GR21.01.04H Ruimtelijke onderbouwing Laarbroek 5.pdf
Tekst van het document
de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 32 omschreven aanduidingsregels.
Binnen het plangebied komen geen aanduidingsregels voor zoals omschreven in artikel 32.
De beoogde ontwikkeling voor de uitbreiding van het bouwblok voldoet aan de gestelde voorwaarden zoals hierboven omschreven. Het realiseren van het gastenverblijf en de stagiairehuisvesting past niet binnen deze wijzigingsbevoegdheid derhalve is het noodzakelijk om hiervoor een bestemmingsplanwijziging te doorlopen. Voor zowel het gastenverblijf als de huisvesting voor stagiaires wordt een aparte regeling opgenomen.
31
4. Milieutechnische aspecten In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante planologische en milieuaspecten.
4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli is het gewijzigde Besluit Milieueffectenrapportage in werking getreden. Door dit besluit moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen na 16 mei 2017 voorzien zijn van een beoordeling. De Milieueffectenrapportage is noodzakelijk om te beoordelen welke significante effecten en invloeden een ontwikkeling op de omgeving kunnen hebben. Een Milieueffectenrapportage is alleen nodig wanneer een plan of project kan leiden tot een of meerdere initiatieven die nadelige invloed hebben op het milieu. Om te bepalen of een Milieueffectrapportage noodzakelijk is zijn er twee criteria geformuleerd: ▪
▪
Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Of er een passende beoordeling nodig is, is afhankelijk van de uitkomsten die beschreven worden in de paragraaf Flora en Fauna. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter tevens een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een m.e.r. moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage II en III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onderhavige uitbreiding betreft een uitbreiding van een paardenhouderij op basis van C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. is een m.e.r.- beoordelingsplichtig pas noodzakelijk bij het houden van 100 paarden of meer. Op de planlocatie worden 54 paarden en 400 kippen gehouden. Voor het beoordelen of een vormvrije m.e.r. al dan niet noodzakelijk is, is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 2. Op basis van deze aanmeldnotitie kan geconcludeerd worden dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r. procedure te doorlopen.
4.2 Flora en Fauna 4.2.1 Wet natuurbescherming – landelijk niveau Vanaf 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming van toepassing. In deze wet zijn de Flora en Faunawet, de boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Met deze wet geeft Nederland ook uitvoering aan internationale en/of Europese afspraken. Bescherming op gebiedsniveau: Door het Rijk zijn in Nederland Natura2000 gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogelen Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000- gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen
32
verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Figuur 4.1 Locaties natura2000 gebieden t.o.v. plangebied
Bescherming op soortniveau: De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪ ▪
▪
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
4.2.2 Wet Natuurbescherming: Provincie Noord- Brabant Bescherming op gebiedsniveau: Om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000 gebieden te bereiken stelt de provincie voor dat gebied een beheerplan op. In dit beheerplan wordt in elk geval omschreven welke instandhoudingsmaatregelen genomen moeten worden en wat de beoogde resultaten hiervan zijn.
33
Bescherming op soortniveau: In de provincie Noord-Brabant is een vrijstelling van artikel 3.10, eerste lid, van kracht. Hiermee is het toegestaan bepaalde soorten te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: ▪ ▪ ▪
▪
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.
4.2.3. Quickscan Flora en Fauna Door adviesbureau Kettu is een quickscan Flora en fauna uitgevoerd. Voor het opstellen van de quickscan is bureauonderzoek en veldonderzoek uitgevoerd. De quickscan is opgenomen in bijlage 3. Het rapport kent 2 doelstellingen: ▪ ▪
In beeld brengen wat de mogelijke effecten kunnen zijn op omliggende Natura2000gebieden. In beeld brengen welke beschermde flora en fauna mogelijk aanwezig zijn die effecten kunnen ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Gelet op de aard en omvang van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling, het gegeven dat de hippische voorzieningen in 2008 reeds gerealiseerd zijn en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (Strabrechtse Heide & Beuven: 5,4 km, Deurnsche Peel & Mariapeel: 7,8 km Groote Peel: 7,2km) is het aannemelijk dat het plan-voornemen niet leidt tot significante negatieve effecten op de Natura 2000. De werklocatie is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. De locatie ligt wel tegen het Natuurnetwerk aan. De invloed op dit gebied wordt als nihil beoordeeld, dit omdat de effecten van geur, licht, geluid en transportbewegingen zeer beperkt zijn. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde plant- en diersoorten aangetroffen. Uit de risicobepaling van het onderzoek blijkt dat verdere maatregelen niet noodzakelijk zijn. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.3 Ammoniak Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav)dienen ontwikkelingen binnen een zone van 250 meter van een (zeer) kwetsbaar gebied (bos of natuur). Het uitgangspunt van de Wav is dat verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor ammoniak binnen de 250-meter zone niet mogelijk is. Deze vergunning is noodzakelijk bij het vestigen of het uitbreiden van een veehouderij. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) regelt dit: ▪ ▪
Oprichten van een nieuwe veehouderij is niet toegestaan (artikel 4 Wav) Veranderen of uitbreiden van een bestaande veehouderij is niet toegestaan (artikel 6 Wav).
34
Bedrijven binnen de 250 meter zone mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Uitzondering hierop betreffen bedrijven waar paarden en schapen worden gehouden of dieren die in het kader van natuurbeheer of biologisch worden gehouden. Met de beoogde ontwikkeling wordt bovendien geen uitbreiding in het aantal paarden dat binnen de inrichting mag worden gehouden mogelijk gemaakt. Het betreft hier een paardenhouderij. Het aspect ammoniak vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.
