GR24.06.04U Ruimtelijke onderbouwing + onderzoeken Jan van Havenstraat 42
Tekst van het document
De beoogde nieuwbouw binnen de planlocatie heeft geen negatief effect op de waarden van dit pand. De woning gelegen aan de Jan van Havenstraat 38 is in het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Asten aangeduid als ‘cultuurhistorisch waardevol pand’. De ligging van de beoogde nieuwbouw is zodanig dat het beeld vanuit de straat op dit cultuurhistorisch waardevolle pand niet wijzigt als gevolg van de beoogde nieuwbouw binnen de planlocatie. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt en gaan ook geen landschapselementen verloren. De beoogde ontwikkeling heeft geen (substantieel) negatief effect op naastgelegen boerderij met cultuurhistorische waarden. Ook doet de realisatie van het extra bedrijfsgebouw geen afbreuk aan de waarden van de historische geografische Jan van Havenstraat.
5.4 Archeologie Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden.
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
De gemeente Asten heeft in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening een eigen archeologiebeleid ontwikkeld. Middels dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ is dit beleid vastgelegd in de vigerende bestemmingsplannen. Ter plaatse van de planlocatie geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij bodemverstoringen over een oppervlakte van meer dan 250 m² en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt een bedrijfsgebouw toegevoegd met een oppervlakte van circa 460 m². Voor de nieuwbouw wordt enkel ter plaatse van een aantal betonnen poeren de bodem tot dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld worden geroerd. Daarmee wordt de ondergrens van archeologisch onderzoek van 250 m² niet overschreden. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin blijft de dubbelbestemming voor archeologische waarden behouden, waarmee ook in de toekomst deze verplichting overeind blijft. Met de uiteindelijke bouwaanvraag zal nader worden ingegaan op de bodemroering ter plaatse. Daarbij zal worden getoetst aan de genoemde ondergrens voor archeologisch onderzoek.
5.5 Flora en fauna 5.5.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
5.5.2
Gebiedsbescherming
De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het dichtst bij de planlocatie gelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘Strabrechtse Heide & Beuven’, op circa 6,7 kilometer ten westen van de planlocatie. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden.
Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling worden berekend. Voor onderhavige ontwikkeling is derhalve een stikstofberekening uitgevoerd met AERIUS Calculator 2023.1.2. Voor wat betreft de gebruiksfase zal geen sprake zijn van een toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De bedrijfsvoering wordt namelijk niet uitgebreid, waarmee ook het aantal vervoersbewegingen gelijk zal blijven. Voor de uitvoerfase is een reële inschatting gemaakt voor wat betreft mobiele werktuigen en vervoersbewegingen tijdens de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw. Initiatiefnemer zal zelf veel werkzaamheden verrichten tijdens de bouw. Daarbij wordt gedurende een aantal dagen gebruik gemaakt van machines zoals een mobiele kraan, verreiker en een betonpomp. Voor het overige zal een aantal werkbusjes af- en aanrijden voor specifieke werkzaamheden en wordt materiaal aangeleverd.
Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de realisatie van het plan niet leidt tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. De export van de Aerius-berekening is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
5.5.3
Soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt en gaan geen landschapselementen verloren. Een nieuw bedrijfsgebouw wordt gebouwd ter plaatse van deels erfverharding en deels grasland waar in de huidige situatie regelmatig wordt gemaaid.
Aangenomen kan worden dat alleen enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor zullen komen binnen de planlocatie. Gedurende de werkzaamheden moet niettemin altijd rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Werkzaamheden dienen dan ook plaats te vinden buiten het broedseizoen. Bij de groenvoorzieningen in de beoogde situatie wordt bij voorkeur inheems groen aangeplant.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
5.6 Geluid 5.6.1
Wegverkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder dient bij de realisatie van geluidgevoelige objecten (zoals woningen) langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten beoogd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde.
