GR24.06.04P Ruimtelijke onderbouwing + onderzoeken – Antoniusstraat ongenummerd (naast 26)
Tekst van het document
Voor de gebruiksfase is gerekend met 8 vervoersbewegingen van licht verkeer per etmaal over de doorgaande weg. Daar gasloos wordt gebouwd, is voor de bewoning op zichzelf geen sprake van stikstofuitstoot. Voor de uitvoerfase is gerekend met gemiddelden voor wat betreft mobiele werktuigen en voor vervoersbewegingen voor de bouw is geregend met 50 werkbare weken (6 ritten van licht verkeer per etmaal, 25 ritten middelzwaar vrachtverkeer per jaar en 10 ritten zwaar vrachtverkeer per jaar). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de realisatie van het plan niet leidt tot een toename van stikstof van meer dan 0,0 mol/ha/jaar. De export van de Aeriusberekeningen is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
5.5.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora- en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt. Een woning wordt toegevoegd ter plaatse van grasland.
Verwacht wordt dat enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen de planlocatie. Ter plaatse is verder geen sprake van opgaande beplanting waarin diersoorten genesteld kunnen zijn. Ten zuiden van de planlocatie is sprake van een bomenrij, alwaar mogelijk vogelnesten kunnen zitten of welke kan dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Deze bomenrij blijft als gevolg van de beoogde herontwikkeling behouden. Ten
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
noorden en oosten van de planlocatie wordt zelfs nieuwe beplanting aangeplant, wat enkel ten goede kan komen van eventuele flora- en faunasoorten. Gedurende de werkzaamheden moet niettemin altijd rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Werkzaamheden dienen dan ook plaats te vinden buiten het broedseizoen.
5.6
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De planlocatie is gelegen binnen een 30 kilometerzone. De locatie is ook niet gelegen binnen het invloedsgebied van 50- of 60 km/h zones. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de geluidkaart van Nederland, ter plaatse van de planlocatie. De planlocatie is hierbij weergegeven in de zwarte contour.
Figuur 17: Geluid van wegverkeer in Nederland (Lden) (Bron: Atlas Leefomgeving)
De geluidbelasting op deze kaart wordt uitgedrukt in Lden (Lday-evening-night), de maat voor de gemiddelde geluidbelasting over een etmaal. Deze kaart geeft een ruwe indicatie van de geluidkwaliteit en daarmee een goed beeld van de geluidkwaliteit van aandachtsgebieden zoals woonkernen, natuur- en stiltegebieden. Ter plaatse is sprake van een geluidniveau van <45 dB, waarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid. Gesteld kan dan ook worden dat het aspect wegverkeerslawaai geen bezwaar is voor de beoogde herontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
5.7
Agrarische bedrijvigheid
5.7.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 5 juli 2016 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, inclusief de daarbij behorende onderbouwing de Geurgebiedsvisie. Met deze geurverordening zijn strengere geurnormen voor de intensieve veehouderij en grotere afstanden voor de melkveehouderij en nertsenfokkerij vastgelegd.
Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Asten tevens de Wijziging ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2016’ vastgesteld, waarin tevens vaste afstanden voor melkkoeien en vrouwelijk jongvee is opgenomen, gebaseerd op de normen voor de intensieve veehouderij. In afwijking van artikel 3, lid 1 Wgv bedraagt binnen de gemeente Asten de maximale waarde voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in: - Woonkernen Asten en Ommel 1,0 odour units; - Buitengebied 10,0 odour units; - Woonkern Heusden 0,5 odour units; - Buitengebied rondom woonkern Heusden 5,0 odour units. Voor dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, gelden binnen de gemeente Asten andere minimaal aan te houden afstanden, gebaseerd op dieraantallen. De planlocatie is op grond van de geurnormenkaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening gelegen binnen de kern Heusden.
5.7.2 Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van de planlocatie was in het verleden sprake van een aantal veehouderijbedrijven. Op navolgende figuur is de ligging van omliggende bedrijven weergegeven. De planlocatie is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
Antoniusstraat 42
Antoniusstraat 45 Antoniusstraat 47
Figuur 18: Veehouderijbedrijvenkaart ter plaatse van planlocatie en omgeving
De bedrijven aan Antoniusstraat 45 en 47 zijn in 2022 gestaakt. De vergunningen lijken nog in werking, maar met vaststelling van het bestemmingsplan ‘Heusden Antoniusstraat 2018’ zijn deze veehouderijen reeds herbestemd, waarbij zeker is gesteld dat ter plaatse geen dieren meer gehouden kunnen worden. Aan Antoniusstraat 42 is een vergunning vigerend voor het houden van 41 volwassen paarden.
