GR23.07.14B Bijlage e - Ruimtelijke onderbouwing Kennisstraat 2.pdf
Tekst van het document
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
stofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben, in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. In dit besluit is een vrijstelling voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg, de bouwfase. De stikstof dient slechts te worden bepaald voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, zoals voor bewoning of verkeer dat over een weg rijdt, ofwel de gebruiksfase. Met Aerius Calculator kan de stikstofdepositie bij een ontwikkeling worden bepaald. Soortenbescherming Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een plan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.
5.5.2 Toets Gebiedsbescherming Het dichtst bij de planlocatie gelegen Natura2000-gebied betreft de ‘Deurnsche Peel & Mariapeel, gelegen op een afstand van circa 6,5 kilometer ten oosten van de planlocatie. Wel zijn enkele bossen en bosschages in de omgeving aangewezen als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Deze liggen op een afstand van ongeveer 270 meter en 470 meter tot de planlocatie. Gezien de kleinschaligheid van het project en de afstand van het plan tot beschermde gebieden leidt deze ontwikkeling niet tot een effet in het kader van gebiedsbescherming. Op navolgende figuur is een uitsnede weergegeven van het Natuurbeheerplan, waarop de planlocatie is aangeduid. Het NNB is hier zichtbaar.
Planlocatie
Figuur 12: Ligging planlocatie ten opzichte van Natura 2000 gebieden
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Stikstof Met AERIUS Calculator is de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van deze ontwikkeling berekend. Deze ontwikkeling draagt niet bij aan een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr. De AERIUS berekening is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Soortenbescherming De meest actuele waarnemingen in de omgeving van de planlocatie zijn geïnventariseerd door middel van raadpleging van www.waarneming.nl. De planlocatie is gelegen binnen het subgebied ‘Ommel’. Uit de gegevens op waarneming.nl blijkt dat er binnen dit gebied geen waarneming van (zeer) zeldzame soorten is gedaan het afgelopen jaar. De locatie voor de beoogde Ruimte voor Ruimtewoning is in de huidige situatie niet in gebruik als houtopstand of een ander levensgebied waarin zeldzame soorten zich kunnen bevinden. Door het huidige gebruik als kort gemaaid grasland, is het niet aannemelijk dat ter plaatse beschermde flora- en faunasoorten aanwezig zijn. Verwacht wordt wel dat enkele algemene voorkomende beschermende diersoorten zoals de mol, konijn, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen de planlocatie. Met de beoogde herontwikkeling zullen geen landschapselementen worden verwijderd. Middels het aanleggen van nieuwe landschapselementen wordt de natuurwaarde binnen de planlocatie juist versterkt.
Deze ontwikkeling leidt niet tot een effect in het kader van de soortenbescherming. Vanuit de algemene zorgplicht dient tijdens de werkzaamheden continu gelet worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord.
5.6 Geluid 5.6.1 Beleidskader Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
5.6.2 Toets Wegverkeerslawaai De planlocatie is gelegen aan de Kennisstraat te Ommel, waar een maximum snelheid van 60 km/ uur geldt. De planlocatie is tevens gelegen binnen in de oksel van grote verkeersaders als de A67 en de N279. Binnen de planlocatie wordt één woning toegevoegd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek met rapportnummer M221112.002.002/JME en datum 18 november 2022 behoort als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. “Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
Tabel 1: Conclusies Wet geluidhinder
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Op een aantal beoordelingspunten wordt de maximale ontheffingswaarde eveneens overschreden. De geluidbelasting op de gevels terugbrengen door maatregelen is echter niet mogelijk c.q. wenselijk. Door de betreffende geveldelen als “dove gevel” conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder uit te voeren, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de A67, bedraagt 58 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘matig’ en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en dak.
Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.”
