C Regels Verzamelplan 2020-2 (vast te stellen) incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
in een bedrijfsplan dient te worden aangetoond welke bedrijfsgebouwen noodzakelijk zijn voor de hergebruikfunctie. Overtollige voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die niet voor de nieuwe functie wordt gebruikt, dient te worden gesloopt, tenzij de gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben; f.
er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden;
27
g. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; h. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; i.
er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
j.
een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling;
k. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 16 omschreven aanduidingsregels; l.
er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
m. het bestemmingsvlak met de bestemming 'Bedrijf' en/of het bouwvlak worden verkleind tot een omvang die passend is voor een bedrijf in het buitengebied. De overige gronden krijgen de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden'. 3.6.7
Oppervlakte teeltondersteunende kassen
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van gronden zodanig wijzigen, dat het oprichten van teeltondersteunende kassen (niet zijnde een glastuinbouwbedrijf) van meer dan 1.000 m2 kan worden toegestaan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de gronden zijn niet gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – groenblauwe mantel’ en/of ‘overige zone – NNB’; b. de teeltondersteunende kassen staan ten dienste aan een vollegrondstuinbouwbedrijf; c. de oppervlakte van teeltondersteunende kassen mag niet groter zijn dan 5.000 m2; d. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; e. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven doeleinden.
28
Artikel 4 Verkeer 4.1
Bestemmingsomschrijving
4.1.1
Algemeen
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verkeersdoeleinden in de vorm van een gebiedsontsluitingsweg ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - gebiedsontsluitingsweg'; met de daarbij behorende: b. groenvoorzieningen; c. faunapassages, wildbegeleidende en wildbeschermingsvoorzieningen; d. geluidswerende voorzieningen; e. parkeervoorzieningen; f.
wandel- en/of fietspaden;
g. openbare nutsvoorzieningen; h. bermen; i.
waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.1.2
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 19.3. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Toegestane bebouwing
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming, alsmede gebouwen ten dienste van openbare nutsvoorzieningen. 4.2.2
Gebouwen
Gebouwen ten dienste van openbare nutsvoorzieningen dienen aan het volgende te voldoen: a. de oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 10 m2; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 15 m.
29
Artikel 5 Water 5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Algemeen
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterlopen en watergangen; b. waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.1.2
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 19.3. 5.2
Bouwregels
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming met een maximale bebouwingshoogte van 2 m.
30
Artikel 6 Wonen - 1 6.1
Bestemmingsomschrijving
6.1.1
Algemeen
De voor 'Wonen-1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woondoeleinden, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen; b. hobbymatig agrarisch gebruik als ondergeschikte functie aan de woning; met de daarbij behorende: c. tuinen, erven en verhardingen; d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; e. parkeren. 6.1.2
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit 19.3. 6.2
Bouwregels
6.2.1
Toegestane bebouwing
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat per bestemmingsvlak maximaal één woning is toegestaan. 6.2.2
Maatvoering
De bouwwerken dienen te voldoen aan de volgende maatvoeringseisen: Bouwwerken
Minimaal
Maximaal
Afstand tot de as van de weg
15 m
N.v.t.
Woningen
Minimaal
Maximaal
Goothoogte
n.v.t.
7m
Nokhoogte
n.v.t.
10 m
Inhoud, incl. aangebouwde bijgebouwen
n.v.t.
1000 m³
Afstand tot de perceelsgrens
3m
n.v.t.
met dien verstande dat voor zover de bouwwerken binnen een bouwvlak zijn gelegen geen regels gelden t.a.v. de afstand tot de as van de weg.
Vrijstaande bijgebouwen bij woningen
Minimaal
Maximaal
Gezamenlijke oppervlakte per woning
n.v.t.
125 m²
Goothoogte
n.v.t.
3m
31
Nokhoogte
n.v.t.
5,5 m
Afstand achter de voorgevel (en het verlengde
5m
n.v.t.