5.7.3 Woon- en leefklimaat Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van díe veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen; de dominante veehouderij. Daar in de omgeving geen veehouderijen zijn gelegen waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, kan worden gesteld dat ter plaatse van de initiatieflocatie altijd de achtergrondbelasting bepalend zal zijn voor de hinder. De voorgrondbelasting is verwaarloosbaar. Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting wordt berekend met het programma V-Stacks Gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting dienen de veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom de onderzoekslocatie beoordeeld te worden. Hiertoe zijn voor onderhavige ontwikkeling alle bedrijven in de gemeente Asten ingevoerd.
De invoergegevens van deze bedrijven voor het programma VStacks Gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
provincie Noord-Brabant (uitvoer 10 januari 2022). De veehouderijen aan Antoniusstraat 45 en 47 zijn middels het bestemmingsplan ‘Heusden Antoniusstraat 2018’ herbestemd, waarmee het houden van dieren is uitgesloten. Derhalve zijn de emissies van deze twee bedrijven in onderhavige berekening, vooruitlopend op de definitieve intrekking van de vergunningen, op 0 gezet. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van de gehele initiatieflocatie. Navolgend zijn de invoergegevens en is de berekening weergegeven. Berekende ruwheid: 0,29 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 179 899 m Rasterpunt linksonder y: 375 870 m Gebied lengte (x): 2000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 2000 m , Aantal gridpunten: 50 Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurbelasting [OU/m3] 1001 180917 376911 11,09 1002 180899 376870 11,58 1003 180977 376877 11,96 1004 180960 376847 12,29 Tabel 1: Achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een achtergrondbelasting van maximaal 12,29 oue/m³. Conform de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’ is hiermee sprake van een ‘redelijk goed woon- en leefklimaat’. Gesteld kan dan ook worden dat in het kader van het aspect ‘geur’ sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.7.4 Belangenafweging Als gevolg van de toevoeging van een geurgevoelig object mogen veehouderijbedrijven niet worden belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. De beoogde woning wordt gesitueerd tussen reeds bestaande reguliere burgerwoningen. Tussen omliggende veehouderijbedrijven en de planlocatie zijn reeds meerdere geurgevoelige objecten gelegen. Deze veehouderijen worden dan ook als gevolg van de beoogde herontwikkeling niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.7.5 Conclusie geur Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van de initiatieflocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook worden als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen omliggende veehouderijen onevenredig in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect geur geen bezwaar.
5.8
Veehouderij en gezondheid
5.8.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De meest van belang zijnde veehouderij is gesitueerd aan Bosweg 3 (varkens).
Bosweg 3 heeft een vergunde fijnstofemissie van 146 kg., waarbij conform de advieswaarden een endotoxinecontour geldt van 68 meter. Met een werkelijke afstand van circa 350 meter wordt hieraan ruim voldaan. De planlocatie is dan ook niet gelegen binnen een endotoxinecontour van een veehouderij. De beoogde herontwikkeling is in het kader van endotoxinen dan ook geen bezwaar.
5.8.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer is er sprake van een vergroot risico. De planlocatie is gelegen op circa 1,3 kilometer van de geitenhouderij Polderweg 53. De gemeente is bevoegd om gemotiveerd af te wijken van de aan te houden afstand van 2 kilometer.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
Uit het VGO-rapport naar voren dat het niet mogelijk is om een veilige afstand aan te geven. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed: - landgebruik (akkers, weilanden, bebouwing, bos) - het type veehouderij (koe, varken, geit, pluimvee) - de soort uitstoot (fijnstof, endotoxinen, bacteriën) - het aantal dieren in een stal. Tevens speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie, bezien vanuit de geitenhouderij aan Polderweg 53. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is eveneens een belangrijke factor voor de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond, waardoor een zekere mate van turbulentie wordt gegenereerd en zich een hoogteafhankelijk windprofiel instelt. Met de beoogde herontwikkeling wordt niet voorzien in de huisvesting van ‘meer kwetsbare personen’. Ter plaatse wordt niet voorzien in, bijvoorbeeld, zorgfuncties of kinderopvang.
