RU21.02.04B Transitievisie Warmte versie 0.5.docx
Tekst van het document
Programma Transitievisie Warmte versie 0.5 Februari 2021
Inhoudsopgave Samenvatting.....................................................................................................................................................................................1 1.
Inleiding......................................................................................................................................................................................1
2.
Relatie met de Omgevingswet ..........................................................................................................................................1
3.
Technische analyse.................................................................................................................................................................1
4.
Kansrijke warmtevoorziening per buurt in 2050 ........................................................................................................1
5.
Belangrijke uitgangspunten................................................................................................................................................1
6.
Scenario’s: Wanneer worden buurten aardgasvrij? ...................................................................................................1
7.
Communicatie en participatie............................................................................................................................................1
8.
De weg naar de Transitievisie Warmte 1.0....................................................................................................................1
Bijlage 1: Huidig gasgebruik in gemeente Asten ................................................................................................................1 Bijlage 2: Bouwjaren & energielabels panden Asten .........................................................................................................1 Bijlage 3: Niet of beperkt aanwezige warmtebron .............................................................................................................1 Bijlage 4: Vergelijking met andere analyses ..........................................................................................................................1 Bijlage 5: Klimaatbeleid en de samenleving ..........................................................................................................................1
Transitievisie Warmte versie 0.5 2
Samenvatting Iedere gemeente in Nederland stelt vóór 2022 een Transitievisie Warmte op. De visie schetst het tijdspad naar een aardgasvrije gemeente in 2050. In de eerste Transitievisie Warmte moet tenminste benoemd worden in welke buurt(en) we tot en met 2030 aan de slag gaan, zie hiervoor de inleiding. Omgevingswet Verwacht wordt dat Binnenlandse Zaken binnenkort een besluit naar de Tweede Kamer stuurt, waarin staat of de Transitievisie Warmte verplicht als Programma onder de Omgevingswet moet worden opgenomen. Wij wachten dat besluit niet af en zorgen dat de visie voldoet aan de eisen van een Programma en als zodanig kan worden vastgesteld. In dat geval wordt de TVW uiteindelijk vastgesteld door het college in plaats van door de raad. Het college zal dit pas doen nádat het plan in de raad is besproken. Aardgasvraag De totale aardgasvraag in Asten is 2200 TJ (TerraJoule), het grootste gedeelte hiervan is nodig voor de glastuinbouw (1740 TJ). Woningen gebruiken 340 TJ. Het aardgasvrij maken van de glastuinbouw heeft een eigen aanpak en valt buiten de reikwijdte van deze visie, maar we kijken wel naar een mogelijke combinatie met het aardgasvrij maken van woningen.
Energiegebruik Asten 2018 (TJ)
Figuur 1: Totaal energieverbruik in Asten, onderverdeeld in aardgasverbruik en elektriciteitsverbruik.
Aardgas Elektriciteit 0 Landbouw
1000 Industrie
2000 Bedrijven
3000 Woningen
Energiebesparing Om de CO2-uitstoot terug te dringen en woningen van het aardgas af te halen, is energiebesparing de eerste en belangrijkste stap. De mogelijkheden hiervoor zijn sterk afhankelijk van de leeftijd van de woningen. Het merendeel van de woningen in gemeente Asten is gebouwd in de periode 1941-1974. Ook staan er, met name in het centrum van het dorp Asten, vooroorlogse panden. Deze woningen zijn vaak lastig te isoleren en maken het zoeken naar een warmtealternatief extra uitdagend. Sinds 2015 heeft vrijwel elk pand in Nederland een energielabel. Het energielabel zegt iets over de isolatie en de warmtevraag van het pand. Label A staat voor een goed geïsoleerde woning, label G is voor slecht geïsoleerde woningen. In figuur 2 is de verdeling van energielabels van de 6.786 woningen in de gemeente Asten te zien. Figuur 2: Energielabels woningen.
De verwachting is dat in de komende decennia woningeigenaren met isolatie aan de slag gaan, waardoor de energielabels verbeteren en de warmtevraag lager wordt. Voor de gemeente Asten geldt (op basis van figuur 3) een totale besparingspotentie van circa 22% van de warmtevraag in de bestaande woningen. Het besparingspotentieel van utiliteitspanden (bedrijven) is ca. 30% (het landelijk gemiddelde).
Transitievisie Warmte versie 0.5 3
Figuur 3: Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is.
Warmteprofielen Naast de vraag hoevéél warmte er nodig is per buurt of woning, is ook van belang op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. Dit noemen we het warmteprofiel. De temperatuur waarop de warmte in de woning verspreidt wordt via de radiatoren of vloerverwarming (de zogeheten afgifte-temperatuur) moet passen bij de isolatiegraad van de woningen en het type radiator (en andere installaties). Hoe beter de woning geïsoleerd is, hoe lager de afgifte-temperatuur kan zijn. Lagere temperatuur heeft als voordeel dat er meer duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn en het systeemrendement is vaak beter. In figuur 4 is voor clusters woningen, kantoren en overige utiliteit het warmteprofiel weergegeven: de afgiftetemperatuur die op termijn realistisch is. Op dit moment (2020) gebruiken bijna alle huizen in gemeente Asten nog een cv-ketel met een hoge afgifte-temperatuur: alle huizen zouden daarom rood ingekleurd kunnen worden in figuur 4. Wanneer alle huizen de besparingsstap zetten die past bij hun huis, verbetert hun warmteprofiel. Deze verbeterde warmteprofielen zijn per cluster van huizen op een kaart gezet (figuur 4). Figuur 4: Warmteprofielen gemeente Asten: de afgiftetemperatuur die nodig is nadat alle rendabele isolatiestappen gezet zijn. We geven clusters weer van huizen met een zelfde warmteprofiel. Individuele huizen zijn niet in kaart gebracht.
Warmtevraag Hoe de warmtevraag over de gemeente verdeeld is, is van belang voor de mogelijke alternatieven voor aardgas. Gebieden met een geconcentreerde warmtevraag (veel panden bij elkaar of panden met een hoge warmtevraag) zijn eerder geschikt voor de aanleg van een warmtenet. Bij een lage warmtedichtheid liggen individuele oplossingen, zoals een warmtepomp, meer voor de hand. Voor de gemeente Asten is de verdeling van de toekomstige warmtevraag van woningen zichtbaar gemaakt in figuur 5. De warmtevraag van bedrijfspanden is hierin niet meegenomen, omdat deze lastiger te voorspellen is. De ligging van bedrijventerreinen is wel weergegeven.
Transitievisie Warmte versie 0.5 4
Voor de gemeente Asten ligt een warmtenet in het grootste gedeelte van de gemeente niet voor de hand. Onder andere de buitengebieden en de dorpskern Ommel hebben een te lage concentratie van de warmtevraag voor een warmtenet. In de dorpskern Asten staan de woningen dichter op elkaar, een warmtenet zou hier technisch wellicht goed passen. Hierbij zijn nog vele andere variabelen van belang. Nader onderzoek moet uitwijzen of een warmtenet hier daadwerkelijk mogelijk is en hoeveel van de omliggende ‘twijfelgebieden’ hierbij kunnen worden betrokken. Voor het dorp Heusden is de warmtevraagdichtheid aan de lage kant voor een warmtenet. Wel ligt vlak hiernaast (west- en zuidzijde) een gebied met glastuinbouw (kassen), waar ook veel warmte gevraagd wordt. Wanneer hiermee de combinatie gemaakt wordt, is een warmtenet ook voor het dorp Heusden wellicht interessant. In gemeente Someren (ten westen van Asten) wordt ook nagedacht over het aanleggen van een warmtenet als alternatief voor aardgas, in combinatie met de glastuinbouwsector. Doordat de bebouwing in Someren dicht tegen Asten aan ligt, en het kassengebied en het bestaande warmtenet hier als het ware tussen ligt, is een koppeling tussen beide gemeentes interessant. Vervolgonderzoek moet uitwijzen wat de beste mogelijkheid is.
Figuur 5: De verwachte toekomstige warmtedichtheid in gemeente Asten. De warmtedichtheid is gebaseerd op de warmtevraag die over blijft na besparingsmaatregelen.