Afstand tot woning
1,5 m
25 m
Overige bouwwerken
Maximaal
daarvan) van de woning
Hoogte erfafscheidingen
Voor de voorgevelrooilijn: 1 m Overige: 2 m
Hoogte van carports c.q. overkappingen
3m
Oppervlakte van carports c.q. overkappingen
20 m²
Hoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde
6m
waarbij herbouw van bestaande woningen uitsluitend is toegestaan indien en voor zover: a. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezig) bestaande fundamenten; b. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn; c. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in dit lid in acht wordt genomen. 6.3
Afwijken van de bouwregels
6.3.1
Herbouw
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde de voorgevel van een te herbouwen woning te kunnen plaatsen buiten de bestaande fundamenten. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar; b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning; c. door de herbouw wordt het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen van de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnsregelgeving; e. het bepaalde ten aanzien van de maatvoering in 6.2.2 wordt in acht genomen. 6.3.2
Maatvoering carports c.q. overkappingen
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde voor carports c.q. overkappingen een hogere bouwhoogte toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van carports c.q. overkappingen mag niet meer bedragen dan 5,5 m.; b. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 16 omschreven aanduidingsregels.
32
6.3.3
Minimale afstand tot de weg/perceelsgrens/woning
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg en/of de voorgeschreven minimum afstand tot een perceelsgrens en/of de minimum afstand van bijgebouwen achter de voorgevel (en het verlengde daarvan) van de bedrijfswoning te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering (voor zover het een recreatiebedrijf betreft) en/of een doelmatige perceelsinrichting en/of de uitbreiding van of aansluiting op aanwezige bebouwing met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering, moet aanwezig zijn; b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden; c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven; d. de wegbeheerder dient te worden gehoord; e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast; f.
aangetoond dient te worden dat de externe veiligheid kan worden gewaarborgd;
g. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 16 omschreven aanduidingsregels; h. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder. 6.4
Specifieke gebruiksregels
6.4.1
Strijdig gebruik
Als met de bestemming strijdig gebruik geldt in ieder geval het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor: a. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten; b. detailhandel; c. verblijfsrecreatie; d. seksinrichtingen; e. gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte, met uitzondering van gebruik dat op basis van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 6.5.3 is toegestaan; f.
kamerverhuur ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten.
6.4.2
Aan huis verbonden beroep
De uitoefening van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in 6.1 is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m2; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep;
33
e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; f.
de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
6.5
Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1
Bed & breakfast
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.4.1 teneinde als nevenactiviteit bij een woning, bed & breakfast-voorzieningen en dergelijke toe te staan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. bed & breakfast vindt plaats in de woning en de daarbij behorende bijgebouwen; b. ten behoeve van bed & breakfast zijn maximaal 10 slaapplaatsen per woning toegestaan; c. indien en voor zover er sprake is van cultuurhistorische waarden, mogen deze cultuurhistorische waarden door verlenen van de omgevingsvergunning voor afwijken niet onevenredig worden aangetast; d. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; e. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; f.
het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
g. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; h. de met omgevingsvergunning verleende afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in Artikel 16 omschreven aanduidingsregels. 6.5.2
Aan huis verbonden bedrijf
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.4.1 onder a. ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 200 m2 in bestaande bebouwing; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; d. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de omgeving; f.
de activiteit mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
g. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; h. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling.
34
6.5.3
Mantelzorg
Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor het gebruik van een bestaand bouwwerk ten behoeve van mantelzorg, zolang dit ten dienste staat van de functie wonen, onder de voorwaarden dat: a. als het gebruik betrekking heeft op een vrijstaand bijgebouw 1. dit een maximale oppervlakte van 125 m2 heeft of het gebruik t.b.v. mantelzorg een oppervlakte beslaat van maximaal 125 m2; en 2. het qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning; b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan; c. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; d. een verzoek om toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid wordt schriftelijk ingediend en uit de aanvraag blijkt de behoefte aan mantelzorg. Voorts dient de vergunninghouder of een andere betrokkene, de gemeente binnen een redelijke termijn te informeren als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend is beëindigd. Het betreffende (gedeelte van het) gebouw moet binnen een redelijke termijn weer geschikt worden gemaakt voor de oorspronkelijke functie. Als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, eindigt, trekt het bevoegde gezag deze omgevingsvergunning in.
35
Artikel 7 Wonen - 2 7.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen-2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. daarbij behorende voorzieningen; c. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; d. parkeren. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 19.3. 7.2
Bouwregels
7.2.1
Algemeen
Op de voor ‘Wonen-2’ aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. vrijstaande, geschakelde, halfvrijstaande en aaneengesloten woningen; b. bijgebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.2.2 a.
Regels ter plaatse van het bouwvlak
Hoofdgebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd en bijgebouwen mogen in het bouwvlak worden gebouwd.
b.
Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
c.
Per bouwvlak mag maximaal één woning worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximaal aantal woningen’ het aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven.
d.
De voorgevelbreedte van een woning dient ten minste 5,00 meter te bedragen.
e.