5.6.2
Industrielawaai
Ter plaatse van de planlocatie is reeds sprake van een mechanisatiebedrijf welke planologisch is verankerd met de bedrijfsbestemming. Binnen deze bedrijfsbestemming wordt een extra bedrijfsgebouw beoogd, waarmee alle huidige bedrijfsactiviteiten inpandig kunnen plaatsvinden. De bedrijfsbestemming wordt niet vergroot en ook de bedrijfsactiviteiten worden niet uitgebreid. Geen sprake zal zijn van extra industrielawaai ten opzichte van de huidige situatie richting de omgeving. Ten tijde van de herbestemming van vab-locatie naar bedrijfsbestemming is reeds akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is gerekend met vervoersbewegingen binnen de planlocatie, en de daadwerkelijke werkzaamheden binnen de nu aanwezige bedrijfsbebouwing. Dit zal als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet wijzigen, anders dan dat er een bedrijfsgebouw bij komt. Dit bedrijfsgebouw wordt dichter tot aangrenzende burgerwoning gesitueerd, echter wel nog steeds binnen de vigerende bedrijfsbestemming. De geluidbelasting op deze woning neemt als gevolg hiervan niet toe, doordat geluid afkomstig van vervoersbewegingen (meeste belasting) juist verder weg komen en er juist een buffer wordt gecreëerd door het nieuwe pand op zichzelf. In dit pand zullen nauwelijks werkzaamheden plaatsvinden, daar deze voornamelijk is bedoeld voor opslag van materieel.
Een aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.7 Agrarische bedrijvigheid De beoogde ontwikkeling heeft geen geuruitstoot tot gevolg. Ontwikkeling van de planlocatie heeft dan ook geen nadelige effecten op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt ook geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd. Ontwikkeling van de planlocatie belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving daarmee dan ook niet meer dan in de huidige situatie. Het aspect geur is in het kader van de beoogde ontwikkeling dan ook geen bezwaar.
5.8 Veehouderij en gezondheid 5.8.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op de realisatie van een gevoelig object. Het aspect endotoxinen is dan ook geen bezwaar.
5.8.2
Geitenhouderijen
Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer is er sprake van een vergroot risico. De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op de realisatie van een gevoelig object. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering.
5.8.3
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op de realisatie van een gevoelig object. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering
5.9 Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Gezien de functiemenging in de omgeving, kan worden gesteld dat de planlocatie gelegen is binnen een ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in een ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. Andersom dient ten opzichte van de omliggende woonbestemmingen rekening te worden gehouden met de richtafstanden vanaf het bedrijf binnen de planlocatie. Het mechanisatiebedrijf in landbouwmachines van initiatiefnemer valt volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ binnen de milieucategorie 3. In een gemengd gebied dient hiertoe een afstand aangehouden te worden van ten minste 30 meter tot een gevoelig object. Echter, het mechanisatiebedrijf stoot geen geur en stof uit en ook het aspect gevaar vormt geen belemmering. Het aspect geluid betreft de maatgevende factor voor de beoogde bedrijfsactiviteiten.
Ten behoeve van de toentertijd nieuwe bedrijfsvoering is in 2015 een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, waarmee aangetoond is dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Er werd ruim voldaan aan de voorwaarden uit de Wet geluidhinder. Daarnaast kan worden gesteld dat, nu de omvang van het mechanisatiebedrijf niet zo groot is als een gemiddeld mechanisatiebedrijf als bedoeld in de VNG-brochure, voornamelijk doordat de bedrijfsactiviteiten veelal elders plaatsvinden, een kleinere afstand dan 30 meter tot een gevoelige functie, gezien kan worden als ruimtelijk aanvaardbaar. Het mechanisatiebedrijf kan derhalve gelijk worden gesteld met een categorie 2-bedrijf. Gemeente Asten heeft zich hiermee geconformeerd. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 10 meter tot een gevoelige functie. Hieraan wordt ruim voldaan. Bovendien wordt als gevolg van de beoogde herontwikkeling de bedrijfsbestemming niet vergroot. Met de nu beoogde uitbreiding van bedrijfsbebouwing zal de bedrijfsvoering ook niet toenemen en daarmee ook het aantal vervoersbewegingen evenmin. Alle bedrijfsactiviteiten kunnen als gevolg van deze uitbreiding juist inpandig plaatsvinden. De geluidemissie afkomstig van het bedrijf ter plaatse zal niet toenemen.