Mogelijke toekomstige warmtevoorziening Voor elke buurt zijn er meerdere scenario’s. De Transitievisie Warmte 0.5 beschrijft voorlopige relaties tussen warmtebronnen en de warmtevraag: welke bronnen zijn het best in te zetten op welke plek? Figuur 6 (pagina 6) geeft een mogelijk eindbeeld van de warmtevoorziening. Oranje: warmtenet mogelijk. De concentratie van de warmtevraag is in dit gebied hoog genoeg om een collectieve oplossing in de vorm van een warmtenet vanuit technisch oogpunt rendabel te maken. Hierbij zijn nog veel onzekerheden, die verder onderzocht moeten worden, zoals de geschikte warmtebronnen en de mogelijke samenwerkingen met de gemeente Someren en de glastuinbouw.
Transitievisie Warmte versie 0.5 5
Oranje+grijs: warmtenet onzeker. De concentratie van de warmtevraag is in dit gebied lager waardoor het onzeker is of een warmtenet vanuit technisch oogpunt rendabel te maken. Hierdoor is onzeker wat de meest rendabele oplossing is: individueel of met een warmtenet. In deze gebieden moet meer onderzoek gedaan worden naar de besparingsmogelijkheden, de beschikbaarheid van nabije warmtebronnen én de kosten van het exploiteren van de warmtebronnen. Wanneer in aangrenzende gebieden een warmtenet gerealiseerd wordt, kan dit een koppelkans zijn om een onzeker gebied ook op dit warmtenet aan te sluiten. Groen+lichtblauw: individueel of groen gas. In deze buurten is de bebouwingsdichtheid laag, waardoor een warmtenet weinig kansrijk is. Tegelijkertijd staan er veel oudere woningen en monumenten, die ook in de toekomst waarschijnlijk een hogere temperatuur warmteafgifte nodig hebben. Dat maakt het toepassen van individuele oplossingen lastig. Anderzijds is de energierekening nu vaak hoog, zodat maatregelen zich terugverdienen. In de buurtaanpak bekijken we of in deze buurten kan worden ingezet op vergaande isolatie. Grijs: individueel. In dit gebied liggen individuele oplossingen voor de hand. Waar woningen geclusterd zijn, kunnen ook klein-collectieve oplossingen een oplossing zijn zoals een gezamenlijke bodempomp voor 3 tot 7 woningen.
Figuur 6: Toekomstige warmtevoorziening (mogelijk eindbeeld voor 2050).
Transitievisie Warmte versie 0.5 6
Uitgangspunten Uitgangspunten bieden handvaten waarmee we keuzes kunnen maken over wanneer en waar we aan de slag gaan, hoe we dat doen en hoe we inwoners ondersteunen. Het centrale uitgangspunt is dat een energiesysteem duurzaam, betrouwbaar, veilig en betaalbaar is. Geen duidelijke startwijk voor 2030 In de gemeente Asten is geen sprake van een voor de hand liggend startgebied gelet op de uitkomst van de technische analyse en tevens rekening houdend met de uitgangspunten. Ook willen we (met het oog op innovaties en op hoger niveau te maken keuzes op gebied van groengas en waterstof) geen overhaaste keuzes maken. Er is volgens ons nog te veel onduidelijk om voor 2030 met een wijk-buurtgerichte aanpak een wijk of buurt van het aardgas te halen. Toch willen en moeten we voor 2030 een flinke stap zetten. We willen daarom inzetten een grootschalige isolatieaanpak en de mogelijkheden voor een warmtenet met de gemeente Someren en de glastuinbouwsector verder onderzoeken. Een ander scenario is dat we voor 2030 wel al met een buurt aan de slag gaan en tevens inzetten op isolatie van de bebouwde omgeving.
Transitievisie Warmte versie 0.5 7
1. Inleiding In het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 zijn door 174 landen internationaal afspraken gemaakt om klimaatverandering te beperken, ook Nederland heeft deze ondertekend. De Nederlandse overheid heeft tot doel gesteld om in 2030 de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49% terug te dringen ten opzichte van 1990. In 2050 moet dit zelfs met 95% verminderd zijn ten opzichte van 19901. Met meer dan 100 partijen werden afspraken gemaakt over de maatregelen die nodig zijn voor deze doelstelling, deze zijn vastgelegd in het Klimaatakkoord2. Eén van de afspraken is dat iedere gemeente een Transitievisie Warmte opstelt. Waarom een warmtetransitie? In het Klimaatakkoord staat dat we onze CO₂-uitstoot drastisch willen verminderen, o.a. door te stoppen met het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving (woningen en andere gebouwen, zoals kantoren en scholen). De Rijksoverheid heeft de ambitie gesteld dat de gebouwde omgeving in 2050 aardgasvrij moet zijn. Dat vraagt om een enorme verduurzamingsslag.
“We staan aan de vooravond van een duurzame transformatie van de gebouwde omgeving, een aanpassing van onze ruim 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen, veelal matig geïsoleerd en vrijwel allemaal verwarmd door aardgas, tot goed geïsoleerde woningen en gebouwen, die we met duurzame warmte verwarmen en waarin we schone elektriciteit gebruiken of zelfs zelf opwekken. Dat gaan we tot 2050 stapsgewijs en samen met bewoners en eigenaren van deze gebouwen doen.” (Klimaatakkoord, 28 juni 20193). Het grootste deel van de energievraag van de gebouwde omgeving bestaat uit warmte, geleverd door aardgas, vandaar dat er wordt gesproken over de warmtetransitie. Van het totale Nederlandse energieverbruik is 32% in gebruik voor het verwarmen van onze gebouwde omgeving (CBS, p. 10)4. Besparen op verwarmen en omschakelen naar duurzame warmtebronnen levert dus veel CO₂-winst op. Om de klimaatdoelen te behalen moeten alle Nederlandse huishoudens en bedrijven uiterlijk in 2050 afscheid nemen van fossiele brandstoffen en dus ook van het gebruik van aardgas. Voor bedrijven betreft het alleen het verwarmen van bijvoorbeeld de kantoorruimte. Voor het verduurzamen van productieprocessen zijn in het Klimaatakkoord ook afspraken gemaakt, waarvoor andere plannen worden ontwikkeld. Dit geldt bijvoorbeeld voor gasverbruik in de glastuinbouw.
In het Klimaatakkoord wordt de ambitie uitgesproken om in 2040 klimaatneutraal te kunnen telen. Transitievisie Warmte Elke gemeente moet uiterlijk in december 2021 een Transitievisie Warmte vaststellen. In de visie wordt het tijdspad naar een aardgasvrije gemeente in 2050 geschetst. In de eerste Transitievisie Warmte moet tenminste benoemd worden in welke buurt(en) we tot en met 2030 aan de slag gaan. Er is afgesproken5 dat gemeenten in de visie voor de buurt(en) die tot en met 2030 gepland zijn in ieder geval opnemen: 1. 2. 3.
hoeveel woningen en andere gebouwen tot en met 2030 geïsoleerd en/of aardgasvrij worden gemaakt; welke alternatieve warmtevoorzieningen kansrijk zijn; en welk warmtealternatief de laagste nationale kosten heeft.
Gezien de complexiteit en grote onzekerheden van de aardgasvrije opgave en rekening houdend met de capaciteit van onze organisatie, zien we onszelf, gemeente Asten, in deze transitie niet als koploper. We willen vanuit de middenmoot leren van de ervaringen die elders worden opgedaan.
1 Bron: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/klimaatbeleid 2 De wet- en regelgevingsinstrumenten die in het Klimaatakkoord zijn genoemd moeten de komende jaren nog worden uitgewerkt.