De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6,50 meter tenzij anders aangeduid.
f.
De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11,50 meter tenzij anders aangeduid.
7.2.3 a.
Regels ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’
Ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
b. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag het vlak volledig worden bebouwd, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding: 1. 'maximum bebouwd oppervlak' met waarde 60 m2, waar per hoofdgebouw niet meer dan 60 m2 aan bouwwerken tot maximaal 50% van het bij de woning behorende vlak mag worden opgericht; 2. 'maximum bebouwd oppervlak' met waarde 90 m2, waar per hoofdgebouw niet meer dan 90 m2 aan bouwwerken tot maximaal 50% van het bij de woning behorende vlak mag worden opgericht; 3. 'maximum bebouwd oppervlak' met waarde 120 m2, waar per hoofdgebouw niet meer dan 120 m2 aan bouwwerken tot maximaal 50% van het bij de woning behorende vlak mag worden opgericht.
36
c.
De goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,25 meter tenzij anders aangeduid.
d.
Bijgebouwen mogen worden afgedekt met een kap mits de bouwhoogte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 5,50 meter tenzij anders aangeduid.
e.
Brandgangen dienen vrij te blijven van bebouwing tot een minimale breedte van 1,20 meter.
7.2.4 a.
Overige regels met betrekking tot bebouwing
Het bouwvlak c.q. de voorgevelrooilijn mag niet door bebouwing worden overschreden, met uitzondering van overschrijding ten behoeve van: 1. de bouw van erkers en balkons, mits: - de breedte maximaal 40% van de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak bedraagt; - de diepte van de erker niet meer dan 1,00 meter bedraagt; - de hoogte van de erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag bedraagt; - de afstand tot de bestemming ‘Verkeer’ of ‘Groen’ niet minder dan 3,00 meter bedraagt; 2. luifels boven de voordeur mits: - de breedte maximaal 150% van de breedte van de voordeur bedraagt; - de diepte niet meer bedraagt dan 1,00 m; - de afstand tot de bestemming Verkeer niet minder dan 3.00 meter bedraagt; 3. de bouw van één carport, met dien verstande dat: - de carport minimaal 1,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen; - de oppervlakte max. 25 m² buiten het bouwvlak en aanduiding ‘bijgebouwen’ bedraagt; - indien de carport is gelegen op de hoek van een hoekperceel de afstand tot de bestemming verkeersdoeleinden minimaal 2,00 meter bedraagt.
b.
Binnen het bestemmingsvlak mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3,25 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte niet meer dan 1,00 meter mag bedragen of niet meer dan 2,00 meter indien: 1. gelegen minimaal 1,00 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw, uitgezonderd bij hoekpercelen, waarvoor geldt minimaal 3,00 meter achter de voorgevel en 45 graden uit de hoek van de achterliggende woning en; 2. gelegen minimaal 1,00 meter uit de bestemming ‘Verkeer’ of ‘Groen’.
c.
Aan de van de weg afgekeerde zijde (achterzijde) van het bouwvlak mag een dakterras opgericht worden, mits: 1. het dakterras gerealiseerd wordt op een bijgebouw; 2. de breedte niet meer bedraagt dan de breedte van het hoofdgebouw; 3. de hoogte van de afscheiding maximaal 1,20 meter boven de goothoogte van het bijgebouw bedraagt; 4. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
37
7.2.5
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, nadere eisen stellen conform het bepaalde in artikel 14.3. 7.3
Afwijken van de bouwregels
7.3.1
Afwijking voor het overschrijden van de toegestane oppervlakte aan
bijgebouwen Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van een groter dan het toegelaten oppervlak aan bijgebouwen, onder de voorwaarden dat: a. de oppervlakte aan bijgebouwen met niet meer dan 20% wordt overschreden; b. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag het vlak voor niet meer dan 50% worden bebouwd; c. een door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur een advies heeft uitgebracht; d. de noodzaak vanuit een goede of doelmatige functionele, stedenbouwkundige, bouwkundige of architectonische inpassing wordt aangetoond; e. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan; f.
belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
7.3.2
Afwijking voor het overschrijden van de maximale hoogte van
erfafscheidingen Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van erfafscheidingen met een hoogte van maximaal 2,00 meter op een afstand van minder dan 1,00 meter uit de bestemming Verkeer of Groen onder de voorwaarden dat: a. de erfafscheiding minimaal 1,00 meter achter de lijn in het verlengde van de feitelijke voorgevel van de woning (gelet op de oriëntatie van de woning en situering van de woning op het perceel) ligt; b. gelet op de situering en/of wijze van uitvoering van de erfafscheiding, geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid ontstaan; c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan; d. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7.4
Specifieke gebruiksregels
7.4.1
Specifieke gebruiksregels van de gronden
Onder strijdig gebruik wordt verstaan het gebruik van de gronden anders dan voor: a.
parkeren ter plaatse van een oprit;
b.
groen en/of tuin;
c.
oppervlakteverhardingen;
d.
opslag, overeenkomstig het normale toegelaten gebruik.