4.4
Archeologie
De Rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor onderhavig plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied. De provincie Noord-Brabant heeft hiertoe de cultuurhistorische waarden kaart opgesteld. In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc.
Figuur 4.2 Verbeelding vigerend bestemmingsplan
Een van de belangrijke aspecten voor onderhavig plan is het kader wat het verdrag stelt t.a.v. ruimtelijke ordening. Dit kader houdt in dat er tijdig rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan (figuur 3.7) is te zien dat op de locatie van de uitbreiding van het bouwblok geen dubbelbestemming ‘Waarde -Archeologie’ is opgenomen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
35
4.5 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Het planvoornemen voorziet in de legalisatie van hippische voorzieningen. De gronden die daarvoor gebruikt gaan worden hebben reeds een agrarische bestemming en zijn in gebruik als agrarisch perceel. Ten gevolge van het planvoornemen blijven de betreffende gronden in agrarisch gebruik. Enkel worden uitgebreidere mogelijkheden geboden om op de gronden gebouwen (deels) bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Omdat in de huidige situatie de gronden al geschikt zijn voor de uitoefening van agrarische bedrijfsdoeleinden, zal dit in de toekomstige situatie ook het geval zijn. De uitbreiding van het bouwblok, die met het initiatief mogelijk wordt gemaakt, vindt plaats op gronden die als onverdacht kunnen worden aangewezen.
In 2006 is er voorafgaand aan de aanleg van de voorzieningen onderzoek verricht naar de bodem: Archimil rapport 2249R001 datum 13 februari 2006 (zie bijlage 4). De conclusie van dit onderzoek was: Zowel de bovenlaag (0-0,5 m-mv) als de onderlaag (0,5 – 2m-mv) is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium en zink en plaatselijk matig verontreinigd met nikkel. Op basis van deze onderzoeksresultaten hoeven er geen restricties gesteld te worden ten aan zien van de bedrijfs- en bouwacctiviteiten. Na uitvoering van dit onderzoek hebben er geen activiteiten/ calamiteiten plaatsgevonden die een bedreiging kunnen vormen. Er is dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten. Het plangebied is geheel geschikt voor de huidige/toekomstige functie, zijnde de agrarische bedrijfsvoering. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wanneer er grootschalige bouwwerkzaamheden plaatsvinden in de uitbreiding kan het zijn dat het bodemonderzoek geactualiseerd dient te worden. Er is echter geen sprake van bouwactiviteiten.
4.6 Geluid Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Onderhavig initiatief betreft de juridische borging van reeds aanwezige hippische voorzieningen zoals vernoemd in paragraaf 2.2. In de omgeving zijn geen spoorwegen en snelwegen aanwezig. Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de Laarbroek. Echter het gastenverblijf wordt op een afstand van 153 meter van de Laarbroek gerealiseerd. Wegverkeerslawaai vormt hiervoor dan ook geen belemmering.
36
Op enige afstand is het bedrijventerrein Molenakkers gelegen. Dit is een kleinschalig bedrijventerrein in binnen de bebouwde kom van Asten. Op basis van het bestemmingsplan “Asten bedrijventerreinen 2013” zijn over het algemeen bedrijven toegestaan in de milieucategorie 2 en 3, zoals opgenomen in de lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage bij de regels). Bestaande bedrijven die niet op de lijst zijn opgenomen zijn positief bestemd door middel van een aanduiding. Het dichtsbijzijnde gelegen bedrijven betreffen: 1. Een bouwkundig werktuigbedrijf (adres: Keskesweg 21). Dit bedrijf ontwikkelt machines die slachtkippen vangen en transporteren. Het bedrijf is een categorie 2 bedrijf, de grootste afstand hiervoor bedraagt 30 meter. Het bedrijf is op een afstand van 170 meter gelegen vanaf de beoogde stagiaire huisvesting en op circa 199 meter van het beoogde gastenverblijf. 2. Een transportbedrijf (adres: Het Hoogvelt 8). Dit bedrijf is door de gemeente aangewezen als een bedrijf in de milieucategorie 3. Derhalve dient er een afstand van 100 meter aangehouden te worden. Het bedrijf is op een afstand van 180 meter gelegen vanaf de beoogde stagiaire huisvesting en op circa 240 meter van het beoogde gastenverblijf. Daarnaast liggen er op kortere afstanden van deze bedrijven meerdere burgerwoningen die de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven reeds beknotten.
Voor de omgekeerde werking dient ook rekening gehouden te worden met de uitbreiding van het bouwblok t.o.v. omliggende gevoelige objecten. Voor onderhavig plan betreft dit de volgende burgerwoningen: Laarbroek 6 op een afstand van 127 meter, Laarbroek 9 op een afstand van 75 meter, Laarbroek 10 Laarbroek 11 op een afstand van 104 meter. Hombroeckstraat 3 op een afstand van 113 meter, Hombroeckstraat 16 op een afstand van 104 meter, Bosrand 6 op een afstand van 106 meter en Bosrand 7 op een afstand van 100 meter. Tevens ligt er een bedrijfswoning aan Laarbroek 7 op een afstand van 100 meter. Voor een paardenhouderij geldt een maximale geluidsafstand van 30 meter. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Geur 4.7.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningsplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningsplichtige. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningsplichtige bedrijven. Gemeenten mogen op basis van artikel 6, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken.