Verdere uitwerking van deze Transitievisie Warmte is afhankelijk van de ontwikkelingen op dit vlak de komende jaren. 3 https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord 4 https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2020/35/warmtemonitor-2019 5https://www.aardgasvrijewijken.nl/klp/ro/transitievisie+warmte2/wat+is+een+transitievisie+warmte/inhoudelijke+kenmerken/defaul
t.aspx
Transitievisie Warmte versie 0.5 8
Relatie met de Regionale Energiestrategie en Regionale Structuur Warmte De Transitievisie Warmte heeft een nauwe relatie met een ander plan dat voortkomt uit het Klimaatakkoord: de Regionale Energiestrategie (RES). In dit plan onderzoeken we samen met andere regiogemeenten waar en hoe in onze Metropoolregio Eindhoven (MRE) het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) kan worden opgewekt, maar ook welke warmtebronnen in onze regio te gebruiken zijn zodat wijken, buurten en gebouwen van het aardgas af kunnen. De daadwerkelijke toepassing van bronnen is van veel zaken afhankelijk en vraagt om onderzoek, samenwerking en afstemming. Daarom worden afspraken gemaakt over hoe we om willen gaan met de beschikbare bronnen, ruimte en infrastructuur voor onze warmtevoorziening. Er wordt bijvoorbeeld gekeken hoe het best met gemeentegrens overschrijdende bronnen kan worden omgegaan. Een onderdeel van de RES-MRE is de Regionale Structuur Warmte (RSW). Deze levert onder andere basisinformatie voor de Transitievisie Warmte van onze gemeente. De RSW geeft inzicht in de regionale warmtevraag, de potentie van de beschikbare warmtebronnen, de huidige warmte-infrastructuur en de mogelijkheden voor samenwerking tussen gemeenten in het realiseren van duurzame warmte.
Definitieve keuzes die voortkomen uit de Transitievisies Warmte en de uitvoeringsplannen op wijkbuurtniveau van alle gemeenten in onze regio worden vervolgens meegenomen in vervolgversies van de RES 1.0. Het gehele RES-traject kent een doorlooptijd tot 2030. De RES wordt in die periode elke twee jaar geactualiseerd. Wat betreft de Transitievisie Warmte geldt dat iedere gemeente deze ten minste elke vijf jaar actualiseert. Dit proces van onderlinge beïnvloeding ontwikkelt zich aan de hand van voortschrijdend inzicht.
Figuur 1.0 Samenhang RES, RSW, TVW en wijkuitvoeringsplannen. Bron: Over Morgen
Uit figuur 1.0 blijkt dat er continue afstemming nodig is tussen plannen op regionaal, gemeentelijk en wijk-buurtniveau. Naarmate de tijd verstrijkt, neemt de beschikbare informatie en kennis over toekomstige warmtebronnen en –oplossingen toe en neemt onzekerheid af. Daarom wordt van grof naar fijn gewerkt en veel aandacht besteed aan de afstemming tussen de verschillende processen. Verdiepende analyse In de raadscommissie van september 2020 werd een eerste analyse in de vorm van de Transitievisie Warmte 0.1 gepresenteerd. Dit document kan worden gezien als een verdiepingsslag van de voorgaande analyse. Deze 0.5 versie bevat met name meer technische verdieping over de buurten en maakt een aantal scenario’s inzichtelijk.
Transitievisie Warmte versie 0.5 9
Regierol We werken niet alleen aan de warmtetransitie. Bij het leggen van de puzzel van warmte-opwek, -opslag en gebruik is het belangrijk om experts, stakeholders en inwoners te betrekken. In de komende fase richting de Transitievisie Warmte 1.0 gaan we inwoners uitdrukkelijker betrekken. Ook blijven we met stakeholders zoals de gemeente Someren, DECAS, Enexis en woningcorporaties praten en goed om ons heen kijken om te leren van ervaringen elders. In de periode richting de Transitievisie Warmte 0.5 hebben we onze inwoners niet betrokken, omdat er nog te veel onduidelijkheden waren. We hebben er bewust voor gekozen om eerst de technische analyse en scenario’s uit te werken. In de periode richting de Transitievisie Warmte 1.0 gaan we uitgebreid communiceren over de warmtetransitie en via (digitale) bijeenkomsten met onze inwoners in gesprek over de warmtetransitie en de mogelijke scenario’s. Leeswijzer Hoofdstuk 2 legt uit wat de relatie van de Transitievisie Warmte met de Omgevingswet is. Hoofdstuk 3 bestaat uit een technische analyse van de warmtevraag nu en in de toekomst, de alternatieve warmtebronnen en de mogelijkheden om die in te zetten. In hoofdstuk 4 worden voorlopige relaties tussen warmtebronnen en de warmtevraag gelegd: welke bronnen zijn het best in te zetten op welke plek? Voor elke buurt zijn er meerdere scenario’s.
Hoofdstuk 5 beschrijft de uitgangspunten die in de verschillende fasen van de warmtetransitie van belang zijn. De uitgangspunten bieden handvaten waarmee we keuzes kunnen maken over wanneer en waar we aan de slag gaan, hoe we dat doen en hoe we inwoners ondersteunen. Hoofdstuk 6 legt uit dat er in de gemeente Asten geen sprake is van een voor de hand liggend startgebied gelet op de uitkomst van de technische analyse en tevens rekening houdend met de uitgangspunten. Er worden daarom een aantal scenario’s uitgewerkt waarmee de gemeente Asten op een bij onze lokale situatie passende wijze aardgasvrij kan worden gemaakt. Hoofdstuk 7 maakt onze communicatie en participatie aanpak inzichtelijk. Hoofdstuk 8 beschrijft welke stappen we zetten in de periode richting de Transitievisie Warmte 1.0.
Transitievisie Warmte versie 0.5 10
2. Relatie met de Omgevingswet Landelijk wordt onderzocht of het wenselijk is om de Transitievisie Warmte als een verplicht Programma onder de Omgevingswet te categoriseren. Kern van de Omgevingswet is een integrale afweging tussen alle belangen binnen de fysieke leefomgeving. Het Expertise Centrum Warmte verwacht dat Binnenlandse Zaken hierover binnenkort een besluit naar de Tweede Kamer stuurt. Ook als het niet wordt verplicht willen we de Transitievisie Warmte als Programma vaststellen. In dit hoofdstuk wordt beschreven waarom en wat dit betekent. Waarom een programma: warmtetransitie? De kern van de Omgevingswet is een integrale afweging tussen alle belangen binnen de fysieke leefomgeving. Daarom moet de Transitievisie Warmte aan de eisen van de Omgevingswet voldoen. Om de Omgevingswet in de praktijk uit te voeren, hebben gemeenten verschillende instrumenten tot hun beschikking. Denk aan een Omgevingsvisie, Omgevingsplan, Programma en Omgevingswaarden. Omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die een gemeente voor de leefomgeving wil bereiken. In de Omgevingsvisie kan de gemeente een doelwaarde voor de omgeving formuleren (bijvoorbeeld klimaatneutraal of aardgasvrij). Als dat in de vorm van een omgevingswaarde gebeurt is dat een bindende beleidsopdracht. Middels een Programma beschrijft een gemeente hoe zij de doelwaarde voor de Omgevingswaarde gaat realiseren.
Via Omgevingsplannen kan worden afgedwongen dat woningen niet langer verwarmd worden op basis van aardgas. Deze werkwijze ten aanzien van de verhouding met de Omgevingsvisie (globaal) en Programma (gericht op concrete uitvoering) is in Asten gemaakt6. In Asten wordt de Omgevingsvisie het centrale document dat al het Astense beleid over de fysiek leefomgeving bundelt. Dit betekent dat het streven is gericht op zo min mogelijk sectorale beleidsnota’s waarbij strategische doelstellingen uit bestaand sectoraal beleid in de Omgevingsvisie worden geïntegreerd. De Omgevingsvisie is echter ook een visie op hoofdlijnen. De visie bepaalt de langtermijn koers van de ruimtelijke ontwikkeling van Asten en geeft richting aan toekomstige initiatieven, maar is geen blauwdruk voor de toekomst waarin tot in detail is beschreven wat er kan en gaat gebeuren in Asten. Voor bepaalde onderwerpen of gebieden zal er daarom behoefte blijven aan meer specifiek (sectoraal) beleid om de hoofdlijnen uit de omgevingsvisie nader te beschrijven. Dit beleid zal naast de Omgevingsvisie blijven bestaan. Voorbeelden hiervan zijn naast de Transitievisie Warmte, de Centrumvisie of het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) met specifiek beleid over de gemeentelijke waterhuishouding. Waar het beleid in de Omgevingsvisie van meer strategische aard is, is het beleid van deze beleidsdocumenten meer uitvoeringsgericht.