7.4.2
Specifieke gebruiksregels van de opstallen
Onder strijdig gebruik wordt verstaan het gebruik van de opstallen: a. voor bewoning, indien het een vrijstaand bijgebouw betreft, met uitzondering van gebruik dat op basis van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 7.5.2 is toegestaan;
38
b. voor kamerverhuur behoudens wanneer middels een afwijking toestemming is verleend; c. voor ambachtelijke doeleinden behoudens wanneer middels een afwijking toestemming is verleend; d. industriële doeleinden; e. als beroepsmatige werk- en/of opslagruimte; f.
voor bedrijfsdoeleinden;
g. voor detailhandel; h. voor groothandel; i.
voor dienstverlening;
j.
voor horeca;
k. voor kantoren; l.
voor recreatie;
m. als verkooppunt voor motorbrandstoffen of andere explosiegevaarlijke stoffen; n. als seksinrichting of escortbedrijf; o. voor opslag, anders dan in verband met het toegestane gebruik, die valt onder de Wet milieubeheer. 7.5
Afwijken van de gebruiksregels
7.5.1
Afwijking voor een aan huis gebonden beroep, aan huis gebonden
bedrijf of ambachtelijk bedrijf Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken voor het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep, aan huis gebonden bedrijf of ambachtelijk bedrijf, mits voldaan wordt aan de voorwaarden dat: a. de (bedrijfs)activiteiten zich beperken tot een oppervlakte van maximaal 50 m² onder de voorwaarde dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; b. de activiteiten uitsluitend door de bewoner uitgevoerd worden; c. de activiteiten qua aard en omvang passen in een woonomgeving waarbij de activiteiten geen ernstige of onevenredige hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving; d. de activiteiten niet vergunningsplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer; e. het aan huis gebonden bedrijven betreft zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels of het bedrijfsactiviteiten betreffen van categorie 1-bedrijven volgens de toegesneden Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 is opgenomen bij deze regels, dan wel naar oordeel van Burgemeester en wethouders daarmee vergelijkbare activiteiten; f.
er geen detailhandel ter plaatse plaatsvindt, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane gebruik;
g. het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; h. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
39
7.5.2
Mantelzorg
Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor het gebruik van een bestaand bouwwerk ten behoeve van mantelzorg, zolang dit ten dienste staat van de functie wonen, onder de voorwaarden dat: a. als het gebruik betrekking heeft op een vrijstaand bijgebouw 1. dit een maximale oppervlakte van 80 m2 heeft of het gebruik t.b.v. mantelzorg een oppervlakte beslaat van maximaal 80 m2; en 2. het qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning; b. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan; c. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; d. een verzoek om toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid wordt schriftelijk ingediend en uit de aanvraag blijkt de behoefte aan mantelzorg. Voorts dient de vergunninghouder of een andere betrokkene, de gemeente binnen een redelijke termijn te informeren als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend is beëindigd. Het betreffende (gedeelte van het) gebouw moet binnen een redelijke termijn weer geschikt worden gemaakt voor de oorspronkelijke functie. Als het gebruik waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, eindigt, trekt het bevoegde gezag deze omgevingsvergunning in.
40
Artikel 8 Leiding – Water 8.1
Bestemmingsomschrijving
8.1.1
Algemeen
De voor ‘Leiding – Water’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een waterleiding, een en ander met bijbehorende voorzieningen. 8.1.2
Bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen bestemmingen, dubbelbestemmingen
en
aanduidingen,
zijn
mede
de
desbetreffende
regels
van
toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 19.3. 8.2
Bouwregels
Op de in 8.1 bedoelde gronden zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken ten dienste van de leiding, zoals meet- en regelkasten, afsluiterputten en dergelijke. 8.3
Afwijken van de bouwregels
Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en) toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leiding geen
bezwaar
bestaat.