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de A67 overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 8 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in binnen de geluidzone van een snelweg wordt echter op de begane grond en eerste verdieping nergens overschreden. Derhalve is een beschikking hogere waarde aangevraagd bij de gemeente. Er zijn overwegende bezwaren de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Op een aantal beoordelingspunten wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw binnen de geluidzone van een snelweg eveneens overschreden. Dit betreffen de toetspunten t 05 t/m t 07 op een hoogte van 7,5 meter. De geluidbelasting op de gevels terugbrengen door maatregelen is echter niet mogelijk c.q. wenselijk. Door de betreffende geveldelen als ‘dove gevel’ conform artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder uit te voeren, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat indien er functies op een tweede verdieping worden gerealiseerd, de zuid- en westgevels als dove gevels moeten worden uitgevoerd. Industrielawaai Er is geen sprake van een grote lawaaimaker nabij de planlocatie. Nader onderzoek is voor deze bestemmingsplanprocedure niet noodzakelijk.
5.7 Geurhinder 5.7.1 Beleidskader Inleiding Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -
Is een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, voor geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 ouE/m³ binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Het is middels een verordening mogelijk maatwerk per gebied. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (zoals rundvee en paarden), dienen op grond van de wet vaste afstanden aangehouden te worden. Tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij gelden de in artikel 3 opgenomen vaste afstanden. Gemeentelijk beleidskader Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). De gemeente Asten heeft op 9 maart 2021 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Asten 2021’ vastgesteld. Met deze verordening stelt de gemeente andere normen vast voor geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Asten. In het buitengebied geldt volgens de geurgebiedsvisie een norm van 10 oue/m³. Ook worden in de verordening andere waarden voor de aan te houden afstand tussen een (melk)rundveehouderij en pelsdierhouderijen en gevoelige objecten. Deze normen gelden voornamelijk bij vergunningverlening bij veehouderijbedrijven. Andersom kan dit eveneens van belang zijn bij het toekennen van nieuwe geurgevoelige objecten in de nabijheid van veehouderijen.
5.7.2 Toets Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van de planlocatie zijn zes veehouderijen gelegen. Op navolgende figuur is de ligging van de omliggende bedrijven weergegeven. De rode stippen betreffen reeds gestaakte bedrijven.
Jan van Havenstraat 21 Jan van Havenstraat 39 Plangebied Jan van Havenstraat 33
Ommelsbroek 8 Ommelsbroek 12 Marialaan 6 Figuur 13: Veehouderijen in omgeving plangebied
Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Figuur 14: Vergunning voor houden van dieren Jan van Havenstraat 21 te Ommel (bron: BVB Brabant)
Figuur 15: Vergunning voor houden van dieren Jan van Havenstraat 33 (bron: BVB Brabant)
Figuur 16: Vergunning voor houden van dieren Jan van Havenstraat 39 (bron: BVB Brabant)
Figuur 17: Vergunning voor het houden van dieren aan Ommelsbroek 12 (bron: BVB Brabant)
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Figuur 18: Vergunning voor het houden van dieren Ommelsbroek 8 (bron: BVB Brabant)
Figuur 19: Vergunning voor het houden van dieren Marialaan 6 (bron: BVB Brabant)
Woon- en leefklimaat Voorgrondbelasting De planlocatie is gelegen in het buitengebied, waardoor ten opzichte van omliggende veehouderijen bij vergunningverlening voor deze veehouderijen een aan te houden afstand van 50 meter geldt. Behoudens ten opzichte van de veehouderij aan Jan van Havenstraat 33 wordt hieraan voldaan. Ten zuiden van de planlocatie is het paardenbedrijf gelegen aan de Jan van Havenstraat 33 te Ommel. Dit bedrijf heeft een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer d.d. 23 december 2010. Op de locatie mogen maximaal 14 volwassen paarden en 11 paarden in opfok worden gehouden. Het agrarische bedrijf is deels reeds belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden door woonbestemmingen direct rondom dit bedrijf. Deze woonbestemmingen zijn gelegen op afstanden van 13 meter en 29 meter rondom het dierenverblijf binnen dit bedrijf. De woning aan Jan van Havenstraat 29 is gelegen op een afstand van 48,9 meter/ Er wordt reeds niet voldaan aan de aan te houden afstandsnorm van 50 meter voor verlening van nieuwe vergunningen voor dit bedrijf. Het bedrijf kan derhalve niet dichter bij de perceelsgrens bouwen dan in de huidige situatie het geval is. Derhalve dient niet de hoek van het bouwblok, maar de hoek van de dierenverblijven als uitgangspunt te worden genomen. Het bedrijf heeft geen uitbreidingsmogelijkheden meer, richting de planlocatie.
