ van het Expertise Centrum Warmte. Hierin wordt de oplossing berekend met de laagste “nationale kosten”: de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn voor een warmteoplossing, ongeacht wie die kosten betaalt41. De berekening uit de Leidraad Startanalyse gaat per CBS-buurt. Voor gemeente Asten is dit in de oude buurtindeling gedaan (2018), waardoor vrijwel het hele dorp Asten in één buurt valt. Hierdoor zijn de resultaten niet zo nauwkeurig, en daarom hebben we in de analyse (hoofdstuk 3 en 4) ook naar kleinere clusters bebouwing gekeken. De analyses kunnen hierdoor op punten van elkaar afwijken. De Leidraad Startanalyse is opgesteld door het Planbureau voor de Leefomgeving en het Expertise Centrum Warmte. Dit model is gebouwd om inzetbaar te zijn in alle gemeenten.
Er is een aantal landelijke aannames/datasets gebruikt dat op lokaal niveau mogelijk niet klopt. Belangrijke aannames/data die van invloed zijn op de resultaten:
Er wordt verondersteld dat alle woningen in een buurt óf naar energielabel B, óf naar energielabel D geïsoleerd zullen worden. In de praktijk zal dit niet voor de hele buurt hetzelfde zijn. Er wordt er een inschatting gemaakt van de grootte van potentie van warmtebronnen. Deze potentie is vaak te ruim ingeschat. Ook is er aangenomen dat er in 2030 een redelijke hoeveelheid groen gas beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving. Dit is gebaseerd op landelijk onderzoek, maar of dit daadwerkelijk waarheid wordt, is onduidelijk. De Leidraad Startanalyse geeft tot op woningniveau een inschatting van de kosten per warmteoptie. Er worden meerdere scenario’s doorgerekend. Het scenario met de laagste kosten wordt zichtbaar gemaakt in een kaart. Scenario’s die nét iets slechter scoren, zijn pas zichtbaar in de achterliggende dataset.
Vanwege deze aandachtspunten, is het van belang om de Startanalyse aan te vullen met lokale data, en de resultaten aan te scherpen. De vergelijking die nu wordt gedaan tussen het QuickScan model van Enexis en de analyse methode van de WarmteTransitieMakers dient daartoe. In figuur 1 zijn de resultaten van de Leidraad Startanalyse zichtbaar. Gebieden met een paarse kleur geven aan dat hier een individuele warmtepomp als goedkoopste warmte-alternatief naar voren komt. Dit zijn met name de gebieden met verspreide woningen in de gemeente. Omdat de Startanalyse slechts één oplossing per CBS-buurt weergeeft, is het resultaat voor het dorp Asten lastig te interpreteren. De kosten voor verschillende alternatieven (collectief warmtenet met verschillende bronnen, groen gas of individuele warmtepomp) liggen dicht bij elkaar. Een collectief warmtenet op basis van WKO lijkt ook hier voor delen van Asten een goede optie. In de Leidraad krijgt de hele wijk het scenario ‘warmtenet’ (figuur 1), terwijl dit slechts geldt voor een klein deelgebied (figuur 2). Ook voor het dorp Heusden is een nadere uitleg nodig. Interessant om verder te onderzoeken is de invloed op de totale kosten van de aanname om alle woningen naar energielabel B te isoleren.
41 Nationale kosten zijn inclusief de kosten en baten van energiebesparing en alle kosten en investeringen voor de opwek en distributie
van stroom en warmte, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies.
Transitievisie Warmte versie 0.5 46
Figuur 1: Leidraad Startanalyse resultaten voor gemeente Asten. In het blauw de gemeentegrenzen. Binnen gemeente Asten komen 3 scenario’s als beste naar voren. In paars scenario 1: all electric. In Lichtblauw scenario 3: warmtenet met lagetemperatuurbron. In groen scenario 5: groen gas.
Figuur 2: Hoewel uit de Leidraad komt dat voor een warmtenet geschikt is voor Asten (zie figuur 1, Asten = lichtblauw) geldt dit niet voor alle huizen in Asten.