Dienaangaande
wordt
voor
de
verlening
van
de
omgevingsvergunning voor het bouwen door bevoegd gezag een advies ingewonnen bij de leidingbeheerder. Voorts zijn de regels van de andere op deze gronden liggende bestemming(en) van toepassing. 8.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1
Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in het schema onder 8.4.4 opgenomen vergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren. 8.4.2
Uitzonderingen
Het onder 8.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren op grond van voorgaand bestemmingsplan; c. welke betreffen het normale onderhoud van de leiding.
41
8.4.3
Voorwaarden omgevingsvergunning
De in 8.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de in 8.4.1 opgenomen toetsingscriteria. 8.4.4
Vergunningsplichtige werken/werkzaamheden
criteria voor vergunningverlening -
-
het aanleggen van wegen of paden
door de genoemde werken en werkzaamheden
en het aanbrengen van andere
mogen geen veiligheidsrisico's ontstaan en de
oppervlakteverhardingen;
betreffende leiding niet worden aangetast.
het uitvoeren van
Dienaangaande vraagt bevoegd gezag advies
graafwerkzaamheden;
van de leidingbeheerder.
het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen;
-
het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
-
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
-
het vellen of rooien van houtgewas.
42
Artikel 9 Waarde – Archeologie 1 9.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde –Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de op of in deze gronden aanwezige en of te verwachten archeologische monumenten. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. 9.2
Bouwregels
9.2.1
Verbod
Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor Waarde – Archeologie 1 (mede)bestemde gronden. 9.2.2
Uitzonderingen
1. Het onder 9.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en/of parkeergarages; of gebouwen tot maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht; b. een bouwwerk dat geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt; c. een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 100 m² of minder diep reikt dan 0,4 meter beneden maaiveld; d. bebouwing welke nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 meter; e. gronden die reeds verstoord zijn op een diepte van meer dan 0,4 meter beneden maaiveld. f.
gronden waarvan op basis van eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen behoudenswaardige archeologica is aangetroffen.
2. Burgemeester en wethouders zijn ingeval van verlening van een omgevingsvergunning bevoegd een daartoe aangewezen partij toestemming te verlenen om archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van het bouwwerk. 9.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders zijn bij omgevingsvergunning bevoegd af te wijken van het bepaalde in 9.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen indien en voor zover: a. de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarvan oppervlakte groter is dan 100 m² en de diepte van de bodemingreep meer bedraagt dan 0,4 meter beneden maaiveld en een en ander op basis van archeologisch onderzoek ofwel is aangetoond dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad,
43
dan wel schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning te verbinden regels; b. bij het afwijken als bedoeld onder a. kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals het al of niet bouwen van (parkeer)kelders, alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; 4. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 9.4
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 9.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:
9.5.1
Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde – Archeologie 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook worden gerekend het woelen, mengen, diepploegen en ontginnen; b. het verlagen of afgraven, het ophogen en het egaliseren van gronden; c. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verlagen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt; f.
het afplaggen van heide- of natuurgebieden ten behoeve van natuurontwikkeling;
g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvan de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 meter bedragen;
44
i.
het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
j.
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen. 9.5.2
Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld onder 9.5.1 is niet van toepassing indien de werken of werkzaamheden: a. een oppervlakte hebben die kleiner is dan 100 m², tenzij het werken betreft genoemd onder 9.5.1 onder e. en f.; b. op basis van archeologisch onderzoek aantonen dat geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; c. betrekking hebben op normaal onderhoud en agrarisch bodemgebruik; d. betrekking hebben op onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen en bijbehorende werken zoals gemalen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; e. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; f.
archeologisch onderzoek betreffen;
g. worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende (omgevings)vergunning. 9.5.3
Voorwaarden omgevingsvergunning
De in 9.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de archeologische waarde(n) op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. aanvrager dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is zeker gesteld of geen archeologische waarden aanwezig zijn, tenzij naar haar oordeel de archeologische waarde in andere informatie voldoende is zeker gesteld. b. aan de vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek, of de verplichting de activiteit die leidt tot bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; 4. de verplichting om aan te geven hoe wordt omgegaan met (toevals)vondsten die gedaan worden tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 9.6
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door : a. op de verbeelding de bestemmingsaanduiding Waarde–Archeologie 1 geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek is
45
aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel niet behoudenswaardig zijn; b. de verbeelding van het plan zodanig te wijzigen dat het bestemmingsvlak naar ligging wordt verschoven, dan wel naar omvang wordt vergroot of verkleind, of van de verbeelding wordt verwijderd voor zover de middels archeologisch onderzoek geconstateerde archeologische waarde daartoe aanleiding geeft; c. de oppervlaktes en/of de dieptes van de bodemingreep zoals opgenomen in deze regels te veranderen en/of hier desgewenst een extra aanduiding voor op te nemen indien dat op basis van nader verkregen archeologisch kennis noodzakelijk en/of mogelijk is.