Gesteld kan worden dat het aspect Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde uitbreiding van bedrijfsbebouwing ter plaatse van de planlocatie.
5.10 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. Andersom worden binnen de bedrijfsbebouwing geen activiteiten beoogd welke leiden tot bezwaren omtrent veiligheid. De beoogde ontwikkeling is in het kader van externe veiligheid geen bezwaar. De Veiligheidsregio heeft in het kader van de beoogde uitbreiding te kennen gegeven geen directe risico’s te zien. Wel wordt geadviseerd een nieuwe geboorde put te realiseren voor extra bluswatervoorziening. De ontwikkeling valt namelijk onder ‘bluswaterscenario 30’, wat betekent: 60 m³/uur bluswater aanwezig binnen 3 minuten na aankomst van het eerste blusvoertuig (A-water) en daarbovenop nog eens 90 m³/uur bluswater aanwezig na 15 minuten (B-water). Het A-water wordt geleverd door de reeds aanwezige brandkraan. Het B-water ontbreekt vooralsnog. Dit dient een particuliere bluswatervoorziening te worden op eigen terrein, waartoe een nieuwe geboorde put wordt geadviseerd. De bereikbaarheid voldoet, zo stelt de Veiligheidsregio.
5.11 Luchtkwaliteit Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De beoogde ontwikkeling heeft geen toename van uitstoot van schadelijke stoffen tot gevolg. Andersom wordt er ook geen nieuw gevoelig object gerealiseerd waarvoor getoetst dient te worden aan de luchtkwaliteit. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar.
5.12 Besluit m.e.r. Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
hebben voor het milieu. De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie komt ook niet voor op de Clijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Jan van Havenstraat 42 Ommel’ - gemeente Asten
6.
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd
6.2 Omgevingsdialoog Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door initiatiefnemer in juni/juli 2023 en november/december 2023 een omgevingsdialoog gevoerd. De beoogde herontwikkeling is positief ontvangen in de directe omgeving. De gevoerde dialoog heeft dan ook niet geleid tot aanpassingen van de plannen. Een verslag van de dialoog is overlegd aan de gemeente Asten.
Crijns Rentmeesters bv
38
JAN VAN HAVENSTRAAT 42 OMMEL - Landschappelijke inpassing Legenda !
!
!
!
!
!
Planlocatie
Bestaande, te handhaven landschapselementen zw zw zw zw zw zw zw zw zw zw zw zw zw z Knip- en scheerhaag w hoogte: 1 - 1,5m
zwzwzwzwzw zwzwzwzwzw z w z w z w zwzwzwzwzw ¹ ¹B ¹B ¹B ¹B zwzwzwzwzw ¹B z w ¹B z w ¹B z w ¹B z w B ¹ z w B ¹ z w B z ¹ ¹B ¹B ¹B zwzwzwzww ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B zwzwzwzwzw ¹B z w ¹B z B w ¹ z w B ¹ z ¹B ¹B zzww ¹B ¹B ¹B zwzwzwzww ¹B ¹B ¹B ¹B z wzwzwzw ¹B z B w ¹ z B w ¹ z B w ¹ z ¹B ¹B ¹B ¹B zwzwzwzww ¹B ¹B ¹B ¹B zwzwzwzwzw ¹B z ¹B w B z ¹ w z B ¹ w zwzwzw B¹B¹B B¹B¹B¹B¹ zzwzwzwzw
hoogte: 1m
w z ¹z w B
! `
¹ B ¹ B
hoogte: 1,5 - 2m
Landschapsboom solitair
Nieuw toe te voegen landschappelijke inpassing
¹ B ¹ ¹B
Bosplantsoen
g»g»
¹ B
B¹B¹B¹B¹ B¹ B¹B¹B¹B¹
¹ ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B B ¹ B ¹ ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B B ¹ B ¹ B¹B¹B
¹ ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B B¹B¹B¹B¹B B¹B¹B¹B¹
B¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹
` ! `! ! ` ` ! `! ! `
w
! `