Transitievisie Warmte versie 0.5 47
In dorpskern Asten is een warmtenet met lage temperatuurbron als goedkoopste alternatief naar voren gekomen. Hierbij gaat het om kleine, lokale warmtenetten; niet alle woningen worden hierop aangesloten. Voor een groot deel van de woningen is een individuele all-electric oplossing een beter alternatief. De kosten van verschillende scenario’s liggen voor deze buurt dicht bij elkaar. Dat wijst erop dat zeker in het dorp Asten nader onderzoek nodig is om logische clustering van woningen aan te brengen en de beste alternatieven te vinden. Voor Ommel, Heusden en de buitengebieden komt groen gas als goedkoopste alternatief naar voren42. Dit heeft te maken met het hoge aandeel oude, vrijstaande woningen in deze buurten. Isolatie tot energielabel D en inzet van groen gas zorgen dan voor een significant kostenvoordeel ten opzichte van andere scenario’s43. Belangrijke kanttekening hierbij is dat de beschikbaarheid van groen gas niet zeker is. All-electric is een goede tweede optie. In Heusden is ook mogelijkheid voor kleine, lokale warmtenetten met een lagetemperatuurbron. Ook de inzet van geothermie in een warmtenet is hier een goede optie, mits er voldoende afzet gevonden kan worden.
Dit ondersteunt de analyse zoals in eerdere hoofdstukken beschreven: voor dorpen Asten en Heusden zijn verschillende mogelijkheden voor een warmtenet, zeker in combinatie met meer afzet door samen te werken met gemeente Someren of de glastuinbouw. Voor Ommel en de overige buurten/buitengebieden ligt een individuele oplossing voor de hand, of – bij voldoende beschikbaarheid – de inzet van groen gas. Vanuit netbeheerder Enexis is een QuickScan ontwikkeld, die op basis van het CEGOIA model van CE Delft een optimale kostencombinatie berekent tussen schilisolatie en verschillende soorten infrastructuur voor elke buurt. Hierin zijn verschillende aannames handmatig aan te passen in het model, zoals de beschikbaarheid van bepaalde warmtebronnen en de minimale gewenste isolatiegraad van de woningen. Aandachtspunt is dus (net bij de Leidraad) dat het instellen van één isolatiestandaard voor alle huizen in de gemeente kan leiden tot ongewenst hoge kosten voor oudere huizen. Nieuwe huizen kunnen efficiënt naar een label B of A gebracht worden. Oudere huizen gaan efficiënt naar label D of C terwijl de stap naar B of A erg kostbaar is. In Figuur 3 is de uitkomst van het model te zien, wanneer er geen strenge isolatie-eisen worden gesteld en er geen waterstof beschikbaar wordt gesteld. Het geeft de goedkoopste warmteopties voor een energieneutrale warmtevoorziening in 2050.
Voor Asten en Loverbosch blijft in dit scenario het gemiddelde energielabel D, en is een hybride warmtepomp de goedkoopste optie. Bij inzet van een hybride warmtepomp zal groengas of in het begin aardgas bijgestookt moeten worden. Voor de buitengebieden en de overige buurten komen elektrische warmtepompen en CV-ketels op biomassa als goedkoopste alternatief naar voren. Let op dat ook in dit model de verouderde CBS-buurten zijn gebruikt voor Asten.
42 In een eerdere versie van de Leidraad Startanalyse (versie 0.8, september 2019) kwamen deze gebieden op een individuele all-electric
oplossing uit. Het grote verschil tussen beide versies komt met name doordat in de eerdere versie alle woningen in elk scenario naar energielabel B geïsoleerd werden. Door toevoeging van de optie ‘energielabel Daardoor is de inzet van groen gas in de verschillende buurten veranderd. 43 In de Leidraad Startanalyse is een verdeling gemaakt van de inzet van groen gas in alle buurten in Nederland. Gekeken is voor welke
buurten het verschil met de tweede optie het grootste was, waardoor het groen gas de ‘hoogste waarde’ heeft.
Transitievisie Warmte versie 0.5 48
Figuur 3: QuickScan tool Enexis, eindbeeld.
Transitievisie Warmte versie 0.5 49
Bijlage 5: Klimaatbeleid en de samenleving Het is duidelijk dat het bereiken van de klimaatdoelen uit het Klimaatakkoord mede afhankelijk is van een brede en actieve betrokkenheid burgers. Daarom is het belangrijk kennis te verwerven over wat er onder burgers leeft. Onderzoekpublicatie: Klimaatbeleid en de samenleving In 2017 startte het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met het onderzoeksprogramma: Duurzame Samenleving dat zich richtte op het verkennen, beschrijven en verklaren van de energietransitie vanuit burgerperspectief. Daarnaast onderzoekt het SCP continue hoe burgers denken over klimaat middels het onderzoek: Continu Onderzoek Burgerperspectieven. Recent (oktober 2020) publiceerde het SCP een onderzoek genaamd: Klimaatbeleid en de samenleving44. Het onderzoek is een samenvoeging van het onderzoeksprogramma ‘Duurzame Samenleving’ aangevuld met de meest recente inzichten uit het onderzoek Continue Onderzoek Burgerperspectieven. De publicatie biedt daardoor een breed inzicht. Niet alleen in draagvlak en actiebereidheid, maar ook in de behoeften en zorgen die leven onder burgers. In het onderzoek wordt ook uitgebreid naar de warmtetransitie gekeken.
