GR21.11.06B Ruimtelijke onderbouwing Deurneseweg 39 (CONCEPT).pdf
Tekst van het document
Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van beide bodemlagen indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch geen verhoogde concentraties aangetoond. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten worden aanvaard. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor de aanleg van de paardenbak.
4.5 Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc. Het verdrag van Malta heeft geleid tot aanpassingen van de Monumentenwet welke is opgenomen in de Erfgoedwet. Deze Erfgoedwet is in juli 2016 vastgesteld, in deze wet zijn oude wetten en regels die invloed hadden op het cultureel erfgoed gebundeld en op elkaar afgestemd. Op basis van deze wetgeving dient ieder ruimtelijk plan onderzocht te worden naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. Gemeenten zijn verplicht om hierover kaders te stellen en dit vast te leggen in bestemmingsplannen.
28
Gemeente Asten heeft haar beleid ten aanzien van archeologie vastgelegd in haar bestemmingsplan. Het gehele grondgebied is voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met vervolg cijfers 1, 2 of 3. Gebieden met nummer 1 zijn gebieden met een hoge verwachting, gebieden met nummer 2 hebben een middelhoge verwachting en gebieden met nummer 3 hebben een lage archeologische verwachtingswaarde. De planlocatie is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De gronden hebben dus een middelhoge verwachtingswaarde. Voor de buitenbak geldt dat de bak voorzien wordt van een eb- en vloed bodem. De bodem wordt 30 cm afgegraven en vervolgens voor deze bodem opnieuw opgebouwd. Op -0,30m wordt een drainagesysteem aangelegd en voorzien van een waterdoorlatende laag van 25 cm. Daarop wordt een zandbodem van 10 cm gelegd en een toplaag van 5 cm. Hierdoor ligt de bak iets hoger (10cm) dan de omliggende gronden om zo het water beter af te kunnen voeren. Daarnaast zal de bodem nog iets inzakken waardoor uiteindelijk de bodem circa 5cm boven het maaiveld komt te liggen. Op basis van het bestemmingsplan dienen werkzaamheden die een oppervlak hebben groter dan 250m2 of dieper gaan dan 0,4m onderbouwd te worden met een archeologisch onderzoek. Voor de betreffende paardenbak wordt de grond 0,30 meter afgegraven.
Derhalve is nader onderzoek in het kader van archeologie voor de paardenbak niet nodig.
4.6 Geluid Voor het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Iedere ruimtelijke ontwikkeling die gepaard gaat met het toevoegen van een geluidsgevoelig object dient getoetst te worden aan de Wgh. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. Deze gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Onderhavig initiatief betreft de uitbreiding met een buitenbak. Er worden geen geluidsgevoelige objecten gerealiseerd en tevens geen nieuwe ontwikkelingen gerealiseerd die geluid produceren. Nader onderzoek voor het aspect geluid is dan ook niet aan de orde.
4.7 Geur 4.7.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningsplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningsplichtige. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningsplichtige bedrijven. Gemeenten mogen op basis van artikel 6, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken.
29
Voor bedrijven waar paarden gehouden worden, zijn geen geuremissies vastgesteld waardoor vaste afstanden aangehouden dient te worden. De minimaal te hanteren afstanden bij een paardenhouderij bedragen: ▪ ▪ ▪
25 meter vanaf het dichtstbij gelegen dierenverblijf tot aan een bedrijfswoning welke hoort bij een ander agrarisch bedrijf. 50 meter vanaf het dichtstbij gelegen dierenverblijf tot aan een woning in het buitengebied. 100 meter vanaf het dichtstbij gelegen dierenverblijf tot aan een woning gelegen binnen de bebouwde kom.