37
Voor bedrijven waar paarden gehouden worden, zijn geen geuremissies vastgesteld waardoor vaste afstanden aangehouden dient te worden. De minimaal te hanteren afstanden bij een paardenhouderij bedragen: ▪ ▪ ▪ Adres
25 meter vanaf het dierenverblijf tot aan een bedrijfswoning welke hoort bij een ander agrarisch bedrijf. 50 meter tot aan een woning in het buitengebied. 25 meter tot aan een woning gelegen binnen de bebouwde kom.
Type Binnen/ woning buiten bebouwde kom Laarbroek 6 Burger buiten Laarbroek 7 Bedrijf buiten Laarbroek 9 Burger buiten Laarbroek 10 Burger buiten Laarbroek 11 Burger buiten Hombroeckstraat Burger binnen 3 Hombroeckstraat Burger binnen 16 Bosrand 6 Burger binnen Bosrand 7 Burger binnen
Te hanteren afstand VNG 50 25 50 50 50 100
Afstand Bestaand bestaand Voldoet bouwblok aan richtafstand 130 ja 117 ja 140 ja 128 ja 173 ja 113 ja
Afstand Afstand Nieuw nieuw mesthoop Voldoet bouwblok aan richtafstand 127 129 ja 70 120 ja 75 163 ja 114 153 ja 104 210 ja 113 177 ja
100
104
ja
104
192
ja
100 100
106 100
ja ja
106 100
168 167
ja ja
Figuur 4.3 milieu contour zone 100 meter vanaf woningen in de bebouwde kom.
In de omgeving liggen een aantal burgerwoningen en één bedrijfswoningen. In de tabel is te zien dan er voor de woningen aan de Laarbroek voldaan wordt aan de richtafstanden waarbij op verzoek van de omgevingsdienst ook specifiek gekeken is naar de afstand van de mesthoop. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitbreiding van het bouwblok.
38
4.7.2. Woon- en leefklimaat Om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening dient bij een ruimtelijke ontwikkeling in kaart gebracht te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor gevoelige objecten. De omgevingsdienst zuidoost Brabant houdt een actuele kaart bij voor o.a. de achtergrond belasting geur.
Figuur 4.4 Achtergrond belasting geur bron: atlas.odzob.nl
Het plangebied is gelegen binnen een gebied wat is aangeduid als een goed leefklimaat, waarbij de geurbelasting tissen de 3 en 7 ouE/m3 bedraagt. Binnen dit gebied is het dan ook geen probleem om op basis van het aspect geur een gastenverblijf en stagiaire verblijf te realiseren.
4.6.3 Omgekeerde werking Van belang is om de omgekeerde werking voor het aspect geur in kaart te brengen. Omliggende (agrarische) bedrijven mogen door de voorgenomen ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden beknot. Op basis van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” worden de (agrarisch) bedrijven in de omgeving gecontroleerd. Voor de omgekeerde werking zijn een aantal bedrijven die nader bekeken moeten worden: Laarbroek 2-4 varkensbedrijf, deze ligt op een afstand van circa 240 meter en wordt reeds beknot door andere omliggende burgerwoningen. Laarbroek 4 dierenpension, ligt op een afstand van 165. Voor een bedrijf waar huisdieren gehouden worden geldt een vaste afstand van 50 meter. Tevens liggen burgerwoningen op een kortere afstand tot dit bedrijf dan de planlocatie. Laarbroek 7 voormalige varkenshouderij, deze vergunning is ingetrokken en derhalve niet meer van toepassing. Het gastenverblijf komt op een afstand van 53 meter vanaf de grens van het bouwblok te liggen. Mogelijke nieuwe agrarische functies op Laarbroek 7 worden reeds beknot door de aangrenzende burgerwoningen. Het gastenverblijf vormt derhalve geen belemmering voor Laarbroek 7. Hindert 2 betreft een paardenhouderij en ligt op een afstand van circa 280 meter. Voor deze paardenhouder geldt een afstand van 50 meter.
Het Hoogvelt 8 Transportbedrijf ligt op een afstand van 180 meter en wordt beknot door burgerwoningen die op een kortere afstand liggen dan de planlocatie.
39
N.B. bovenstaande afstanden zijn bepaald op basis van het nieuwe bouwblok wat onderhavig plan voorsteld. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkelingen en tevens worden omliggende bedrijven niet verder beknot in hun bedrijfsontwikkelingen zoals dat vandaag de dag al het geval is.
4.6.4 Realisatie geur gevoelige nevenactiviteiten Binnen het plangebied wordt een gastenverblijf en stagiaireverblijf gerealiseerd. Het gastenverblijf is enkel bedoeld voor aan het bedrijf gerelateerde klanten. Er worden tijdelijke overnachtingsmogelijkheden aangeboden aan (buitenlandse) klanten. Er worden geen losse overnachtingsmogelijkheden aangeboden, overnachten is inherent verbonden aan het aankopen/ verhandelen/ trainen/ verzorgen van de paarden die op het bedrijf aanwezig zijn. De VNG-publicatie ‘Multifunctionele landbouw en ruimtelijke ordening’ stelt hierover het volgende: Zolang het geurgevoelige object deel uitmaakt van de eigen inrichting (boerderij), heeft de nevenactiviteit geen gevolgen voor de eigen bedrijvigheid. Aangezien ook de agrarische bedrijfswoning op de locatie dat de al een geurgevoelig object is voor andere bedrijven, levert een nieuwe geurgevoelige nevenactiviteit geen extra beperkingen voor naastgelegen bedrijven. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het gasten- en stagiaireverblijf.