Onderzoeksresultaten Klimaat en milieu scoren hoog Uit het onderzoek blijkt dat verreweg de meeste mensen vinden dat er iets moet gebeuren om klimaatverandering tegen te gaan, al verschilt de gewenste urgentie sterk (Scholte et al. 2020).
Het onderzoek concludeert dat klimaat en milieu relatief hoog scoren als maatschappelijk probleembesef en als agendapunt voor de regering. De ervaren urgentie van dit thema is tussen 2017 en begin 2020 sterk gestegen. Hoewel de zorg over dit thema in het tweede kwartaal van 2020 wat op de achtergrond wordt gedrukt door actuele zorgen rond de coronacrisis, blijven Nederlanders klimaat en milieu belangrijk vinden voor de toekomst. Steun voor de energietransitie in brede zin Een ruime meerderheid van de Nederlanders vindt dat het belangrijk is dat er zuinig wordt omgegaan met energie (77%) en dat er een omschakeling plaatsvindt van fossiele brandstoffen naar groene energie (76%). Slechts een kleine groep (minder dan 10%) vindt dat onbelangrijk. Ook vindt een meerderheid (70%) het belangrijk dat er anders geleefd gaat worden om klimaatverandering tegen te gaan. Slechts 12% vindt dat onbelangrijk.
44 https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2020/10/12/klimaatbeleid-en-de-samenleving
Transitievisie Warmte versie 0.5 50
Verdeeldheid over aardgasvrij beleid Ondanks een gedeeld probleembesef rond klimaatverandering en steun voor de energietransitie in brede zin, is steun voor specifieke maatregelen, zoals de transitie naar aardgasvrije wijken geen gegeven (Scholte et al. 2020). Mensen kunnen het eens zijn met het hogere doel, maar tegen specifieke maatregelen, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat andere maatregelen beter zijn of omdat ze belemmeringen ervaren waardoor ze moeilijk kunnen meedoen.
Met betrekking tot de warmtetransitie worden onderstaande conclusies getrokken: -
Steun voor concrete maatregelen is geen gegeven Ondanks brede steun voor de energietransitie, is men duidelijk minder positief over de transitie naar aardgasvrij wonen (Scholte et al. 2020). Uit gesprekken in focusgroepen blijkt dat niet alleen zorgen om te kosten, maar ook het verwachte gedoe, onzekerheden en vertrouwen in de overheid een rol spelen. Men stelt kritische vragen bij deze maatregel, onder andere rond effectiviteit en tijdpad. Het gevoel bestaat dat aardgasvrij wonen iets is dat burgers opgelegd krijgen (Steenbekkers en Scholte 2019).
Transitievisie Warmte versie 0.5 51
-
Tussen groepen is verschil in draagvlak Steun voor aardgasvrijbeleid hangt samen met financiële situatie, opleiding, leeftijd, geslacht en woonsituatie, biosferische waarden (beschermen en respecteren van milieu en natuur), probleembesef en actiebereidheid, verwachtingen over de gevolgen van klimaatbeleid: bezorgdheid over de effecten van klimaatmaatregelen (Maken deze mijn leven duurder? Zorgen deze ervoor dat ik anders moeten gaan leven?), vertrouwen in de regering en politieke oriëntatie. Verschillen naar financiële situatie lijken deels samen te hangen met zorgen over de verwachte impact van het klimaatbeleid op de levensstijl en vertrouwen in de regering. Opleidingsverschillen worden deels verklaard door probleembesef en bereidheid iets tegen klimaatverandering te doen. Het onderzoek ziet ruwweg vijf groepen woningeigenaren: ‘Overtuigde voorlopers’ overwegen al over te stappen op een aardgasvrij alternatief, ervaren relatief weinig barrières en wachten niet af tot ze iets horen van de overheid. ‘Voorzichtige voorlopers’ overwegen al wel relatief vaak aardgasvrije alternatieven, maar ervaren nog barrières, zoals nog (te) weinig vertrouwen in de beschikbare alternatieven, het moeilijk vinden om te bepalen wat een goed alternatief is en willen afwachten tot ze iets horen van de overheid. ‘Twijfelaars’ scoren op alle punten wat meer gemiddeld.