Het bouwvlak voor de Ruimte voor Ruimte woning is eveneens gelegen op een afstand van 48,9 meter.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Er dient een afstand van tenminste 25 meter tot een dierenverblijf te worden gehanteerd. Aan deze afstand wordt voldaan. Deze ontwikkeling leidt niet tot een belemmering van de bedrijfsvoering van het bedrijf. Tevens dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat er indien tussen de inrichting en een geurgevoelig object de in het Activiteitenbesluit of Wgv genoemde afstanden worden aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Indien tussen de inrichting en een geurgevoelig object niet de in het Activiteitenbesluit of Wgv genoemde afstanden worden aangehouden dient door de raad bij vaststelling van een bestemmingsplan te motiveren waarom ter plaatse van het geurgevoelig object niettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De aan te houden afstand is enkele meters te kort. Vervolgens blijkt uit de melding voor het agrarisch bedrijf dat binnen de betreffende paardenstal slechts enkele paarden worden gehouden. Het merendeel wordt op voldoende afstand gehuisvest. Wellicht wil de paardenhouder in de toekomst meer boxen maken in de betreffende stal maar deze stal is relatief klein waardoor nooit heel veel dieren in deze stal kunnen worden gehuisvest.
Gelet op deze aspecten is het aannemelijk dat binnen het bouwvlak ondanks dat niet helemaal wordt voldaan aan de aan te houden afstand toch sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In paragraaf 5.9 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt dit nader gemotiveerd. Niet alleen voor geur, maar ook voor fijn stof, geluid en gevaar. In het kader van de voorgrondbelasting kan de veehouderij aan de Jan van Havenstraat 21, vanwege de ligging ten opzichte van de planlocatie, worden aangemerkt als de ‘dominante veehouderij’. Van dit bedrijf is de voorgrondbelasting inzichtelijk gemaakt.
Tabel 2: Brongegevens voorgrondbelasting Kennisstraat ong. Ommel
Tabel 3: Voorgrondbelasting op de planlocatie
Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Navolgend
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
is de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie weergegeven, geprojecteerd op een luchtfoto.
Plangebied
Figuur 20: Achtergrondbelasting planlocatie en omgeving (Bron: Omgevingsdienst)
Binnen de planlocatie is sprake van een achtergrondbelasting corresponderend met een ‘redelijk goed’ tot ‘goed’ woon- en leefklimaat. Gesteld kan worden dat in het kader van het aspect ‘geur’ sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de planlocatie dient in het kader van het aspect geur een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat te zijn. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat. Daarnaast kan worden vastgesteld dat de beoogde herontwikkelingen geen belemmeringen veroorzaakt voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van geur geen bezwaar.
5.8 Gezondheid 5.8.1 Beleidskader Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Deze stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.
Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
5.8.2 Toets Endotoxinen In de omgeving van de planlocatie, aan de Jan van Havenstraat 21 worden varkens en paarden gehouden. De fijnstofemissie bedraagt PM10: 33 kg/jaar. Derhalve is de endotoxinecontour van dit veehouderijbedrijf verwaarloosbaar. Berekening van de fijnstof van deze veehouderij middels het door de Omgevingsdienst aangeleverde berekeningsprogramma hiervoor geeft geen contour. Bij berekende minimale afstanden kleiner dan 25 meter, wordt een aan te houden afstand van 25 meter gehanteerd. De planlocatie is op een afstand van circa 170 meter tot dit bedrijf gelegen en is hiermee gelegen buiten de aan te houden contour voor endotoxinen. Ook voor andere bedrijven in de omgeving, niet weergegeven op de kaart, gelden geen aan te houden richtlijnafstanden. De gronden binnen de planlocatie vallen buiten een indicatieve risicocontour (30 EU/m³) van een veehouderijen. Dit betekent dat in beginsel met betrekking tot endotoxinen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Navolgende figuur geeft een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Planlocatie
Figuur 21: Uitsnede kaart Omgevingsdienst Brabant Noord met indicatieve endotoxinen-contouren rondom Ommel
Tussen de planlocatie en veehouderijbedrijven waar een indicatieve endotoxinen-contour is aangeduid zijn in alle gevallen reeds woningen gelegen. Hiermee worden er met de beoogde woningbouwontwikkeling geen veehouderijbedrijven met een endotoxinen-uitstoot belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Reeds bestaande, andere woningen in de omgeving, zijn hiervoor maatgevend. Binnen 1 kilometer van de planlocatie is de pluimveehouderij aan Busserdijk 7 gelegen, op een afstand van circa 760 meter ten noorden van de planlocatie. Uit het VGO onderzoek is gebleken dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m³ in de buitenlucht. Geitenhouderijen Binnen twee kilometer tot de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. Hierdoor is advisering van de GGD niet noodzakelijk. Gewasbeschermingsmiddelen In de nabijheid van de planlocatie is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden toegepast. Rondom de planlocatie zijn woonbestemmingen gelegen.