Dit uitvoeringsgerichte beleid is onder de Omgevingswet te kwalificeren als het instrument (vrijwillig) Programma. Wat verandert er? Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken kunnen overheden een Programma opstellen met maatregelen. Dit gebeurt in de vorm van een beleidsdocument. Een Programma heeft een aantal kenmerken, namelijk:
Het is zelfbindend Dit betekent dat het alleen het bestuur zelf bindt. Een Programma kan wel inwoners en bedrijven stimuleren om die dingen te doen die helpen om de doelstellingen te halen. Er staat geen beroep open tegen de vaststelling van een programma. Wel heeft de gemeenteraad een controlerende functie. De gemeenteraad kan aan de hand van het programma het College van B&W om verantwoording vragen.
Vaststelling door College Het College van B&W kan zonder raadsinspraak besluiten over de visie. De vaststellingsbevoegdheid ligt bij het College. Voordat de Transitievisie Warmte 1.0 door het College van B&W wordt vastgesteld raadplegen we de gemeenteraad, zoals we dat bij de 0.1 en 0.5 versie van de visie hebben gedaan.
Memo: Voortgang Omgevingsvisie Asten 6 https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/Asten/5a90c071-01f4-4a4b-bf9b-da1edbeb9956
Transitievisie Warmte versie 0.5 11
Geen juridische koppeling met omgevingsvisie Er is geen verplichte juridische koppeling tussen de Omgevingsvisie en een Programma. De gemeente hoeft de Omgevingsvisie niet aan te passen als ze een Programma wijzigt.
Uitvoeringsgericht Een Programma is uitvoeringsgericht en betreft vaak de uitwerking van beleid voor een bepaald gebied of sector.
Motiveringsplicht participatie Bij het vaststellen van een Programma moet verantwoord worden op welke wijze invulling is gegeven aan participatie. Hoe zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken en wat de resultaten daarvan zijn? Er is geen verplichte vorm van participatie voorgeschreven.
Milieueffectrapportage Hier is alleen sprake van als het Programma het kader vormt voor m.e.r.-(beoordelings-)plichtige projecten. Daarnaast is een Programma plan-m.e.r.-plichting als daarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt in het kader van de Aanvullingswet natuur. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of het Programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Conclusie Rekening houdend met de verwachte insteek van het Rijk en de wijze waarop de gemeente Asten de instrumenten van de Omgevingswet wil inzetten, is het passend om de Transitievisie Warmte als een Programma te beschouwen. Het College van B&W is het bevoegde orgaan, dat programma’s op basis van de Omgevingswet vaststelt. Het concept van de Transitievisie Warmte versie 1.0 wordt gelet op de aard van dit Programma voor wensen en bedenkingen voorgelegd aan de Commissie Ruimte. Voor het beoogde participatietraject heeft de formele vaststelling door het College van B&W geen gevolgen.
Transitievisie Warmte versie 0.5 12
3. Technische analyse In dit hoofdstuk beschrijven we de warmtevraag van woningen en bedrijven. Daarbij kijken we naar de hoeveelheid warmte die in een gebied nodig is en de temperatuur van de warmte die wordt gevraagd. Ook geven we een doorkijk naar de toekomstige warmtevraag. Daarna kijken we naar het potentiële aanbod van duurzame warmtebronnen in gemeente Asten. Gegevens over de gebouwde omgeving zijn grotendeels afkomstig uit openbare data en deels uit kengetallen van onze adviseur De WarmteTransitieMakers. De Startanalyse (Leidraad 1.0) van het Planbureau voor de Leefomgeving is gebruikt om inzicht te krijgen in de kosten voor verschillende oplossingen. Huidig gasverbruik woningen en bedrijven In gemeente Asten zijn in totaal ca. 6800 woningen en bijna 1000 bedrijfspanden.7 Woningbouwcorporaties WoCom en Bergopwaarts TJ of terajoule is een eenheid hebben een aanzienlijk deel, namelijk: 22,3%, van de woningen in de voor de hoeveelheid energie. gemeente in bezit8. Uit figuur 2 blijkt dat het totale aardgasverbruik in 1 TJ = 1.000.000.000.000 gemeente Asten in 2018 ruim 2200 TJ was9. Het grootste gedeelte van het joule. gasgebruik (1740 TJ) werd gebruikt in de glastuinbouw (landbouw).
Het 1 TJ komt overeen met het aardgasvrij maken van de glastuinbouw heeft een eigen aanpak, maar in gebruik van ongeveer 31.600 deze Transitievisie Warmte zal gekeken worden naar de mogelijke m3 aardgas. combinatie met het aardgasvrij maken van woningen. Woningen gebruikten in totaal 340 TJ aardgas. Hoe dit huidige gasgebruik per postcodegebied over de gemeente verdeeld is, is te zien in bijlage 1.
Energiegebruik Asten 2018 (TJ)
Type utiliteit
Aardgas
28%
Elektriciteit
Landbouw
500 Industrie
1000
1500
Bedrijven
2000
2500
Winkel Bijeenkomst
50% 0
Industrie
11% 7% 4%
Kantoor Overig
Woningen
Figuur 2: Totaal energieverbruik in Asten, onderverdeeld in aardgasverbruik en elektriciteitsverbruik.10
Figuur 311: Meest aanwezige utiliteitsfuncties in Asten 12
7 Bron: BAG 8 Bron: CBS, 2018
9 Bron: Klimaatmonitor, 2018 10 Bron: Klimaatmonitor, De categorie 'overig' bestaat uit alle gebruiksfuncties die minder voorkomen én de utiliteitsobjecten die meer
dan één gebruiksfunctie hebben (die anders dubbel geteld kunnen worden). De gebruiksfuncties zijn: Industrie, Winkel, Kantoor, Bijeenkomst, Gezondheidszorg, Onderwijs, Sport, Logies, Cel. 11 Bijeenkomst: Gebruiksfunctie voor het samenkomen van personen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het
verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse of het aanschouwen van sport. 12 Bron: BAG
Transitievisie Warmte versie 0.5 13
Het overgrote deel van de woningen en de bedrijven is aangesloten op het aardgasnet13. Verhoudingsgewijs wordt er in huishoudens aanzienlijk meer energie uit aardgas gebruikt dan elektriciteit. Het stoppen met aardgas is daarom cruciaal in de energietransitie. Huishoudens gebruiken het aardgas hoofdzakelijk voor verwarming (75%), een kleiner deel wordt gebruikt voor warm water (20%) en om te koken (5%). Bij bedrijven hangt het aardgasverbruik sterk af van het type bedrijf. Sommige bedrijven gebruiken aardgas namelijk niet alleen voor verwarming, maar ook in het bedrijfsproces. Figuur 3 laat zien dat er in Asten bijna geen kantoren zijn. Kantoren hebben altijd een hoge warmtebehoefte. Energiebesparing Om de CO2-uitstoot terug te dringen en woningen van het aardgas af te halen, is energiebesparing vaak de eerste en belangrijkste stap. Om een inschatting te geven van de mogelijke energiebesparing, kijken we naar de mogelijkheden om gebouwen te isoleren. Daarbij baseren we ons op de bouwjaren en de energielabels van gebouwen.
Energiebesparing in de woning Een gemiddeld Nederlands huishouden gebruikte in 2018 per jaar 2765 kWh elektriciteit en 1270 m3 aardgas. Hiervoor betaal je algauw 1650 euro per jaar, wat door hogere belastingen in de komende jaren naar verwachting snel stijgt. In Asten liggen het gemiddeld gas- en elektriciteitsverbruik hoger dan het landelijk gemiddelde, waardoor de gemiddelde energierekening in Asten rond de 2000 euro per jaar ligt. Voor woningeigenaren zijn er verschillende redenen om energie te gaan besparen. Zo kun je hiermee de energierekening aanzienlijk verlagen. Daarnaast zorgt een lager energiegebruik direct voor minder CO₂-uitstoot en dus minder milieu-impact. Als laatste, maar zeker niet onbelangrijk: een goed geïsoleerde woning is comfortabel en heeft een prettig binnenklimaat.
