GR23.05.07B Ruimtelijke onderbouwing Kloosterstraat 32 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Kloosterstraat 32 Ommel
35
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1 Algemeen Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1.
Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar).
Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. 4.5.2 Beoordeling Gemengd gebied Onderhavig besluitgebied is gelegen langs de hoofdinfrastructuur van de kern Ommel en kent een mix van bestemmingen rondom het besluitgebied. Daarnaast is het besluitgebied direct ten zuiden van de N279 gelegen. Hierdoor kan het besluitgebied worden beschouwd als 'gemengd gebied', waardoor bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering de toepassing van kleinere richtafstanden is gerechtvaardigd.
B&B Ons Witte Kerkje Direct ten zuiden grenzend aan het besluitgebied ligt de B&B Ons Witte Kerkje, dat gevestigd is aan de Kloosterstraat 30. Uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering blijkt dat de grootste richtafstand ten gevolge van Hotels en pensions met keuken 10 meter bedraagt tot een rustige woonwijk en een treden lager tot gemengd gebied. De richtafstand wordt bepaald vanuit de aspecten geur, geluid en gevaar. Het besluitgebied
36
Kloosterstraat 32 Ommel
is conform de VNG-brochure gelegen in gebiedstype 'gemengd gebied' waardoor de richtafstand van 10 meter komt te vervallen. Aan de richtafstand wordt dus voldaan.
Kapper By Eveline Ten zuiden van het besluitgebied is By Eveline (kapper) gelegen. Uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering blijkt dat de grootste richtafstand voor kappersbedrijven 10 m bedraagt tot een rustige woonwijk en 0 m tot gemengd gebied (vanwege geluid). De kapper By Eveline is op grotere afstand dan 10 meter van het besluitgebied gelegen. Bovendien is het besluitgebied in gemengd gebied gelegen. Aan de richtafstand wordt dus voldaan. KGS Kusters Ten noorden van het besluitgebied is KGS Kusters (grond-, sloop-, en straatwerken) gelegen. Uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering blijkt dat de grootste richtafstand voor een bouwbedrijf algemeen: b.o. > 2.000 m2 100 m bedraagt tot een rustige woonwijk en 50 m tot gemengd gebied (vanwege geluid). KGS Kusters is op meer dan 125 meter van het besluitgebied gelegen. Aan de richtafstand wordt dus voldaan. Conclusie Met betrekking tot het perceel aan de KLoosterstraat 32 wordt geconcludeerd dat voor de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat nabijgelegen B&B Ons Witte Kerkje, Kapper By Eveline en KGS Kusters geen belemmering vormen voor de voorgenomen herstructurering c.q. ontwikkeling van Kloosterstraat 32 door middel van de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van een twee-onder-een-kapwoning.
Omgekeerd vormt de twee-onder-een-kapwoning geen belemmering voor deze bedrijven aangezien reeds bestaande woningen op kortere afstand gelegen zijn. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.6
Geur
4.6.1 Algemeen Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en bij het opstellen van bestemmingsplannen of andere besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de vergunningverlening van veehouderijen het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit stallen van veehouderijen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. De normen van de Wet geurhinder en veehouderij gelden in beginsel alleen voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning, als een veehouderij zich wil vestigen of als een veehouderij wil uitbreiden. Het gaat dan dus over de relatie tussen een bestaand geurgevoelig object en een ontwikkeling van de veehouderij. Dit heet ook wel de 'directe werking' of 'directe norm'. Toets geur uit stallen van veehouderij Bij inwerkingtreding van de Wgv gold deze norm ook in de omgekeerde situatie: als in de omgeving van een bestaande veehouderij een nieuwe woonwijk of een nieuw bedrijventerrein wordt ontwikkeld. In het kader van deze 'omgekeerde werking' werden dan dezelfde afstandsnormen toegepast als in de directe werking.
Met de inwerkingtreding van de Wgv trad een geheel nieuwe systematiek van normering in werking. In verband
Kloosterstraat 32 Ommel
37
daarmee rees de vraag of de normen van de Wgv op dezelfde manier als bij de vroegere stankwetgeving zouden werken in de “omgekeerde werking”. Intussen zijn enkele uitspraken gedaan door de hoogste rechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State), die hierin duidelijkheid scheppen. Onder meer uit de uitspraak in de zaak Laarbeek (Afdeling bestuursrechtspraak van 7 oktober 2009) blijkt dat de normen van de Wgv niet in de omgekeerde werking van toepassing zijn. De directe norm geldt wel in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning aan een veehouderij maar niet bij de ontwikkeling van bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk of bedrijventerrein. Ook uit andere uitspraken is intussen gebleken dat het mogelijk is om binnen de belemmerende contouren te bouwen, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan: De nieuwe ontwikkelingen mogen geen extra belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen in de omgeving. Hierna de toets op de omgekeerde werking genoemd De gemeenteraad dient in haar ruimtelijke besluit voor de betrokken ontwikkeling een uitspraak te doen c.q. onderbouwing op te nemen over de geurbelasting: is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op de beoogde bestemmingswijziging? Dit is hierna de toets op het woon- en leefklimaat genoemd.
Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting, ook wel individuele belasting genoemd, wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bedoeld van één veehouderij. De achtergrondbelasting, ook wel de cumulatieve belasting genoemd, wordt veroorzaakt door alle veehouderijen samen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting wordt vooral in gebieden met veel veehouderijen vaak gebruikt als maat om de effecten van geurhinder uit stallen van veehouderijen op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. Geurgevoelig object (Wet geurhinder en veehouderij) Onder een 'geurgevoelig object' wordt onder de Wgv verstaan een gebouw, bestemd voor en volgens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. Een gebouw dat in strijd met het bestemmingsplan als woning of verblijf wordt gebruikt, heeft geen wettelijke bescherming tegen geurhinder. Geldende geurnormen en vaste afstanden voor een individuele veehouderij De geurnomen in het kader van de Wgv en de eventuele gemeentelijke geurnormen richten zich op de maximale geurbelasting van een individuele veehouderij op een gevoelig object, zoals een nabij gelegen woning.
Dit wordt ook wel de voorgrondbelasting genoemd. In de Wet geurhinder en veehouderij is de systematiek vastgelegd hoe de geurhinder uit stallen van veehouderijen beoordeeld moet worden. Voor diercategorieën, waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (zoals voor varkens en pluimvee), wordt de toetsingswaarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt uitgedrukt in aantallen Europese odeur units in een volume-eenheid lucht (ou/m³: odeur units per kubieke meter lucht). Eerst wordt de geuremissie berekend door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de betreffende geuremissiefactor. Vervolgens wordt de geuremissie vanuit de gezamenlijke dierenverblijven - samen met andere variabelen zoals de afstand tot de dichtstbij gelegen geurgevoelig objecten - ingevoerd in een (wettelijk voorgeschreven) model waarmee de verspreiding van de geur in de omgeving wordt berekend. De uitkomst hiervan is de geurbelasting op basis van de vergunde dierplaatsen op voor geurhinder gevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt de mogelijkheid voor gemeenten om binnen een bepaalde bandbreedte eigen gemeentelijke geurnormen vast te stellen. Een gemeente kan deze eigen normen via een gemeentelijke geurverordening vastleggen.
De relevante geurnorm (ook wel voorgrondnorm genoemd) in de geldende geurverordening van Asten (2020) voor het bestemmingsplan zijn: De norm van 1 Ou voor de woonkern van Ommel De norm van 10 Ou voor het buitengebied rondom de kern Ommel
38
Kloosterstraat 32 Ommel
4.6.2 Beoordeling Voor het verlenen van een omgevingsvergunning (handelen in strijd met regels RO) is het van belang te onderbouwen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatste van de beoogde ontwikkeling (toets op een goede ruimtelijke ordening o.b.v. van de kans op hinder vanwege geur uit stallen van de omliggende veehouderijen) en dat de rechten van de omliggende veehouders voldoende gerespecteerd worden (de zogenaamde toets om de omgekeerde werking). Toets woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang. Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden. In het algemeen geldt dat een gemeente(raad) de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is.
Op basis van gegevens van een methodiek zoals die is opgenomen in de toelichting bij de Wgv, is in onderstaande tabel de achtergrondbelasting vertaald in een kans op geurhinder en is hieraan een waardering van het woon- en leefklimaat gekoppeld (goed, redelijk goed, matig, tamelijk slecht, slecht, zeer slecht en extreem slecht). De gemeente Asten heeft geen beleidsregel vastgesteld waarin is ingegaan op de wijze waarop de achtergrondbelasting (dus de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen) beoordeeld moet worden bij het nemen van ruimtelijke besluiten. De gemeenteraad kan de afweging maken in het kader van de bestemmingsplan procedure. In een onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de besluitvorming over de gemeentelijke geurverordening van Asten in 2016 (gebiedsvisie t.b.v. de geurverordening, 5 juli 2016) zijn de volgende waarden opgenomen om de achtergrondbelasting (dus cumulatieve geurbelasting) te beoordelen, in het kader van de beoordeling van de milieukwaliteit voor woonkernen en het buitengebied.
Overzicht met gehanteerde gebiedsindeling, streefwaarden met geurklassen en geurhinderniveaus met kwaliteit van het woon- en leefklimaat (Gebiedsvisie Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Asten, 5 juli 2016) In de geurgebiedsvisie is een achtergrondbelasting tot en met 10 Ou als aanvaardbaar aangemerkt voor woonkernen. De gemeenteraad heeft deze toetswaarden niet in een beleidsregel bekrachtigd, maar deze is wel als leidraad voor de beoordeling van de achtergrondbelasting in dit onderzoek gehanteerd. Dit sluit aan bij de bepalingen die in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn opgenomen op het toetsen van de cumulatieve geurhinder bij de uitbreiding van een (intensieve) veehouderij.
Kloosterstraat 32 Ommel
39
Kaart veehouderijen in omgeving van het besluitgebied Ten behoeve van de beoordeling van de geursituatie ter plaatse van het besluitgebied is een geurberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het besluitgebied grotendeels wordt veroorzaakt door de varkenshouderij Jan van Havenstraat 21, die ten zuidoosten van het besluitgebied is gelegen.
40
Kloosterstraat 32 Ommel
Kaart achtergrondbelasting (4,9 en 5,0 Ou ter plaatse van nieuwe woningen) Hieruit blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling lager is dan 10 Ou. Uitgaande van de indeling zoals die is gehanteerd in de geurgebiedsvisie uit 2016 is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder van het besluitgebied aanvaardbaar (maximaal 5,0 Ou). De achtergrondbelasting vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Er is en blijft sprake van een aanvaardbaar c.q. goed woon- en leefklimaat.