4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Wet luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering; ▪ ▪ ▪ ▪
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; en project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De Wet luchtkwaliteit, titel 5.2 Wm kent geen eisen voor bedrijfs- of andere woningen, maar bevat de Europese richtlijn inzake luchtkwaliteit enkele uitzonderingen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het met name van belang dat de normen t.a.v. de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (Pm10) in acht worden genomen. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en
40
stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van hieronder afgebeelde GCN-kaarten van RIVM.
Figuur 4.5 Concentratie Stikstofdioxide NO2 ter plaatse 15,94
Figuur 4.6 Concentratie Fijnstof PM10 ter plaatse 19,26
Om te beoordelen of er een goed woon- en leefklimaat is wordt de achtergrondconcentratie beoordeeld. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 19,26µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 15,94 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
41
4.8.2 Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel in 'betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de AMvB “Niet in betekenende mate bijdragen”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
4.8.3 Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: ▪ ▪ ▪ ▪
inrichtingen infrastructuur kantoorlocaties woningbouwlocaties
De realisatie van de hippische voorzieningen leidt niet tot een significante toename van het aantal verkeersbewegingen. Met de realisatie van het gastenverblijf en de huisvesting voor stagiaires zal het aantal verkeersbewegingen juist afnemen. De bedrijfsactiviteiten worden niet uitgebreid. De gasten en stagiairs verblijven op dit moment elders en komen iedere dag op en neer met de auto. Wanneer zij op het terrein kunnen verblijven vervallen deze verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen is aan te merken als niet in betekende mate en is dusdanig kleinschalig, dat dit zonder meer valt onder de Regeling NIBM. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.
4.9 Bedrijven en milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. In de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” wordt voor maneges en het houden en fokken van paarden een richtafstand aangegeven van 50 meter tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bestaande agrarische bouwblok, dit heeft tot gevolg dat nieuwe planologische mogelijkheden ontstaan. In de voorgaande paragrafen 4.6 Verkeers- en industrielawaai, 4.7 Geur en 4.8 Luchtkwaliteit zijn de omliggende bedrijven in kaart gebracht en op basis van de VNG-publicatie beoordeeld:
42
Aspect Geluid Op enige afstand is het bedrijventerrein Molenakkers gelegen. Dit is een kleinschalig bedrijventerrein in binnen de bebouwde kom van Asten. Op basis van het bestemmingsplan “Asten bedrijventerreinen 2013” zijn over het algemeen bedrijven toegestaan in de milieucategorie 2 en 3, zoals opgenomen in de lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage bij de regels). Bestaande bedrijven die niet op de lijst zijn opgenomen zijn positief bestemd door middel van een aanduiding. Het dichtsbijzijnde gelegen bedrijven betreffen: 1. Een bouwkundig werktuigbedrijf (adres: Keskesweg 21). Dit bedrijf ontwikkelt machines die slachtkippen vangen en transporteren. Het bedrijf is een categorie 2 bedrijf, de grootste afstand hiervoor bedraagt 30 meter. Het bedrijf is op een afstand van 170 meter gelegen vanaf de beoogde stagiaire huisvesting en op circa 199 meter van het beoogde gastenverblijf. 2. Een transportbedrijf (adres: Het Hoogvelt 8). Dit bedrijf is door de gemeente aangewezen als een bedrijf in de milieucategorie 3. Derhalve dient er een afstand van 100 meter aangehouden te worden. Het bedrijf is op een afstand van 180 meter gelegen vanaf de beoogde stagiaire huisvesting en op circa 240 meter van het beoogde gastenverblijf. Daarnaast liggen er op kortere afstanden van deze bedrijven meerdere burgerwoningen die de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven reeds beknotten.
Voor de omgekeerde werking dient ook rekening gehouden te worden met de uitbreiding van het bouwblok t.o.v. omliggende gevoelige objecten. Voor onderhavig plan betreft dit de volgende burgerwoningen: Laarbroek 6 op een afstand van 127 meter, Laarbroek 9 op een afstand van 75 meter, Laarbroek 10 Laarbroek 11 op een afstand van 104 meter. Hombroeckstraat 3 op een afstand van 113 meter, Hombroeckstraat 16 op een afstand van 104 meter, Bosrand 6 op een afstand van 106 meter en Bosrand 7 op een afstand van 100 meter. Tevens ligt er een bedrijfswoning aan Laarbroek 7 op een afstand van 100 meter. Voor een paardenhouderij geldt een maximale geluidsafstand van 30 meter. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aspect Geur Voor bedrijven waar paarden gehouden worden, zijn geen geuremissies vastgesteld waardoor vaste afstanden aangehouden dient te worden. De minimaal te hanteren afstand bedraagt 25 meter vanaf het dierenverblijf tot aan een bedrijfswoning welke eveneens hoort bij een ander agrarisch bedrijf. 50 meter dient aangehouden te worden vanaf het bouwblok tot aan een woning of ander geurgevoelig object die niet bij de paardenhouderij hoort. In de omgeving liggen een aantal burgerwoningen.
Zie hiervoor de tabel in paragraaf 4.7 Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitbreiding van het bouwblok Aspect luchtkwaliteit De realisatie van de hippische voorzieningen leidt niet tot een significante toename van het aantal verkeersbewegingen. Met de realisatie van het gastenverblijf en de huisvesting voor stagiaires zal het aantal verkeersbewegingen juist afnemen. De bedrijfsactiviteiten worden niet uitgebreid. De gasten en stagiairs verblijven op dit moment elders en komen iedere dag op en neer met de auto. Wanneer zij op het terrein kunnen verblijven vervallen deze verkeersbewegingen.