Het merendeel van de woningen in gemeente Asten is gebouwd in de periode 1941-1974. Ook zijn er, met name in het centrum van het dorp Asten, nog vooroorlogse panden. Deze woningen zijn vaak lastig te isoleren en maken het zoeken naar een warmtealternatief extra uitdagend. Voor een kaart met daarop de bouwjaren van de gebouwen in de gemeente verwijzen we u naar bijlage 2.
Sinds 2015 heeft vrijwel elk pand in Nederland een energielabel. Het energielabel zegt iets over de isolatie en de warmtevraag van het pand. Label A staat voor een goed geïsoleerde woning, label G staat voor slecht geïsoleerde woningen. In figuur 4 is de verdeling van energielabels van de 6.786 woningen in gemeente Asten te zien.14 De verwachting is dat in de komende decennia woningeigenaren met isolatie aan de slag gaan (zie kader), waardoor de energielabels verbeteren en warmtevraag lager wordt.15 Voor woningcorporaties gelden strenge isolatie-eisen. Zij hebben afspraken gemaakt met het Rijk over de gemiddelde isolatie labels van hun bezit. Daarom zullen panden, waar nodig, in de komende jaren grondig aangepakt worden.
Figuur 4: Energielabels woningen
13https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/snel-besparen/grip-op-je-energierekening/gemiddeld-energieverbruik/ 14 Bron: RVO 15 Bron: https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/snel-besparen/grip-op-je-energierekening/gemiddeld-energieverbruik/
Transitievisie Warmte versie 0.5 14
Figuur 5: Niet elke woning heeft dezelfde mogelijkheden voor isolatie. Toekomstige warmtevraag Om een inschatting te maken van de verwachte energiebesparing van woningen tot 2050 is een analyse gemaakt die rekening houdt met de woningvoorraad in Asten (bouwjaar, energielabel, oppervlakte van de woningen). In figuur 5 wordt weergegeven wat landelijk gezien de verwachte energiebesparing is voor een huis uit een bepaalde bouwperiode. We gaan hierbij uit van de isolatie die economisch rendabel is. Huizen van voor 1920 bijvoorbeeld, zitten vaak op een energielabel G en zijn tot een energielabel C of D te isoleren. Deze isolatiestap betekent een energiebesparing van 18%. Voor de verschillende bouwperiodes gelden verschillende besparingspotenties.
Transitievisie Warmte versie 0.5 15
Figuur 6: Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is. De mogelijke besparing is berekend door (via kengetallen16) de warmtevraag van het huidige en het toekomstige energielabel te vergelijken.
Voor Asten leidt dit model tot een totale besparingspotentie van circa 22% van de warmtevraag in de bestaande bouw. De verwachte totale warmtevraag in 2050 is 265-271 TJ/jaar voor de huidige ca. 6.800 woningen (tegenover 339 TJ/jaar in 2018). Het besparingspotentieel van utiliteitspanden (bedrijven) is ca. 30% (het landelijk gemiddelde). Voor de besparing van industrie bestaan geen landelijke cijfers. Omdat bedrijven diverser zijn dan huizen (een kledingwinkel en opslagloods zijn heel anders qua comforteisen en bouwstijl), heeft het besparingspotentieel hiervan een grotere onzekerheid. Vanuit de woningcorporaties Bergopwaarts en woCom zijn geen concrete plannen bekend voor de (middel)lange termijn voor het buurt- of complexgewijs renoveren en transformeren van woningen. Momenteel kiest Bergopwaarts voor het grondig renoveren van woningen bij mutatie en woCom past op natuurlijke momenten no regret maatregelen toe. Bergopwaarts heeft de afgelopen jaren isolatiemaatregelen genomen in een aanzienlijk deel van haar woningbezit. Woningbouwcorporaties hebben de wettelijke verplichting om hun bezit verregaand te verduurzamen (gemiddeld label B in 2021). De gecombineerde warmtevraag voor warmte voor utiliteitspanden (bedrijven exclusief industrie/glastuinbouw) en woningen in gemeente Asten zal circa 340 TJ/jaar zijn in 2050.
Dit is dan ook de warmtevraag waarvoor we passende warmtebronnen moeten gaan zoeken. Hoge, midden- of lage temperatuur Naast de vraag hoevéél warmte er nodig is per buurt of woning, is ook van belang op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. Dit noemen we het warmteprofiel. De temperatuur waarop de warmte in de woning verspreidt wordt via de radiatoren of vloerverwarming (de zogeheten afgifte-temperatuur) moet passen bij de isolatiegraad van de woningen en het type radiator (en andere installaties). Hoe beter de woning geïsoleerd is, hoe lager de afgifte-temperatuur kan zijn (zie figuur 7). Lagere temperatuur heeft als voordeel dat er meer duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn, en het systeemrendement is vaak beter. Figuur 7. Voorspelde warmteprofielen bedrijven (exclusief industrie). Omdat voor kantoorpanden strengere regelgeving geldt, is de verwachting dat veel oudere kantoren grondig gerenoveerd (of nieuw gebouwd) gaan worden. Daardoor is een groot deel van de kantoorpanden in de toekomst geschikt voor lage-temperatuurverwarming.
16 Bron: adviesbureau Greenvis
Transitievisie Warmte versie 0.5 16
Woningen Slecht geïsoleerde woningen, met energielabel G of F of bouwjaar voor 1940 hebben een beperkt aantal betaalbare isolatiemogelijkheden. Dit komt doordat er vaak geen spouwmuur aanwezig is en een deel van de woningen een beschermd aangezicht of monumentenstatus heeft. Als alleen economisch rendabele isolatiemaatregelen worden uitgevoerd, blijft de verbetering van het energielabel steken op label D of C. Hierdoor is ook in de toekomst waarschijnlijk een warmtevoorziening met hoge temperatuur nodig in deze woningen (ca 70°C). De aardgasvrije technieken die deze hoge temperatuur warmteafgifte met een redelijk rendement kunnen leveren zijn groen gas (waterstof en biogas), biomassa en een hoge temperatuur warmtenet. Ook zijn er hoge temperatuur warmtepompen met een redelijk rendement. Woningen met gemiddeld isolatieniveau, energielabel B t/m E of bouwjaar tussen 1940 en 2005, kunnen na isolatie goed verwarmd worden met een afgifte-temperatuur van 55 tot 70°C: middentemperatuur. Geschikte aardgasvrije technieken zijn warmtenetten met een middentemperatuurbron, warmtenetten met lage-temperatuurbron waarbij op woningniveau de temperatuur verder verhoogd wordt, of (collectieve) warmtepompen. Goed geïsoleerde woningen, energielabel A of beter, of bouwjaar na 2005, kunnen meestal zonder verdere isolatie verwarmd worden op lage temperatuur (<55°C).
Er is dan vaak wel een aanpassing aan de radiatoren nodig en soms aan het ventilatiesysteem. Daarna kunnen deze woningen verwarmd worden met vrijwel elke duurzame warmtevoorziening. Bedrijfspanden Voor kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet. De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte. Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de functie van een gebouw. Zo is het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20°C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet meer op individueel niveau gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken bij hun processen, afhankelijk van de functie, ook warmte. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig. Deze panden zijn in de warmteprofielen (figuur 8, blz. 18) niet meegenomen. In figuur 8 is voor clusters woningen, kantoren en overige utiliteit het warmteprofiel weergegeven: de afgifte-temperatuur die op termijn realistisch is.
Op dit moment (2020) gebruiken bijna alle huizen in gemeente Asten nog een cv-ketel met een hoge afgifte-temperatuur: alle huizen zouden daarom rood ingekleurd kunnen worden in figuur 8. Wanneer alle huizen de besparingsstap zetten die past bij hun huis, verbetert hun warmteprofiel. Deze verbeterde warmteprofielen zijn per cluster van huizen op de kaart gezet in figuur 8. Overigens ligt de techniek die gekozen wordt voor de warmtevoorziening hiermee nog niet vast: voor elke temperatuurrange bestaan diverse individuele oplossingen (per woning) of collectieve (met een warmtenet).