Tussen de beoogde woning en de geitenhouderij zijn reeds woonbestemmingen (de dorpskern) gelegen en deze bevindt zich daarmee niet dichter tot de geitenhouderij dan overige bestaande woningen. Vanwege de afstand (circa 1,3 km), de overwegende windrichting en de ruwheid van het terrein tussen de geitenhouderij en de planlocatie, kan worden gesteld dat de aanwezigheid van deze geitenhouderij geen belemmering vormt in het kader van Volksgezondheid en dat derhalve een positieve afweging gemaakt kan worden ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
5.8.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de omgeving van de planlocatie is geen sprake van teelt van gewassen waarbij gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde herontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. Gezien de functiemenging aan de Antoniusstraat en de lintbebouwing als uitloper naar het buitengebied toe, kan worden gesteld dat de planlocatie gelegen is binnen een ‘gemengd gebied’.
De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in een ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.
5.9.2 Bedrijven in de omgeving van de planlocatie In paragraaf 5.7 is reeds aandacht besteed aan de agrarische bedrijven in de omgeving van de planlocatie. In de omgeving van de planlocatie is tevens een aantal niet-agrarische bedrijven gevestigd. Deze worden navolgend toegelicht. Heikamperweg 20 Aan Heikamperweg 20 is een installatiebedrijf gevestigd. Dit bedrijf valt binnen de milieucategorie 2. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 2 dient binnen het ‘gemengd gebied’ een vaste afstand van ten minste 10 meter aangehouden te worden tot een gevoelige functie. Met een feitelijke afstand van circa 165 meter wordt hieraan ruim voldaan. Antoniusstraat 34 Aan Antoniusstraat 34 is een grondverzetbedrijf gevestigd. Dit bedrijf valt binnen milieucategorie 3.2. Voor bedrijven binnen de milieucategorie 3.2 dient in het ‘gemengd gebied’ een afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een gevoelig object. Met een afstand van ruim 155 meter wordt hieraan ruimschoots voldaan. Antoniusstraat 45 De locatie Antoniusstraat 45 is middels vaststelling van het bestemmingsplan ‘Heusden Antoniusstraat 2018’ herontwikkeld tot bedrijfsverzamelgebouw, waarbinnen zich bedrijven met milieucategorie 1 en 2 kunnen vestigen. Vanuit deze bedrijfsbestemming geldt dan ook een
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
richtafstand van 10 meter tot een gevoelige functie. Met een afstand van circa 130 meter wordt hieraan ruim voldaan.
5.9.3 Conclusie De planlocatie is gelegen op voldoende afstand tot omliggende bedrijven. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven en vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
5.10.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.
5.10.3 Vervoer van gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zware ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden.
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer.
5.10.4 Beoordeling van de planlocatie 5.10.4.1
Bedrijven
De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij gelegen risico-object bevindt zich op een afstand van circa 760 meter ten zuiden van de planlocatie. Op zodanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.
5.10.4.2
Transport
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277 en de N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de N277 en de N279. Voor de A67 geldt een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van ruim 4 kilometer tussen planlocatie en A67, is de planlocatie buiten het invloedsgebied van deze weg gelegen. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 1.500 meter ten westen van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden. Op een afstand van circa 1.200 meter ten zuidwesten van de planlocatie is een hoogspanningslijn gesitueerd. Op dusdanig grote afstand kan worden gesteld dat interactie evenmin kan plaatshebben.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Inleiding De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag in principe niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). De beoogde herontwikkeling valt hiermee binnen het begrip NIBM. Andersom dient ter plaatse wel sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee de huidige luchtkwaliteit van belang is.
5.11.2 Blootstelling aan verontreiniging 5.11.2.1
Inleiding
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging.
5.11.2.2
Fijn stof
De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
Figuur 19: Fijn stof PM10 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-18 µg/m³.