43
Het aantal verkeersbewegingen is aan te merken als niet in betekende mate en is dusdanig kleinschalig, dat dit zonder meer valt onder de Regeling NIBM. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 19,26µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 15,94 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is. De milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Algemeen Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijk risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪
▪
Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven. Groepsrisico (GR): de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
4.10.2 Plaatsgebonden risico Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor, of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde.
4.10.3 Groepsrisico Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing.
44
4.10.4 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is verder uitgewerkt in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. In de Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen per risicovolle activiteit. In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd. Op figuren 4.4 en 4.5 is een overzicht te zien van de risicokaart van de omgeving van het plangebied.
Figuur 4.7 Risicokaart inrichtingen bron: www.atlasleefomgeving.nl
Figuur 4.8 Risicokaart Brabant bron www.brabant.nl
Voor het plangebied kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Inrichtingen: Op bovenstaande risico kaart is te zien dat er geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Belemmeringen op grond van de Bevi zijn hierdoor uitgesloten. Buisleidingen: In de omgeving zijn geen buisleidingen aanwezig die van invloed zijn op de het plangebied en de beoogde ontwikkeling. Transport: Het vervoer van gevaarlijke stoffen vindt in de omgeving van het plangebied met name plaats over de Rijksweg A67 en de provinciale weg N297. De A67 ligt het dichtst bij de planlocatie op een afstand van circa 830 meter. Het invloedsgebied van de A67 heeft een afstand van 4 kilometer. Door de veiligheidsregio Brabant Zuid oost is een standaardadvies opgesteld om ruimtelijke ontwikkelingen in het kader van het groepsrisico te beoordelen. Op de locatie worden geen giftige stoffen gehouden. Er verblijven op de locatie geen zeer kwetsbare personen en op het bedrijf zijn nooit meer dan 50 personen tegelijk aanwezig. De afstand van de dichtstbijzijnde risicobron
45
transport bedraagt 830 meter, de afstand tot het dichtstbijzijnde risicovolle bedrijf bedraagt 1126 meter.
Hierdoor kan worden volstaan met een standaard advies. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
4.11 Verkeer en parkeren Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zal de behoefte naar parkeerplaatsen niet toenemen. De verkeerscapaciteit zal juist afnemen. Reden hiervan is dat de gasten en stagiaires momenteel niet op het bedrijf kunnen verblijven. Zij worden elders in de gemeente ondergebracht. Door de realisatie van een gastenverblijf en de huisvesting voor de stagiaires zullen de verkeersbewegingen afnemen omdat zij niet meer 2 maal per dag heen en terug te hoeven rijden, maar voor langere tijd op het bedrijf verblijven. Op het terrein is aan de voorzijde van de bedrijfshal een ruime parkeerplaats aanwezig van circa 600m2. Deze is ruim genoeg voor de gasten, stagiaires en overige medewerkers en bezoekers. In de huidige situatie is geen sprake van een parkeerprobleem/ parkeeroverlast. Omdat de bedrijfsactiviteiten niet veranderen zal deze parkeer situatie ook niet veranderen.
4.12 Gezondheid Een goed woon- en leefklimaat is één van de aspecten die onderzocht moet worden om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheid kan dus deel uitmaken van de belangenafweging binnen het bestemmingsplan. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een ruimtelijk relevant aspect. Onder ruimtelijke relevante aspecten in ruimtelijke plannen kunnen de volgende punten van toepassing zijn: ▪
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
▪
magnetische velden van hoogspanningsmasten
▪
aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen (zie paragraaf 4.9 en onderstaand)
▪
hoeveelheid groen in een gebied (zie paragraaf 2.2.2 en 4.2)
▪
bodemgesteldheid (zie paragraaf 4.6)
46
▪
geluid van verkeer of bedrijvigheid (zie paragraaf 4.7 en 4.11)
▪
luchtkwaliteit (zie paragraaf 4.8)
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Derhalve vormt dit geen belemmering. Magnetische velden hoogspanningsmasten: In de omgeving van de planlocatie staan geen hoogspanningsmasten. Aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen T.a.v. geitenhouderijen is gemeente terughoudend met het toevoegen van woonbestemmingen binnen een straal van 2 km van geitenhouderijen. Binnen deze straal van 2 km liggen geen t.o.v. het plangebied geen geitenhouderijen. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aan zien van varkenshouderijen en pluimveebedrijven. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden (zie ook paragrafen 4.10 en 4.11) die aangehouden moeten worden rondom dit typen bedrijven. Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 geeft aan de hand van een stappenplan een leidraad of advies dat ingewonnen dient te worden bij de GGD in het kader van de volksgezondheid. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende stappen van belang om nader toe te lichten:
De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt buiten de 50 meter zone op een afstand van 75 meter. Hierdoor is het niet nodig om nader advies op te vragen bij de GGD.
47
4.13 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.
4.13.1 Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan.
4.13.2 Provinciaal Waterplan 2016-2021 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende 6 jaar op de ontwikkeling van een klimaatbestendig en ecologisch gezond watersysteem en een duurzame watervoorziening. Het plan richt zich globaal op drie punten: ▪ ▪ ▪
Gezonde fysieke omgeving Veilige fysieke omgeving Groene groei
Ten aanzien van een gezonde fysieke leefomgeving vormt de Provincie doelen om de bodem en waterkwaliteit te verbeteren en te borgen. Ook gezond zwemwater en oppervlaktewater komt aan de orde. De veilige fysieke omgeving richt zich met name op de meer traditionele rol van mens tegen het water en ziet toe op het beschermen van inwoners tegen het water. Het hoofdstuk groene groei richt zich ten slotte op de transitie naar een meer biobased economy.