5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.9.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de Milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde lijst van bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof,
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend (grootschalige) agrarische bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.
5.9.2 Toets Gebiedstypering De planlocatie kan door de ligging in een bebouwingslint in het buitengebied, met in de omgeving zowel bedrijfs-, agrarische- als niet-agrarische locaties, worden gezien als gelegen binnen het ‘gemengd gebied’. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Bedrijven in de omgeving In de directe omgeving van de planlocatie zijn een viertal niet-agrarische bedrijven gelegen te noemen: -
Een constructiewerkplaats gelegen aan Kennisstraat 5 met een grootte van circa 1.700 m². Dit bedrijf valt vanwege de grootte in milieucategorie 3.2. Dit betekent dat er een richtafstand geldt van 100 meter tussen de planlocatie en het bedrijf. Omdat de planlocatie is gelegen in een gemengd gebied wordt de richtafstand teruggebracht naar 50 meter. De afstand tussen de planlocatie en de constructiewerkplaats bedraagt circa 65 meter.
-
Een bouwbedrijf gelegen aan Kennisstraat 8. Dit bedrijf valt in milieucategorie 3.1. De richtafstand tussen dit bedrijf en de planlocatie bedraagt 30 meter in gemengd gebied. De afstand bedraagt tussen dit bedrijf en de planlocatie bedraagt circa 120 meter, dat betekent dat ruimschoots wordt voldaan aan deze eis.
-
Een bloembinderij op de Jan van Havenstraat 32. Dit bedrijf valt in milieucategorie 2. Dit betekent dat de richtafstand afstand in een gemengd gebied tenminste 10 meter bedraagt. De bloembinderij bevindt zich op een afstand van circa 80 meter van de planlocatie. Dit betekent dat aan deze eis ook ruimschoots wordt voldaan.
-
Een mechanisatiebedrijf gelegen op de Jan van Havenstraat 42 met een grootte van 400 m². Dit bedrijf valt in milieucategorie 2, wat betekent dat de richtafstand in een gemengd gebied 10 meter bedraagt. De afstand tussen de planlocatie en het mechanisatiebedrijf is circa 50 meter. Dit betekent dat ook deze eis ruimschoots wordt behaald.
Naast deze niet agrarische bedrijven is tevens het agrarisch bedrijf aan Jan van Havenstraat 33 nabij de planlocatie gelegen. Er is een vergunning voor het houden van 39 paarden binnen de inrichting aan Jan van Havenstraat 33. Voor een paardenfokkerij geldt binnen een gemengd gebied een aan te houden richtlijnafstand van 30 meter voor geur, 10 meter voor geluid en stof en geen afstand voor gevaar. Het bestemmingsvlak van het bedrijf aan Jan van Havenstraat 33 betreft een gekoppeld bouwvlak met een bedrijfswoning met een paardenstal voor circa 8 paarden aan de noordzijde van de Jan van
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Havenstraat en bedrijfsgebouwen ten zuiden van de Jan van Havenstraat. Er is thans nog geen ruimte voor het houden van 39 paarden aan de noordzijde van de Jan van Havenstraat, waarmee de paarden feitelijk op grotere afstand van de planlocatie gehouden dienen te worden. Om de paarden te kunnen houden en het bedrijf te kunnen exploiteren aan de noordzijde van de Jan van Havenstraat dient de huidige paardenstal te worden uitgebreid en/of de bedrijfswoning te worden gesloopt. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van de bouwvlakken van het bedrijf aan Jan van Havenstraat 33 ten noorden en ten zuiden van de Jan van Havenstraat.