Figuur 20: Fijn stof PM2,5 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
5.11.2.3
Stikstof
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Figuur 21: Stikstofdioxide 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
5.12 Besluit m.e.r. Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De beoogde herontwikkeling ziet toe op de toevoeging van slechts één wooneenheid. Conform jurisprudentie wordt de toevoeging van slechts één wooneenheid niet onder het begrip van ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing ‘Antoniusstraat ong., naast 26’ - gemeente Asten
6 UITVOERBAARHEID 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Asten zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer sluit derhalve met de gemeente Asten een anterieure overeenkomst. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
6.2
Omgevingsdialoog
Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling is door de initiatiefnemer in het voorjaar van 2023 een omgevingsdialoog gevoerd. Omwonenden kunnen zich vinden in de voorgenomen ontwikkeling. Uit de gevoerde dialoog is naar voren gekomen dat men het op prijs stelt als het bijgebouw in het zuiden niet te ver naar voren gerealiseerd wordt op perceel. De getoonde schets met stedenbouwkundige inpassing is akkoord, en verzocht werd om dit planologisch te verankeren. Naar aanleiding hiervan is de aanduiding ‘bijgebouwen’ dan ook wat verder naar achter gesitueerd, gelijk aan de achterzijde van het ‘bouwvlak’ voor het hoofdgebouw. Voor het overige heeft de omgevingsdialoog niet geleid tot wijzigingen in het planvoornemen.
Crijns Rentmeesters bv
44
ANTONIUSSTRAAT ONG. HEUSDEN - Landschappelijke inpassing Legenda !
!
!
!
!
!
Planlocatie
Toe te voegen landschappelijke inpassing ¹B ¹B ¹B ¹B ¹B ¹ ¹ Gemengde haag B
!
!
Sortiment: Veldesdoorn (Acer campestre), Eglantier (Rosa canina), Liguster (Ligustrum vulgare), Gele Kornoelje (Cornus mas) Plantmaat: 4 stuks per strekkende meter Plantmaat: 60-80 Kruislings verband
Hoogte: 1,5 - 2 m.
! !
B ¹BBBBB B BBBB BBBB ¹ B BBBBB BBBB BBBBB ¹ B BBB BBB !
¹ B
!
!
!
!
!
!
!
!
!
Hoogte: 0,5 m.
0
!
!
!
!
!
B¹!B¹ ¹ ! B ¹ B ¹ B ¹B B ¹B ¹ B!¹B¹! ¹ B ¹ B ¹ B ¹B ! B ¹ !
!
!
!
!
! ¹¹ ! ¹¹¹¹ ! ¹¹¹ ! ¹¹¹ ! ¹¹¹ ! ¹¹¹ ¹¹ ! ¹¹ ¹ ! ¹¹¹¹ ! ¹¹¹ ! ¹¹ ¹¹ B¹B¹B¹B¹ B¹B¹B¹B¹
Landschapsboom Solitair en in rij Sortiment: Linde (Tilia), Esdoorn (Acer pseudoplatanus), Haagbeuk (Carpinus betulus) Plantmaat: 12-14 Aantal: 4 stuks
10
20
Behorende bij Schaal Formaat
Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
Ü
40 Meters
: Ruimtelijke onderbouwing 'Anotniusstraat ong., naast 26' :1:1.000 : A4
Koningsplein 20 5721 GJ Asten T: 0493 - 471777 I: www.crijns-rentmeesters.nl
1:1.000
1:1.000A4 Formaat:
!
!
Bodem en Bouwstoffen
Verkennend Bodemonderzoek Antoniusstraat ong. Asten-Heusden rapport C230034.004/PHE
datum: opdrachtgever:
30 maart 2023 den De heer W. Janssen, Postbus 83 26 Antoniusstraat 5400 AB UDEN 5725 AS HEUSDEN
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
I
VERANTWOORDING
P. Heesakkers Adviseur
Ing. B. van den Bosch Teamleider
Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818, Email: info@archimil.nl Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
II
SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de Antoniusstraat ong. te Asten-Heusden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Asten
Adres
Antoniusstraat ong. te Asten-Heusden
Kadastraal
Sectie: P
Nr: 1349 (ged.)
Coördinaten
X: 180.940
Y: 376.875
Oppervlakte onderzoekslocatie
circa 2500 m2
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als nietverdacht beschouwd, waarbij in het grondwater licht verhoogde gehalten aan zware metalen aanwezig kunnen zijn. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat de zintuiglijk schone grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) licht verontreinigd is met cadmium en PCB. De sporen baksteenhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,55 m-mv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. De grond uit de onderlaag (0,4-1,3 mmv) is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met koper en zink. De hypothese niet-verdachte locatie dient op basis van de onderzoeksresultaten formeel te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat er ons inziens, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld hoeven te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie.
Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
III
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1 2. VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1. GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2. HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.3. MILIEUVERGUNNINGEN .............................................................................................................. 4 2.4. BODEMONDERZOEKEN ............................................................................................................... 4 2.5. TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 5 2.6. BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ......................................................................................... 5 2.6.1. Algehele bodemkwaliteit .............................................................................................. 5 2.6.2. PFAS ........................................................................................................................... 6 2.7.
CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 6 3. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK.......................................................................... 7 3.1. OPZET BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 7 3.2. ANALYSEPAKKETTEN ................................................................................................................ 7 3.3. UITVOERING BODEMONDERZOEK .................................................................................................. 7 4. WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE .......................................................................... 9 5. RESULTATEN...............................................................................................................................10 5.1. VELDWERK GROND .................................................................................................................. 10 5.2. AANPASSING ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 10 5.3. VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 10 5.4.
ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 10 5.4.1. Grondmengmonsters .................................................................................................. 10 5.4.2. Grondwatermonsters ................................................................................................. 11 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................12 TABELLEN ...........................................................................................................................................13 Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 .............................................................................................................
analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
1.
1
INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK
In verband met de beoogde bestemmingswijziging en de bouw van een woning aan de Antoniusstraat ong. te Asten-Heusden (tussen huisnummers 26 en 28) is door de heer W. Janssen schriftelijk opdracht verleend om een verkennend bodemonderzoek op bovengenoemde locatie uit te voeren. Het doel van het onderzoek bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de grond en het freatische grondwater op het te onderzoeken terrein. Voor de milieuhygiënische verklaring kan dit onderzoek dienen als bewijs voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Regeling bodemkwaliteit artikel 4.3.4) in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van NEN 5740 [2] conform de BRL2000 met bijhorende protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodemonderzoek [3]. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de parameters welke opgenomen zijn in het NEN-pakket of op eventueel verdachte componenten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering 2013 [8]. Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de verzamelde gegevens van de onderzoekslocatie en/ of de daaromheen liggende percelen, welke tijdens het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3.
In hoofdstuk 4 wordt het toetsingskader van de resultaten gepresenteerd waarna in hoofdstuk 5 de gevonden resultaten besproken zullen worden. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies besproken en worden enkele aanbevelingen gedaan. De in de tekst aangehaalde literatuurbronnen zijn opgenomen in bijlage 6. Contactpersoon voor de opdrachtgever was de heer W. Janssen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
2
Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
2.
3
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek met betrekking tot het bodemonderzoek is uitgevoerd op het standaardniveau, conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente, houden van interviews, uitvoeren van terreininspectie en archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidige gebruik, het toekomstige gebruik, de bodemopbouw, de geohydrologische situatie en financieel-juridische aspecten. Hiervoor worden de volgende informatiebronnen geraadpleegd: milieuvergunningdossiers, archief bodemonderzoeken, etc. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van deze (geraadpleegde) informatiebronnen en de verkregen informatie. Op basis van de verzamelde informatie wordt het veld- en chemisch onderzoek goed voorbereid en wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend of nader bodemonderzoek opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. 2.1.
Geografische gegevens De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Asten
Adres
Antoniusstraat ong. te Asten-Heusden
Kadastraal
Sectie: P
Nr: 1349 (ged.)
Coördinaten
X: 180.940
Y: 376.875
Oppervlakte onderzoekslocatie
circa 2500 m2
Op de onderzoekslocatie is er voor zover bekend geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet Milieubeheer en/of Wet Bodembescherming en/of andere milieuregelgeving. 2.2. Huidig en voormalig bodemgebruik Het onderzoeksterrein is in gebruik als grasveld tussen de huisnummers 26 en 28. Vanuit de Antoniusstraat is een circa 5 meter lange met klinkers verharde oprit aanwezig.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
4
Uit de historische kaarten (bron: http://www.topotijdreis.nl) blijkt dat de locatie sinds 1860 bebouwing aanwezig is geweest. De bebouwing is in 1999/2000 vervangen door nieuwbouw op het noordelijk aangrenzend terrein. Sindsdien is het terrein in gebruik als grasland. De garage nabij de plangrens is in 2011 gebouwd. Mogelijk betreft de aanwezig oprit een restant van de oorspronkelijke oprit.