Toets op de omgekeerde werking Vaste jurisprudentie bij ruimtelijke besluiten is dat door de nieuwe bestemmingen er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de omliggende veehouderijen. In beginsel dient bij het bepalen van de rechten het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de geurbelasting contouren te worden genomen. Dit omdat veehouderijen rechten hebben om hun emissiepunten te verschuiven binnen het vastgestelde bouwblok (de zogenaamde 'vergunde rechten'). Het kan echter ook zo zijn dat het bedrijf zijn bouwblok niet in zijn geheel kan benutten voor de vestiging of verplaatsing van emissiepunten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van al bestaande geurgevoelige objecten. Uit de jurisprudentie blijkt dat men dan mag uitgaan van de grens van de bebouwing, een te benutten deel van het bouwblok of een bestaand emissiepunt.
Uitgaande van de vergunde rechten van een veehouderij, de geurnorm(en), het agrarisch bouwblok en de ligging van de stallen en al bestaande voor geurhinder gevoelige objecten, kan bepaald worden of de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object leidt tot een aantasting van de rechten: ligt de nieuwe bestemming binnen de geurcontour en zijn er geen andere bestaande geurgevoelige objecten die op kortere afstand liggen? Het planvoornemen ziet feitelijk toe op de toevoeging van een woning in de nabijheid (en geurcontour) van de bestaande veehouderij Jan van Havenstraat 21 en Ommelse Bos 2. De geurnormering in de geurverordening van de gemeente Asten is op dit moment leidend voor de omgekeerde werking. Omdat er op kortere afstand
Kloosterstraat 32 Ommel
41
van de veehouderij aan Ommelse Bos 2 en Jan van Havenstraat 21 al bestaande geurgevoelige objecten (woningen) zijn gelegen (dus op kortere afstand dan de voorgenomen ontwikkeling), leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een extra belemmering voor de veehouderij. Hierbij is met name de woning Ommelse Bos 1 voor Ommelse Bos 2 maatgevend en Jan van Havenstraat 15 voor Jan van Havenstraat 21 maatgevend. Tevens zal de varkenshouderij Ommelse Bos 2 op termijn verdwijnen. De rechten van die veehouderij worden met de voorgenomen ontwikkeling dus niet aangetast.
Ligging veehouderij Ommelse Bos 2 (blauw omkaderd) ten opzichte van bestaande geurgevoelige objecten (woonbestemmingen) Ommelse Bos 1 en 6. besluitgebied indicatief weergegeven met rode marker
42
Kloosterstraat 32 Ommel
Ligging veehouderij Jan van Havenstraat 21 (blauw omkaderd) ten opzichte van bestaande geurgevoelige objecten (woonbestemmingen) zoals Jan van Havenstraat 15. Besluitgebied indicatief weergegeven met rode marker Conclusie Het planvoornemen in de vorm van een extra woning leidt niet tot een aantasting van de rechten van veehouderijen in de omgeving. Het besluitgebied ligt weliswaar in de buurt van van de veehouderijen Ommelse Bos 2 en Jan van Havenstraat 21, maar op kortere afstand van deze veehouderij zijn al bestaande geurgevoelige objecten aanwezig, die bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze veehouderijen. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen geurcontouren zijn mogelijk, mits sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat betekent niet dat ter plaatse van het besluitgebied nooit enige geur vanuit veehouderijen geroken zal worden. Als een bepaalde mate van geur aanvaardbaar wordt geacht, dan werkt deze afweging omgekeerd ook door in de toekomstige beoordeling van beide varkenshouderijen.
Kloosterstraat 32 Ommel
43
Uit de voor- en achtergrondbelasting van geur volgt dat uitgaande van de beoordeling voor woningbouw binnen het besluitgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook in de toekomst is een aanvaarbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd, aangezien de mogelijkheden voor het uitbreiden van het bedrijf zijn beperkt door dichtbijgelegen geurgevoelige objecten. Tevens zal de geurbelasting ter plaatse van het besluitgebied in de toekomst verder afnemen, door het verdwijnen van de veehouderij Ommelse Bos 2. De achtergrondbelasting ligt ter plaatse van het besluitgebied ruim onder de 10 Ou (5,0 Ou), waardoor voldaan wordt aan de provinciale geurnormering voor de bebouwde kom (IOV).
4.7
Natuur
4.7.1 Algemeen De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van aangewezen natuurgebieden en bij soortenbescherming gaat het om de bescherming van vogels en andere diersoorten en planten. De Wet natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor de bescherming van Natura2000-gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. 4.7.2 Soortenbescherming De bescherming van plant- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Om kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wnb enkele verbodsbepalingen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren, en het beschadigen van voorplantings- of rustplaatsen.
Dit houdt concreet in, dat voor bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen zoals het verwijderen van beplanting en het bouwen dient te worden vastgesteld of daarin, of in de directe nabijheid beschermde soorten aanwezig zijn. De locatie is gelegen binnen de kern Ommel. Het besluitgebied bestaat uit bestaande bebouwing in de vorm van een vrijstaande woning en bijbehorende opstallen en is momenteel in gebruik als een woonperceel. De herstructurering c.q. ontwikkeling van het besluitgebied bestaat uit het vervangen van de bestaande vrijstaande woning door een twee-onder-een-kapwoning. Ter plaatse van de middels het planvoornemen geplande bebouwing is geen begroeiing (bomen of planten) aanwezig, waardoor op de locatie en in de directe omgeving geen natuurwaarden aanwezig zijn. Indien beplanting in de tuin aan de achterzijde eventueel wordt gerooid dan zal dit buiten het broedseizoen van vogels plaatsvinden zodat voldaan wordt aan de algemene zorgplicht. Echter, dit heeft geen betrekking op het planvoornemen zelf aangezien het bouwvlak en de woning worden voorzien op de gronden waar momenteel geen begroeiing aanwezig is. Van aantasting of verstoring van eventuele beschermende soorten is geen sprake.