Gekoppelde bouwvlakken
Figuur 22: Bestemmingsvlakken in de omgeving van de planlocatie
De paardenstal is gelegen op een afstand van 25 meter tot de grens van de woonbestemming binnen de planlocatie en op afstand van meer dan 48,9 meter tot het bouwvlak binnen de planlocatie. Dit betreft eveneens de afstand van deze stal tot de bestaande woning aan Jan van Havenstraat 29. De bebouwing van het bedrijf aan Jan van Havenstraat 33 binnen het bouwvlak aan de noordzijde van de inrichting kan niet dichter bij de planlocatie worden gerealiseerd door de minimaal aan te houden afstand tot de perceelsgrens. Wanneer de paardenstal wordt uitgebreid aan de andere zijde van de bestaande bebouwing bedraagt de afstand tot de beoogde woonbestemming binnen de planlocatie altijd meer dan 25 en tot de woning meer dan 48,9 meter. Navolgende figuur geeft een beeld van de omgeving van de planlocatie.
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Figuur 23: Situatie met de omgeving van de planlocatie
De overwegende windrichting in Nederland is zuidwest, waarmee de toe te voegen woning niet wordt gerealiseerd in de windrichting van het bedrijf. Er is met het houden van paarden binnen de inrichting aan Jan van Havenstraat 39 sprake van een goed woon- en leefklimaat. In de omgeving van de planlocatie zijn slechts burgerwoningen gelegen, die gelegen zijn op tenminste eenzelfde afstand tot de toe te voegen woning binnen de planlocatie. Ook is er geen sprake van fijnstof, gevaar of geluid. Er is geen ruimte voor realisatie van een paardenbak binnen het bouwvlak. Wanneer een paardenbak buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd bedraagt de afstand tot de planlocatie altijd meer dan 50 meter. De planlocatie is gelegen te midden van bestaande woonbestemmingen. Binnen de planlocatie is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, waarmee op basis van de feitelijke situatie kan worden afgeweken van de aan te houden richtlijnafstanden voor geur, gevaar, fijnstof en geluid.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Beleidskader Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
Structuurvisie buisleidingen;
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in de planlocatie worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
5.10.2 Toets Inleiding Navolgende figuur betreft een uitsnede weergegeven van de risicokaart met daarop alle risico-objecten en –trajecten weergegeven.
Planlocatie
Figuur 24: uitsnede risicokaart waarop de ligging van de planlocatie is aangeduid (Bron: atlas leefomgeving)
Bedrijven De planlocatie is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot externe veiligheid. Het meest dicht bij de planlocatie gelegen risico-object betreft een bovengrondse propaantank en bevindt zich op een afstand van ruim 80 meter van de planlocatie. De vastgestelde veiligheidsafstand tot de bovengrondse propaantank is 10 meter. Deze afstand wordt ruimschoots behaald. Transport Spoor Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Wegen Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de waarover dergelijke transporten plaatsvinden zijn de provinciale wegen N277, N279 en de Rijksweg A67. De planlocatie is niet gelegen binnen de risicogebieden van de provinciale wegen N277 en de N279. Voor de A67 geldt
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
een invloedsgebied van 4 kilometer. Met een afstand van circa 200 meter tussen de planlocatie en de A67, is de planlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. De woning wordt geprojecteerd op circa 210 meter tot de Rijksweg. In het Bevt wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 10-6/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient voor de planlocatie een veiligheidsafstand van 32 meter te worden aangehouden. De planlocatie ligt ruim buiten deze veiligheidszone en ligt ook niet binnen het plasaandachtsgebied. De beoogde herontwikkeling voorziet in de toevoeging van een nieuwe gevoelige functie. Er dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hiervoor kan het standaardadvies van de Veiligheidsregio gebruikt worden Water Op het grondgebied van de gemeente Asten bevindt zich geen waterwegverbinding waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Dit aspect is dus niet van toepassing. Buisleidingen De meest dicht bij de planlocatie gelegen buisleiding betreft een gasleiding, op een afstand van circa 3,8 kilometer ten westen van de planlocatie. Op dusdanig grote afstand kan beïnvloeding normaliter niet plaatsvinden.