omstreeks 1920
omstreeks 1970
omstreeks 2000
omstreeks 2015
Het onderzoeksterrein is voor zover bekend niet opgehoogd met bodemvreemde materialen zoals puin, sintels of gebroken asfalt. Op de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen olietanks in of op de bodem gelegen. Er zijn geen gegevens bekend omtrent eventuele activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocatie welke geleid kunnen hebben tot een bodemverontreiniging. 2.3. Milieuvergunningen Voor zover bekend hebben in het verleden geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsgevonden, zijn geen meldingen ingediend of vergunningen aangevraagd. 2.4. Bodemonderzoeken In 1999 is ter plaatse van de beoogde (en inmiddels huidige) woning door Kanters Adviesgroep Asten een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport 1332R001, d.d. 21 april 1999). Uit de rapportage volgt dat de onderzoekslocatie destijds in gebruik was als weiland. In de bovengrond van alle Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
5
boringen is een zwakke tot matige bijmenging met puin waargenomen. Bij boring 105 was in de ondergrond (1,0-1,1 m-mv) een bijmenging met puin waargenomen. De puinhoudende bovengrond bleek licht verontreinigd te zijn met cadmium, zink en PAK. Deze verhogingen zijn gerelateerd aan de bijmengingen met puin. De ondergrond was destijds niet verontreinigd. Het grondwater was destijds licht verontreinigd met arseen, chroom, koper en zink. 2.5. Toekomstig gebruik Ter plaatse van het onderzoeksterrein zal in de nabije toekomst een herontwikkeling plaatsvinden, hiervoor zal een bestemmingswijziging worden aangevraagd. 2.6. Bodemopbouw en (geo-)hydrologie Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan circa 26,2 m + N.A.P. De opbouw van de ondergrond is schematisch weergegeven in figuur A. Figuur A: opbouw ondergrond. Formatie van Boxtel Formatie van Beegden Formatie van Sterksel Formatie van Stramproy
Zwak siltig fijn tot matig grof zand Zandige leem tot grind, uitkomst van Maasafzettingen Grof zand en grind Uiteenlopende korrelgroottes, met plaatselijke leem, grind en kleilagen
De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 1 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk westelijk gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordwestelijk gericht (zie uitsnede). Voorgenoemde geohydrologische gegevens zijn ontleend aan de grondwaterkaart van Nederland [6]. 2.6.1. Algehele bodemkwaliteit De gemeente Asten maakt gebruik van een goedgekeurde bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan (juli 2022) waarin diffuus verhoogde achtergrondgehalten aan verontreiniging zijn vastgelegd. De locatie bevindt zich in de zone bebouwde kom wonen. De bovengrond van onverdachte locaties in deze zone is gemiddeld genomen licht verontreinigd met PCB’s. De kwaliteit van de boven- en ondergrond voldoet gemiddeld genomen aan de Achtergrondwaarden. De gemeente Asten maakt gebruik van een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart (maart 2021). Hierin heeft de locatie de functie Wonen toegekend gekregen. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
6
Van de regio zuidoost Brabant, noord- en midden Limburg is bekend dat er zich verhoogde achtergrondwaarden aan zware metalen in het grondwater manifesteren. Deze zijn enerzijds toe te schrijven aan uitloging uit deze verhardingen van zinkassen en depositie van zware metalen door het productieproces van deze zinkassen in de fabriek in Budel-Dorplein (diffuse verontreinigingen). Wanneer dit het geval is op een locatie zal de stof zink overheersen bij de verontreinigingen. Een andere bron van verontreiniging met zware metalen in het grondwater zijn de chemische processen die optreden wanneer anaeroob grondwater opkwelt. Doordat in de bodem ijzerhoudende lagen aanwezig zijn kunnen zware metalen in oplossing gaan en in het grondwater terechtkomen. Over het algemeen zijn arseen en nikkel overheersende componenten wanneer deze situatie zich voordoet. 2.6.2. PFAS In het rapport “Aanwezigheid PFAS in Nederland Deelrapport B Verdachte locaties” 2 is een overzicht opgenomen van potentiële risico-locaties voor het voorkomen van PFAS-verbindingen. Voor de locatie is, voor zover bekend, geen sprake van een bronlocatie. Opgemerkt wordt dat op basis van recente gegevens de bovengrond van een groot deel van Nederland mogelijk in lichte mate verontreinigd is met PFAS-verbindingen1 en dat uitspoeling naar de ondergrond kan plaatsvinden.