46
Artikel 10 10.1
Waarde – Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
10.1.1 Algemeen De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de op of in deze gronden aanwezige en/of te verwachten archeologische monumenten. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. 10.2
Bouwregels
10.2.1 Verbod Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde – Archeologie 2’ (mede) bestemde gronden. 10.2.2 Uitzonderingen a. Het onder 10.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: 1. vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en/of parkeergarages, of gebouwen die tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; 2. een bouwwerk dat geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt; 3. een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 250 m2 of dat minder diep reikt dan 0,4 m beneden maaiveld; 4. bebouwing welke nodig is voor archeologisch onderzoek, met een maximale bouwhoogte van 3 m; 5. gronden waarvan op basis van eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen behoudenswaardige archeologica is aangetroffen. b. Bevoegd gezag is ingeval van verlening van een omgevingsvergunning bevoegd een daartoe aangewezen partij toestemming te verlenen om archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van het bouwwerk. 10.3
Afwijken van de bouwregels
Bevoegd gezag is bij omgevingsvergunning bevoegd af te wijken van het bepaalde in 10.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen indien en voor zover: a. de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarvan de oppervlakte groter is dan 250 m2 en de diepte van de bodemingrepen meer bedraagt dan 0,4 m beneden maaiveld en een en ander op basis van archeologisch onderzoek ofwel is aangetoond dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad,
47
dan wel schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning te verbinden regels; b. bij het afwijken als bedoeld onder a. kan bevoegd gezag de volgende regels verbinden: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals het al of niet bouwen van (parkeer)kelders, alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
2.
verplichting tot het doen van opgravingen;
3.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologische deskundige;
4.
richtlijnen geven omtrent de wijze waarop wordt omgegaan met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
10.4
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 10.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m beneden maaiveld: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook wordt gerekend het woelen, mengen, diepploegen en ontginnen; b. het verlagen of afgraven, het ophogen en het egaliseren van gronden; c. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verlagen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt; f.
het afplaggen van heide- of natuurgebieden ten behoeve van natuurontwikkeling;
g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvan de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 m bedraagt; i.
het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
48
j.
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen. 10.5.2 Uitzonderingen Het
verbod
als
bedoeld
in 10.5.1 is
niet
van
toepassing
indien
de
werken
of
werkzaamheden: a. een oppervlakte hebben die kleiner is dan 250 m2, tenzij het werken betreft genoemd in 10.5.1 onder e. en f.; b. op basis van archeologisch onderzoek aantonen dat geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; c. betrekking hebben op normaal onderhoud en agrarisch bodemgebruik; d. betrekking hebben op onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen en bijbehorende werken zoals gemalen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; e. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; f.
archeologisch onderzoek betreffen;
g. worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende (omgevings)vergunning. 10.5.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De in 10.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de archeologische waarde(n) op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. aanvrager dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is zeker gesteld of geen archeologische waarden aanwezig zijn, tenzij naar haar oordeel de archeologische waarde in andere informatie voldoende is zeker gesteld; b. aan de vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek, of de verplichting de activiteit die leidt tot bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; 4. de verplichting om aan te geven hoe wordt omgegaan met (toevals)vondsten die gedaan worden tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 10.6
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door: a. de bestemmingsaanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’ geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de
49
betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel niet behoudenswaardig zijn; b. het bestemmingsvlak naar ligging wordt verschoven, dan wel naar omvang wordt vergroot of verkleind, of wordt verwijderd voor zover de middels archeologisch onderzoek geconstateerde archeologische waarde daartoe aanleiding geeft; c. de oppervlaktes en/of dieptes van de bodemingreep zoals opgenomen in deze regels te veranderen en/of desgewenst een extra aanduiding voor op te nemen indien dat op basis van nader verkregen archeologische kennis noodzakelijk en/of mogelijk is.