4.13.3 Waterschap Aa en Maas Eind 2015 heeft waterschap Aa en Maas haar waterbeheersplan 2016-2021 vastgesteld. Het plan werkt conform een aantal directe bijdragen en een aantal maatschappelijke thema’s waar het waterschap een rol in neemt: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Via optimaal beheer en onderhoud houden we onze huidige dienstverlening in stand Veilig en bewoonbaar beheergebied Voldoende water en robuust watersysteem Schoon water Gezond en natuurlijk water Water in bebouwd gebied Kennisontwikkeling en innovatie Energiegebruik en grondstofvoorziening Internationale samenwerking Water en ruimte
Het waterschap neemt haar basistaken serieus en benoemt de uitdagingen die haar te wachten staan de komende jaren. Maar het waterschap ziet daarnaast een bredere rol voor zichzelf weggelegd als partner in een meer omgevingsgerichte aanpak van plannen en ontwikkelingen.
48
4.13.4 Plan MER Het waterbeheerplan van het waterschap Aa en Maas wordt herzien voor de periode 2016-2021. Voor deze herziening is eerst een (vrijwillige) Plan MER opgesteld. Deze Plan MER is bedoeld als hulpmiddel bij de verdere besluitvorming en helpt bij het maken van diverse keuzes over inrichtingsalternatieven. In de m.e.r. worden 4 alternatieven doorgerekend. Belangrijkste punten in het voorkeursalternatief zijn: veilig en bewoonbaar, voldoende water, gezond water (schoon water en natuurlijk en recreatief water). De Plan MER omschrijft de doelstellingen, maatregelen en uitkomsten op hoofdlijnen.
4.13.5 Keur 2015 De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etc.). De waterschappen in Brabant; Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel hebben de Keur overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug.
4.13.6 Legger Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc. Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.
Figuur 4.9 Overzicht Legger waterschap Aa en Maas
49
4.13.7 Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2018 – 2020 Het GRP van de gemeente Asten omschrijft hoe zij om wenst te gaan met het stedelijk water, de ontwikkeling van het waterbeheer op de lange termijn en concrete waterplannen voor de korte termijn. In het GRP worden een aantal doelstelling geformuleerd. Op basis van het GRP dient bij alle nieuwbouw en herbouw een hemelwaterberging gerealiseerd te worden van 60mm/ m2 verhard oppervlak. Voor gedraineerd oppervlakten (zoals de buitenbak in dit planinitiatief) mag met 50% gerekend worden
4.13.8 Afkoppelen afval- en hemelwater De voorzieningen die met deze bestemmingsplanwijziging planologisch geborgd worden zijn in de praktijk deels al aanwezig. Voor het bepalen van de bergingscapaciteit ter plaatse wordt uitgegaan van het toevoegen de volgende voorzieningen: gastenverblijf, overdekte longeercirkel, merrie/ quarantainestal en de buitenbak, waarbij de buitenbak voor 50% gerekend mag worden. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hemelwater ▪ ▪ ▪ ▪
Gastenverblijf Verharding rondom gastenverblijf Merriestal Buitenbak (50%)
150m2 30m2 24m2 600m2
Totaal toename verhard oppervlak:
804m2
Infiltratievoorzieningen De minimaal; benodigde bergingscapaciteit bedraagt voor het verhard oppervlak op basis van het GRP bedraagt 48,24m3. Aan de voorzijde over de gehele lengte van de buitenbak is bij de aanleg van alle voorzieningen ook al een extra waterberging voorziening gerealiseerd om deze voorzieningen op de vangen. Deze berging heeft een lengte van 70 meter en is op maaiveld hoogte 3 meter breed en op de bodem 0,7 meter breed en een heeft een diepte van 0,90 meter. Hierdoor is de totale capaciteit van de sloot 189m3. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de benodigde bergingscapaciteit. Bodemdoorlatendheid De doorlatendheid van de bodem is bepalend voor de infiltratiecapaciteit hiervan. Bij een goede bodemdoorlatendheid kan het water sneller infiltreren in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat infiltratievoorzieningen bij een slechte bodemdoorlatendheid voldoende opvangcapaciteit hebben. De bodem van het plangebied betreft hooggelegen zand/ bosgrond met voldoende bodemdoorlatendheid. Een nader onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
50
De legalisatie van de buitenbak en de overige hippische voorzieningen betekent geen extra verharding. Het betreffen allen voorzieningen met een zandbodem. De agrarische grond is ten behoeve van de aanleg van de buitenrijbaan gedraineerd en opgehoogd met zand. De verharding die nu gelegaliseerd wordt is de verharding bij de stapmolen, alleen het looppad in de stapmolen is verhard. Het gastenverblijf zal gebouwd worden binnen de regels van het vergunningsvrij bouwen. Hiervoor is dus maximaal een oppervlakte van 150m2 toegestaan. Bij de aanleg van de buitenbak is een waterberging gerealiseerd van 189m3. Voor de benodigde voorzieningen is een capaciteit van 48,24m3 nodig. Er is duidelijk sprake van een overcapaciteit. Derhalve vormt het aspect water geen probleem.
51
5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: ▪ ▪ ▪
het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.