4.7.3 Gebiedsbescherming Beoordeling effecten Natura2000-gebieden, Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden Het besluitgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking. Gezien de ligging van het besluitgebied, de kleinschalige aard van het planvoornemen en de grote afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Stabrechtse heide & Beuven, ca. 6,5 km / Deurnsche Peel en Mariapeel, ca. 7,0 km / Groote Peel, ca. 7,7 km), is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Ook is de locatie niet gelegen in de directe
44
Kloosterstraat 32 Ommel
nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland.
Ligging besluitgebied (rood contour) t.o.v. Natura2000-gebieden
Ligging besluitgebied (rode contour) t.o.v. Natuur Netwerk Nederland Stikstofdepositie Bij de onderhavige ontwikkeling wordt een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd waardoor het aantal woningen met 1 toeneemt. Doordat de te realiseren woningen conform bouwregelgeving gasloos zullen worden uitgevoerd, zal de stikstofdepositie als gevolg van het energiegebruik ten behoeve van de gebruiksfase niet toenemen. Daarnaast zal de nieuwe situatie slechts leiden tot een zeer geringe toename van de verkeersgeneratie, die wordt opgenomen in het heersend verkeersbeeld op de Kloosterstraat (zie paragraaf 4.11). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat kan worden uitgesloten dat sprake is van een significante toename van de stikstofemissie, en daarmee ook de stiktofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel, die op 1 juli 2021 in werking is getreden en de recente
Kloosterstraat 32 Ommel
45
uitspraak van de Raad van State (d.d. 2 november 2022), waarin de partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten is geschapt, moet voor alle plannen en projecten zowel de tijdelijke bouwfase als ook de permanente gebruiksfase beoordeeld worden. In dat kader is bijgevoegde notitie beoordeling stikstof en de uitgevoerde aeriusberekeningen voor de realisatiefase en gebruiksfase (Bijlage 2) uitgevoerd. Hierin wordt aangetoond dat het planvoornemen in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor het plan is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist. .
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Algemeen In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan.
Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
4.8.2 Beoordeling Om te kunnen beoordelen of het besluitgebied in de buurt is gelegen van risicovolle inrichtingen dan wel andere gevaarlijke activiteiten of transportroutes, is de risicokaart geraadpleegd.
46
Kloosterstraat 32 Ommel
Risicokaart en ligging besluitgebied (blauw omcirkeld) In de directe nabijheid zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Een risicovolle inrichting ten noorden van het besluitgebied betreft Plukon, waar een ammniakkoelinstallatie aanwezig is. Het besluitgebied is buiten de risicocontour van deze installatie gelegen (als zwarte cirkel weergegeven op risicokaart). Deze installatie levert dientengevolge geen belemmeringen op ten aanzien van de planontwikkeling. Daarnaast bevindt zich ten westen van het besluitgebied het recreatiepark Prinsenmeer, waar een propaanreservoir aanwezig is. Voor het maatgevend scenario 'BLEVE bij verlading tankauto' is een risicocontour berekend. Het besluitgebied bevindt zich buiten deze risicocontour. Deze installatie levert dientengevolge geen belemmeringen op ten aanzien van de planontwikkeling. Ten zuidoosten van het besluitgebied is een risicovolle inrichting gelegen aan de Jan van Havenstraat 35. Dit betreft een montagebedrijf met een bovengrondse propaantank 4 m3. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 10 meter. Gezien de afstand ten opzichte van het besluitgebied vormt deze risicovolle inrichting eveneens geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Over de ten zuiden van het besluitgebied gelegen A67 is vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk.
Het besluitgebied ligt echter op een afstand van meer dan 500 meter van het besluitgebied en ligt daarmee buiten de risicocontour van dergelijke transportroutes. In de nabijheid van het besluitgebied zijn ten slotte geen buisleidingen gelegen. Gesteld kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Kloosterstraat 32 Ommel
47
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard. Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan op grond van het Besluit ruimtelijke ordening een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het besluitgebied te bevatten. Voor zover in een besluitgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.9.2 Beoordeling Archeologie Op het besluitgebied is op grond van het geldend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' met functieaanduiding spcifieke vorm van archeologie waarde - archeologische waarde categorie 3/4 van toepassing. Deze gronden zijn op basis van deze dubbelbestemming mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
Bij het realiseren van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en waarvoor bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 40 cm plaatsvinden, dient een archeologisch rapport overlegd te worden. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek heeft betrekking op de verstoringsoppervlakte van de grond. Het realiseren van een tweekapper betreft een relatief kleine, particuliere ingreep waar geen sprake is van grote verstoringen in de bodem. Middels het planvoornemen wordt het bouwvlak in de richting van de Kloosterstraat opgeschoven. Het bouwvlak voor de twee-onder-een-kapwoning bedraagt ((7,2 * 2,0 ) * 12,0) = ) 172,8 m2. De nieuwe te realiseren twee-onder-een-kapwoning komt voor een groot deel op exact dezelfde locatie als de oude woning die er nu nog staat. Een groot deel van de grond is dus al reeds verstoord, waardoor het nieuwe totale verstoringsoppervlak lager is dan 178 m2. Het reeds bestaande woonhuis (72 m2) en garage (24 m2) beslaat totaal 96 m2. De feitelijke omvang van de nieuwe verstoringen komt dus niet boven de 250 m2 uit. Tevens blijkt uit archeologisch onderzoek uit projecten in de buurt (zie nieuwe plan Kloosterstraat 8 met 22 woningen en Kluizendries) dat er geen archeologische waarden zijn ontdekt. De bodemverstoring van onderhavig planvoornemen gaat dus niet over de maatschappelijke en archeologisch verantwoorde ondergrens.