Tabel 1 Geurafstanden
Adres
Deurneseweg 24 Deurneseweg 26 Deurneseweg 30 Ommelse Bos 9 Ommelse Bos 10 Ommelse Bos 11 Ommelse Bos 13 Ommelse Bos 15
Type Binnen/ woning buiten bebouwde kom Bedrijf Buiten Burger Buiten Bedrijf Buiten Burger Buiten Bedrijf Buiten Burger Buiten Burger Buiten Bedrijf Buiten
Te hanteren afstand VNG 25 50 25 50 25 50 50 25
Bestaande Bestaand afstand Voldoet aan richtafstand 97 Ja 100 Ja 168 Ja 141 Ja 170 Ja 127 Ja 120 Ja 110 Ja
Nieuwe afstand
Afstand Nieuw mesthoop Voldoet aan richtafstand 83 Ja 67 Ja 125 Ja 220 Ja 230 Ja 210 Ja 195 Ja 176 Ja
97 94 144 141 170 127 120 110
In de omgeving liggen een aantal burgerwoningen en bedrijfswoningen. In de tabel is te zien dat er voor deze woningen voldaan wordt aan de richtafstanden. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitbreiding van het bouwblok.
4.7.2 Omgekeerde werking Van belang is om de omgekeerde werking voor het aspect geur in kaart te brengen. Omliggende (agrarische) bedrijven mogen door de voorgenomen ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden beknot. Op basis van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” worden de (agrarische) bedrijven in de omgeving gecontroleerd. Er worden geen geurgevoelige objecten gerealiseerd. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering voor het plan.
4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Wet luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
30
Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering; ▪ ▪ ▪ ▪
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; En project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De Wet luchtkwaliteit, titel 5.2 Wm kent geen eisen voor bedrijfs- of andere woningen, maar bevat de Europese richtlijn inzake luchtkwaliteit enkele uitzonderingen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het met name van belang dat de normen t.a.v. de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (Pm10) in acht worden genomen. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van hieronder afgebeelde GCN-kaarten van het RIVM.
Figuur 4.2 Concentratie Stikstofdioxide NO2 ter plaatse 17,23
Figuur 4.3 Concentratie Fijnstof PM10 ter plaatse 19,15
31
Om te beoordelen of er een goed woon- en leefklimaat is wordt de achtergrondconcentratie beoordeeld. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 17,23µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 19,15 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
4.8.2 Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel in 'betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de AMvB “Niet in betekenende mate bijdragen”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
4.8.3 Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: ▪ ▪ ▪ ▪
Inrichtingen Infrastructuur Kantoorlocaties Woningbouwlocaties
De bedrijfsactiviteiten zullen zich meer gaan richten op het opleiden en trainen van jonge paarden en minder in paardenhandel zoals nu het geval is. Door het wijzigen van de bedrijfsactiviteiten zal er meer vervoer plaatsvinden met trainingspaarden die naar een wedstrijd gaan of op een andere locatie gaan trainen. Het bezoekersaantal zal naar verwachting juist afnemen, omdat er minder klanten komen om paarden te kopen. De afname is echter moeilijk in cijfers vast te leggen. Daarom is in de Nimb-tool alleen gerekend met een toename van het vrachtverkeer. Nu wordt er 2-wekelijks voer gebracht en mest opgehaald en dat zal na de uitbreiding wekelijks zijn. Met name in het weekend zullen er meer bewegingen zijn met vrachtwagens naar concoursen. In de praktijk is het mogelijk dat één vrachtwagen naar een dressuurconcours vertrekt en een vrachtwagen naar en springconcours. Daarom wordt er per dag 4 extra vrachtbewegingen opgenomen. Dit is een toename van 4 verkeersbewegingen per week. Deze geringe toename van verkeer is niet in betekende mate zoals uit de tabel is op te maken.
32
4.9 Bedrijven en milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. In de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” wordt voor maneges en het houden en fokken van paarden een richtafstand aangegeven van 50 meter tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie binnen een rustige woonwijk en 30 meter in gemengd gebied. Voor woningen is het aspect geur de meest bepalende factor. Hiervoor wordt verwezen naar de tabel in paragraaf 4.7.1 daaruit is op te maken dat dit aspect geen belemmering vormt. Er worden geen gevoelige objecten gerealiseerd binnen onderhavig plan. Echter is niet uit te sluiten dat dit in de toekomst binnen het vergrote bouwblok wel gerealiseerd kan worden (al dan niet middels een afwijking c.q. ontheffing). Daarom is het van belang om te bepalen of omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van enkel een buitenbak. Een buitenbak wordt op basis van de Wet milieubeheer niet aangeduid als dierenverblijf en heeft dus geen emissiepunt.
Het bouwblok blijft ongewijzigd en de dieraantallen blijven gelijk. Derhalve zijn en voor de omliggende bedrijven geen wijzigingen t.o.v. de huidige situatie.