Het voorliggende plan behelst de planologisch juridische borging van reeds aanwezige hippische voorzieningen en de planologische toelaatbaarheid van een gastenverblijf en huisvesting voor stagiaires. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van tegemoetkoming in planschade. Het verhaal van de kosten vindt plaats via de heffing van de leges. Er vinden geen aanpassingen aan de openbare ruimte plaats ten behoeve van het project, behoudens de aansluiting op de riolering en aanleg inrit. Daarom is het niet noodzakelijk daaromtrent eisen te stellen. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Omgevingsdialoog Op 24 februari 2020 heeft de omgevingsdialoog plaatsgevonden. Genodigden die niet aanwezig konden zijn, zijn aangeboden om op naar hun wens op een ander tijdstip in overleg te gaan. Hier is geen gebruik van gemaakt. De omgevingsdialoog is prettig verlopen. Er zijn vanuit de omgeving geen bezwaren of bedenkingen tegenover de plannen. Het verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 5.
5.2.2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van artikel 3.1.1. Bro zal vooroverleg plaats vinden met de overheidsinstanties waarvan de belangen in het geding zijn bij de ontwikkeling.
5.2.2 Zienswijze procedure Onderhavige ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van het Veegplan 1 2020. De zienswijze zullen voor deze bestemmingsplan herziening gezamenlijk door de gemeente Asten geformuleerd worden en maken onlosmakelijk onderdeel uit van dat Veegplan. Het bestemmingsplan “Asten Verzamelplan 2020-2” heeft met ingang van 18 september 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Op het adres Laarbroek 5 waar deze ruimtelijke onderbouwing betrekking op heeft zijn geen zienswijzen ingediend.
52
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Landschappelijk inpassingsplan Aanmeldnotitie m.e.r. Quickscan Flora en Fauna Bodemonderzoek Verslag omgevingsdialoog
53
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5 Asten
Oktober 2020
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
Colofon: Versie: 5.0 Datum: 22-10-2020 Auteur: Ing. R.M.M. Vos Opgesteld door: Kettu bv Adres: Damianenweg 1 Postcode: 5491 TJ Sint-Oedenrode Telefoon: +31-651835901 E-Mail: info@gaenp.nl KvK-nummer: 73901636
Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode
1
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
Inhoudsopgave INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 HOOFDSTUK 1 OMGEVING VAN DE PLANLOCATIE ............................................................... 4 1.1 LANDSCHAPSTYPERING .................................................................................................................... 4 1.2 GEBRUIK VAN DE OMGEVING ........................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING .................................................................... 6 2.1 BESTAANDE SITUATIE ....................................................................................................................... 6 2.1 NOG TE REALISEREN LANDSCHAPPELIJKE INPASSINGEN............................................................... 6 2.2 TOE TE PASSEN BEPLANTINGSTYPEN ............................................................................................... 7 2.2.1 AANPLANT VAN EEN BLADVERLIEZENDE HAAG.............................................................................. 7 2.2.2 VERSTERKEN BOSSTROOK ...............................................................................................................
8 BIJLAGEN: ............................................................................................................................................ 9 BIJLAGE 1: INRICHTINGSTEKENING .................................................................................................... 10
Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode
2
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
Inleiding Op verzoek van ‘Stal Heijligers’ uit Asten is voor de locatie Laarbroek 5 te Asten een Landschappelijk inpassingsplan geschreven ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure op deze locatie. In deze rapportage treft u daarvan de uitwerking aan. Dit landschappelijk inpassingsplan houdt rekening met de omgeving van de planlocatie, de ruimtelijke wensen vanuit de gemeente en natuurlijk de wensen vanuit het beheer en gebruik van de paardenhouderij.
Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode
3
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
Hoofdstuk 1 Omgeving van de planlocatie In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de omgeving van de planlocatie ingericht/gebruikt wordt en wordt beschreven welke ruimtelijke wensen er vanuit de gemeente vastgelegd zijn.
1.1 Landschapstypering Het plangebied is gelegen in het buitengebied van gemeente Asten in de nabijheid van de bebouwde kom. Het ligt in het gebied ten zuiden van de A67, zie afbeelding 1. Het landschap kenmerkt zich als een relatief gesloten landschap met bebouwing en robuust groen. Vanuit de Structuurvisie bebouwingsconcentraties van gemeente Asten val dit landschap onder het type: Half gesloten agrarisch landschap.
Afbeelding 1: Planlocatie (zie blauwe stip)
1.2 Gebruik van de omgeving In afbeelding 2 is het plangebied weergegeven. Daarop is zichtbaar dat er aan de zuidzijde bosgebieden aansluiten op het plangebied. Aan de oost en westzijde kennen de gronden een agrarisch gebruik. Aan de noordzijde is het gebruik deels agrarisch en deels in gebruik met bebouwing.
Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode
4
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
Afbeelding 2: Omgeving plangebied (binnen de rode lijnen)
Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode
5
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
Hoofdstuk 2 Landschappelijke inpassing In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke wensen en de inventarisatie van de omgeving vertaald en verder uitgewerkt naar een landschappelijke inpassing.