¹ ¹B ¹¹B¹B ¹B ¹B ¹B¹B¹BB B ¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B
hoogte: 2,5 - 3m
¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹B¹B¹B ¹¹B¹B ¹B¹B¹BB
¹ B
z w
Sortiment: Zomereik (13 stuks), Ruwe berk (6 stuks) Plantmaat 14-16 Plantafstand: 1,5 m. x 1,5 m. Onderbegroeiing: Hazelaar, meidoorn, kardinaalsmuts, vuilboom Bedekking: 90%
! `
Zuilboom
¹ B
Solitaire landschapsboom
Sortiment: Veldesdoorn, Zomereik en/of beuk Plantmaat 16-18 Aantal: 8 Sortiment: Esdoorn Plantmaat 16-18 Aantal: 5
¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹ Knip- en scheerhaag B
Sortiment: Beuk (Fagus sylvatica) Plantmaat: 4 stuks per strekkende meter Plantmaat: 60-80
g»B g»g»B g»B »g »» »g g ¹ ¹ ¹g»B gB ¹B g»B ¹ ¹g»B ¹B ¹ g»B ¹ »g g»B ¹B »g »¹ ¹B g ¹ ¹g»B ¹g»B »g g » ¹ ¹gB ¹ »B B ¹B » » » g gg
0
500 m²
10
20
Behorende bij
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
Schaal Formaat
40 Meters
Ü
: Ruimtelijke onderbouwing 'Jan van Havenstraat 42 Ommel' : 1:1.000 : A4
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Crijns Rentmeesters bv Jan van Havenstraat 42, 5724AV Ommel Jan van Havenstraat 42 Ommel Realisatie bedrijfsgebouw binnen bedrijfsbestemming
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
S4beyyrGk18m 12 maart 2024, 16:47 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Uitvoerfase - Beoogd Uitvoerfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
S4beyyrGk18m (12 maart 2024)
2024 -
12,8 g/j
12,2 kg/j
2/7
Projectberekening
Uitvoerfase (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 2 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Werkplaats Verkeersnetwerk
S4beyyrGk18m (12 maart 2024)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
5,6 g/j 7,2 g/j
11,8 kg/j 0,4 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S4beyyrGk18m (12 maart 2024)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Uitvoerfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
S4beyyrGk18m (12 maart 2024)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Uitvoerfase, Rekenjaar 2024 1
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Werkverkeer X:180153,96 Y:381380,6 1.292,44 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 2
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ 0,4 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,1 kg/j Hoogte - - NH₃ 7,2 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
In file
36,0 /jaar 0,0 /jaar 70,0 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte
Werkplaats X:180583,74 Y:381268,94 0,38 ha
NOₓ NH₃
Naam
Stageklasse
Brandstofverbruik
Draaiuren AdBlue verbruik
Mobiele kraan
Stage-IIIA, 2006-2010, 75-560 kW, diesel, 416 l/j SCR: nee
Verreiker
Stage-IIIA, 2006-2010, 75-560 kW, diesel, 104 l/j SCR: nee
56 u/j
Hoogwerker Stage-IIIA, 2006-2010, 75-560 kW, diesel, 104 l/j SCR: nee
48 u/j
Betonpomp Stage-IIIA, 2006-2010, 75-560 kW, diesel, 120 l/j SCR: nee
4 u/j
24 u/j
11,8 kg/j 5,6 g/j Stof Emissie
NOₓ
6,4 kg/j NH₃ 3,1 g/j NOₓ 1,8 kg/j NH₃ 0,0 kg/j NOₓ 1,8 kg/j NH₃ 0,0 kg/j NOₓ 1,8 kg/j NH₃ 0,0 kg/j
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
S4beyyrGk18m (12 maart 2024)
6/7
Projectberekening
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.1.2_20240307_d2f5f75faf Database versie 2023.1.2_d2f5f75faf_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
S4beyyrGk18m (12 maart 2024)
7/7