4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Algemeen Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal:
33
▪
▪
Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven. Groepsrisico (GR): de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
4.10.2 Plaatsgebonden risico Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor, of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde.
4.10.3 Groepsrisico Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing.
4.10.4 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is verder uitgewerkt in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. In de Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen per risicovolle activiteit. In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd.
Figuur 5.4. Uitsnede risicokaart bron: www.atlasleefomgeving.nl
34
Voor de beoogde ontwikkeling zijn er in het kader van de externe veiligheid twee risicobronnen die nadere aandacht behoeven. Dit zijn de Rijksweg A67 en het bedrijf Plukon Processing Ommel BV. De Rijksweg A67 is een belangrijke transport route voor gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied van de A67 bedraagt 4 kilometer. Met de uitbreiding van het bouwblok ligt de planlocatie op circa 1,25 kilometer van de A67. Op het bedrijf Plukon Processing Ommel BV zijn drie ammoniakkoelinstallaties van 5200kg, een van 1900kg en een van 850 kg aanwezig. Voor de grote installatie geldt een risico contour van 75 meter, voor de middelste een contour van 45 meter en voor de kleine installatie een risicocontour van 15 meter. De afstand van deze risicobronnen tot aan het bouwblok bedraagt circa 250 meter.
Figuur 4.5. Uitsnede risicokaart met afstand van ammoniakinstallatie Plukon tot aan nieuwe bouwblok
Door de veiligheidsregio Brabant Zuid oost is een standaardadvies opgesteld om ruimtelijke ontwikkelingen in het kader van het groepsrisico te beoordelen. Op de locatie worden geen giftige stoffen gehouden. Op het bedrijf zijn nooit meer dan 50 personen tegelijk aanwezig en er is geen sprake van een kwetsbaar gebouw c.q. object. De afstand van de dichtstbijzijnde risicobron transport bedraagt 1,25 kilometer, de afstand tot het dichtstbijzijnde risicovolle bedrijf bedraagt 250 meter.
35
Hierdoor kan worden volstaan met een standaard advies. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.11 Verkeer en parkeren Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zal de behoefte naar parkeerplaatsen niet toenemen. De verkeerscapaciteit zal juist afnemen. Reden hiervan is dat de bedrijfsactiviteiten zich meer gaan richten op de opleiding en training van (jonge) wedstrijdpaarden en minder op de handel. Doordat de handel als nevenactiviteit zal fungeren zullen er minder klanten wekelijks het bedrijf bezoeken. Op het terrein is ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig. De locatie beschikt over twee inritten. Bij de inrit bij de woning zijn 5 parkeerplaatsen voor eigen gebruik en vaste medewerkers aanwezig. Op het erf is in het midden, onder de bomen ruimte voor nogmaals 5 auto’s. De vrachtwagens worden onder de overkapping geparkeerd. Vanaf de tweede inrit langs de opslag c.q. fourage hal is ook nog ruimte om te parkeren.
4.12 Gezondheid Een goed woon- en leefklimaat is één van de aspecten die onderzocht moet worden om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheid kan dus deel uitmaken van de belangenafweging binnen het bestemmingsplan. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een ruimtelijk relevant aspect. Onder ruimtelijke relevante aspecten in ruimtelijke plannen kunnen de volgende punten van toepassing zijn: ▪
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
▪
Magnetische velden van hoogspanningsmasten
▪
Aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen (zie paragraaf 4.7 en onderstaand)
▪
Hoeveelheid groen in een gebied (zie paragraaf 2.3 en 4.3)
▪
Bodemgesteldheid (zie paragraaf 4.4)
▪
Geluid van verkeer of bedrijvigheid (zie paragraaf 4.6 en 4.9)
▪
Luchtkwaliteit (zie paragraaf 4.8)
36
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Derhalve vormt dit geen belemmering. Magnetische velden hoogspanningsmasten: In de omgeving van de planlocatie staan geen hoogspanningsmasten. Aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen T.a.v. geitenhouderijen is gemeente terughoudend met het toevoegen van woonbestemmingen binnen een straal van 2 km van geitenhouderijen. Binnen deze straal van 2 km liggen t.o.v. het plangebied geen geitenhouderijen. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveebedrijven. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden (zie ook paragrafen 4.10 en 4.11) die aangehouden moeten worden rondom dit type bedrijven. Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 geeft aan de hand van een stappenplan een leidraad of advies dat ingewonnen dient te worden bij de GGD in het kader van de volksgezondheid. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende stappen van belang om nader toe te lichten:
De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt buiten de 50 meter zone op een afstand van 75 meter. Hierdoor is het niet nodig om nader advies op te vragen bij de GGD.