Transitievisie Warmte versie 0.5 17
Figuur 8: Warmteprofielen gemeente Asten: de afgifte-temperatuur die nodig is nadat alle rendabele isolatiestappen gezet zijn. We geven clusters weer van huizen met een zelfde warmteprofiel. Individuele huizen zijn niet in kaart gebracht.
Transitievisie Warmte versie 0.5 18
Concentratie van de warmtevraag Hoe de warmtevraag over de gemeente verdeeld is, is van belang voor de mogelijke alternatieven voor aardgas. Gebieden met een geconcentreerde warmtevraag (veel panden bij elkaar of panden met een hoge warmtevraag) zijn eerder geschikt voor de aanleg van een warmtenet. Bij een lage warmtedichtheid liggen individuele oplossingen, zoals een warmtepomp, meer voor de hand. Voor gemeente Asten is de verdeling van de toekomstige warmtevraag van woningen zichtbaar gemaakt in figuur 9. De warmtevraag van bedrijfspanden is hierin niet meegenomen, omdat deze lastiger te voorspellen is. De ligging van bedrijventerreinen is wel weergegeven. In de huidige markt is vanaf 1000 GJ/ha en een minimum aantal woningen van ongeveer 200 (afhankelijk van de warmtebron) de kans op een rendabele business case voor een warmtenet groot. Onder de 500 GJ/ha is een warmtenet bijna nooit een realistische oplossing. Tussen 500 en 1000 GJ/ha hangt de financiële haalbaarheid meer af van de omstandigheden; het type warmtebron, de afstand tussen de woningen en de warmtebron en de gewenste afgiftetemperatuur zijn allemaal factoren die invloed hebben. Voor gemeente Asten ligt een warmtenet in het grootste gedeelte van de gemeente niet voor de hand. Onder andere de buitengebieden en de dorpskern Ommel hebben een te lage concentratie van de warmtevraag voor een warmtenet.
In de dorpskern Asten wordt de 1000 GJ/ha op veel plaatsen wel gehaald, doordat de woningen hier dichter op elkaar staan en een hoge warmtevraag hebben. Een warmtenet zou hier technisch wellicht goed passen. Hierbij zijn nog vele andere variabelen van belang, zoals de warmtebron (voor één geothermie-bron zijn al snel 2000 aansluitingen nodig) en de ruimte in de bodem voor extra infrastructuur. Nader onderzoek moet uitwijzen of een warmtenet hier daadwerkelijk mogelijk is, en hoe veel van de omliggende ‘twijfelgebieden’ hierbij betrokken kunnen worden. Voor het dorp Heusden is de warmtevraagdichtheid aan de lage kant voor een warmtenet. Wel ligt vlak hiernaast (west- en zuidzijde) een gebied met glastuinbouw (kassen), waar ook veel warmte gevraagd wordt. Wanneer hiermee de combinatie gemaakt wordt, is een warmtenet ook voor het dorp Heusden wellicht interessant. In gemeente Someren (ten westen van Asten) wordt ook nagedacht over het aanleggen van een warmtenet als alternatief voor aardgas, in combinatie met de glastuinbouwsector. Doordat de bebouwing in Someren dicht tegen Asten aan ligt en het kassengebied en het bestaande warmtenet hier als het ware tussen ligt, is een koppeling tussen beide gemeentes interessant. Verder vervolgonderzoek moet uitwijzen wat de beste mogelijkheid is.
Transitievisie Warmte versie 0.5 19
Figuur 9: De verwachte toekomstige warmtedichtheid in gemeente Asten. De warmtedichtheid is gebaseerd op de warmtevraag die over blijft na besparingsmaatregelen zoals weergegeven in figuur 8.
Transitievisie Warmte versie 0.5 20
Warmtenetten Warmtenetten (of collectieve oplossingen) bestaan uit leidingen onder de grond, die warm water transporteren van een warmtebron naar de woningen. Warmtenetten bestaan in verschillende soorten, maten en temperaturen. Er zit verschil in de temperatuur van de bron, en de temperatuur van de warmte die in de woning wordt aangeleverd. Zo kan een warmtenet op een temperatuur aangelegd worden die direct in de woning gebruikt kan worden – dat is mogelijk bij een wat hogere temperatuur van de bron. Ook kan een lage brontemperatuur in de woning of per buurt met een warmtepomp verder worden verhoogd. Waarom een warmtenet? Een deel van de beschikbare warmtebronnen is alleen in te zetten als er een warmtenet wordt aangelegd om de warmte van de bron te transporteren. Overschakelen op een warmtenet vraagt bovendien vaak een minder grote ingreep in de woning, dan overschakelen op een warmtepomp. Soms is een warmtenet de goedkoopste oplossing, maar alleen als de concentratie van de warmtevraag groot genoeg is. Prijzen en regelgeving Landelijk wordt de regelgeving over warmtenetten aangepast. Er is een nieuwe warmtewet aangekondigd voor 2022. De verwachting is dat in ieder geval wordt vastgelegd dat als er een warmtenet in de wijk aanwezig is, bewoners het recht hebben op een aansluiting, maar niet de plicht om aan te sluiten.
Een bewoner houdt dus de vrijheid om zelf voor de woning een andere oplossing te kiezen, zoals een warmtepomp. De prijs van warmte uit een warmtenet wordt tot nog toe bepaald met het Niet Meer Dan Anders (NMDA)principe, waarbij de prijs gekoppeld is aan de prijs van aardgas. Ook dit staat momenteel ter discussie en gaat op termijn veranderen. In de nieuwe warmtewet zullen nieuwe afspraken worden gemaakt over de prijstelling. De gemeente houdt de landelijke ontwikkelingen en nieuwe wetgeving in de gaten.
Transitievisie Warmte versie 0.5 21
Warmtebronnen Hieronder beschrijven we welke warmtebronnen in de gemeente Asten beschikbaar zijn om in 2050 in de overgebleven warmtevraag te voorzien. We noemen eerst de warmtebronnen die individueel (per woning of appartementencomplex) in te zetten zijn, daarna de bronnen die geschikt zijn voor een warmtenet. Warmtebronnen die weinig kansrijk zijn in gemeente Asten, zijn toegelicht in bijlage 3. Ter vergelijking: de totale warmtevraag voor woningen en utiliteit die we verwachten in 2050 is ca. 340 TJ. Bronnen voor individuele oplossingen Luchtwarmtepompen Luchtwarmtepompen halen warmte uit de buitenlucht om de woning te verwarmen, en gebruiken hiervoor elektriciteit. Het is een individuele oplossing, die per woning of per appartementencomplex toegepast kan worden. De standaard luchtwarmtepomp geeft warmte op lage temperatuur. Een woning moet dan – net als voor andere lage temperatuuroplossingen – goed geïsoleerd zijn en er is een passend warmte-afgiftesysteem nodig, zoals vloerverwarming of lage temperatuur-radiatoren. Er zijn ook midden- en hoge temperatuur warmtepompen op de markt. Deze hebben wel een hoger elektriciteitsverbruik. Luchtwarmtepompen zijn op grote schaal inzetbaar in de gehele gemeente.
Bodemenergie, warmte-koudeopslag (WKO) en bodemwarmtewisselaars Omdat de bodem een vrij constante temperatuur heeft, kan in de zomer koude en in de winter warmte gewonnen worden uit de bodem. Er bestaan individuele en collectieve vormen van bodemenergie, in zowel open als gesloten systemen. Ze benutten de bovenste laag van de bodem, tussen de 20 en 300 m diep. Op deze diepte kan warmte op lage temperatuur gewonnen worden (< 20 °C). Om de bodem in balans te houden, dient het overschot aan warmte dat in de winter aan de bodem onttrokken wordt in de zomer weer toegevoegd te worden. Dit heet regeneratie van de bron. WKO is daarom in te zetten in combinatie met andere technieken, zoals zonnewarmte, extra koeling van gebouwen, drycoolers of thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). In een groot deel van Asten is de inzet van bodemenergie mogelijk. In de gebouwde omgeving van gemeente Asten zijn geen boringrestricties aangewezen voor het boren naar bodemwarmte.17 Wel is een deel van de dorpskern Asten archeologisch aandachtsgebied, wat mogelijk restricties oplevert.18 De bodem in gemeente Asten lijkt redelijk tot goed geschikt voor zowel open als gesloten WKO-systemen.19 De Provincie heeft een concept beleidskader opgesteld voor bodemsystemen in verband met de risico’s voor de grond- en drinkwatervoorziening.