Op basis van bovenstaande argumenten is er geen archeologisch rapport noodzakelijk en zijn er ook géén indicaties dat er archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad. Concluderend zijn er géén aanleidingen voor aanvullend onderzoek of proefboringen.
Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. Voor Noord-Brabant is een provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart uit 2010 beschikbaar, die in 2016 is herzien. Van die kaart kan worden afgeleid dat er geen cultuurhistorische waarden binnen c.q. grenzend aan het besluitgebied aanwezig zijn.
48
Kloosterstraat 32 Ommel
Uitsnede CHW, besluitgebied blauw omlijnd Op grond van het geldend bestemmingsplan is ter plaatse van het besluitgebied geen gebiedsaanduiding omtrent enige cultuurhistorische waarde opgenomen. Ter plaatse van het besluitgebied is in de huidige situatie sprake van bestaande bebouwing in de vorm van een vrijstaande woning met opstallen met omliggend een tuin. De bebouwing is verouderd, is niet aangemerkt als een rijks- dan wel gemeentelijk monument en kent geen cultuurhistorische waarde voor de kern Ommel. Middels het planvoornemen wordt de rooilijn opgeschoven in de richting van de Kloosterstraat waarmee de toekomstige bebouwing beter aansluit op de overige bebouwing aan de Kloosterstraat. Wel grenst het besluitgebied, aan de zuidzijde, aan de voormalige kerk van Ommel (Kloosterstraat 30). Deze voormalige kerk is aangewezen als gemeentelijk monument en als zodanig ook beschermd door middel vande dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Als gevolg van het planvoornemen wijzigt de situatie ter plaatse van het gemeentelijk monument niet. De woningen worden wel iets verder naar voren geplaatst dan de huidige woning waardoor het zicht op de zijgevel van het gemeentelijk monument komenden vanuit het noorden enigszins wordt beperkt. Echter de bebouwing blijft nog voldoende zichtbaar en er is geen sprake van afbreuk van de cultuurhistorische waarden.
Zichtbaarheid (zijgevel) gemeentelijk monument
Kloosterstraat 32 Ommel
49
Verder zijn er geen gemeentelijke monumenten gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Rijksmonumenten en andere gemeentelijke monumenten zijnde: ivoren reliëf en kruisbeeld met processiepark (Marialaan 16) en de pastorie Ommel (Marialaan 20) zijn op enige afstand (ongeveer 275 meter) gelegen. De Kloosterweg zelf maakt onderdeel uit van het historische wegenpatroon. Echter met de realisatie van de woningen vindt er geen wijziging van dit historische wegenpatroon plaats. Het straatprofiel en de inrichting van de weg blijft ongewijzigd. Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor realisatie van het planvoornemen.
4.10
Waterhuishouding
4.10.1 Algemeen Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De 3 hoofdambities voor het waterbeleid worden in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwaterverdeling en droogte, waterkwaliteit, grondwater, scheepvaart – en voor de bijbehorende beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat.
Ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen komt aan bod: natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie. Hierna worden per hoofdambitie de belangrijkste beleidsdoelen en -keuzes en de beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat voor de planperiode van dit NWP samengevat. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
In het waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelen van het waterschap voor zes jaar en hoe zij die doelen willen bereiken. Ook wordt beschreven hoe ingespeeld wordt op veranderende omstandigheden zoals het
50
Kloosterstraat 32 Ommel
klimaat. Zo weten inwoners van het werkgebied van het waterschap en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. En hoe waterschap Aa en Maas bijdraagt aan de veiligheid en gezondheid van deze en volgende generaties. De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in drie programma’s: Waterveiligheid: middels dit programma wil het waterschap Oost-Brabant beschermen tegen overstromingen. Zijvoorzien hierin door grote investeringen te doen om Oost-Brabant beter te beschermen tegen overstromingen vanuit de Maas. In de afgelopen jaren zijn (veiligheids)normen vastgesteld waaraan de Maasdijk voor 2050 moet voldoen. Klimaatbestendig en gezond watersysteem: middels dit programma wil het waterschap goede waterkwaliteit en -kwantiteit voor mens en natuur waarborgen. Het is belangrijk dat ons watersysteem goed werkt in normale én in extreem droge en natte situaties. We willen dat ons watersysteem klimaatbestendig en stuurbaar is. Daarbij letten we op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte) en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). Hiernaast nemen we ook maatregelen gericht op een gezond en natuurlijk watersysteem.
In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) staan doelstellingen die we moeten halen voor het creëren van goede omstandigheden voor planten en dieren in en om het water. Schoon Water: middels dit programma wil het waterschap goede zuiveringsresultaten voor gezond water in sloten en beken bewerkstelligen. De komende jaren zijn er grote uitgaven die erop zijn erop gericht om het rioolwater nog schoner te maken en om ervoor te zorgen dat het water in de sloten en beken nog gezonder wordt. Dit wil het waterschap doen door nutriënten (fosfor en stikstof) en medicijnresten beter te verwijderen en waardevolle stoffen uit het afvalwater te halen zoals cellulose en struviet. Ook wordt wordt energie teruggewonnen uit de zuiveringen. Naast extra zuiveren bij onze rioolwaterzuiveringen zet het waterschap zelf en samen met haar partners in op een aanpak bij de bron om ervoor te zorgen dat er minder vervuilende stoffen in het afvalwater komen. De Keur Waterschap Aa en Maas 2015, in 2019 na aanpassing inwerking getreden, is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap, maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. gemeenten, agrariërs en tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn.
Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Net zoals het Rijk heeft ook het waterschap een legger vastgesteld. De legger geeft het waterschap én derden een overzicht van: Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc.) Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk is voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. De legger wordt jaarlijks geüpdatet, omdat het watersysteem en de kunstwerken aan verandering onderhevig zijn. Bijvoorbeeld door het afgeven van vergunningen of veranderingen die voortkomen uit projecten. De watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen vallen, bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het doel van een watertoets is de waterbelangen evenwichtig laten meewegen in het planvormingsproces.
Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Het waterschap hanteert een aantal uitgangspunten bij de watertoets. De desbetreffende uitgangspunten zijn hieronder weergegeven:
Kloosterstraat 32 Ommel
51
Voorkomen van vervuiling Wateroverlastvrij bestemmen Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Vuil water en hemelwater scheiden Doorlopen van afwegingsstappen hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Waterschapsbelangen Meervoudig ruimtegebruik Water als kans Het beleid van de gemeente Asten sluit aan op het landelijke-, provinciale- en waterschapsbeleid en is weergegeven in het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2021-2025. Vooruitkijken naar uitdagingen is essentieel in waterbeheer. Het GRP is een goed en (thans nog) wettelijk verplicht planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en inwoners en verandering in wetgeving. We gebruiken het GRP om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de wettelijke verplichting van een GRP te vervallen. De zorg voor riolering draagt bij aan een gezonde leefomgeving en is uitgewerkt in zorgplichten. Volgens deze zorgplichten draagt de gemeente, vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid, zorg voor een doelmatige inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van afvalwater, hemelwater en grondwater.
De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. Bij de inzameling en het transport van het stedelijk afvalwater zorgen we ervoor dat ons systeem zo doelmatig mogelijk functioneert, dat we duurzame technieken inzetten en dat de volksgezondheid niet in het geding komt. Dat betekent dat we: Tenminste het huidige serviceniveau behouden; Het aanbod van afvalwater op de RWZI ten hoogste gelijk houden maar streven naar minder; Gebruikt water hygiënisch verantwoord blijven verwerken; Nieuwe foutaansluitingen voorkomen en bestaande foutaansluitingen opheffen; In beperkte mate rioolvreemd water accepteren; Openstaan voor terugwinning/hergebruik van energie en grondstoffen; Open staan voor nieuwe sanitatie concepten. We houden bij de (her)inrichting van de openbare ruimte rekening met de verwerking van extreme neerslaghoeveelheden. Hemelwater verwerken we zo lokaal mogelijk en benutten we voor het aantrekkelijk maken van de leefomgeving. In de Brabantse Peel is veel variatie in de grondwaterhuishouding. Asten heeft natte natuur in de Peel Venen maar ook droge plekken vanwege de ligging op de hoge zandgronden.
Een gezonde grondwaterhuishouding is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van zowel particulieren, gemeente, waterschap en provincie. Samen streven we naar het voorkomen van verdroging en grondwateroverlast en -onderlast. De invloed van menselijke ingrepen op het grondwaterregime onderzoeken we vooraf, waarbij we er naar streven om de natuurlijke situatie intact te laten. 4.10.2 Beoordeling Huidige situatie waterhuishouding Het besluitgebied is momenteel deels verhard ten behoeve van de aanwezige bestaande bebouwing in de vorm van een vrijstaande woning en opstallen. Oppervlaktewater
52
Kloosterstraat 32 Ommel
Binnen het besluitgebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen oppervlaktewateren aanwezig. Natuurwaarden Het besluitgebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van beschermde natuurgebieden (Natura 2000, NNN) of binnen hydrologische beschermingszones, zoals waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied. Toekomstige situatie waterhuishouding Oppervlaktewater: Er wordt geen bebouwing opgericht binnen de beschermingszone van een (primaire) watergang en er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het besluitgebied. Hemelwater: De voorgenomen ontwikkeling resulteert in een bebouwd oppervlak van ca. 105 m2 (woning met garage/bijgebouwen) en verharding van ca. 60 m2 resulterend in een totaal verhardingsoppervlak van ca. 165 m2 per woning. De afhandeling van het regenwater van de toekomstige bebouwing wordt op eigen terrein voorzien in hemelwaterberging, waarbij wordt voldaan aan ((165 * 2)m2 * 0,06 = ) 19,8 m3 hemelwateropvang. Het besluitgebied kent daarmee een maximale wateropgave van 19,8 m3 . Binnen het besluitgebied is hiervoor voldoende ruimte en wordt voorzien in de noodzakelijke infiltratievoorziening met een capaciteit van 9,9 m3 per woning (realisatievolume boven GHG) met een overstort op het gemeentelijk riool voor eventuele extreme situaties. Afvoer en vuilwater: De planlocatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.