50
Artikel 11 11.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de op of in deze gronden aanwezige en of te verwachten archeologische monumenten. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. 11.2
Bouwregels
11.2.1 Verbod Het is verboden te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde – Archeologie 3’ (mede)bestemde gronden. 11.2.2 Uitzonderingen 1. Het onder 11.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders en/of parkeergarages; of gebouwen tot maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht; b. een bouwwerk dat geen bodemverstorende activiteiten met zich meebrengt; c. een bouwwerk waarvan de oppervlakte kleiner is dan 2500 m² of minder diep reikt dan 0,4 meter beneden maaiveld; d. bebouwing welke nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 meter; e. gronden die reeds verstoord zijn op een diepte van meer dan 0,4 meter beneden maaiveld; f.
gronden waarvan op basis van eerder archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen behoudenswaardige archeologica is aangetroffen.
2. Burgemeester en wethouders zijn ingeval van verlening van een omgevingsvergunning bevoegd een daartoe aangewezen partij toestemming te verlenen om archeologische waarnemingen te doen ten tijde van de graafwerkzaamheden ten behoeve van het bouwwerk. 11.2.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bij omgevingsvergunning bevoegd af te wijken van het bepaalde in 11.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen indien en voor zover: a. de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk waarvan oppervlakte groter is dan 2500 m² en de diepte van de bodemingreep meer bedraagt dan 0,4 meter beneden maaiveld en een en ander op basis van archeologisch onderzoek ofwel is aangetoond dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad, dan wel schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door aan de omgevingsvergunning te verbinden regels;
51
b. bij het afwijken als bedoeld onder a. kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals het al of niet bouwen van (parkeer)kelders, alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; 4. richtlijnen geven omtrent de wijze waarop omgegaan wordt met (toevals)vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 11.2.4 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 11.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
11.3.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte groter dan 2500 m² en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook worden gerekend het woelen, mengen, diepploegen en ontginnen; b. het verlagen of afgraven, het ophogen en het egaliseren van gronden; c. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verlagen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt; f.
het afplaggen van heide- of natuurgebieden ten behoeve van natuurontwikkeling;
g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarvan de breedte van de grondwerken meer dan 0,5 meter bedragen; i.
het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
j.
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
52
k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen. 11.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld onder 11.3.1 is niet van toepassing indien de werken of werkzaamheden: a. een oppervlakte hebben die kleiner is dan 2500 m², tenzij het werken betreft genoemd onder 11.3.1 onder e. en f.; b. op basis van archeologisch onderzoek aantonen dat geen archeologische waarden aanwezig zijn dan wel de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; c. betrekking hebben op normaal onderhoud en agrarisch bodemgebruik; d. betrekking hebben op onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen en bijbehorende werken zoals gemalen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; e. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; f.
archeologisch onderzoek betreffen;
g. worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende (omgevings)vergunning. 11.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning De in 11.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de archeologische waarde(n) op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. aanvrager dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is zeker gesteld of geen archeologische waarden aanwezig zijn, tenzij naar haar oordeel de archeologische waarde in andere informatie voldoende is zeker gesteld. b. aan de vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting tot het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek, of de verplichting de activiteit die leidt tot bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 4. de verplichting om aan te geven hoe wordt omgegaan met (toevals)vondsten die gedaan worden tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 11.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door: a. op de verbeelding de bestemmingsaanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’ geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel niet behoudenswaardig zijn;
53
b. de verbeelding van het plan zodanig te wijzigen dat het bestemmingsvlak naar ligging wordt verschoven, dan wel naar omvang wordt vergroot of verkleind, of van de verbeelding wordt verwijderd voor zover de middels archeologisch onderzoek geconstateerde archeologische waarde daartoe aanleiding geeft. c. de oppervlaktes en/of de dieptes van de bodemingreep zoals opgenomen in deze regels te veranderen en/of hier desgewenst een extra aanduiding voor op te nemen indien dat op basis van nader verkregen archeologisch kennis noodzakelijk en/of mogelijk is.
54
Artikel 12 12.1
Waterstaat - Waterlopen
Bestemmingsomschrijving
12.1.1 Algemeen De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. behoud en bescherming van de watergang; b. taluds, oevers en onderhoudsstroken. 12.1.2 Bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 19.3. 12.2
Bouwregels
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming, met een maximale bouwhoogte van 3 m. 12.3
Afwijken van de bouwregels
Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.2 voor de bouw van bouwwerken voor zover deze zijn toegestaan binnen de andere daar voorkomende bestemming(en), mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterstaatsbelangen; b. er dient vooraf schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de watergang.