4.13 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.
37
4.13.1 Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan.
4.13.2 Provinciaal Waterplan 2016-2021 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende 6 jaar op de ontwikkeling van een klimaatbestendig en ecologisch gezond watersysteem en een duurzame watervoorziening. Het plan richt zich globaal op drie punten: ▪ ▪ ▪
Gezonde fysieke omgeving Veilige fysieke omgeving Groene groei
Ten aanzien van een gezonde fysieke leefomgeving vormt de Provincie doelen om de bodem en waterkwaliteit te verbeteren en te borgen. Ook gezond zwemwater en oppervlaktewater komt aan de orde. De veilige fysieke omgeving richt zich met name op de meer traditionele rol van mens tegen het water en ziet toe op het beschermen van inwoners tegen het water. Het hoofdstuk groene groei richt zich ten slotte op de transitie naar een meer biobased economy.
4.13.3 Waterschap Aa en Maas Eind 2015 heeft waterschap Aa en Maas haar waterbeheersplan 2016-2021 vastgesteld. Het plan werkt conform een aantal directe bijdragen en een aantal maatschappelijke thema’s waar het waterschap een rol in neemt: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Via optimaal beheer en onderhoud houden we onze huidige dienstverlening in stand Veilig en bewoonbaar beheergebied Voldoende water en robuust watersysteem Schoon water Gezond en natuurlijk water Water in bebouwd gebied Kennisontwikkeling en innovatie Energiegebruik en grondstofvoorziening Internationale samenwerking Water en ruimte
Het waterschap neemt haar basistaken serieus en benoemt de uitdagingen die haar te wachten staan de komende jaren. Maar het waterschap ziet daarnaast een bredere rol voor zichzelf weggelegd als partner in een meer omgevingsgerichte aanpak van plannen en ontwikkelingen.
4.13.4 Plan MER Het waterbeheerplan van het waterschap Aa en Maas wordt herzien voor de periode 2016-2021. Voor deze herziening is eerst een (vrijwillige) Plan-M.E.R. opgesteld. Deze Plan-M.E.R. is bedoeld als hulpmiddel bij de verdere besluitvorming en helpt bij het maken van diverse keuzes over
38
inrichtingsalternatieven. In de m.e.r. worden 4 alternatieven doorgerekend. Belangrijkste punten in het voorkeursalternatief zijn: veilig en bewoonbaar, voldoende water, gezond water (schoon water en natuurlijk en recreatief water). De Plan-M.E.R. omschrijft de doelstellingen, maatregelen en uitkomsten op hoofdlijnen.
4.13.5 Keur 2015 De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etc.). De waterschappen in Brabant; Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel hebben de Keur overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug.
4.13.6 Legger Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ ▪
▪
Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc. Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
Figuur 4.6 Overzicht Legger waterschap Aa en Maas
Aan de noord en zuidzijde van het plangebied lopen twee sloten. Deze zijn gedeeltelijk in eigendom van de initiatiefnemers.
39
4.13.7 Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2025 Het GRP van de gemeente Asten is recent geactualiseerd en omschrijft hoe zij om wenst te gaan met het stedelijk water, de ontwikkeling van het waterbeheer op de lange termijn en concrete waterplannen voor de korte termijn. In het GRP worden een aantal doelstelling geformuleerd. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Regenwater gebruiken daar waar het valt. De wettelijke voorkeursvolgorde hanteren voor het verwerken van hemelwater (vertragen, bergen, afvoeren). Bij alle afkoppelplannen samen met het waterschap optrekken en proberen zoveel mogelijk te ontstenen en te vergroenen. De inrichting van de openbare ruimte benutten voor de opvang van overtollig hemelwater. Streven naar efficiënte en robuuste (collectieve) voorzieningen.