Hoogspanning Op een afstand van circa 3,5 kilometer ten westen de planlocatie is een hoogspanningslijn gesitueerd. Gesteld kan worden dat op dusdanig grote afstand de hoogspanningslijn geen invloed heeft op de planlocatie. Groepsrisico Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid op een afstand van meer dan 200 meter van de snelweg is geen relevant onderwerp. De toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden bijzonder klein. Op een afstand van meer dan 200 meter van de snelweg speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt schuilen de beste wijze van bescherming. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vanaf 200 meter van de snelweg vindt alleen blootstelling plaats bij specifieke weersomstandigheden (bijvoorbeeld pasquilklasse F 1,5: nagenoeg windstil, weinig vermenging met schone lucht) die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen).
Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een groep niet-of verminderd zelfredzame mensen in de planlocatie aanwezig (zullen) zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om indien noodzakelijk zelfstandig te kunnen vluchten. Gevlucht kan worden in meerdere richtingen en van de risicobron af. Bij een toxische wolk is schuilen echter het beste handelingsperspectief. Als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit zijn gebouwen doorgaans goed geïsoleerd. Het schuilen kan hierdoor effectief plaatsvinden. Verantwoording groepsrisico Gezien het feit dat de planlocatie binnen het invloedsgebied van de A67 is gelegen, dient er op grond van artikel 7 van de Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. De veiligheidsregio heeft een standaardadvies ontwikkeld dat toegepast kan worden aan bepaalde afwegingscriteria, het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand en de aard van de ontwikkeling.
Het standaardadvies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: Communicatie Communiceer actief met de omwonenden binnen de planlocatie over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Bouwbesluit 2012 Nieuw op te richten woningen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving wordt geadviseerd om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Beleidskader Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.
Crijns Rentmeesters bv
48
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.
5.11.2 Toets Uitstoot van schadelijke stoffen Middels dit bestemmingsplan wordt de realisatie van één woning mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling draagt In Niet Betekenende Mate bij aan de luchtkwaliteit. Fijn stof Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor de planlocatie en de directe omgeving weer.
Plangebied Figuur 25: Fijn stof PM10 (Bron: RIVM)
Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
Figuur 26: Fijn stof PM 2,5 (Bron: RIVM)
Binnen de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³.Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is. Stikstof Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van de planlocatie en directe omgeving weer.
Plangebied Figuur 27: Stikstofdioxide (Bron: RIVM)
Binnen de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 20-25 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is. Besluit gevoelige bestemmingen Binnen de planlocatie wordt één woning toegevoegd. Een woning is geen gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Crijns Rentmeesters bv
50
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
5.12 Besluit m.e.r. 5.12.1 Beleidskader Beleidskader De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is.
In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan met een omvang van 125 hectare of meer (D9). Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.
5.12.2 Toets Drempelwaarden Deze wijziging overschrijdt de drempelwaarden zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet. Er is geen MER noodzakelijk. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en dat de ontwikkeling geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt, waardoor geen
Crijns Rentmeesters bv
51
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
MER dient te worden opgesteld. De Raad van State heeft geoordeeld dat realisatie van één of enkele woningen geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft waarmee geen mer-aanmeldnotitie noodzakelijk is.
Crijns Rentmeesters bv
52
Ruimtelijke onderbouwing – Kennisstraat 2
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Bij kleinschalige ontwikkelingen wordt veelal geen exploitatieplan vastgesteld, maar wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken vastgelegd over de procedure, kosten, planschadeverhaal en aan te leveren stukken. Ook in deze procedure sluit initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente Asten. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
Crijns Rentmeesters bv
53