55
HOOFDSTUK 3 Artikel 13
ALGEMENE REGELS
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
56
Artikel 14 14.1
Algemene bouwregels
Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten
14.1.1 Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met een voor het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aangevraagde vergunning of anderszins legaal zijn gerealiseerd, meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 14.1.2 In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met een voor het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aangevraagde vergunning of anderszins legaal zijn gerealiseerd, minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 14.1.3 In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 14.1.1 en 14.1.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 14.2
Ondergronds bouwen
14.2.1 Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 14.2.2 Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder gebouwen; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met een hellingbaan met een oppervlakte van maximaal 25 m²; c. in de voorgevelrooilijn en/of bij hoekpercelen tevens de zijdelingse perceelsgrens is ten hoogste één toegang van buitenaf toegestaan met een maximale breedte van 3,50 meter; d. in aanvulling op het bepaalde sub a en b is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden: -
het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
57
-
het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen als opgenomen in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming in acht wordt genomen;
-
het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
-
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil;
-
bij het berekenen van de blijkens de plankaart of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.
14.2.3 Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.2.2 sub d voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat: -
de waterhuishouding niet wordt verstoord;
-
geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
14.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, nadere eisen stellen aan de situering en afmetingen van bouwwerken, met een maximum afwijkingspercentage van 10%, indien dit noodzakelijk is, ter voorkoming van onevenredige nadelige gevolgen voor de milieusituatie, verkeersveiligheid, sociale veiligheid en gebruiksmogelijkheden en/of privacy van aangrenzende gronden, dan wel voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het na te streven stedenbouwkundige beeld. 14.4
Parkeren
Bij nieuw- of verbouw of wijziging van het gebruik dient de inrichting van de gronden zodanig plaats te vinden, dat wordt voldaan aan de op moment van aanvraag geldende gemeentelijke parkeernormen. 14.5
Waterhuishouding
14.5.1 Bij nieuw-, her- of verbouw of wijziging van het gebruik dient de inrichting van de gronden zodanig plaats te vinden, dat wordt voldaan aan de eisen uit het op moment van aanvraag geldende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). 14.5.2 Als er op grond van het GRP maatregelen moeten worden getroffen, dan is de initiatiefnemer of aanvrager verplicht om deze maatregelen te realiseren en in stand te houden.
58
Artikel 15 15.1
Algemene gebruiksregels
Voorwaardelijke verplichting
a. Voor zover het de gronden betreft waarvoor in de bijlage(n) een beplantingsplan is opgenomen, wordt tot een met het plan strijdig gebruik in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de aan de gronden toegekende bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform de in bijlage opgenomen beplantingsplannen, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing; b. Voor zover het de gronden waarvoor in de bijlage(n) een beplantingsplan is opgenomen, mogen gronden en bouwwerken in afwijking van het bepaalde onder a overeenkomstig de aan de gronden toegekende bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage opgenomen beplantingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
59
Artikel 16 16.1
Algemene aanduidingsregels
Overige zone – landschapselement
Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – landschapselement’ zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van de aanwezige landschapselementen. 16.2
Vrijwaringszone - radar
16.2.1 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' mag, in afwijking van hetgeen binnen de diverse bestemmingen is toegestaan, de bouwhoogte van bouwwerken de hoogte van 65 m + NAP niet overschrijden. 16.2.2 Afwijken van de bouwregels Bevoegd gezag kan met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.2.1 ten behoeve van een hogere bouwhoogte, onder de voorwaarde dat de radar niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed. Hierover dient vooraf schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de radar (de regionale directie van de Dienst Vastgoed Defensie van het Ministerie van Defensie). 16.3
Wetgevingzone - beperkingen veehouderij
16.3.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - beperkingen veehouderij': a. is uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan, behoudens indien sprake is van een grondgebonden veehouderij; b. is toename van de bestaande bebouwing, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en) niet toegestaan.
60
Artikel 17 17.1
Algemene afwijkingsregels
Evenementen
Bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken teneinde het tijdelijk gebruik van de gronden binnen de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' voor evenementen toe te staan, anders dan evenementen die betrekking hebben op grond van het binnen de bestemming toegestane gebruik. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. er dient sprake te zijn van een evenement in de vorm van een voor publiek toegankelijke uitvoering / verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak en/of aan een dergelijk evenement gerelateerde kampeervoorzieningen; b. het evenement duurt maximaal 3 (aaneengesloten) dagen en mag maximaal 2 keer per jaar plaatsvinden; c. detailhandel is niet toegestaan, behoudens detailhandel ten dienste van en ondergeschikt aan het evenement; d. er dienen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd; e. de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn. Dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot blijvende / onomkeerbare voorzieningen / ingrepen; f.