Bronnen voor een warmtenet Aardwarmte (ondiep en diep) Aardwarmte of geothermie is het winnen van de warmte van de aarde, vanaf 500 m tot 2 km (ondiep, tot 50 °C) en van 1 tot 7 km diep (diep/ultradiep, tot > 100 °C). In gemeente Asten is een hoge kans op geschiktheid voor ondiepe geothermie.20 Nader onderzoek is nodig om te bepalen op welke plekken in gemeente Asten aardwarmte het best gewonnen kan worden en wat de potentie op die plekke is. Belangrijke kanttekening hierbij is dat vanuit provinciaal onderzoek is gebleken dat er kleine seismische risico’s gevonden zijn bij proefboringen. Nader onderzoek moet uitwijzen waar de breuklijnen precies lopen en wat dit voor invloed heeft op de inzet van geothermie in de provincie. Thermische energie uit oppervlaktewater Uit oppervlaktewater is warmte te winnen met een warmtewisselaar. Deze warmte kan in de bodem worden opgeslagen en in de winter worden gebruikt. Met een (vaak lage temperatuur) warmtenet komt de warmte bij de gebruikers. Aquathermie brengt zowel kansen als risico’s met zich mee voor de ecologische kwaliteit en ecologie van het oppervlaktewater. Waterbeheerders werken momenteel, mede op basis van 17 Bron: NP RES viewer. Er zijn wel boringsrestricties voor het natuurgebied De Groote Peel, maar hier staan geen woningen.
18 Bron: Warmtebronnenregister Noord-Brabant, November 2020 19 Bron: Warmteatlas, December 2020 20 Bron: Onderzoek TNO/WARM, 2020
Transitievisie Warmte versie 0.5 22
landelijk onderzoek, kaders uit waarbinnen aquathermie kan worden toegepast. In Asten is mogelijk warmte te winnen uit de Aa. De geschatte potentie hiervoor is ca. 400 TJ/jaar.21 Restwarmte uit rioolwaterzuiveringsinstallaties en rioolgemalen (riothermie) Uit gemalen en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) kan warmte gewonnen worden, doordat het afvalwater redelijk veel warmte bevat. Uit onderzoek van het Waterschap blijkt dat riothermie met ongezuiverd afvalwater (influent) een nadelige werking heeft op het zuiveringsrendement, waardoor riothermie op het influent niet realistisch is, zeker niet in de winter, en ook niet bij de gemalen. Warmte uit gezuiverd afvalwater (effluent) is wel mogelijk. Dit heeft een geschatte potentie van 47 TJ/jaar22. Ook kan het slib vanuit de RWZI vergist worden tot biogas. Vanuit de RWZI in Asten wordt het slib verzameld en in Den Bosch vergist23. Hiervan is dus geen lokale potentie te verwachten. Wel kan er warmte uit het effluent gehaald worden. Zonnewarmte Warmte uit zonnecollectoren kan in zowel grootschalige als kleinschalige oplossingen ingezet worden. Er bestaan gecombineerde panelen die zowel elektriciteit als warmte leveren, die worden PVT-panelen genoemd (photovoltaïsch-thermisch). Bij toepassing op daken worden de zonthermische panelen gecombineerd met een warmtepomp in de woning.
Bij een veldopstelling wordt de warmte via een warmtenet verspreid. Het maximaal potentieel voor zonnewarmte is ongeveer 10 TJ per hectare in een veldopstelling en ongeveer 2 GJ per vierkante meter in een dak opstelling.24 De techniek is nog niet op grote schaal ingezet voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, maar gezien het grote potentieel interessant om te onderzoeken, de gemeente Someren doet dit momenteel en wij houden dit in de gaten. Het maximaal potentieel voor zonnewarmte in Asten is circa 300 TJ/jaar, waarvan 58 TJ/jaar uit veldopstelling en 246 TJ/jaar van de beschikbare daken. Bij deze berekening is aangenomen dat alle daken die daarvoor geschikt zijn, gebruikt worden voor zonnewarmte, en dus niet voor zonne-elektriciteit. Biomassa (houtachtig) Biomassa is de verzamelnaam voor diverse soorten organische materiaal, zoals voedselresten, snoeihout, meststromen en productiebossen. Er zijn vele vormen van biomassa, maar de inzet van biomassa voor het verwarmen van woningen zal naar verwachting gering blijven. Dit heeft te maken met de beperkte beschikbaarheid van duurzaam beschikbare biomassa én de andere toepassingsmogelijkheden die biomassa heeft. Biomassa kan meegestookt worden in grote energiecentrales en op kleinere schaal ingezet worden met pelletkachels.
De potentie voor de productie van warmte uit resthout op het grondgebied van Asten is geschat op 9 TJ per jaar25. Momenteel wordt biomassa al kleinschalig ingezet in Heusden. Daarnaast is het mogelijk biomassa te importeren. Er is discussie over duurzaamheidsaspecten van biomassa. Droge biomassa wordt meestal gezien als een transitiebrandstof: op het moment wordt het veel ingezet in biomassacentrales of als bijstook. In 2050 zal vaste biomassa naar verwachting aftrek vinden in andere sectoren en onderdeel zijn van de biobased economy. Inzet van biomassa voor de verwarming van woningen is dan waarschijnlijk niet meer aan de orde. Restwarmte bedrijven Bij industriële processen blijft soms warmte over, die niet binnen het bedrijf gebruikt kan worden. Afhankelijk van het type bedrijf is dit lage, middelhoge of hoge temperatuur warmte, die door middel van een warmtenet ingezet kan worden voor verwarming. In gemeente Asten zijn geen bedrijven aanwezig met hogere temperatuur restwarmte. Wel is er mogelijk ca. 30 TJ condens warmte beschikbaar bij Vriescentrale Asten26. Deze kan lokaal worden ingezet (bedrijventerrein Asten ’t Hoogvelt).
De Provincie onderzoekt de daadwerkelijk beschikbare restwarmte 21 Bron: Stowa viewer aquathermie oppervlaktewater 22 Bron: Stowa viewer aquathermie thermische energie uit afvalwater 23 Bron: Waterschap Aa en Maas, persoonlijke communicatie, december ‘20 24 Bron: Berenschot position paper: Kansen voor zonnewarmte in het hart van de energietransitie, 2018 25 Bron: Warmteatlas 26 Bron: Greenvis onderzoek restwarmte en condenswarmte MRE
Transitievisie Warmte versie 0.5 23
van bedrijven. In het dorp Asten zijn verder nog enkele supermarkten en een bakkerij aanwezig. De potentie daarvan is te laag om een significante rol te spelen. Duurzaam gas Biogas Biogas wordt geproduceerd door organisch materiaal te vergisten. Verschillende vormen van biomassa kunnen als grondstof dienen voor het produceren van biogas, waaronder vloeibare mest, GFT-afval en de bio restfractie van akkerbouw en grasland. De beschikbaarheid van deze reststromen op het grondgebied van gemeente Asten is genoeg voor circa 450 TJ per jaar.27 De potentie in gemeente Asten is relatief hoog, vanwege de grote reststromen van de akkerbouw en de gras- en groenvoedergewassen reststromen. Nader onderzoek naar de potentie van biogas wordt ten tijde van schrijven nog uitgevoerd. Biogas kan ook geïmporteerd worden uit andere gebieden, maar binnen Nederland is de beschikbaarheid zeer beperkt.