De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem en/of het oppervlaktewater. Het vuilwater wordt gescheiden afgevoerd. De nieuwe woning wordt voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater van de woningen en de nieuwe verhardingen wordt volledig afgekoppeld. Hiervoor worden de nodige maatregelen getroffen en noodzakelijke voorzieningen aangelegd met voldoende bergingscapaciteit onder de aan te leggen opritten van de woningen. Het gescheiden rioolstelsel binnen het besluitgebied wordt aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel zoals aanwezig ter plaatse van de bestaande infrastructuur ter hoogte van Kloosterstraat 32. Het vuilwater wordt via dit stelsel afgevoerd naar de dichtbijzijnde rioolwaterzuivering. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Onderhavig plan wordt voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling. Watertoets Om de effecten op het aspect water ten gevolge van het planvoornemen in kaart te brengen is tevens een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in de Bijlage 3.
Uit deze watertoets is gebleken dat bij de bouw dient te worden af te zien van uitlogende bouwmaterialen, zoals zink en koper. In haar reactie (zie Bijlage 6) geeft het waterschap aan dat het waterschap geen regels stelt aan het gebruik van uitlogend materiaal. Wel verzoekt/adviseert het waterschap om van het gebruik van uitlogende materialen af te zien om eventuele verontreiniging van het oppervlaktewater en grondwater te voorkomen. Daarnaast dient 'hydrologisch neutraal ontwikkeld'(HNO) te worden. Dit houdt in dat er maatregelen genomen moeten worden om afstromend hemelwater te verwerken. Dit wordt gedaan door het hemelwater van de woning en verhardingen volledig af te koppelen en te voorzien in infiltratievoorziening met voldoende capaciteit zoals hiervoor beschreven onder hemelwater. Tevens is voor de volledigheid een afzonderlijk waterparagraaf toegevoegd als Bijlage 4. Geconcludeerd kan worden dat het waterschapsbelang voldoende is geborgd. Realisatie van het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
Kloosterstraat 32 Ommel
53
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Algemeen Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die als gevolg daarvan ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de kencijfers uit de publicatie 'Toekomstbestendig Parkeren', publicatie 381 (december 2018) van het CROW. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten en zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Op basis van de parkeercijfers uit de CROW-publicatie heeft de gemeente Asten in de Nota Parkeernormen Asten op de gemeentelijke situatie toegespitste normen aangereikt voor parkeergelegenheden bij verschillende functies. De parkeernormen geven per type gebied aan hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bouw. 4.11.2 Beoordeling Verkeersgeneratie De locatie van het besluitgebied kan op grond van de Nota Parkeernormen 2016 worden aangemerkt als weinig stedelijk gebied. Ten aanzien van weinig stedelijk gebied geldt voor een vrijstaande koopwoning in de rest bebouwde kom een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Dit geldt voor de huidige situatie ter plaatse van het besluitgebied.
Ten aanzien van weinig stedelijk gebied geldt voor twee-onder-een-kapwoningen in de rest bebouwde kom een verkeersgeneratie van minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen per etmaal per woning. In de toekomstige situatie zal het aantal woningen ter plaatse van het besluitgebied met 1 woning toenemen, waardoor de totale verkeersgeneratie ter plaatse van het besluitgebied eveneens licht zal toenemen (7,8/8,6 versus 14,8/16,4 verkeersbewegingen) met 7,0/7,8 verkeersbewegingen. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de verkeersgeneratie van de locatie in zeer lichte mate toeneemt. Deze toename zal worden opgenomen in het heersend verkeersbeeld van de Kloosterstraat. De nieuwe woningen zullen ontsloten worden via de parallelweg van de Kloosterstraat. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen komt de capaciteit van deze weg niet in het geding. Parkeerbehoefte Het besluitgebied is niet aangeduid als gebiedstype 'centrum' en ligt niet in het 'buitengebied' en kan dientengevolge worden aangeduid als 'rest bebouwde kom'. De parkeerbehoefte die gerealiseerd dient te worden voor de functie in dit gebied is afhankelijk van het type woning en de prijsklasse daarvan. Dit planvoornemen maakt de herstructurering c.q. ontwikkeling van Kloosterstraat 32 mogelijk, waarbij de bestaande bebouwing vervangen wordt door een twee-onder-een-kapwoning.
Voor dit woningtype geldt op grond van de Nota Parkeernormen Asten een parkeerbehoefte van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Er dienen op grond daarvan minimaal ((2,2 * 2) = 4,4 = ) 5 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. De gemeente Asten streeft ernaar om de parkeervraag zoveel mogelijk op eigen terrein op te vangen. Er is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig om de parkeervraag op te vangen. Daarnaast geldt dat er langs de aan het besluitgebied gelegen doodlopende parallelweg eveneens een strook met parkeermogelijkheden gesitueerd is. Deze parkeermogelijkheden zijn ter hoogte van het besluitgebied toe te schrijven aan het planvoornemen.
54
Kloosterstraat 32 Ommel
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarnaast is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening voor de gemeente de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten) deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Voor de gemeente Asten zelf zijn er geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan. Wel heeft de gemeente een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hierin is ook het kostenverhaal bij eventuele planschade opgenomen worden, waarbij de kosten van eventuele planschade worden verhaald op de initiatiefnemer.
Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele kosten niet voor rekening van de gemeente Asten komen, maar voor rekening van de initiatiefnemer. Het opstellen van een exploitatieplan (op grond van artikel 6.12 eerste lid Wro) vaststellen is niet noodzakelijk aangezien de kosten anderszins zijn verzekerd doordat de gemeente Asten met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluit.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het planvoornemen voorziet in de herstructurering c.q. ontwikkeling van Kloosterstraat 32 te Ommel waarbij de bestaande bebouwing in de vorm van een vrijstaande woning wordt verwijderd en vervangen door een twee-onder-een-kapwoning. Dit plan betreft de netto toevoeging van één woning aan het besluitgebied. Er vindt geen functieverandering plaats ter hoogte van het besluitgebied. Door middels het planvoornemen de rooilijn van de toekomstige twee-onder-een-kapwoning richting de Kloosterstraat te verplaatsen sluit de bebouwing beter aan bij de bebouwingscontouren van de directe ogmeving. Bij de ontwikkeling van het planvoornemen zijn belanghebbenden in een vroeg stadium betrokken middels een omgevingsdialoog, en bij het opstellen van dit plan is rekening gehouden met hun belangen. Het verslag van de omgevingsdialoog is als Bijlage 5 toegevoegd. Het planvoornemen zal daarom naar alle waarschijnlijkheid niet op zwaarwegende planologische bezwaren uit de omgeving stuiten. Deze onderbouwing wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Kloosterstraat 32 Ommel
55
56
Kloosterstraat 32 Ommel
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
De te volgen procedure
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van het planvoornemen noodzakelijke omgevingsvergunning. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat twee procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, te weten de reguliere en de uitgebreide procedure. In het onderhavige geval, waarbij afgeweken wordt van het geldende bestemmingsplan, dient de uitgebreide procedure te worden gevolgd.
6.2
Terinzagelegging
De omgevingsvergunning wordt, inclusief deze ruimtelijke onderbouwing, conform de uitgebreide procedure, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning en zijn of haar zienswijzen indienen.
6.3
Watertoets
De ontwikkeling heeft geen of nauwelijks invloed op de waterhuishouding. Sinds de wijziging van de keur 2015 in 2019 is middels de keur de ondergrens is los gelaten en komen alle ruimtelijke ontwikkelingen (niet zijnde functiewijzigingen) in aanmerking voor wateradvies. Dit is ook gebeurd en de reactie van het waterschap is in paragraaf 6.4 weergegeven.
6.4
Vooroverleg met diensten van Rijk en provincie
Gedurende de voorbereidende fase van deze procedure vindt zo nodig vooroverleg plaats met de diverse diensten van Rijk en provincie en met het Waterschap. Gezien de conclusies uit voorgaande hoofdstukken en realisatie binnen bestaand bebouwd gebied (passend in de ruimtelijke structuur), mag redelijkerwijs worden aangenomen dat met onderhavige ontwikkeling belangen van voornoemde vooroverlegpartners niet zullen worden geschaad. In dat kader is door de initiatiefnemer reeds contact gezocht met het Waterschap AA & Maas. In haar reactie geeft het waterschap aan dat zij geen regels stelt aan het gebruik van uitlogend materiaal. Wel verzoekt/adviseert het waterschap om van het gebruik van uitlogende materialen af te zien om eventuele verontreiniging van het oppervlaktewater en grondwater te voorkomen. Deze reactie van het waterschap is als Bijlage 6 toegevoegd.
6.5
Verleende omgevingsvergunning
p.m.
Kloosterstraat 32 Ommel
57
Bijlagen Bij Ruimtelijke Onderbouwing
Kloosterstraat 32 Ommel Gemeente Asten
BIJLAGEN BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Kloosterstraat 32 Ommel Gemeente Asten
Status:
ontwerp
Datum:
19 april 2023
Locatie Nijmegen St. Stevenskerkhof 2 6511 VZ Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen
Inhoudsopgave Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
5
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
6
Bijlage 2
Notitie beoordeling stikstof incl. bijlage
38
Bijlage 3
Watertoets
63
Bijlage 4
Memo water
71
Bijlage 5
Omgevingsdialoog
80
Bijlage 6
Reactie Waterschap AA & Maas
83
Kloosterstraat 32 Ommel
3
4
Kloosterstraat 32 Ommel
Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing
Kloosterstraat 32 Ommel
5
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
6
Kloosterstraat 32 Ommel
RAPPORT AKOETISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI KLOOSTERSTRAAT 32 TE OMMEL PROJECT: N222450
VERANTWOORDING Titel
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI KLOOSTERSTRAAT 32 TE OMMEL
Opdrachtgever
Archimil B.V. Postbus 136 5720 AC ASTEN
Rapportnummer
N222450.002b/LHO
Datum
2 januari 2023
Projectleider
de heer L. Hoek
Autorisatie
De heer H. van Vliet
handtekening
handtekening
NIPA milieutechniek b.v. Landweerstraat – Zuid 109 5349 AK Oss
tel. +31 (0)412 – 65 50 58 www.nipamilieu.nl info@nipamilieu.nl
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Kloosterstraat 32 te Ommel
N222450.002b/LHO/2
INHOUDSOPGAVE VERANTWOORDING ________________________________________________________________ 2 1
INLEIDING _____________________________________________________________________ 4
2
NORMSTELLING ________________________________________________________________ 6
3
4
5
2.1
ALGEMEEN __________________________________________________________________ 6
2.2
WEGVERKEERSLAWAAI __________________________________________________________ 6
2.3
WOON- EN LEEFKLIMAAT ________________________________________________________ 7
2.4
BOUWBESLUIT _______________________________________________________________ 7
UITGANGSPUNTEN _____________________________________________________________ 8 3.1
GEGEVENS WEGVERKEERSLAWAAI __________________________________________________ 8
3.2
OVERIGE GEGEVENS ____________________________________________________________ 8
GELUIDBELASTINGEN___________________________________________________________ 10 4.1
GEZONEERDE WEGEN __________________________________________________________ 10