Op basis van het GRP dient bij alle nieuwbouw en herbouw een hemelwaterberging gerealiseerd te worden van 60mm/ m2 verhard oppervlak. Voor gedraineerd oppervlakten (zoals de buitenbak in dit planinitiatief) mag met 50% gerekend worden
4.13.8 Afkoppelen afval- en hemelwater De voorzieningen die met deze bestemmingsplanwijziging planologisch geborgd worden zijn in de praktijk deels al aanwezig. Voor het bepalen van de bergingscapaciteit ter plaatse wordt uitgegaan van het toevoegen de volgende voorzieningen: ▪
de buitenbak van 2100m2, deze mag voor 50% gerekend worden.
Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hemelwater ▪
Buitenbak (50%)
1050m2
Infiltratievoorzieningen De minimaal benodigde bergingscapaciteit bedraagt voor het verhard oppervlak op basis van het GRP bedraagt 63m3. De paardenbak wordt gerealiseerd met een eb- en vloed systeem. Naast de paardenbak wordt een bergingscapaciteit gerealiseerd zodat het water voor het eb- en vloed systeem hier opgevangen kan worden. Bodemdoorlatendheid De doorlatendheid van de bodem is bepalend voor de infiltratiecapaciteit hiervan. Bij een goede bodemdoorlatendheid kan het water sneller infiltreren in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat infiltratievoorzieningen bij een slechte bodemdoorlatendheid voldoende opvangcapaciteit hebben. De bodem van het plangebied betreft hooggelegen zand/ bosgrond met voldoende bodemdoorlatendheid. Een nader onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
40
5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: ▪ ▪ ▪
Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.
Het voorliggend plan behelst een uitbreiding van het bouwblok bij een bestaande paardenhouderij. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van tegemoetkoming in planschade. Het verhaal van de kosten vindt plaats via de heffing van de leges. Er vinden geen aanpassingen aan de openbare ruimte plaats ten behoeve van het project, behoudens de aansluiting op de riolering en aanleg inrit. Daarom is het niet noodzakelijk daaromtrent eisen te stellen. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Omgevingsdialoog Vanwege het Coronavirus heeft de omgevingsdialoog schriftelijk plaatsgevonden. De brief met omschrijving van de plannen (zie bijlage) is op 19 januari 2021 naar omliggende woningen en bedrijven verstuurd conform onderstaande tabel:
Aanvullend hebben de woningen op de Ommelse Bos 9, 10 en 11 ook nog een brief ontvangen. De omgevingsdialoog heeft geleid tot een aanpassing in die zin dat er ter plaatse van de buitenbak geen bouwvlakvergroting wordt gerealiseerd, maar middels een uitgebreide omgevingsprocedure de bak mogelijk wordt gemaakt. Hierdoor is er voor de buurt meer zekerheid dat er op de plek van de bak niet gebouwd zal worden. Er zijn meerdere reacties binnen gekomen dat men op zich niet tegen de ontwikkeling is, maar we bezorgt is over de opgeruimde staat van het bedrijf in de huidige situatie. Zij hopen dat daar iets aan gedaan kan worden. Onderhavig plan richt zich enkel op de realisatie van de buitenbak. Deze wordt landschappelijk ingepast door het aanbrengen van een ligusterhaag. Er worden geen extra bouwmogelijkheden gecreëerd.
41
Door één buurman is verzocht om de bak te verleggen omdat hij bang is voor stof op zijn auto’s. Aangezien er een bak met eb- en vloedsysteem wordt aangelegd en deze vanuit de onderkant bewatert wordt is er geen sprake van stof Daarnaast zal de ligusterhaag het zand wat de paardenhoeven mogelijk wat op doen spatten tegenhouden. Daarnaast is aangegeven door 1 buurman dat er rekening gehouden moet worden met zijn planvoornemen om 2 Ruimte voor Ruimte woningen te bouwen aan de Deurneseweg 24. Dit plan is nog niet in procedure. Omdat er nu enkel sprake is van de realisatie van een buitenbak en niet van uitbreiding van het bedrijf in dieraantallen heeft onderhavig plan geen effecten op de realisatiemogelijkheden van de twee Ruimte voor Ruimte woningen.
42
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Erf beplantingsplan Quickscan Flora en Fauna Aeriusberekening – aanlegfase buitenbak Bodemonderzoek
43