Inzet waterstof, groen gas en biomassa Over de inzet van waterstof, groen gas en biomassa is veel te doen. Het lijken eenvoudige oplossingen, waarbij weinig aanpassingen in de woning en aan de leidingen nodig zijn. Helaas kleven er nadelen en beperkingen aan het gebruik ervan. Zo is er veel elektriciteit nodig om waterstof te produceren. Deze elektriciteit wordt nu voornamelijk uit fossiele energiebronnen zoals kolen en aardgas gemaakt. Groene waterstof is vooralsnog duur en schaars, en de verwachting is dat dit voorlopig zo zal blijven. Ook groen gas en biomassa zijn niet ruim voorhanden. Waterstof, groen gas en biomassa zijn bij uitstek geschikt om hoge temperaturen te leveren. Het is dan ook het meest logisch om ze in te zetten waar ook echt een hogere temperatuur nodig is. Voor verschillende sectoren is dit essentieel, bijvoorbeeld proceswarmte voor de industrie en het verduurzamen van de vliegtuigsector. Het ligt minder voor de hand om woningen massaal met deze energiedragers, die hoge temperaturen kunnen opwekken, te verwarmen. Ook kan waterstof een belangrijke rol spelen in het balanceren van het elektriciteitsnet, wanneer hier meer zon- en windenergie op aangesloten wordt.
Dit balanceren zal zeker in de winter nodig zijn als meer en meer warmte met behulp van elektriciteit wordt opgewekt als bijna geen zon- en (mogelijk) ook windenergie beschikbaar is als sprake is van de zogenaamde dunkelflaute (met ‘dunkelflaute’ wordt in de energiesector een periode aangeduid waarin weinig tot geen energie kan worden opgewekt door middel van wind en zonlicht, wegens gelijktijdig optredende duisternis en windstilte). Anderzijds vindt bij de omzetting van elektriciteit in gas (ook visa versa) en bij het transport van elektriciteit aanzienlijk verlies van energie plaats. Het elektriciteitsnetwerk moet worden aangelegd op de piekbelasting. Aangenomen wordt dat het voor een uitgebalanceerde en betaalbare energie infrastructuur toch wenselijk is om een deel van de woningen rechtstreeks te verwarmen met groen gas en/of waterstof. Het Rijk houdt ook rekening met deze scenario’s en heeft deze opgenomen in haar rekentool.
27 Bron: Warmteatlas
Transitievisie Warmte versie 0.5 24
4. Kansrijke warmtevoorziening per buurt in 2050 We hebben de warmtevraag en de warmtebronnen in kaart gebracht. In dit hoofdstuk brengen we alle informatie samen en maken we een start met het voorlopig matchen van de warmtebronnen en de warmtevraag. Welke bronnen zijn het best in te zetten op welke plek? We kijken als het ware door de oogharen naar een mogelijk eindplaatje voor 2050. Niet om dit eindplaatje nu vast te leggen, maar om zeker te stellen dat sprake is van een afgestemd totaalbeeld voor de gemeente Asten. Zo zorgen we dat schaarse warmtebronnen daar ingezet worden, waar ze het beste passen. Het eindbeeld ligt nog niet vast. Voor elke buurt zijn er meerdere scenario’s. Voor de verkenningsbuurten is het zinvol om aanvullende informatie te verzamelen en daarna wellicht van de diverse opties uit te werken en met elkaar te vergelijken. Ook het eindbeeld zal (net als de Transitievisie Warmte) elke vijf jaar worden herzien. Naast opgedane ervaringen worden op die manier nieuwe inzichten verwerkt, bijvoorbeeld resultaten van lokale onderzoeken naar warmtebronnen, of de ontwikkelingen rond waterstof. Woonwijken-buurten Welke warmtevoorziening het meest geschikt is, is te zien in figuur 10 (blz. 27).
Op de kaart zien we de volgende zones: Individuele oplossingen In gebieden met een lagere bebouwingsdichtheid, waar bijvoorbeeld veel vrijstaande huizen of tweeonder-één-kap woningen staan, zijn oplossingen per woning het meest aantrekkelijk. Een warmtenet is hier al snel te kostbaar om aan te leggen, omdat de huizen ver uit elkaar liggen. Als de woningen redelijk geïsoleerd zijn of in de toekomst kunnen worden (de groene en oranje gebieden in figuur 8 – hoofdstuk 3), zijn bijvoorbeeld een luchtwarmtepomp of een bodemwarmtepomp geschikt. Ook klein-collectieve oplossingen zijn hier een optie, zoals een gezamenlijke bodemwarmtepomp voor 3 tot 7 woningen (via een mini-warmtenet). Deze opties lijken voor de hand te liggen Nobis, delen van Heusden, en de buitengebieden. Kansrijk voor warmtenet In de oranje gebieden is een warmtenet een serieuze optie. De concentratie van de warmtevraag is hier hoog genoeg om dit vanuit technisch oogpunt rendabel te maken. Hierbij zijn nog veel onzekerheden, die verder onderzocht moeten worden, zoals de geschikte warmtebronnen en de mogelijke samenwerkingen met gemeente Someren en de glastuinbouw.
Welk isolatieniveau past in de praktijk bij de temperatuur van het warmtenet? Met andere woorden: is de nu algemeen noodzakelijk geachte isolatiegraad in de praktijk ook nodig28? Ook betekent de keuze voor een warmtenet in een buurt niet dat alle woningen daar verplicht op worden aangesloten. Voor eigenaren van een goed geïsoleerde woning kan het bijvoorbeeld aantrekkelijker zijn een warmtepomp te nemen. Buurten waar een warmtenet aantrekkelijk lijkt zijn: centrum Asten, delen van centrum zuid/west van Asten, Sterrenbuurt.
Warmtenetten in Someren Ook in gemeente Someren wordt hard aan de warmtetransitie gewerkt. Een recente modelstudie met de Greenvis Warmtetool wijst uit dat er verschillende mogelijkheden zijn voor een warmtenet gedeeld met gemeente Someren en de glastuinbouwsector. Dit zou kunnen aan de hand van ondiepe geothermie, aquathermie (de Aa) of restwarmte van bedrijven. Ook het huidige warmtenet van de glastuinbouw zou hiermee geïntegreerd kunnen worden. Voor al deze mogelijkheden is meer onderzoek en samenwerking tussen de verschillende partijen nodig.
Individueel of met warmtenet In de gebieden die oranje-blauw/grijs gearceerd zijn, is nog onzeker wat de meest rendabele oplossing is: individueel of met een warmtenet. In deze gebieden moet in meer detail onderzoek gedaan worden naar de besparingsmogelijkheden, de beschikbaarheid van nabije warmtebronnen én de kosten van het
28 Input lokale expert.
Transitievisie Warmte versie 0.5 25
exploiteren van de warmtebronnen. Wanneer in aangrenzende gebieden een warmtenet gerealiseerd wordt, kan dit een koppelkans zijn om een onzeker gebied ook op dit warmtenet aan te sluiten. Dit geldt voor de buurten: Heusden centrum, Asten centrum zuid, Bloemenbuurt, Kruidenbuurt, de Bergen, Hemelberg, Hulterman, Appelbuurt, Vlinderbuurt, Ostade en delen van Loverbosch en de Paddenstoelenbuurt. Individueel of groen gas In een aantal buurten is de bebouwingsdichtheid laag, waardoor een warmtenet weinig kansrijk is. Tegelijkertijd staan er veel oudere woningen en monumenten, die ook in de toekomst waarschijnlijk een hogere temperatuur warmteafgifte nodig hebben (de rode gebieden in figuur 8). Dat maakt toepassing van warmtepompen lastig, omdat de woningen dan eerst voldoende geïsoleerd moeten worden. Voor vrijstaande woningen is dat kostbaar, er zijn immers aan vier kanten muren te isoleren. Anderzijds is de energierekening nu vaak hoog, waardoor maatregelen zich terugverdienen. In de buurtaanpak bekijken we of in deze buurten wordt ingezet op vergaande isolatie en warmtepompen, of dat er wellicht aan groen gas (waterstof of biogas) gedacht moet worden of een combinatie (hybride) hiervan. Mogelijk zijn er ook oude boerderijen in het buitengebied waarvoor groen gas een optie is. Deze zijn (nog) niet als cluster op de kaart weergegeven.