Door het ministerie is een geactualiseerd handelingskader PFAS opgesteld (versie 13 december 2021) voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie, waarbij een achtergrondwaarde van 1,9 µg/kgds (PFOA) danwel 1,4 µg/kgds (overige PFAS) is vastgesteld 3. De gezamenlijke omgevingsdiensten in Brabant maken gebruik van een Bodemkwaliteitskaart voor PFAS (d.d. 28 oktober 2020) 4. Aangezien de berekende P80 waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor Landbouw/ Natuur, hebben de samenwerkende omgevingsdiensten ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen uit het geactualiseerde Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020. 2.7. Conclusie vooronderzoek Het vooronderzoek heeft zich gericht zich op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Op basis van bovenstaande gegevens kan de locatie vooralsnog als onverdacht worden beschouwd, waarbij in het grondwater sprake kan zijn van licht verhoogde gehalten aan zware metalen. Op basis van de historische informatie is er vooralsnog geen aanleiding om een overschrijding van de normen uit het Tijdelijke handelingskader voor PFAS te verwachten. Onderzoek dient plaats te vinden conform de strategie onverdacht niet-lijnvormig (ONV-NL) uit NEN 5740.
In bijlage 3 is een tekening van de geografische afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek opgenomen. 1
https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/grond-bagger/handelingskader-pfas/handelingskader/ https://www.expertisecentrumpfas.nl/images/Handelingskader/DDT219-1-18-008.228-rapd-Voorkomen_PFAS_in_Nederland__deelrapport_B_Verdachte_locaties_-_definitief.pdf 3 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2021/12/13/2021335279-1-geactualiseerde-versiehandelingskader-pfas/2021335279-1-geactualiseerde-versie-handelingskader-pfas.pdf 4 http://bodemloket.odbn.nl/images/20201028_0462683.100_bodemkwaliteitskaart_pfas_noord-brabant_def_rev0.0gecomprimeerd.pdf 2
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
3.
7
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
3.1. Opzet bodemonderzoek Conform de strategie onverdacht niet-lijnvormig (ONV-NL) uit de NEN 5740 worden verspreid over de onderzoekslocatie (circa 2500 m2) onderstaand aantal boringen en peilbuizen geplaatst. Aantal boringen Boring tot 0,5 m
En boring tot grondwater 1)
Aantal te analyseren (meng)monsters. En boring met peilbuis
Grond Bovengrond
9
2
1
2
Grondwater Ondergrond
1
1
1) Indien de grondwaterspiegel zich ondieper dan 1,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 1,0 m. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 2,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 2,0 m.
Van elke 50 cm bodemlaag of van iedere bodemlaag afzonderlijk worden tot de freatische grondwaterspiegel representatieve monsters genomen. De boringen worden gelijkmatig over de te onderzoeken locatie verdeeld volgens een systematisch patroon. In bijlage 3 is een situatieschets opgenomen waarin de plaatsen van de boringen en de peilbuizen zijn aangegeven. 3.2. Analysepakketten De toegepaste NEN-pakketten bestaan uit: Grond: standaardpakket grond: Droge stof, Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale Olie (GC) (C10 - C40), PAK (10 VROM), PCB (7) Grondwater: standaardpakket grondwater: Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale olie (GC), Aromaten (BTEXN), Styreen, VOCl (11), Vinylchloride, 1,1 Dichlooretheen, 1,1-Dichloorpropaan, 1,2-Dichloorpropaan, 1,3-Dichloorpropaan, Bromoform
Ter bepaling van de achtergrond- en interventiewaarden worden grond(meng)monsters onderzocht op het gehalte aan lutum en organisch stof. 3.3. Uitvoering bodemonderzoek De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4]. De activiteiten bestaan uit: 1. het uitvoeren van een globale locatie-inspectie; 2. het verrichten van de boringen en 3. het plaatsen van de peilbuis; 4. het bemonsteren van de grond en het grondwater; 5. visueel en organoleptisch onderzoek van de monsters.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
8
De grondboringen worden voor zover mogelijk met handkracht uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een ongelakte Edelmanboor met een diameters van 6 tot 12 cm. Er wordt voor zover mogelijk geen werkwater gebruikt. Na elke boring wordt het boormateriaal met leidingwater schoongemaakt. Voor het plaatsen van de peilbuis wordt geboord tot circa 1,5 meter beneden de freatische grondwaterspiegel. Het materiaal van de buis is slagvast P.V.C.. Het geperforeerde gedeelte wordt omgeven door een gewassen, paraffinevrije filterkous en gegloeid en gezeefd filtergrind. Het niet-geperforeerde gedeelte wordt met de oorspronkelijke grond omstort. Het boorgat wordt afgedicht met een laag zwelklei van ca. 50 cm. De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters worden uitgevoerd door een AS3000 geaccrediteerd laboratorium. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voorbehandelings-, opwerkings-, en analysemethoden zoals beschreven in de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4].