2.1 Bestaande situatie De locatie is gelegen aan de Laarbroek, maar ligt op zo een 140 meter achter de overige lintbebouwing. Daarmee is de ligging uniek te noemen. De bedrijfsgebouwen liggen tegen de bosrand aan welke zorgt voor een robuuste en zeer aanwezige groene border. Aan de voorzijde ligt een grote open akker welke de gemeente graag open wil houden. Deze akker is niet in eigendom van de initiatiefnemers. Gelet op de beperkte ruimte is het hier niet mogelijk om een groene singel aan te leggen. Bij realisatie van de oprit zijn langs de gehele zijde rododendrons geplaats. De voorkeur was in eerste instantie om hier een bomenrij te plaatsen. Dit zou echter veel schaduwwerking veroorzaken op de naastgelegen akker, wat inkomstenderving tot gevolg zou hebben. In overleg met de agrariër zijn er daarom geen bomen geplaatst. De paddocks aan de voorzijde van het bedrijf zijn aan de voorzijde voorzien van enkele sierconiferen. Aan de linkerzijde op 5 meter afstand van de perceelsgrens zijn een drietal beuken geplaatst. Op het terrein zelf zijn groene borders in een grasstrook tegen de paddocks aangelegd welke omzoomd zijn door bielzen. In de borders is sierbeplanting gerealiseerd waarbij heesters, coniferen, buxus, bodembedekkers, bloemen en kruiden elkaar afwisselen.
De buitenbak is aan de noordzijde voorzien van een wintergroene buffer met laurier om zo de stallen van de voormalige varkenshouderij uit het zicht te onttrekken. Hierdoor is de buitenbak vanaf de straatzijde niet zichtbaar. De westzijde is eveneens voorzien van een laurier en er staan een 5-tal wilgenbomen. De waterberging is landschappelijk ingepast door een klimop. De oost en zuid zijde zijn voorzien van groene borders ingeplant met o.a. bloesem, heesters, gemengde bloemen en verschillende bodembedekkers. Het soorten sortiment is zodanig gekozen dat het hele jaar rond een groene en kleurrijke omgeving aanwezig is. De privétuin en de stapmolen zijn vanaf de straatzijde niet zichtbaar. Desondanks zijn ook deze met wintergroene groen-elementen zorgvuldig ingepast:
2.1 Nog te realiseren landschappelijke inpassingen Bovenop het bestaande groen willen initiatiefnemers verder investeren in de landschappelijke inpassing van het bedrijf. In deze paragraaf wordt hier verder op ingegaan. Uitgaande van de ligging in de omgeving, de ruimtelijke wensen en de wensen vanuit uitstraling en bedrijfsvoering bestaat het inpassingsplan (zie afbeelding 3 en bijlage 1) uit de volgende onderdelen: • Realisatie van een haag voor de paddocks. De solitaire coniferen worden verwijderd. Lengte betreft circa 50 meter. • Realisatie van een blokhaag rondom de stapmolen en nog aan te leggen longeercirkel. De bestaande coniferenhaag wordt verwijderd en vervangen. Oppervlakte betreft circa 240 m2. Aan de zijde van het bos blijft een doorgang beschikbaar om de longeercirkel te kunnen slepen. • Versterking van de bosstrook aan de zuidzijde van het perceel tegen de Keskesweg als overgang van het bos naar de bedrijfslocatie, door aanplant van een aantal extra stuks bosplantsoen. Met deze toevoegingen is het zicht op de locatie vanuit het omliggende landschap sterk beperkt. • Aan de zuidzijde ligt bestaand bos, met de versterking van de bosstrook wordt een goede overgang gecreëerd en het bedrijf vanaf de Keskesweg verder ingepast. • Aan de westzijde is de rijbak al groen ingepast en dit wordt aangevuld voor de stapmolen en nog aan te leggen longeercirkel.
• Aan de noordzijde ontbreekt nog een inpassing, deze wordt met dit plan aangevuld door de realisatie van een haag. • Aan de oostzijde wordt het beeld op de bedrijfsgebouwen onttrokken door de aanwezige bedrijfswoning met het daarbij behorende groen.
Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode
6
Landschappelijke inpassing Laarbroek 5, Asten
De optelsom van het bestaande groen en het nieuw te realiseren groen komt daarmee ver boven de 50% inpassing wat de gemeente Asten als voorwaarde stelt.
Afbeelding 3: Het inpassingsplan met de landschappelijke inrichting
2.2 Toe te passen beplantingstypen In afbeelding 3 is het inpassingsplan verder uitgewerkt op tekening. Hieronder wordt verder ingegaan op de technische details.
2.2.1 Aanplant van een bladverliezende haag Locatie: • Voorzijde paddock • Rondom stapmolen en nog te realiseren longeercirkel Soortkeuze: Er worden 1 type haag toegepast om een uniform beeld te creëren: • Haag van Fagus sylvatica (beuk), met als eindbeeld een hoogte 1,5 meter hoogte. Aanplant vindt plaats met haagplantsoen in de maat 60-80. Aandachtspunten bij aanleg: • Planten leveren in de maat 60-80 als wortelgoed met NAKB-certificaat en inheemse afstamming. • Een plantstrook (1 meter breed bij de paddocks, blokhaag complete oppervlakte) spitten (tot circa 60 centimeter diepte) en verbeteren met uitgerijpte schimmeldominante humuscompost (2m3 per are). • Haag voor de paddocks: Planten in wildverband (versprongen rijen) in 2 rijen. 7 stuks per strekkende meter. • Haag voor de paddocks: Planten op een afstand van minimaal 1,5 meter van de erfgrens. • Haag om de stapmolen/longeercirckel: Planten in wildverband (versprongen rijen). 12 stuks per m2. Nazorg na aanplant: • Watergeven van de hagen in de 1ste 2 jaar na aanplant op basis van noodzaak (monitoring noodzakelijk) Deze rapportage is opgesteld door Kettu bv uit Sint-Oedenrode