Twee groepen ‘achterblijvers’ geven beide relatief vaak aan op dit moment nog geen aardgasvrij alternatief te overwegen. De grootste van die twee groepen (de ‘aarzelende achterblijvers’) vindt het lastig om te bepalen wat een goed aardgasvrij alternatief is. Hoger opgeleiden en mensen die aangeven (zeer) makkelijk rond te komen hebben een grotere kans om tot de groep ‘overtuigde voorlopers’ te behoren, terwijl ouderen en alleenstaanden een grotere kans hebben om tot de groep ‘aarzelende achterblijvers’ te behoren dan tot de groep ’twijfelaars’. Als we deze groepen en verschillen nader beschouwen, dan moeten we voorzichtigheid betrachten bij de interpretatie; de achterblijvers moeten niet worden gezien als burgers die niet willen, juist het kunnen lijkt een grote rol te spelen. Dit maakt volgens de onderzoekers dat de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving meer is dan een koopkrachtkwestie of een technisch vraagstuk: het is ook een ondersteuningsvraagstuk. Bij de uitvoering van het aardgasvrijbeleid is het daarom essentieel rekening te houden met verschillen in informatie- en ondersteuningsbehoeften tussen voorlopers en achterblijvers.
-
Er is onzekerheid omtrent het wel of niet verduurzamen van woningen Een meerderheid ervaart barrières in de overstap naar aardgasvrije alternatieven voor de woning: men vindt het lastig te bepalen wat een goed alternatief zou zijn, heeft nog weinig vertrouwen in de beschikbare alternatieven en neemt een afwachtende houding aan (Scholte et al. 2020).
-
Zorgen om betaalbaarheid Een deel van de woningeigenaren verwacht dat de investeringen zich niet zullen terugverdienen via een lagere energierekening (en eventueel een hogere woningwaarde). Voor veel mensen zal gelden dat ze met de beschikbare financiële middelen de (vaak aanzienlijke) kosten voor technische verbetering van de woning niet kunnen betalen. Een (duurzaamheids)lening of hypothecaire oplossing is voor een deel van de woningeigenaren niet bereikbaar en velen voelen ook niets voor deze oplossing. Er wordt wel veel steun uitgesproken voor objectgebonden financiering, zodat de kosten kunnen worden gespreid over een langere periode en over meerdere toekomstige eigenaren. Subsidie ligt niet binnen ieders bereik, omdat er eerst een eigen investering gedaan moet worden om in aanmerking te komen.
Transitievisie Warmte versie 0.5 52
-
Zorgen over de effectiviteit van de maatregelen Men maakt zich zorgen over de effectiviteit van maatregelen. Er zijn geluiden dat, ondanks de juiste maatregelen, de woning niet goed warm wordt in de winter of dat de woning in de zomer te warm wordt. Ook zijn er kritische geluiden over de beschikbare alternatieven (bv. zijn deze wel duurzaam?) en over de effectiviteit in relatie tot het hogere doel (tegengaan van klimaatverandering).
-
Innovatie en marktontwikkeling Men verwacht dat in de toekomst betere en goedkopere oplossingen beschikbaar zullen komen. Mede door deze onzekerheid neemt men een afwachtende houding aan.
-
Wantrouwen richting de overheid Er klinkt enig wantrouwen dat de huidige plannen daadwerkelijk zullen worden doorgezet en beloftes en toezeggingen nagekomen zullen worden. Mede door die onzekerheid en onzekerheid over de gekozen aanpakken per wijk is men onzeker over de keuzes die voor de eigen woning gemaakt moeten worden. Deze onzekerheden over het beleid staan mogelijk de stap naar werkelijk participeren in de weg.
Wat betekent dit voor de gemeente Asten? Wij doen de aanname dat de onderzoeksresultaten ook op de gemeente Asten van toepassing zijn. Een meerderheid van de Nederlanders ervaart barrières in de overstap naar aardgasvrije alternatieven voor de woning: men vindt het lastig te bepalen wat een goed alternatief zou zijn, heeft nog weinig vertrouwen in de beschikbare alternatieven en neemt een afwachtende houding aan (Scholte et al. 2020). Voor hoger opgeleiden en mensen met een goede financiële situatie is de kans groter bij de overtuigde voorlopers te horen, terwijl ouderen en alleenstaanden een grotere kans hebben om tot de groep aarzelende achterblijvers te behoren dan tot de groep twijfelaars. Dit maakt dat de warmtetransitie meer is dan een koopkrachtkwestie of een technisch vraagstuk. Het is ook een ondersteuningsvraagstuk. Het is daarom belangrijk dat we bij het schrijven en uitvoeren van de visie rekening houden met verschillen in informatieen ondersteuningsbehoeften. In de periode richting de Transitievisie Warmte 1.0 gaan we onder andere via TipAsten onderzoeken welke informatie- en ondersteuningsbehoeften onze inwoners hebben.
Transitievisie Warmte versie 0.5 53