Foto van de onderzoekslocatie – d.d. 23 februari 2023
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
4.
9
WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE
Bij de beoordeling en interpretatie van de resultaten is gebruik gemaakt van de circulaire bodemsanering 2013. Deze circulaire definieert streefwaarden, achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden voor de beoordeling van de concentratieniveaus van diverse verontreinigingen in grond en grondwater. In onderstaand overzicht worden deze toegelicht: - de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) geeft het niveau aan waarbij, volgens de huidige inzichten, sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In geval er curatief gehandeld moet worden, geeft deze waarde het niveau aan dat bereikt moet worden om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier of plant heeft, volledig te herstellen; - de interventiewaarde (I) geeft het niveau aan waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant, ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Bij gehalten boven deze waarde is normaliter sprake van een ernstige verontreiniging en zal moeten worden bekeken of sanering urgent is; - de tussenwaarde (T = [S + I] / 2) bevindt zich op de helft tussen de streef- en interventiewaarde. Boven deze waarde is in ieder geval, en onder deze waarde afhankelijk van bepaalde factoren zoals bodemtype, een nader onderzoek gewenst. Deze waarden zijn afhankelijk van de grondsoort.
Op basis van het lutum en het organische stofgehalte van de onderzochte grond, wordt een correctie uitgevoerd op de waarden zoals die voor een standaardbodem (lutum= 25% en humus= 10%) zijn vastgesteld. Om de mate van verontreiniging weer te geven wordt in dit rapport de onderstaande terminologie gebruikt: - niet verontreinigd concentratie lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; - licht verontreinigd concentratie hoger dan de achtergrondwaarde, maar lager dan of gelijk aan de tussenwaarde; - matig verontreinigd concentratie hoger dan de tussenwaarde, maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; - sterk verontreinigd concentratie hoger dan de interventiewaarde. Specifiek voor verontreinigingen met zware metalen ten gevolge van zinkassen in projectgebied de Kempen zijn in de Regeling Uniforme Saneringen terugsaneerwaarden vastgesteld voor wonen met moestuin (ABdKM) en wonen met siertuin (ABdK-S). Deze normen zijn verruimd ten opzichte van de algemene terugsaneerwaarden zoals deze eerder in de bodemgebruikswaarden waren vastgelegd en die sinds 1 oktober 2008 zijn vervangen door de achtergrondwaarden (AW), maximale waarden voor wonen (MWW) en maximale waarden voor industrie (MWI) uit het besluit bodemkwaliteit. Voor asbest is alleen een interventiewaarde vastgesteld, er is geen achtergrondwaarde vastgesteld.
De interventiewaarde voor vaste bodem ligt op 100 mg/kgds (concentratie serpentijn plus 10 x concentratie amfibool). De interventiewaarde is gelijk aan de hergebruikswaarde voor asbest in puin.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
30 maart 2023 rapportnummer: C230034.004/PHE
5.
10
RESULTATEN
5.1. Veldwerk grond De grondmonsters zijn op 23 en 24 februari 2023, onafhankelijk van de opdrachtgever, genomen door de heer J. Timmermans (erkend monsternemer SIKB 2001), daarbij geassisteerd door de heer B. Schoenmakers. Voor een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse wordt verwezen naar de boorstaten (bijlage 4). Bij geen van de monsters is een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. In de bovengrond van de boringen 102 t/m 104 zijn sporen zuivere baksteen aangetroffen. De boringen 102 en 104 zijn gesitueerd ter plaatse of in het verlengde van de oprit. Boring 103 is gesitueerd in de zuidwestelijke punt van de locatie. De aangetroffen bijmengingen met sporen zuivere baksteen behoeven ons inziens en in lijn met de NEN 5707 niet als verdacht voor asbest te worden beschouwd. Zintuiglijk zijn geen bijmengingen met asbest aangetroffen in of op de bodem. Een onderzoek naar asbest conform NEN5707 wordt op basis hiervan dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.2. Aanpassing onderzoeksopzet Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is er geen noodzaak tot aanpassing van de geplande onderzoeksopzet gebleken. 5.3. Veldwerk grondwater De peilbuis is op 23 februari 2023 geplaatst en voorgepompt. Het grondwater is op 14 maart 2023 nogmaals voorgepompt en vervolgens bemonsterd door de heer J. Timmermans (erkend monsternemer SIKB 2002).